Vrijdag 22/01/2021

Niemand aait 'Gods rottweiler'

Benedictus XVI, dat is de naam die kardinaal Joseph Ratzinger aannam na een van de kortste conclaven ooit. Het is dan toch waar wat de voorbije week geschreven werd: er is de laatste dagen in Rome intens gelobbyd voor de campagne van de Duitse kardinaal, de sterke man van de almachtige Congregatie voor de Geloofsleer. Hij heeft zijn leeftijd tegen (78 al, eigenlijk iets te oud) en ook zijn nationaliteit (een Duitser, dat 'ligt niet goed', om het zacht uit te drukken). Maar grote invloed, of noem het gewoon brute macht, speelt blijkbaar toch een rol. De volgende jaren zullen moeten uitmaken of de strengste kardinaal van de laatste decennia zal uitgroeien tot een goed kerkvader. Door Walter Pauli

Soms zit het hem in de kleine maar zo sprekende details. Eerst was het voorspelbaar: de witte rook even voor zessen 's avonds, dan het klokkegelui. En toen, om kwart voor zeven, wist de wereld wie de neuwe paus was. Wie de beelden van gis-teren herbekijkt en vergelijkt met van vorige pausverkiezingen, zag de vroegere pausen, na de feestvolle 'Habemus Papam', ook wel wuiven naar het volk, vriendelijk, maar ingetogen. Paulus VI leek in 1963 zelfs een beetje timide, Johannes Paulus I was in 1978 blij, maar niet uitbundig, en zelfs de zo mediagenieke Johannes Paulus II pakte het Sint-Pietersplein pas in met zijn korte toespraak, waarin de vreemde Pool zich meteen als 'Romein onder de Romeinen' bekende. Toen pas barstte het applaus echt los.

Dit jaar was dat anders. Joseph Ratzinger trad naar voren, geen glimlach, maar een brede (kwatongen zeggen: triomfalistische) lach, en de wijze waarop de nieuwe paus Benedictus XVI (zie hieronder) de handen ten hemel richtte - de vuisten net niet ballend - had meer iets van een lid van de Mannschaft die op het balkon van het Münchense Hofbrauhaus verschijnt na het behalen van de Weltpokal, dan van een paus die zijn gelovigen de eerste keer begroet. Het was net iets uitbundiger - te uitbundig (kijk maar na op de ongetwijfeld talloze herhalingen op tv) - dan bij de voorgangers. Het had net dat tikkeltje te veel weg van een carrièreman die, kort voor zijn afscheid, nog het hoogste ambt mag bekleden.

Joseph Ratzinger is de meest besproken kardinaal uit het pontificaat van Johannes Paulus II. Er waren nog kardinalen die over de tong gingen - de Afrikaan Gantin van de Congregratie voor de Bisschoppen, toen die de Jacques Gaillot 'verplaatste' van Evreux naar het onbestaande bisdom van Partenia, Angelo Sodano, de Oostenrijkse pedofiel Hermann Groerr, de Milanese kardinaal en jezuïet Martini, als progressieve hoop in bange dagen, Jaime Sin, toen die bijna op eigen gezag dictator Marcos van de Filippijnen verjoeg, of Dionigio Tettamanzi, de man van de kruistocht tegen The Da Vinci Code. Maar niemand stond zo lang en zo intens in het middelpunt van de belangstelling als Joseph Ratzinger, het hoofd van de Congregatie voor de Geloofsleer. In (zeer) kerkkritische publicaties wordt er dan altijd bij geschreven: 'de opvolger van de inquisitie', maar dat is een flauw argument. Al eeuwen was die inquisitie opgevolgd door het zogenaamd 'Heilig Officie', een Vaticaans orgaan dat tegenstribbelende theologen niet meteen op de brandstapel gooide, noch in een kerker, maar hen wel verbande. Functionarissen van dat organisme hielden nog wel heksenjachten, maar alleen in figuurlijke zin.

En, heel belangrijk, ook de jonge Joseph Ratzinger was ooit een gedeclareerd tegenstander van het Heilig Officie, de voorganger van het Vaticaanse organisme dat hij meer dan twintig jaar lang zelf zo vlijtig en onbarmhartig zou leiden.

Dat kwam zo. Joseph Ratzinger maakte zijn keuze om priester te worden in moeilijke tijden. Oké, daarvoor, tijdens zijn middelbare studies, in 1941, toen hij 14 jaar was, nam hij dienst bij de Hitlerjugend. Hij werd vrijgesteld van dienst, maar moest nadien terug in dienst, bij de luchtafweer. Hij werd gedwongen te werken in een bedrijf waar ook gevangenen van Dachau tewerkgesteld werden, en in zijn memoires (Milestones, Memoirs 1927-1977) en interviews (in Times) vertelt hij dat 'wie hem dat aanrekent, niets van geschiedenis kent'. In het Duitsland van 1944-'45 werden álle kinderen, jongeren en ouden verplicht onder de wapens geroepen. De opgeschoten puber/jonge adolescent Joseph Ratzinger, 17 in 1944, was eerder slachtoffer van de Hitlerjugend, de Flak-brigades en de verplichte tewerkstelling dan lid ervan. Ook al duiken er nu getuigen op uit het dorp waarin hij tijdens zijn jonge jaren woonde, die uitleggen hoe er sommige andere mensen wél in het verzet gingen tegen Hitler, en anderen niet. Dat klopt, maar er is niet het minste bewijs dat Joseph Ratzinger en zijn broer Georg met enthousiasme actief collaboreerden. Zij gingen weliswaar niet in het verzet, zij ondergingen gewoon.

De broers Ratzinger werden door de nazi's sowieso met een scheef oog bekeken, omdat zij beiden katholiek priester wilden worden. Niet omdat, zoals een bepaalde katholieke mythologie vandaag wil doen geloven, alle katholieken potentiële anti-nazistische weerstanders waren (dat waren zij niet), wel omdat katholieken per definitie geen heidenen waren, wat radicale nazi's zo graag wilden.

Na 1945 gaan Joseph en Georg Ratzinger de ingeslagen weg voort, op 29 juni 1951 is het groot feest in het Beierse plaatsje Traunstein, als de twee broers, plus hun vriend Rupert Berger, tegelijk priester worden gewijd. Joseph Ratzinger is dan 24 jaar oud.

Al vlug blijkt hij een briljant intellectueel. Binnen de kortste keren wordt hij een toptheoloog, een man die zich niet zozeer laat leiden door zijn professoren (die in de jaren vijftig vaak een tamelijk conservatieve en intellectueel zeker niet prikkelende vorm van theologie aanhingen) als wel door de theologische auteurs die hij las en door wie hij zich liet inspireren. En dat waren er veel, van de zeer bekende kerkvader Augustinus tot de toen 'modern' genoemde Romano Guardini.

Als een van de meest frisse en in het oog springende Duitse theologen werd hij door kardinaal Frings van Keulen uitgenodigd als officieel 'peritus' (expert) op het Tweede Vaticaanse Concilie, dat tussen 1962 en 1965 in Rome plaatsvond.

Zijn kardinaal-beschermheer Frings was een van de kopstukken tégen het Romeinse apparaat. Tijdens de eerste zitting leidde hij de groep van Frings opstand tegen de toen almachtige Vaticaanse curie-kardinaal Alfredo Ottaviani, toen de prefect van het Heilig Officie. Ottaviani en zijn Vaticaanse kliek wilden de controle over het concilie behouden, Frings wilde dat alle bisschoppen en kardinalen ter wereld democratische inspraak hadden. 'Collegialiteit', werd dat laatste verschijnsel toen genoemd. Frings haalde het, met bravoure.

Joseph Ratzinger was het intellectuele genie achter de dappere kardinaal uit Keulen. Samen met andere legendarische (vaak Duitse) toptheologen, zoals Karl Rahner en Hans Küng, zette Joseph Ratzinger de bakens van een nieuwe theologie uit. Zij kregen daarbij de steun van andere spreekwoordelijke namen als de Fransen Henri de Lubac (jezuïet), Yves Congar (dominicaan), de Belgische Nederlander Edward Schillebeeckx (dominicaan) en de Zwitser Hans Urs von Balthasar (ex-jezuïet). Tegen die verzamelde brains konden zelfs de zogezegd knapste theologen uit Rome niet op.

In die tijd hoorde Joseph Ratzinger dus bij de ideologisch-theologische voorhoede, briljante maar niet wereldvreemde intellectuelen die alles deden om de kerk te moderniseren.

Toen het concilie in 1965 afliep, hoorde Ratzinger zelfs bij de groep die nog sneller wilde verdergaan. Die mannen stichtten op een congres te Brussel het internationale theologische tijdschrift Concilium, een paradepaardje (het verscheen in tal van talen, Italiaans, Duits, Engels, Frans, Spaans, Nederlands) dat de boodschap van het concilie wilde 'uitdiepen'.

Maar terwijl zij nog bezig waren voorzichtig de eerste spadesteken te zetten in het in theorie zo rijke theologische veld, werd die groep ingehaald door de geschiedenis. In 1968 vonden overal in Europa (ook in Duitsland, remember Rudi Dutschke) studentenrevoltes plaats, en toen ook werd, heel ver weg, in het Colombiaanse achterland, de revolutionaire priester Camilo Torres doodgeschoten. In de Europese universiteiten vond een culturele revolutie plaats, in de derde wereld een politiek-militaire, die bovendien geschraagd werd door theologisch radicalisme. De intellectuele, zo niet intellectualistische universiteitsprofessor, die zich zo goed had gevoeld in de dogmatische en dus per definitie cerebrale discussies tijdens het Tweede Vaticaanse Concilie, verloor in real life (Duitsers zeggen: im Sitz des Lebens) het noorden. Hij was gedegouteerd - hostie ontvangen op de hand in plaats van op de tong: ja. Kerkvieringen in het Duits in plaats van in het Latijn: ja. Ja ook tegen een democratischer kerkmodel, zoals gesymboliseerd werd in de beslissing, kort na het Tweede Vaticaans Concilie, van paus Paulus VI om het gevreesde Heilig Officie te vervangen in de Congregatie voor de Geloofsleer. Daarin is het woord 'voor' vooral belangrijk: de paus wilde een orgaan dat vooral goede theologie aanmoedigde, of overtuigde om die te bedrijven, dan foute theologen te veroordelen. Dat vond Joseph Ratzinger allemaal prima.

Maar blote borsten op tv. Joints roken. Een cultuur van popmuziek en contestatie? Kerkelijke structuren die daartegen niet bestand leken, meer, zich lieten doordesemen van het onuitstaanbare 'marxisme', helemaal volgens de geest van de tijd. Joseph Ratzinger gruwde ervan, en hij niet alleen.

Het zogezegd 'conciliaire kamp' (de brede meerderheid die tijdens het concilie de conservatieven in de minderheid had geplaatst) viel in een paar jaar tijd compleet uiteen. Dat schisma zette zich in alle lagen van de kerk door. Paus Paulus VI moest naar aanleiding van de encycliek Humanae Vitae (het behoud van de meest traditionalistische seksualiteits- en huwelijksmoraal) openlijk oorlog voeren met de Belgische kardinaal Leo-Joseph Suenens, nochtans de man die gold als zijn eigen kingmaker.

Ook tussen de theologen kwam er hommeles. De progressieve groep viel uiteen in 'blijvend progressieven' en 'neoconservatieven'. Onder impuls van de charismatische Hans Urs von Balthazar vonden mannen als Henri de Lubac en (toen nog relatieve) youngster Joseph Ratzinger dat de geest van het concilie 'te ver' was doorgeslagen. Vrouwelijke priesters, gehuwde priesters, linkse priesters, homoseksuele priesters, gruw gruw gruw: dat was nooit de bedoeling geweest.

Zij traden allen uit de groep van Concilium en stichtten als reactie een nieuw blad, ook een internationaal theologisch tijdschrift, een conservatief blad gemaakt door voormalige progressieven, en precies daarom moeilijker te counteren dan de oubollige schrijfsels van blind-fanatieke traditionalisten. De naam van die publicatie was Communio - de kerk moest 'in communio leven, in gemeenschap, versta: zonder dissidenties. Ook dat blad werd internationaal verspreid, in verschillende talen. Het kreeg ook weerklank in Polen, een van de eerste medewerkers was de aartsbisschop van Krakau, een onderlegde filosoof: Karol Wojtyla.

De barst werd een openlijke breuk. Joseph Ratzinger wilde niet meer doceren aan de universiteit van Tübingen, waar zijn immer progressieve maar zeer contestaire collega Hans Küng the hottest theologian in town was. Hij verhuisde naar Regensburg, rustiger, conservatiever vooral, met bravere studenten.

Door zijn herwonnen vroomheid viel hij op. Paus Paulus VI was tuk op 'verstandige progressieven' - naar zijn eigen beeld: ooit zacht-progressieve priesters die heel duidelijk hun lijnen trokken en absoluut gehoorzaam waren aan de Romeinse lijn.

Joseph Ratzinger behoorde daartoe. Paulus VI nam in maart 1977 een cruciale beslissing, een die Ratzinger mogelijk vandaag nog altijd geholpen heeft: hij benoemde hem tot aartsbisschop van München. Dat is nodig, omdat hij zich zo met het zo noodzakelijke label 'pastoraal' kan omhangen. Het gaat hierom: wie kerkelijke carrière wil maken, moet minstens een beetje 'pastoraal' zijn. Dat wil zeggen: niet volledig 'curiaal' (alleen gewerkt in het Vaticaan) en ook niet alleen universitair.

Ratzinger mocht het op een na (Keulen) rijkste en machtigste aartsbisdom van Duitsland leiden, meteen ook een van de tien machtigste in Europa. Heel snel volgde de absolute beloning. Amper vier maanden na zijn benoeming in München, tijdens zijn allerlaatste consistorie in juni 1977, benoemde Paulus VI hem tot kardinaal. Ze waren met amper vijf, maar het was wel een historische lichting: Benelli (één jaar, tijdens de twee conclaven van 1978, later al de grote progressieve kingmaker en papabile), de Afrikaan Bernard Gantin (de eerste zwarte Afrikaan die twintig jaar lang een absolute topfunctie zou bekleden op het concilie, namelijk die van hoofd van de Congregatie van de Bisschoppen, verantwoordelijk voor alle bisschopsbenoemingen), de magere, conservatieve Italiaanse theoloog Ciappi en, last but nog least, Joseph Ratzinger. Een jaar later nam hij deel aan de conclaven die Albino Luciani (Johannes Paulus I) en Karol Wojtyla (Johannes Paulus II) tot paus verkozen.

Ratzinger bleef nog een aantal jaren in München. Intussen was het roemruchte pontificaat van Johannes Paulus II begonnen. Een van de eerste kenmerken ervan was dat te progressieve theologen werden opgejaagd door de Congregatie voor de Geloofsleer onder voorzitterschap van de Joegoslaaf Franjo Seper. De eerste theologen die het in Rome mochten komen uitleggen waren Hans Küng en Edward Schillebeeckx, twee voormalige medestanders van Ratzinger. Goed tien jaar later waren het vijanden. Ratzinger was een van de Duitse prelaten die blij was met de eerste schorsingen en veroordelingen van Hans Küng, die met een doorwrocht, wetenschappelijk boek de historische en theologische pretenties van de leer van de zogenaamde 'pauselijke onfeilbaarheid' onderuit had gehaald. Toen Seper oud werd, benoemde Johannes Paulus II in 1981 Joseph Ratzinger tot zijn opvolger. Het zou de belangrijkste en meest invloedrijke benoeming uit zijn hele pontificaat zijn.

Het waren keiharde tijden. De Koude Oorlog bereikte zowat haar hoogtepunt, en die strijd werd ook op het kerkelijke front uitgevochten. Ratzinger concentreerde zich in een eerste fase op Latijns-Amerika, waar linkse bevrijdingstheologen ijverden voor een heuse volkskerk, en daarvoor nog steun kregen, ook van belangrijke kardinalen en aartsbisschoppen. Joseph Ratzinger leidt vanuit Rome de reactie. Wie voor een beetje volkse of progressieve kerk is, is tegen hem. En dus tegen de paus. Tegen de kerk. Tegen God Hemzelf. Goddeloos, ketters. De verbindingen worden vliegensvlug gemaakt. Iedere Zuid-Amerikaan met naam (Gustavo Gutteriez, Leonardo Boff, Jon Sobrino, ook de Filippijn Ed de la Torre) kreeg last. Er komt een bijzonder agressieve 'Instructie tegen de Bevrijdingstheologie'. Puur theoretisch, zonder één seconde rekening te houden met de concrete Latijns-Amerikaanse context, sabelt Ratzinger de theologen neer met wie hij en de redactie van Communio een paar jaar voordien nog gewoon van mening verschilden. Maar zij hoorden dus niet tot de 'gemeenschap' van de kerk.

Ratzinger was op zijn best als hij agressief uit de hoek kwam. Wie hem persoonlijk kent, heeft het over een minzaam man, zelfs timide, een intellectuele kerel met een grote (zij het wat beperkte) culturele bagage. Maar als hij eenmaal achter zijn schrijftafel zit, verandert dat. Als hij schrijft, is zijn typmachine zijn machinegeweer: dodelijk. Niet alleen bevrijdingstheologen vinden hem op zijn pad. Dat geldt ook voor westerse, al te liberale moraaltheologen. Ratzingers instructie Donum Vitae bepaalde dat er nooit een millimeter zou afgeweken worden van van de traditionele lijn in de bio-ethiek. Denkers her en der met in zijn ogen te afwijkende ideeën over de natuur van de maagd Maria, en dergelijke zaken die alleen katholieken aangaan, die vlogen er ook uit. Het levert Ratzinger fraaie bijnamen op als 'Panzerkardinal' of 'Gods rottweiler'. Een waakhond, niet met een blaffende bas, maar met een hoge piepstem. Een flinkerd, een durver, maar vanachter zijn Romeins bureau, en omkleed door gezag.

Het hoogtepunt in zijn eigen image building in zonder twijfel het geruchtmakende Rapporte sulla Fede uit 1985 - helaas nooit in het Nederlands vertaald, wel in het Frans als Entretien sur la Foi. In dat interview in boekvorm rekende Ratzinger op bijzonder agressieve wijze af met alles wat zoveel katholieken dierbaar was. Zelfs het Tweede Vaticaans Concilie moest eraan geloven, en zo corrigeerde hij meteen zijn eigen, persoonlijke geschiedenis (al bleef de baseline voortdurend: 'Niet ik zat fout, het zijn de anderen die veranderden.') Toen in de herfst van dat jaar de bijzondere synode werd gehouden over het concilie, leek het alsof Ratzinger de kerk jaren terug zou katapulteren. Eén man verhinderde dat toen, door in een magistrale openingstoespraak een veel optimistischer beeld van de kerk en de wereld op te hangen: Godfried Danneels, kardinaal van Mechelen-Brussel. Hij had een voor Ratzinger dodelijke quote voorhanden op de eerste persconferentie: "Ik meen dat we hier samen waren om te na te denken over een concilie, niet om te discussiëren over een of ander boek."

Ratzinger verloor wel een ronde, maar zeker niet een strijd. Toen in de vroege jaren negentig de fysieke capaciteiten van Johannes Paulus II begonnen af te nemen, steeg zijn invloed spectaculair. En het moet gezegd: de paus uit Polen steunde in grote mate op zijn dienaar uit Duitsland - in die zin was hun as een weerspiegeling van het in hun ogen ideale, wezenlijke katholieke Europa waarvoor zij beiden stonden.

Maar er bleken ook belangrijke verschillen. Wat veel minder bekend is, is dat Joseph Ratzinger de jongste jaren in de oppositie is gegaan tegen Johannes Paulus II zelf. Wojtyla durfde enig risico aan. Tijdens de beroemde 'gebedsdagen te Assisi' bad hij samen met leiders van alle wereldreligies, niet alleen niet-katholieke christenen (protestanten, anglicanen, orthodoxen) of monotheïsten (joden, islamieten), maar ook met hindoes, boeddhisten, allerlei animisten. De groep rond Ratzinger verborg niet dat dit in hun ogen het gevaar in zich droeg van 'syncretisme', een ketterij die een mengpot maakt van te uiteenlopende godsdiensten en afgoderijen.

Er waren nog meer conflicten. Ratzinger leed een belangrijke nederlaag toen de pauselijke encyliek Ut unum sint (1995) aan zijn controle ontsnapte, en theologen van een andere strekking de inhoud bepaalden, en de paus (onder voorwaarden) zelfs het eigen primaatschap ter discussie deden stellen.

Maar meestal won Ratzinger, en als hij daarvoor anderen, meer coulante Vaticaanse congregraties of raden in de gracht moest rijden, dan deed hij dat. Berucht waren de conclusies van de gemengde Anglicaans-katholieke Commissie over samenwerking. Die bereikte, na jaren van samenwerking, eindelijk een overeenkomst. Het werd doorgezonden naar de Congregatie voor de Geloofsleer. Ratzinger liet de tekst tien - tíén - jaar wachten. Toen keurde hij hem af. Het is te zeggen: de tekst werd gecorrigeerd. Dus: alle anglicaanse toegevingen werden geschrapt. Alleen de oer-katholieke versie bleef over. Einde overeenkomst. Ratzinger ziet er geen graten in. Hij gelooft, zegt hij altijd, in de geloofsbelijdenis van Nicea: 'Ik geloof in de ene, heilige en apostolische kerk.' Dus de katholieke. En daarbuiten is geen heil. Dat bleek uit zijn geestelijk testament, Dominus Iesus (2000), gemaakt en gepresenteerd door de congregatie van Joseph Ratzinger, met hulp van Opus Dei-leden als Fernando Ocariz. De fundamentele stelling: er is geen, maar dan ook géén heil buiten de kerk." Joseph Ratzinger gelooft dat echt.

In de loop der jaren was Ratzinger dus steeds nadrukkelijk teruggetrokken op zijn eigen gelijk. Niet zijn grote gelijk, daarvoor, zegt men, is hij persoonlijk te bescheiden, maar zijn heilige gelijk. Het is niet de arme zondaar Joseph Ratzinger die spreekt, oordeelt en veroordeelt, hij doet dat allemaal in gehoorzaamheid aan God en zijn kerk.

Zijn netwerk, zijn intellectueel prestige, wellicht ook zijn persoonlijke integriteit (Ratzinger is nooit ernstig genoemd in welk schandaal dan ook) gaven hem een geweldige machtspositie in de kerk van Johannes Paulus II. Want dat men zich niet vergist, Ratzinger stond 'rechtser' of was nog 'conservatiever' dan Johannes Paulus II, maar binnen de kardinalen zijn er die nog veel rechtser staan, zoals de vreselijke Zuid-Amerikanen Lopez Trujillo en Castrillon Hoyos.

In een college van kardinalen dat zo goed als volledig was benoemd door de laatste paus, was Ratzinger, hoewel misschien wel de fideelste Wojtyla-adept van allen (en meer en zogezegder pro-Wojtyla dan Johannes Paulus II zelf), een van de drie kardinalen die nog gecreëerd waren door Paulus VI. Hij, een van de intellectuele boegbeelden van het Tweede Vaticaans Concilie, deed er alles aan om de erfenis en het enthousiasme van dat concilie in 'banen te leiden', en dus te fnuiken. Een Duitser met een (zij het tamelijk onschuldig) Hitlerjugend verleden, die in een interview beklemtoont dat Duitsers geen te groot schuldcomplex moeten hebben voor hun geschiedenis, volgt een paus op die in Yad Vashem voor vergeving vroeg. De intellectueel moet een herder worden, de antiseksuele prelaat, een warme vader. Uitgerekend zo'n man wordt in recordtempo tot paus verkozen.

Daar zit een ijzeren logica in, want de topintellecuteel Joseph Ratzinger was nooit een rationalist. Zijn credo was altijd dat geloof niets te maken heeft met exacte wetenschap, maar met aanvaarden dat je niet alles kunt verklaren. Zijn eigen pauskeuze is alvast een diepe uitdrukking van wat voor hem ongetwijfeld een oprecht geloof is.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234