Maandag 14/10/2019

Nie pleuje, Gent. Nie pleuje

Het blijft een vermetele poging om, als Limburger woonachtig in Leuven, een week lang naar Gent te trekken en daar ter plaatse de ziel te pellen van de Gentse Feesten. Maar het is wel zo dat heel Vlaanderen met verwondering naar Gent kijkt, en Gentenaars dat vanzelfsprekend vinden; natuurlijk, het zijn 'Gentse Fieste'. Maar wat maakt de Gentse Feesten zo uniek? Wat is de magie van de stad, de charme van haar bewoners, het fijne van haar Feesten? Een strijdbericht van een oorlogsweek aan het front, tussen flarden muziek en de alcoholdampen door.

Walter Pauli / Foto's Stephan Vanfleteren

'Pinten, pinten, alle doagen pinten, oas ter nie te zuipen es toens ek ik giene moed

Pinten, pinten, alle doagen pinten, van dad ieste slokske voele 'k mij toch zuu goed.'

Het is elf uur 's morgens. In Café Tarfuffe op de Botermarkt, recht tegenover het stadhuis van Gent, start rond tien uur een volgende dag van de Gentse Feesten - al zullen Gentenaars meteen corrigeren: 'volgende dag' is halfweg juli een hoogst volatiel begrip in Gent, waar dag en nacht dan in elkaar overvloeien.

Dat Tartuffe-publiek host en zingt mee en ondanks de tekst vloeit er meer koffie dan bier. Het bestaat bij heren en dames van zestig of ouder, en busjes voeren zelfs oudjes aan in rolstoel. Dit is hun feest. De zangers zijn uitgedost in wit hemd, ze heten 'Willy Bart en zijne Kluts', en ze zingen, jawel, volksliedjes. Tot groot jolijt van een groepje nachtdrinkers dat zonet nog zijn 'laatste' op de Vlasmarkt naar binnen goot, en zich nu heeft neergeploft op het terras van de Tartuffe, voor écht de allerlaatste. De Vlasmarkters lachen luid met het oubollige gedoe, maar de zangers van Tartuffe richten zich natuurlijk niet tot hen, tot de even harde als late kern van Gentse Feestvierders.

Al bepaalt dat jong en rond dit uur behoorlijk dronken volk wel het beeld van de Feesten. Als media de jongste week bij allerlei BV's peilen naar hun plannen voor de Gentse Feesten en hen vragen stellen over 'hoe tien dagen Gent te overleven', dan lijkt het alsof de Feesten pas echt schitteren als de zon al lang is ondergegaan. Dat is zo, en ook weer niet. Niet, omdat Gent niet alleen bestaat uit nachtbrakers, studenten en onderwijzend personeel dat twee maanden vakantie heeft. Er bestaat in Gent ook een groep die 'gepensioneerden' heet, en die zijn met vele tienduizenden. De nachtelijke kern doet die niet-nachtbrakers allemaal af als 'toeristen', maar dat is onzin. Ja, er zitten toeristen in de Tartuffe, maar ook veel gewoon volk. Het volk dat naar volksliedjes luistert. Walter De Buck is ook ooit zo begonnen, als volkszanger, en in de meesleep daarvan nam hij de Gentse Feesten opnieuw op sleeptouw. Dat verhaal is bekend, en het is geschiedenis, en iedere Gentenaar is Walter De Buck daar erkentelijk voor.

Maar zijn liedjes dus niet, zo blijkt. Willy Bart en zijn kornuiten, hoe volks en kinds die liedjes ook klinken, zijn evenzeer als de vrije vogels van het Sint-Jacobsplein kinderen van Walter De Buck. Die Sint-Jacobs-groep ademt de geest van Walter De Buck en zijn linkse, langharige vrienden-feestvierders van destijds, de mensen in Tartuffe zingen zijn volksliedjes, zij het een gladdere variant. Is de ene Gentenaar meer waard dan de andere?

"Neen", zegt Frank Beke, die aan zijn elfde Feesten als burgemeester toe is, zijn voorlaatste dus, want volgend jaar stopt hij ermee. "De Feesten zijn een zaak van heel Gent. Neem mijn ouders. Zolang die goed ter been waren, pikten die altijd een matineevoorstelling mee, of een aperitiefconcert. Zij woonden in het centrum van Gent, ze hadden een buitenverblijf, maar ze weigerden Gent te verlaten tijdens de Feesten. De Feesten wilden ze niet missen."

Het is de zesde dag van de Feesten en burgemeester Beke ziet er nog gezond uit, en helder. Dat is niet vanzelfsprekend, want de Feesten zijn big business, niet alleen financieel, maar vooral een monstrueus karwei voor het stadsbestuur. De vrolijke, anarchistische tijden van Walter De Buck zijn allang verleden tijden. (Hélaas, ook al te letterlijk. In de officiële programmabrochure die het gemeentebestuur uitgeeft, is er géén referentie meer aan het pionierswerk van Walter De Buck en co. Er is wel een grote foto van de organiserende schepenen Daniël Termont, Lieven Decaluwe en Sas van Rouveroij. Ze doen alsof ze muziek spelen, en ze blinken dermate tevreden in de lens dat het goed is dat de brochure niet op glanspapier werd gedrukt: de ogen zouden pijn doen.)

Frank Beke weet dat een feestneus niet meer aan het hoofd kan staan van de Feesten en houdt zich dus nuchter. "Sinds ik burgemeester ben, pik ik hier en daar wel een optreden mee, maar ben ik zeer matig met drank. Zelfs gewoon wat aangeschoten zijn is er niet meer bij, ook niet laat op de avond. Want de mensen vinden dat wel plezant, een burgemeester die graag pintjes drinkt, tot er wat gebeurt. Dan keert zich die reputatie bliksemsnel tegen je."

En zorgen zijn er voldoende, op korte en lange termijn. Kort, dat is het praktische, de veiligheid vooral. Lang, dat is het wezen van de Feesten, de weg die ze opgaan, het volk dat ze moeten bereiken. Zo baart het Beke zorgen dat de Feesten zo moeilijk de migranten bereiken. "Deels komt dat omdat ze in juli massaal op vakantie gaan naar Marokko, Turkije en andere thuislanden. Deels tja... omdat we blijkbaar geen contact met ze krijgen. Maar we doen ons best. We kunnen de feestzone - het stuk Gent dat afgesloten wordt voor de Gentse Fieste - niet nog groter maken, het is nu al moeilijk te controleren, maar we proberen wel andere initiatieven op te zetten in andere wijken, zodat het niet alleen een zaak van het centrum is."

Maar in het centrum zijn en blijven de Gentse Feesten een zaak van belang. Freek Neirynck, een van de pioniers van de Feesten ("Ik stond in 1970 op het allereerste podium, dat nog op een hoop bierbakken was gebouwd") blijft het beklemtonen: "Chapeau voor de gewone Gentenaars, want het is niet vanzelfsprekend om tien dagen lang 'feesten' in de straat te hebben, en tonnen plastic bekers, en muziek de hele dag door, en lawaai de hele nacht."

Maar de Gentenaars verdragen dat wel. Meer, ze zijn er trots op. Je hoeft er niet naar te vragen, ze komen het je zelf zeggen: dat Gent het grootste stadsfestival van Europa heeft, al heet het officieel een 'cultureel volksfeest'. Hoe cultureel, hoe volks, dat is de afweging die officieel en officieus Gent deze dagen maakt. En de meningen zijn verdeeld.

Hoe volks, dat zie je iedere dag op de straten, de pleinen, in de tenten, de restaurants en cafés. Ook in de huiskamers. Op een appartement in volle stadscentrum, tussen Graslei en Korenmarkt, ontvangen Tom Van den Berghe en Eva Verplaetse gasten in hun living, een woonkamer die speciaal voor de 'Gentse Fieste' in een huisrestaurant is veranderd. Ze koken, en ze doen dat heerlijk. In een appartementenkeuken - een brede gang, zeg maar - zetten ze zich aan een eigen mengvorm van Thaise en Vlaamse keuken: garnalen in een pittige salsa als hapje, achteraf een zalige verscheidenheid: pittige sla met schijfjes kreeft, baars met korianderpuree, mosselen in kokossaus, kortgebakken rundsvlees met paksoi, kip in bananenblad. Het kan niet op, en we kregen het ook nauwelijks op. Is dat om geld te verdienen? Neen, want veel meer dan uit de kosten geraken ze er niet mee. Maar het zijn nu eenmaal Feesten, en ze koken graag, en mensen, vrienden vooral, maar ook fijne kennissen en vrienden van vrienden, zien smullen van eigen gerechten, is er iets feestelijkers? Zeker voor wat we gemakshalve 'jonge dertigers' zullen noemen, mensen voor wie het ongeremd nachtbraken en doordrinken niet meer iedere avond moet. Ze gaan nog wel eens naar de Vlasmarkt, maar ze kamperen er niet meer. Dat laatste is een zaak voor de jonge generatie van Feestvierders, plus de diehards - diehards never die, weet u wel.

Dat feestelijk koken is overigens niet nieuw. Het staat al beschreven bij Felix Timmermans. De kleine kippenboutjes zijn in Pallieter volle Kempense kippen, de paksoi bestaat uit wortels en erwtjes, maar het bier is hetzelfde. Timmermans heeft weelderige beschrijvingen van kermissen en de feestmaaltijden daarbij. Waarover hij in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw schreef, dat gebeurde vorige week her en der in Gent, bij jong en oud, onbekend en bekend. Bij Tom en Eva, maar ook bij de heer Beke, Frank: "Ons appartement komt uit op het Sint-Baafsplein. Tijdens het optreden van Clouseau hebben we vrienden uitgenodigd. Niet om te kijken, maar om gezellig samen te zijn, met muziek van Clouseau als achtergrond. En zo zijn er veel Gentenaars: de Feesten zijn hét moment om volk uit te nodigen."

Volks, zelfs massaal, zo massaal dat pleinen en straten afgezet worden wegens al te veel volk. Het gebeurde meermaals bij Polé Polé, het exotische festival dat nu plaatsvindt op de Korenlei en de Graslei, en drijvende pontons op de Leie. "Gentenaars pikken dat niet", zegt Beke. "Ik ben al kwaad aangepakt door mensen die drie avonden op rij Polé Polé probeerden te bereiken, maar er nooit binnen konden. Maar het kan niet anders. Toen ik gisteren op de Korenmarkt stond, zag ik overal waar ik keek volk, volk, volk. De angst voor Heizel-toestanden zit er bij ons in, ja." Ook schepen van Feestelijkheden Daniël Termont liet verstaan dat hij een gevoel van beklemming kreeg toen hij in de mensenzee zelfs zijn gsm niet boven kon halen - al discussieert Gent er nog over of dat komt door het vele volk rond hem of door de omvang van Termont zelf.

Op het controlecentrum van de politie, waar men met hightechcamera's de hele zone nauwkeurig bespiedt en keurt, lost men wat van de keukengeheimen: als er te veel volk dreigt te komen, kondigen de lichtborden al aan: 'dit of dat plein is gesloten'. "Bijna gesloten kunnen we niet maken", zeggen ze bij de politie. "Want als mensen dat zien, komt er meteen een stormloop naar dat plein."

Niet iedereen is er even gelukkig mee. Freek Neirynck, die de teksten levert van Pierke Pierlala (een volkse hekeling van het Gentse politieke wereldje), legt zijn personage een bittere klacht in de mond: "Daar ligt hij, de toeschouwer die de uitgang niet vond. Dan zijgt zij, zijn liefje, groggy op de grond."

"Getormenteerde nostalgie", zo bestempelt Neirynck zijn gevoelens bij de ontwikkeling van de Gentse Feesten. Hij hoort de discussies ook wel, over pleinen die afgesloten moeten worden, zelfs betalend. "Als Walter De Buck ooit zou sterven, hij zou zich omdraaien in zijn graf. Deze generatie is de pioniers aan het vergeten, de creatieve geesten die ooit voor het succes van de Feesten tekenden. Met kiest vandaag op Sint-Baafs voor Clouseau, maar men verwaarloost de Gentse volksliedjes, de volkscultuur. En dat was toch de basis van de Feesten."

HHH

Ja, waar gaan de Feesten heen? Frank Beke zelf vindt de evolutie 'minder saucissen, meer cultuur' geen slechte zaak. "Een jaar of tien geleden liep het uit de hand, toen werden de Feesten langzaam een grote, zatte braderie. Dat was niet de bedoeling, en dat die evolutie is omgebogen is zeer oké. Maar ik stel me de vraag ook. Ik ben bijvoorbeeld een fan van Blue Note, het jazzfestival. Maar moet Blue Note wel tijdens de Feesten? Het staat er nu al wat buiten, in de Bijloke, en het is ook betalend. Blue Note blijft steengoed, ook zonder de Feesten, en de Feesten blijven even populair en even goed, ook zonder Blue Note." Dus een evolutie zoals zijn partijgenoot Termont, die aangeeft dat hij droomt "van Bob Springsteen in het vernieuwde Ottenstadion", die richting wil Beke liever niet uitgaan: "Ik zie Springsteen wel graag naar Gent komen, maar niet tijdens de Feesten."

Het geheim van de Gentse Feesten, zo blijkt als Frank Beke een ambtenaar erbij haalt, is dat de Gentse Fieste spontaan ogen, maar in feite hyperprofessioneel zijn. De ambtenaar ontvouwt de plannen van Polé Polé, haast net zo gedetailleerd als een plan van een architect voor een huis. Alles voorbereid, iedere kraam: er staat nergens tien centimeter te veel naar links of naar rechts. Allemaal gepland, met de brandweer doorgesproken. "Er is echt geen andere manier om honderdduizenden bezoekers naar Gent te laten komen."

Eigenheid bewaren, toch evolueren, tegelijk spontaan en professioneel werken, zo klinkt het ook bij Guido De Leeuw, de voorzitter van vzw Trefpunt. Café Trefpunt, plus de organisatie, huizen op het Sint-Jacobsplein, het historische hart van de Gentse Feesten, dus daar waar Walter De Buck ze in 1970 nieuw leven inblies, met zijn hippies en langharig tuig, zoals de zeer deftige en christen-democratische burgemeester Placide De Paepe met afgrijzen zag. In Het Vuur aan de lont, het mooie geschiedenisboek van de Feesten dat Trefpunt een paar jaren terug uitgaf, staat een prachtig citaat uit het rapport van de commissaris van politie aan de burgemeester uit 1972: "De Feesten bij Sint-Jacobs brengen een concentratie van hippies, waaronder meerdere buitenlanders, hoofdzakelijk Hollanders, mee, met al de gevolgen van dien: ongebondenheid, negeren van de bestaande orde, agressiviteit, gemis aan hygiëne."

De hippies zijn al lang verdwenen - op de Vlasmarkt werden ze als attractie van stal gehaald, de vijf meest langharige exemplaren van Gent, om er 'vlaspopjes' in het publiek te smijten - die dan verscheurd worden, omdat in sommige popjes wat geld steekt. Het 'langharige tuig' van vandaag is misschien nog werkschuw, maar in ieder geval niet meer vies van geld. En de christenen, vroeger zo huiverachtig, hebben de Feesten ontdekt.

Niet alleen de katholieken. In de schaduw van het Gravensteen houdt ook de Vrije Evangelische Kerk open deur dag. Pannenkoeken met Koffie, en een interactieve tentoonstelling over de bijbel en de reizen van Paulus. Een jonge dertiger met baard, bril en zwart T-shirt - 'New Adventure' - houdt de zaak onder controle. Hij heet Kris Medaer, is dominee, en heeft een hart voor de Feesten. "Voor ons is dit hét moment om met onze gemeenschap naar buiten te komen, onze boodschap ook. Tijdens de Gentse Feesten staan de mensen ongelofelijk open om nieuwe zaken te leren kennen. We hebben tijdens de winter ook al glühwein aan de man proberen te brengen, en dat was geen succes. Maar nu hebben we hier tientallen bezoekers per dag. En zondag is er een eredienst van alle protestantse kerken in het Baudelopark. Onze boodschap staat in de bijbel, en die verandert niet, maar over de vorm gaan we toch niet flauw doen. Het zijn Gentse Feesten, en dus organiseren ook wij activiteiten in het kader van die Feesten."

Soit. Terug naar Guido De Leeuw, die op Sint-Jacob dus een traditie hoog heeft te houden. Hij spreekt van 'het hart van de Feesten', en waarschijnlijk heeft hij gelijk. Op Sint-Baafs komen wellicht populairdere groepen, op de Korenmarkt kan er veel meer volk staan, Polé Polé trekt internationaal veel bekendere sterren aan, maar nergens zijn de Gentse Feesten zo zichzelf als op het kleine pleintje achter de Sint-Jacobskerk. Het is ook het meest politieke plein, zelfs al het niet over politiek gaat. Maar de stenen ademen er een soort linksigheid: wie hier staat, is niet gediend van lieden die bijvoorbeeld autochtonen en allochtonen tegen elkaar opzetten. Zondagavond maakte Willem Vermandere op een écht geestige manier kipkap van het Vlaams Blok. Er was gelach alom, en niet één keer boegeroep. "Zo willen we het houden", zegt De Leeuw, "maar gemakkelijk is het niet. Vermandere is natuurlijk een vaste waarde, met een eigen publiek. Als hij optreedt, staat het plein nog altijd bomvol. Als hij weggaat, loopt ineens de helft van de mensen weg. Rudy Vandendaele van Humo heeft hier ooit gepresenteerd, en hij sloot Vermandere af met de woorden: 'De huifkar naar Ruddervoorde staat klaar'.

"Maar het is harder werken dan vroeger. Vroeger hadden we geen concurrentie. Op de Korenmarkt lieten ze Eddy Wally komen, en Stafke Fabri, daar keek ons publiek toch op neer. Maar nu is dat anders. Polé Polé, de Oude Beestenmarkt, Blue Note, die programmeren allemaal namen die ook wij wel zouden willen. Vorig jaar speelde Sioen hier, nu kiest hij gewoon een ander podium. Want dat is ook een fenomeen: het zijn niet meer de 'pleinen' die kiezen, de zangers kiezen nu eigenlijk zelf hun plein uit, wegens keuze te over." Sint-Jacobs zoekt daarom andere wegen. Projecten als Jonge Wolven, waar jonge kunstenaars uitgenodigd worden om uit hun pijp te komen.

"Zo houdt de concurrentie ons scherp. En wij hebben natuurlijk nog onze eigenheid, die we nooit willen loochenen. Wij blijven bijvoorbeeld aan politiek doen - de debatten 'Zonder dwarsliggers kunnen de treinen niet rijden' van Eric Goeman, die toch hun plaats hebben, en bijvoorbeeld de multiculturele stadswandelingen." De Leeuw wijst naar een groep mensen die verzamelen bij het Trefpunt. Anders dan wat men zou denken over een activiteit met een politiek correcte naam, is het geen politiek correct volk dat daar samentroept. Wel gewone Gentenaars, zelfs met een tamelijk hoog working class-gehalte.

HHH

Want dat valt zeker op. Cultuur of culturele nieuwsgierigheid zijn geen kwaliteiten die alleen bij betere, rijkere of slimmere mensen te vinden zijn. Gewoon rondkijken volstaat. Of luisteren. "Links, rechts rechts, links, en draai." De stem klinkt ritmisch en opzwepend, honderd paar voeten volgen mee. Op het Emile Braunplein, in het hartje van de stad, tussen de historische torens in, bij Klokke Roeland en de Reliekdragers, geven Zita en Jesus Coba hun dansinitiatie. Latino's in Gent leren Vlaanderen salsa en merengue dansen. Jesus is een kei in zijn vak, een aficionado van de dans, en die liefde voor ritme brengt hij over. In geen tijd staat de planché vol. Geen onderscheid in rang, stand, leeftijd of geslacht. Grijzebaard-achtenzestigers, gewone vrouwen in simpel kleedje, sterke lijven van bouwvakkers in tijden van bouwverlof, mannen met oorbellen en meisjes zonder, ze dansen allemaal. En ze lachen, en de omstanders en toeschouwers ook. De planché danst en davert, de graskant heupwiegt mee. Aanstekelijk is een understatement.

Dit zijn de Gentse Feesten, meer, dit is de echte kern van de 'Fieste'. Het heeft niets met de nacht te maken, niets met drank, niets met die tientallen podia met al dan niet bekende groepen erop. Wel met de mensen, met muziek ook, en met elkaar. Wie hier staat, wie hier danst, die kán niet kwaad zijn, niet boos, zelfs niet bedroefd of treurig. Zelfs de mensen van de Bond zonder Naam zouden het niet kunnen bedenken, maar het is wel zo: de salsaman en zijn bonkende bende wiegen het goede gevoel de stad in, de straten op. De Vlaamse Vereniging van Steden en Gemeenten mag honderd rapporten over 'community sharing' schrijven, over basisgemeenschap en zelfactiviteit van de burgers. Op een heel eenvoudig niveau gebeurt dat hier. Samen dansen. Meer moet het niet zijn, eenvoudiger kan het niet, oer-Vlaamser evenmin. Was dat ook niet geheim van al die kleine wijkkermissen, vroeger? De piano, de trekzak, de jukebox natuurlijk, en dan maar swingen. Stond dat niet centraal bij de Paradijsvogels, het feuilleton van het Vlaanderen van toen. Het Vlaanderen van nu is eigenlijk niet anders. Zelfs renners weten het: verzuring jaag je uit de lijven door de spieren te masseren. Wie de handen van de heren bij sommige dansende koppels bezig ziet - discreet denkt hij - weet dat hier en daar het einde van de verzuring nabij is.

Toch stelt een mens zich wat elementaire vragen bij het bezien van zoveel dansende lijven en voeten. Zoals daar zijn: waarom dragen zoveel mannen sandalen? Want dat is wel het uniform van de Gentse Feesten, zeker op warme dagen. Sandalen met open teen - waarbij, helaas, veel mannen niet inzien dat ze met dit schoeisel ook een onderhoudsplicht hebben jegens hun tenen, en vooral de teennagels. Tenminste, bij de minzeventigjarigen. Zeventigplussers dragen ook sandalen, maar altijd met sok. Geen witte sokken, maar grijze, lichtblauwe of, zeer populair, bordeaux-rood.

Een andere bedenking: zou het kunnen dat mannen met schoenen betere dansers zijn dan mannen op sandaal? Dat mannen met witte broek, over het algemeen, soepelere heupen hebben dan die in jeans? En ten slotte, waarom torsen zoveel mooie vrouwen zoveel en zulke lelijke tatoeages? Vinden ze hun borsten dan mooier met een bloem erop? Volstaat God's own tepelhof niet meer? Camoufleren ze hun eigen flirtgedrag met een buitenmaatse vlinder op hun rug, hopen ze op de zevende hemel met een engeltje op hun enkel?

Volkse cultuur wordt niet alleen collectief beleefd. Helemaal in haar dappere eentje staat Jolien Vindevogel. Rode sportschoenen, jeansbroek, een opvallend brede, blinkende ceintuur om haar middel. Jolien speelt viool, en ze doet dat virtuoos. Nog niet met zoveel hoofdbewegingen als de echte op de Koningin Elisabethwedstrijd, en ze kijkt wel naar het publiek, maar nog niet helemaal vrank en vrij - de concentratie is nog te hoog. Pas na een paar minuten zie je ze staan, op een paar meter van Jolien, tegen de muur. Meneer en mevrouw. Vader en moeder. Een oogje - correctie: een fier oogje - in het zeil houden.

Jolien is nog geen veertien. Ze komt van Oostakker en speelt viool. Niet omdat het van thuis moest, of omdat er in de familie een ware muzikale sfeer heerst. Niets van. Omdat er op school een briefje kwam. Je kent dat: een van de turnkring, een van de voetbalclub, van de Chiro en de scouts, en ook van de muziekacademie. En Jolien speelt nu al vijf jaar viool. "Wij zijn allebei gewone mensen, meneer", zegt meneer, van onder zijn baseballpet uit. "Gewone arbeiders." Maar de leraar van de academie had gezegd: 'laat haar doen', en Jolien mocht doen. Trouwens, de euro's die ze hier verdient, zijzelf en de ouders kunnen het gebruiken. Viool is niet goedkoop: "Minstens 250 euro aan snaren ieder jaar, en de viool zelf kostte ook 1.000 euro, en het is een goed, maar eenvoudig instrument."

En ze doet het graag, en vaak, oefenen, spelen en musiceren. Een heel jaar door, vooral voor de Gentse Feesten. Om op straat de viool te pakken, noten over straat te jagen, toeschouwers te verrassen, te laten stoppen, en vooral, om zichzelf te tonen. "Jolien zegt altijd: voetballers kunnen iedere week tonen wat ze waard zijn. Ik nooit. En daarom speelt ze hier: om te laten zien wat ze kan." En ze kan. Bach en Mozart: de strijkstok strijkt, streelt, klauwt, de viool klaagt, zingt, vervoert. Als de klanken van de viool uitgestorven zijn, is het al donker geworden.

HHH

De ochtend gloort. Geen muziek meer op Sint-Jacob, hier en daar een slaapdronken zwijmelaar op de Vrijdagmarkt, of een vroege passant bij Sint-Baafs. De nacht verdwijnt, de lucht verandert van zwart in donker-, dan in hemelsblauw. Niet-feestend Gent wordt langzaam wakker, trekt zelfs naar het werk. Feestend Gent gaat in shock. Dat wil zeggen: het bloed trekt zich terug naar de vitale organen. En vanaf vijf uur 's nachts is dat in Gent: de Vlasmarkt - zeg maar: het verlengde van Sint-Jacobs.

Wie de Vlasmarkt wil vinden heeft maar één zaak te doen. Niet naar de straatborden kijken, maar naar wie over de voetpaden stapt. Niet letten op de vroege pendelaars, ernstig en met vaste tred. Wel op de koppeltjes, de rasta's, de zwijmelaars - zeg maar: de zigzaggers, mond open, jasje ook, armen losjes, voeten en benen in de war, maar op het gezicht een stralende glimlach. De koppeltjes: ofwel kirrend, in elkaar hangend, ofwel in kinderlijke dronkemansruzie: "Blijf van mij af, zeg ik u. Eraf!" Waarop hij zijn hand van haar leest haalt, gromt, moppert, pruttelt, maar uiteindelijk toch gehoorzaamt: "De mensen zouden nog denken dat we zat zijn". Niet zo. Echt waar niet.

Maar het is gemakkelijk: je volgt ze in omgekeerde richting, je gaat vanwaar zij al struikelend komen, en je bereikt automatisch de Vlasmarkt.

De Vlasmarkt, daar verzamelen zich de 'echte Gentenaars', of althans, zij die zich aldus definiëren. Echte Gentenaars, zo blijkt na kleine rondvraag, zijn in de praktijk vaak afkomstig van West-Vlaanderen, of van dorpen rond Gent, zoals het amechtige Lovendegem. Echte Gentenaars, zo blijkt, zijn vooral Echte Feesters, maar dan volgens de definitie van 'echte volhouders'. Zoals een het uitdrukte: "Niets mooiers dan telkens weer de zon zien opkomen, tien dagen lang, een pint in de hand, of tegen de ochtend een Irish Coffee, als ik daar nog geld voor heb."

Echte feesters hebben alles van echte topsporters, op het strakke sporterslijf na. De Vlasmarkt 'doen', dat wil zeggen: de zon zien opkomen, in bed kruipen als zowat alle andere mensen daar al een paar uur uit zijn, beschouwen zichzelf echt als sporters. De Vlasmarkt doen te Gent is zoiets als de Iron Man te Hawaï lopen, of wielrenners die de Tour de France uitrijden en Parijs halen. Je móét niet de meeste pinten gedronken hebben, en zeker niet de meeste betaald, je moet wel volhouden. Dat is de prestatie bij uitstek: het einde halen, dag na dag. In beschonken toestand de dageraad halen is hun doel, hun paradijs, hun Parijs, hun Champs Elysées, de velden van de dappere helden. En zonder dat met zoveel woorden te zeggen, feliciteren ze zichzelf iedere ochtend opnieuw: hier staan we dan, wij 'echte Gentenaars, echte Feestvierders'.

De rest is namaak. Er is zelfs een woord voor: 'toeristen'. Zoals Philip Dewinter minachtend doet over 'Maghrebijnen', zo laag hebben 'Echte Gentenaars' (nogmaals: ook die van West-Vlaanderen of Lovendegem) het op met die tijdelijke inwijkelingen, die zij 'toeristen' noemen. Toeristen kunnen eventueel ook van Gent en omstreken komen, maar doen Gent overdag aan. Echte Gentenaars, volgens de Vlasmarkt-definitie, hebben overdag niets in Gent te zoeken. 's Avonds ook niet veel, tenzij in verspreide slagorde, maar 's morgens treffen ze elkaar allemaal op de Vlasmarkt.

Wie rijk wil worden moet op die Vlasmarkt een job aannemen in de commercieel uitgebate urinoirs. (Freek Neirynck: "Pissienes, op zijn Gents dus, niet piscines op zijn Frans"). Een kleine berekening leert dat ondergetekende daar in een weekje een kleine 20 euro heeft nagelaten. Als ader-, of beter waterlating kan dat wel tellen. Het is dan ook altijd aanschuiven aan de toiletten, tussen de hopen bekertjes en hier en daar wat flesjes door. De helden (én heldinnen) raken immers nooit moe, maar hebben altijd dorst, en dus een chronisch volle blaas.

Acht uur 's morgens, en hoe kan het anders, tussen de honderd laatste dapperen zien we een aantal 'Gentse' redacteurs van De Morgen. Hoe wankel de stand, hoe luid de stem, hoe eigenwijs de blik, de opmerkingen, hoeveel zelfvertrouwen. Het gaat dan ook om drie van de mooiste exemplaren van het De Morgen-volk, dat spreekt. Er worden complimenten uitgewisseld, steken gegeven, bier gemorst, sigaretten gepingeld - de Vlasmarkt, men zou haast zeggen, komt van 'vlassen': vlassen op een sigaret, een traktatie, soms op een kus. Er worden ook allerhande dranken gemengd, zelfverklaarde wijsheden gespuid. Vurige katholieken van de charismatische beweging spreken soms in Tongentaal, naar het schijnt. De Morgen-redacteurs op de Vlasmarkt ook, zo blijkt.

Het is afgelopen als de jongens van de opruimploeg iedereen aanmanen, zacht, vriendelijk, maar duidelijk genoeg, om het plein te ontruimen. De Vlasmarkters protesteren wel, maar ook niet echt - als iemand anders hen de opdracht geeft om weg te gaan, dan moeten ze wel. Als niemand hen aanmaant, stoppen ze pas als hun geld op is, en dat van hun vriend, en dan van de nieuwe vriend die ze zonet maakten. De officiële sluitingsdag van de Gentse Feesten, maandag, heet 'de dag van de lege portemonnee'. Op de Vlasmarkt is dat iedere dag opnieuw van dattum. Nog dit: de jongens die de opdracht geven, de mannen van de hypergesofisticeerde vuilkar dus, zijn twee migranten. Op de Vlasmarkt zelf zie je wel hippe jongeren van Afrikaanse afkomst, de dreadlocks als een fiere koningskroon om het hoofd. Maar allochtonen?

Ach, er zijn twee manieren om naar de Vlasmarkt te kijken. Bij een eerste blik begin je spontaan Jacques Brel te neuriën, 'De nuttelozen van de nacht'.

Ze nemen nog een laatste glas

Vertellen nog een laatste grap

En met een allerlaatste glas

De laatste dans

De laatste stap

Het laatste verdriet

De laatste klacht

De nuttelozen van de nacht

Dat zal hier en daar wel kloppen, maar over het algemeen is dat oordeel te streng - te negatief, te zuur vooral, te on-Gents. Heel erg Gents, dat is het feit dat de Vlasmarkters niet graag opgeven. Het motto van de Gentse Feesten is 'Nie Pleuje'. Het is de lokale variant van de legendarische strijdkreet 'Ni pasaran', en drinkers van allerlei slag voelen zich op hun manier even heroïsch als destijds de vrijheidsstrijders van Spanje en Zuid-Amerika. La Pasionaria, zo was de bijnaam van Dolores Ibarruri, de tengere vrouw die 'No Pasaran' lanceerde. Ook de Vlasmarkt-mensen van Nie Pleuje zijn pasionario's/pasionaria's - een passie voor de Feesten, een liefde voor zichzelf, maar vooral gepassioneerd door en voor het leven, en dan de vitalistische variant die nooit wil sterven, en dus niet gaat slapen. Het leven is te kort voor bed. De maag, na die hamburger met ui en ketchup, nog te vol voor breakfast.

HHH

En zo lopen zelfs de Gentse Fieste af, na dagen vol drank en dronkaards, kunsten en stunten, debat en debiet, liefde en lust, zangers en dansers, het hoge woord, de hoogste noot, de snik in de stem, de trilling in de snaar, en dan heel soms de krop in de keel. Het grote - of kleine, want zo persoonlijke - ontroermoment kwam dit jaar niet na een prachtige song op een podium, een timbre in een stem, een grol ergens op een plein. Het ontroermoment was donderdag, om een uur of acht 's avonds op het podium bij Sint-Jacob. De 'Prijs van de Democratie' werd er uitgereikt aan de oude Georges Debunne, ooit de strijdlustige vakbondsleider van het ABVV. Debunne is niet alleen hoogbejaard, hij is sinds enige tijd ook lichamelijk gebroken. In een rolstoel werd hij naar de microfoon gebracht. Zelf kan hij niet meer recht, de man die ooit regeringen deed vallen.

Debunne krijgt die prijs wegens zijn petitie voor een referendum over de Europese grondwet - al wie naar het Baudelopark wandelde, kon niet voorbij de vrienden van Debunne die zijn petitie ter ondertekening voorlegden. En de oude Georges heeft er nog argumenten voor ook, en goede zelfs. Jozef Dewitte, de voorzitter van het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding, spreekt het dankwoord uit als hij Debunne zijn kunstwerk moet overhandigen. "Een klein beeld voor een monument als jij, Georges." Als Debunne ten slotte moet zeggen waar het om gaat, wordt het stil op het anders zo rumoerige Sint-Jacobs. Dat moet ook wel, want de oud-voorzitter van de socialistische vakbond kan haast niet meer spreken. Medeklinkers blijven hangen, zinnen haperen, woorden blijven plakken in het speeksel in de mondhoek.

Maar Georges duwt door, wringt de woorden uit zijn mond. Zijn moedige boodschap stoot hij het plein op, de wolken boven Sint-Jacob in. Georges in zijn klein karretje tegen Europa on full strength. Wat denken Gentenaars dan? Nie pleuje, Georges. Nie pleuje. Alsjeblieft niet.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234