Dinsdag 20/10/2020

Nice, grand hotel azur

Nice, 'enfer' of 'paradis'? Magnetische aantrekking of bruuske afstoting: dat zijn de polen waartussen schrijvers zich bewegen als ze zich over de Zuid-Franse stad uitlaten. Met haar langoureuze Baie des Anges, haar Promenade des Anglais, haar witte hotelpaleizen en haar mondaine belofte van een eeuwig dolce far niente heeft deze 'flonkerhal' van de Côte d'Azur schrijvers uit alle windstreken aangetrokken. Nice is ondoorgrondelijk, vindt de Franse schrijver en Nice-kenner Raoul Mille. De stad geeft zich gewoonweg niet zo makkelijk prijs: 'Achter haar glimlach, verbergt ze haar pudeur, haar verlegenheid en haar angsten. Zo vaak misbegrepen, verhult ze met haar clichés de waarheid.' Dirk Leyman treedt in de voetsporen van tien schrijvers die in de ban raakten van Nissa la Bella.

1766 De knieval van Smollett

"De inboorlingen zelf zijn overwegend zulke vuile schurken, dat geen buitenlander hen bij het handeldrijven zal vertrouwen. Ze staan erom bekend dat ze hun olievaten half met water vullen, en hun vaatjes ansjovis met stinkende vissenkoppen, om zo hun zakenrelaties te bedriegen." (Tobias Smollett, Travels through France and Italy, 1766)

In de achttiende eeuw is Nice een onbeduidende en zelfs moeilijk bereikbare vlek tussen Marseille en Genua, die niet tot Frankrijk behoort maar sinds 1388 onder het Italiaanse gezag van het Huis van Savooie staat. Enige troef van het plaatsje, dat amper een paar duizenden inwoners telt, is het zonovergoten klimaat: de sinaasappelbomen groeien er als kool en de vegetatie is er paradijselijk. De Schotse schrijver en satiricus Tobias Smollett (1721-1771), auteur van onder meer Peregrine Pickle, heeft geen hoge pet op van Frankrijk. Maar wegens zijn zwakke gezondheid laat hij zich toch overhalen om naar het verafgelegen Nice te reizen. Daar zou hij weleens van zijn hardnekkige kwaaltjes kunnen genezen, suggereert een bijdehante medereiziger.

Wanneer aartskankeraar Smollett in november 1763 in Nice aanmeert, ergert hij zich meteen blauw, vooral aan de bewoners en aan de 'werkende' klasse van Nice: "Ze zijn allemaal nietig, mager, uitgedroogd, vuil en halfnaakt". Maar hoe scherp gewet zijn schrijfmes ook mag zijn, geleidelijk wint het azuurblauw het van zijn humeurigheid: "De lucht, droog, zuiver, zwaar en veerkrachtig, moet wel aangenaam zijn voor het gestel van diegenen die lijden aan aandoeningen van de zenuwen, stofwisseling, vezels, lymfeklieren en bloedsomloop. Ik moet ook erkennen dat ik sinds mijn aankomst in Nice vrijer heb geademd dan ik in jaren heb gedaan, en een kwieker gemoed heb." In de maand mei gaat hij ongedwongen pootjebaden, wat de Nissards met besmuikte blik gadeslaan - niemand had het hem destijds voorgedaan. Uiteindelijk zal Smollett twee jaar in Nice blijven en zijn ervaringen in het geruchtmakende Travels through France and Italy gieten. Het boek, dat in Engeland een instantsucces wordt, gaat vergezeld van een klimaatregister, waarin de barometer vrijwel altijd op 'zonnig' staat. Nice Historique schreef daarom in 1898 nog dat de Travels "de eerste grote reclamedaad voor Nice" waren. Dat het klimaat van Nice genezing kon veroorzaken, was immers een nieuwigheid voor de massaal aan tuberculose en ander ongerief lijdende Britten, almaar onbestendiger op zoek naar nieuwe kuuroorden. Arthur Young, de volgende schrijver die zijn Nice-ervaringen te boek stelde, merkte in 1787 - kort voor de Franse Revolutie - op dat de Nissards terdege rekening hielden met de Britse bezoekers, die vanaf 1780 begonnen toe te vloeien en de stad uit haar voegen deden barsten: "De bevolking van Nice is gealarmeerd dat het nieuws over de troebelen in Frankrijk veel Engelsen ervan zal weerhouden om deze winter op bezoek te komen."

Dat Tobias Smollett na 1766 nog probeerde een functie als consul in Nice te versieren, mag ironisch heten. De Earl of Shelburne reageerde laconiek: "Hoe zou ik Smollett naar Nice kunnen sturen? De mensen zouden hem stenigen in de straten bij zijn eerste verschijning." Hoezo stenigen? De schrijver heeft er nu slechts een straat, maar verdient er een standbeeld.

1844 Gogols verloren paradijs

"Nice is een paradijs. De zon spreidt zich over alles uit, net een laagje olie; de vlinders en vliegen zijn onnoemelijk talrijk... Een absolute rust", verzucht Nikolas Gogol in een brief aan zijn vriend Joukovski, kort nadat hij op 2 december 1843 met de diligence vanuit Baden-Baden in Nice is aangekomen. Gogol kampt met een slabakkende gezondheid en heeft amper een sou om te besteden. Gelukkig schiet zijn bondgenoot Joukovski hem financieel bij. Gogol wroet aan het tweede deel van Dode Zielen. Wat zoekt de schrijver in Nice? Sinds kort staat Nice hoog genoteerd op de ranglijst van reislustige Russen, maar een trekpleister is het nog niet. Dat is pas het geval na de Krim-oorlog, wanneer de Russische tsarina Alexandra Fedorovna in 1856 samen met haar kinderen besluit haar zomers in Nice door te brengen.

"Je vraagt me waarom ik in Nice ben en je lanceert vooronderstellingen omtrent schommelingen die de zaken van mijn hart betreffen. Ik denk dat je dit bij wijze van grap zegt, want op dat vlak zou je me moeten kennen", schrijft hij aan een vriend, die op een amoureuze affaire zinspeelt. Gogol heeft in Nice kennelijk zijn zinnen gezet op de mooie Alexandra Ossipowna, die door Poesjkin al eerder als 'Rossett' werd bezongen en van wie hij had vernomen dat ze in de stad verbleef. Elke dag zoekt Gogol verstrooiing bij haar, wandelt langs de pas in 1822 aangelegde zeepromenade en leest haar talrijke passages uit Dode Zielen voor. De jongedame is gecharmeerd, maar ook wantrouwend ten aanzien van "dit silhouet met zijn zwarte lange mantel, en zijn intrieste gelaatstrekken", zoals een tijdgenoot hem omschrijft. Is de in de omgang met vrouwen als zeer platonisch bekend staande Gogol écht verliefd? Hij schenkt Alexandra lekkernijen uit Nice en schuimt met haar de winterfeesten en bals van de Engelse gemeenschap af. Maar meer en meer ontpopt Gogol zich als een mysticus, die rigide boekjes met religieuze voorschriften ontwerpt. Alexandra, op haar hoede, verlaat in maart 1844 uiteindelijk Nice voor Parijs. Gogol heeft het begrepen.

1871 Salon onder de open hemel

Ter hoogte van de Promenade des Anglais nummer 63 staat, gedeeltelijk verscholen achter palmgewas en geflankeerd door een cactus, een sobere, rechthoekige gedenkplaat. De gebeitelde letters zijn stilaan onleesbaar geworden: "Ici se trouvait la villa ou Marie Bashkirtseff commença son journal". De Villa Aqua-Viva is allang gesloopt en maakte plaats voor de Gloria Mansions, maar als er één Russische inwijkelinge is die in Nice nog steeds in ere wordt gehouden, dan is het wel de nuffige en licht narcistische Marie Bashkirtseff (1858-1884). Geen wonder, want in de 84 dicht beschreven cahiers van haar beroemde dagboek strooide dit krachtdadige poppenmeisje talrijke pagina's dweepzieke lofzangen over de stad uit: "O Nice, Nice! Bestaat er een mooiere stad op de wereld na Parijs? Parijs en Nice, Nice en Parijs! Frankrijk, alleen Frankrijk, alleen in Frankrijk leef ik", noteert ze vanuit Rome.

Bashkirtseff, telg uit de Russische plattelandsadel, streek met haar deels uit elkaar gerafelde familie in 1871 in Nice neer en had er direct haar hart verpand aan de mondaine sfeer, de genotzuchtige cavalcades en het feeërieke uitzicht op de Baie des Anges, waarin ze haar grillige zielenroerselen weerspiegeld zag. De Promenade des Anglais was voor haar een "salon onder de open hemel". Bashkirtseff, vroeg in de greep van de tuberculose, was eerzuchtig als geen ander en overtuigd van haar vroegrijpe talent, dat ze als autodidacte ontwikkelde. In haar frenetieke dagboek evolueerde ze van een springzieke puber naar een melancholica die haar naderende einde voorvoelt. Ze gooide zich alsnog op de schilderkunst, waarvan men nu in het Musée des Beaux-Arts Jules Chéret, in het Russische paleis Kotschoubey aan de Avenue des Baumettes, een paar wisselvallige vruchten kan gaan bewonderen.

1883 Nietzsches 'O fati-fati-fati-Nizza!'

De hele negentiende eeuw blijft de lokroep van Nice weerklinken. Getourmenteerde pennenvoerders hebben het gevoel dat ze in Nice daadwerkelijk uit de impasse kunnen geraken. Neem nu Friedrich Nietzsche, de filosoof met de hamer, die in november 1883 in Nice komt overwinteren en zijn onderkomen zoekt in het oude Italiaanse gedeelte van de stad, in de Rue Ségurane.

Steeds weer op zoek naar het gunstigste gesternte voor zijn sensitieve gestel, voelt Nietzsche in Nice een onmiddellijke relance: "Nice doet me onbeschrijflijk goed, klimatologisch is het mijn "beloofde land", verzucht de auteur van Ecce Homo. "Zeker en vast kan er geen mooier seizoen voor Nice bestaan dan het huidige: de hemel verblindend wit, de zee tropisch blauw, 's nachts een maneschijn, waardoor de gaslantaarns zich schamen en rood worden." Ondanks een verhuizing naar het Pension Suisse, hervindt hij er zijn creativiteit en schrijft er in twee weken het derde deel van Also sprach Zarathustra. In november 1886 constateert Nietzsche dat hij Nice "werkelijk nodig" heeft: "Ik zal aan Nice vasthouden, als een stuk fatum. In operettetaal gezegd en gezongen 'o Fati-Fati-Fati-Nizza!'" Dat fatum slaat toe op 23 februari 1887, wanneer een reeks aardbevingen de stad in de grootste benauwenis achterlaat en er aan de gehele Rivièra ruim duizend slachtoffers vallen. Nietzsche blijft ongedeerd en kijkt geamuseerd toe naar het spektakel van aardgeweld. Terwijl de paniekerige bewoners op straat hollen, maakt hij zich vrolijk over de "ontwrichte zenuwsystemen van de aardbodem".

Maar zoals bij zoveel auteurs die langduriger in Nice wonen, slaat de slinger van bewondering over in een virulente afkeer. Nice werkt hem op de zenuwen. Wanneer Nietzsche al in Turijn verblijft, waar de waanzin hem uiteindelijk zal nekken, is de slotdiagnose vernietigend: "Mijn kritiek op de winters in Nice is nu zeer scherp: een ontoereikend en voor mij compleet onverdraaglijk dieet! Ook op andere vlakken is Nice een pure stommiteit geweest." Hij vraagt zich af hoe het komt dat het zolang geduurd heeft voor hij zich wist los te maken van "dit kalkige en boomarme en stupide stuk Rivièra (...). En dan zeg ik nog niets van de verachtelijke en veile soort mensen daar."

Zijn de sporen van Nietzsche in Nice daarom zo drastisch uitgewist? De in alle literaire gidsen aangekondigde gedenkplaat in de lange Rue Ségurane is onvindbaar en zelfs het huisnummer is verdwenen. De meest tot de verbeelding sprekende reliek van Nietzsche tref je aan in het dorpje Eze, zo'n tien kilometer verderop: de steile Sentier Nietzsche voert je langs adembenemende vergezichten, waaruit Nietzsche een fikse scheut inspiratie haalde voor Also sprach Zarathustra.

1891 Tsjechovs rouletteweelde

Vlakbij het station van Nice bevindt zich het statige en nette Quartier des musiciens. Alle straatnamen echoën er gezapige toonladders uit, die eraan herinneren dat Paganini in Nice overleed en Hector Berlioz er een graaggeziene gast was. In de Rue Gounod ligt, verscholen achter een rommelig inrijpad, het driesterrenhotel Oasis. Hier bevond zich aan het eind van de negentiende eeuw het befaamde Pension Russe, waar het puikje van de Russische intelligentsia zijn tenten opsloeg. Een gedenkplaat op de rozige gevel meldt nu trots dat Tsjechov en Lenin er te gast waren. Anton Tsjechov, die vanaf 1891 een vijftal reizen naar de Rivièra zal maken, gaf zich in Nice over aan een allesverlammende vadsigheid. In lange brieven betreurde hij zijn zijn writer's block: "Ik ben lui geworden als een Moor, ik doe niets, gewoonweg niets, en als ik mezelf en de andere Russen hier bekijk, moet ik me er steeds meer van vergewissen, dat de Rus niet kan werken en niet zichzelf kan zijn zonder slecht weer." Want: "In Nice is het warm; de zee, de palmen, de eucalyptussen zijn betoverend, maar een ellende is dat de muggen steken. Als je hier door een mug gestoken wordt, loop je drie dagen met een knobbel." Het dolce far niente beviel hem uitstekend, het eten in het Pension Russe evenzeer: "Ze geven overvloedige middag- en avondmalen die klaargemaakt worden door een Russische kokkin (bietensoep en pasteitjes), ze zijn zo overdadig als in Hôtel Vendôme en even lekker." Even gaat Tsjechov gokken in het nabije Monte Carlo, maar dat kunstmatige vertoon bevalt hem niet. Veel liever verkent hij de restaurants van Nice, niet zonder een bedenking: "Hoe verachtelijk en smerig is dit leven met z'n artisjokken, palmbomen en pomeransgeur! Ik hou van weelde en rijkdom, maar die rouletteweelde van hier maakt op mij de indruk van een luxueus toilet. Je voelt dat hier iets in de lucht hangt dat je zin voor orde beledigt, dat de natuur, het ruisen van de zee, de maan vulgair maakt." Tijdens zijn laatste bezoek aan de stad, in 1900, hervindt Tsjechov zijn werkijver en - terwijl hij verlangt naar zijn Olga in Moskou - legt hij er de laatste hand aan De drie zusters.

1900-1910 Couperus' pantoffelpromenade

Heeft iemand het verfijnde ritueel van het flaneren in Nice beter beschreven dan meesterestheet Louis Couperus? "Flaneren is een kunst die niet iedereen kan en waartoe jarenlange studie behoort. (...) Laten wij, zoo u dit behaagt, op en neêr wandelen met de flâneerpas der pantoffelpromenade."

De Nederlandse schrijver woonde tien jaar onafgebroken in Nice en had er een van zijn meest productieve perioden. Hij schreef er De boeken der kleine zielen, Van oude menschen, de dingen die voorbij gaan en De berg van licht plus talrijke uitgepuurde en kostelijke kronieken over de stad (vooral in de Legenden van de Blauwe kust), waarin hij Nice van naaldje tot draadje uitkleedt. Zeker de eerste jaren van zijn verblijf waren van een weergaloze uitbundigheid. "O Stan, het is hier verrukkelijk die zachte zon, die blauwe lucht, om ons heen bloeiende boomen, oleanders en mimosa en nu, 17 Octobre, gaat onze propriétaire haar tuin beplanten met viooltjes, en gras zaaien", zo schrijft Couperus in een brief aan Stan Valette vanuit de Villa Jules, die aan de huidige Avenue Romain-Rolland nog altijd in de toenmalige staat te bekijken valt. Nice, aldus Couperus, is genotzuchtig en verleidelijk als een vrouw: "zoo maakt zij dien indruk van een héél chique cocotte te zijn onder de Steden, of zoo ge dit liever wilt, een heel dure, maar superbe demi-mondaine te zijn, (...) een Bacchante onder de Steden." Couperus hield van de ironische hyperbool want na een verkneukelende opsomming van zijn medeflaneurs op de Promenade, lezen we: "Het weer en de menschen, dat zijn de twee eenige bekoringen. Als het in januari bij U daar boven in het Noorden sneeuwt en mist, loopen wij met onzen anjelier en zonder overjas, op de Promenade des Anglais te flaneêren en bestuderen het charmante publiek."

Na een aantal jaar bekoelt de grote liefde voor de stad van "witte weelde": "Iedere winter wordt het minder rijk, minder elegant. Iederen winter democratizeert Nice een beetje meer. Het is niet meer de plaats der baroque, coûteuze dolheden van Russische prinsen en Amerikaanse milliardaires." Couperus wordt in zijn tweede onderkomen, de Villa Tersling, gedwongen om een pension te drijven om in zijn onderhoud te voorzien. Plotsklaps is de Middellandse Zee voor hem "een Modderzee der Melancholie" en in 1910 wordt aan inpakken gedacht. Omdat zijn pension toch ook maar matig boerde? Haast visionair schrijft Couperus: "Nice wordt een groote stad, en de zevenverdiepingenhooge huizen ontnemen ons de zon. De omstreken zijn geen pijn- en olijvenbosch meer, maar particulier park van hôtel en villa. Nice is uitgeperst als een citroen. De Nicenaar heeft zich te gauw rijk willen maken en nu... nu verwachten wij iederen dag de krach van al die immense hôtels van duizend kamers en meer, die in drie maanden hun kosten moeten dekken."

1902 Jean Lorrain, satyricon

De Franse auteur Jean Lorrain (1855-1906) was vlak na de eeuwwisseling de pad in de korf van Nice. Heel letterlijk zelfs, want dit levende uithangbord van het fin de siècle decadentisme en auteur van topzware symbolistische verhalen als Les Noronsoff, werd door zijn lodderige oogopslag en zijn lompe lichaamsvormen door zijn literaire vijanden le crapaud genoemd (al vergeleek hij zichzelf liever met een satyricon). Toen hij in 1902 van Parijs naar Nice verkaste had hij daar een drieste reputatie van schenenschopper en woordgeweldenaar gekweekt. Met Marcel Proust was het zelfs tot een écht duel gekomen. Zijn excentrieke gedrag, scherpe tong en onophoudelijke verkleeddrang zorgden ervoor dat hij in een mum van tijd ook in Nice de voltallige goegemeente tegen de borst stuitte. "In Nice was het voor Lorrain een eeuwigdurend carnaval", schrijft Louis Bertrand in zijn Rivièra-kronieken. Lorrain schuimde alle plekken af waar het volle leven zich voltrok: de Promenade, de opera, het casino en de thematische feesten. Ophef veroorzaakte hij op het Quo Vadis-feest, waar hij verkleed als beparelde Assyrische ambassadeur de avond besloot met ongevraagde sensuele oosterse dansen. Wat zocht Lorrain in Nice? "Alle gekken, onevenwichtigen en hysterica's hebben in Nice rendez-vous, ja, in alle eerlijkheid. Ze komen van Rusland, Amerika, Tibet of uit het diepe Afrika." Misschien voelde hij zich er daarom thuis. Eerder - bij zijn entree - had hij de stad al grondiger beklad: "Nice is bij uitstek de stad waar de ongezonden, gedeukte reputaties en uitgebluste talenten een onderkomen zoeken." Misschien dacht hij aan zichzelf.

Na zijn soirees schreef Lorrain in Nice 's nachts nog als een bezetene verder. Maar de etherdrinker had zijn lichaam danig uitgeput. Aan het eind van zijn leven woonde hij vlakbij de haven, in een appartement in het neoklassieke Palais Astrudo, aan de huidige Place Ile de Beauté. Grote houten kikvorsen hielden de wacht naast zijn bed en het pompeuze decor stak in praalzucht het interieur van Des Esseintes, de held van J.K. Huysmans' A rebours, naar de kroon. Het uitzicht op de haven stemde Lorrain milder: "Vanuit mijn bed zie ik de beweging in de haven. Geen enkele boot vaart binnnen zonder dat ik hem begroet, geen enkele verlaat de haven zonder dat ik hem met mijn blik volg." Hij zwijgt zedig over zijn begeerte naar de gespierde volksjongens die aan de waterkant rondhingen of over zijn liefde voor de straatschooiers bij wie hij zijn seksuele appetijt stilt. Nice heeft hem zijn streken vergeven, want aan het salon de thé, dat nu de benedenverdieping van het Palais Astrudo inpalmt, houdt een plaquette zijn herinnering levendig: "Palais Astrudo, dernière résidence de l'écrivain Jean Lorrain, 1855-1906 qui célébra Nice et la Riviera."

1921 Panaït Istrati's mes op de keel

Geen ambulante fotografen meer, tegenwoordig, op de Promenade des Anglais, maar wel het voortdurende geklik van digitale camera's en het onvermoeibare gefilm van zakjapanners en andere rondtrekkende bevolkingsgroepen. Ooit waren ze vertrouwde verschijningen, de driepikkels van waarop een anonieme fotograaf de voorbijschrijdende beau monde onder zijn zwarte zeildoek ving. Een ondankbaar beroep, dat kennelijk ook voor berooide schrijvers als een laatste uitweg gold. Voor de zwalpende Panaït Istrati, de Roemeense communistische bohémien-auteur (1884-1935), was het bittere noodzaak. In 1921, nog herstellend van een drieste zelfmoordpoging, posteerde hij zich met zijn apparaat op de Promenade, maar Istrati, eeuwige pechvogel, kon de namen van de gefotografeerden niet uit elkaar houden en vergat een vergunning aan te vragen. Na een week bevond hij zich in het cachot van Nice. Reizend fotograaf, het is "de imbeciel uithangen onder de neus van de imbecielen", schreef hij later.

Istrati, een dromer vol schrijversambities, was in november 1920 in Nice aangekomen, ook al hopend op genezing van zijn tbc. Hij vond er zijn draai niet en viel er ten prooi aan algehele somberheid. Op 3 januari 1921 is de crisis compleet en trekt Istrati, gewapend met zijn scheermes, naar de Promenade des Anglais, waar hij om drie uur 's nachts, ter hoogte van de Jardin Albert I-er, zichzelf de keel oversnijdt. Toevallige passanten treffen Istrati kermend aan en brengen hem naar het Saint-Roch Hospitaal (datzelfde waar in 1989 Bruce Chatwin aan de gevolgen van aids overlijdt).

Istrati overleeft, maar in zijn binnenzak vindt een verpleger een lange afscheidsbrief gericht aan de Franse (communistische) schrijver Romain Rolland. De hartenkreet wordt doorgespeeld aan de linkse krant L'Humanité. Rolland reageert onmiddellijk op de missive en ontfermt zich over de schrijfzenuwen van Istrati. Al zal de rusteloze globetrotter Istrati in Nice nog talrijke keren het onheil over zich afroepen, als schrijver van Kyra Kyralina is hij, dankzij Rolland, door het oog van de naald gekropen.

1930 Buysse en Maeterlinck, twee heren van stand

Boven op de Mont Boron, net buiten de stadskern van Nice, verheft zich het Hôtel Palais Maeterlinck. Het is een Zwitsers viersterrenhotel dat slechts in zijn naamgeving de erfenis van de Belgische Nobelprijswinnaar Maurice Maeterlinck probeert te verzilveren. Geblindeerde limousines rijden af en aan, camera's houden argeloze bezoekers deskundig in het vizier. "Dit is de Côte d'Azur, een flonkerhal", dichtte Gerrit Achterberg al in Souvenir, "de lange limousine in 't fluweel/ wordt zelf een diamant bij dit geheel". Haast onherkenbaar is het vroegere Orlamonde, een zinsbegoocheling met uitzicht op de Middellandse Zee, waar Maeterlinck tot 1949 zijn laatste levensjaren sleet. Toen Maeterlinck, die toen al geruime tijd in de wijk Les Baumettes in Nice woonde, in 1930 zijn oog liet vallen op het voormalige casino Castel a mare, liet hij de locatie een ware metamorfose ondergaan. "De meest oncomfortabele villa van de Côte d'Azur" werd met zijn 52 deuren en 196 ramen een droompaleis voor muzikaal, schilderkunstig en literair vertier en opgetuigd met de fijnste marmersoorten, Hollandse meubelen en een keur van luxueuze tapijten.

Maeterlinck, met zijn eeuwigdurende hang naar het Zuiden, had het volledig naar zijn zin in Nice: "Hier heb ik het prenatale klimaat teruggevonden van het vaderland der mensheid." "Veel werkt hij trouwens niet meer", zo noteert zijn vriend Cyriel Buysse, die licht satirische verslagen van zijn veelvuldige bezoeken aan Nice en Maeterlinck optekende. "Althans, zo beweert hij. 'Iedere ochtend', zegt hij, 'ga ik pour la forme aan mijn schrijftafel zitten, maar voer niets uit. (...) Ik geniet, ga liever een pijp roken en met mijn honden wandelen.'" Steeds datzelfde refrein: Nice noopt tot nietsdoen, hooguit tot wat richtingloos geslenter.

Voor Buysse is dat toch maar wat minnetjes, zo blijkt uit zijn Rivièra-impressies, waarin hij Nizza goedmoedig kapittelt. Rust heeft de stad hem niet te bieden. "Nizza's villa's en hotels, rondom de woelig-drukke stad in nougat-stijl opgebouwd, staan suikerwit te glinsteren in hun groene tuinen onder de diep-helderblauwe hemel", schrijft hij weliswaar bewonderend. Maar "doodvermoeid" wordt hij er van het "razend gewoel", bijvoorbeeld op de Avenue de la Victoire (de huidige Avenue Jean Médecin): "Die beruchte Avenue loopt lijnrecht van de spoor naar zee; en alles wat in Nizza benen of wielen heeft, schijnt daar heen en weer te rennen en te razen." Het onverbiddelijkst is Buysse voor de drang van Nice om het verval van de tijd te keren. Jong en oud voerden er "een machteloze strijd" "pour réparer des ans d'irréparable outrage". Op de Promenade des Anglais lopen ze, de jonge opgedirkte cocottes met "gele, roze en mauve haren, weggeschoren wenkbrauwen die vervangen zijn door idioot-dunne penseelstreepjes, ogen in een halo van blauwzwart, alsof er met de vuist is op gebeukt. (...) Het geheel maakt een ziekelijke, ongezonde indruk en wekt een vreemd medelijden op." Maar het ergst zijn de "matrones op meer dan stervensleeftijd, met gepoederde rimpelgezichten en doffe ogen. (...) Zij waggelen penibel over het toch zacht plaveisel en hun lichte japonnen met kant en guipure omhangen doen onweerstaanbaar denken aan oude gruyère-kaas vol gaten." Nee, dan liever terug naar de Mont Boron, waar het uitzicht op Nice - aldus Buysse - vooral bij nacht majestueus is: "Het straalt en wemelt van duizenden en duizenden elektrische lichten en de ganse Baie des Anges is er door omsnoerd, als door een reusachtige ketting van edelgesteenten. Van het banale van de stad met haar nougatgebouwen merkt men niets meer. (...) Een stille en weidse weemoed hangt over het nachtelijk Nizza heen."

2003 Promenade Nice

Met vaste hand leidt de flauwe bocht van de Boulevard Carabacel naar de onwereldse melancholie van het hogerop gelegen Cimiez-kwartier. Beneden eerst nog witte appartementsgebouwen zover het oog reikt. Dan de langzame klim van de kaarsrechte Boulevard de Cimiez, met aan weerszijden talloze immense hotelpaleizen, die de opulente architectuur van de belle époque op de spits dreven. L'Hermitage, Winter Palace, het Alhambra, ze staan er nog allemaal. Heimelijkheid en peilloze stilte achter de luifels. Af en toe een passant, meestal vergezeld van een hond. Gespecialiseerde dokters doen in Nice gouden zaken. Niet voor niets noemde Guy de Maupassant de Rivièra "het hospitaal van de hele wereld en het fleurige kerkhof van de Europese aristocratie".

Met openvallende mond kom je te staan voor de 200 meter lange gevel van het hotel Excelsior Régina, dat in 1897 met zijn 400 kamers speciaal voor de Britse koningin Victoria als wintersuite werd geconcipieerd. Op haar ezeltje Jacquot werd ze 's morgens naar zee getrokken. De repetitieve gevel is nog altijd even indrukwekkend door zijn mateloosheid. Later werd het hotel in appartementen ingedeeld. De aan het Rivièra-licht verslingerde Henri Matisse betrok er een van, tussen 1938 en 1943. Verderop, op de top van de Cimiez-heuvel, staat zijn museum en ligt hij in zijn tombe, op het kerkhof waar ook Roger Martin du Gard en fauvist Raoul Dufy rusten.

De in Nice geboren schrijver J.M.G. Le Clézio heeft zijn stad ooit "une ville seule" genoemd. In de Cimiez-buurt begrijp je waarom. Cimiez staat geheel los van de drukte in de benedenstad. In Zondagen in augustus van de Franse auteur Patrick Modiano speelt Cimiez als vluchtroute een prominente rol: "Soms kom ik voorbij de villa waar de Neals woonden. Hij staat rechts langs de Boulevard de Cimiez, zo'n vijftig meter voor het kruispunt dat beheerst wordt door de gevel van het vroegere Régina. De villa is een van de weinige particuliere woningen die er nog in die wijk zijn. Maar die laatste resten zullen ongetwijfeld op hun beurt ook verdwijnen. Niets kan de vooruitgang tegenhouden." Voor Modiano is Nice uiteindelijk een fatale plek, waarin zijn protagonisten Jean en Sylvia de anonimiteit zoeken "te midden van al die andere duizenden spoken die Nice bevolken".

Intussen valt de nacht over de Baie des Anges, die haar luister nog lumineuzer uitspeelt. Loom en zwaar hangt de hitte nog in de lucht, maar toch al gedempt door een joyeus briesje. Langs het Beau Rivage-strand zitten late baders, met een roemer gekoelde champagne tussen hen in. De rozige schuimtaartkoepel van het Hôtel Négresco ziet er overdreven opgetuigd uit. Het is waar wat Maurits Mok in een gedicht vaststelde: "Nice is een klein Parijs dat zich het stof heeft afgeblazen en verguldsel opgelegd."

Met nog grotere verbetenheid dan overdag raast het verkeer heen en weer op de Promenade des Anglais, guirlandes van opflakkerend licht achterlatend. "Palmen, sinaasappelbomen, geweldige witte, opgeblazen hotels met lauwe muziek op de terrassen en één oneindig lange bewegende ketting van deftige auto's, een soort lopende band van vastbesloten weelderigheid", stelde Cees Nooteboom in 1962 al vast. Het bleke, harde spotlicht laat de palmbomen op de Promenade detoneren, alsof de schubben en takken van plastiek gemaakt zijn. Aan het Casino Ruhl - een gruwelijk dieptepunt van glasarchitectuur - en aan de Queenie's lijkt Nice even op een mini-Las Vegas. Amerikaanse vrouwelijke backpackers met veel te strakke broeken en te grote letters op hun sweatshirts trekken in kolonnes langs het smalle voetpad. Voorbij de gevel van het Palais de la Méditerranée en het Négresco duiken aan de stoplichten al de eerste langbenige Russische meisjes op, ijlbleek, mager en hooggehakt. Ze omklemmen piepkleine handtasjes en ritselen met hun mobieltjes, alsof het geluksbrengers zijn. Af en toe stopt een auto, geheel onverwacht. De nieuwe grandes horizontales lachen vriendelijk - heel even maar - "in Nice is alles vriendelijk en niets argeloos", schreef de essayiste Mary Blume in haar essay Inventing the French Riviera. In de plaatselijke kranten wordt alarmerend geschreven over de greep van de Russische maffia op de prostitutie en de lokale misdaad. Misschien heeft Graham Greene nog altijd gelijk: "Vermijd de regio van Nice, want het is het domein van een paar van de grootste misdadigersorganisaties in Frankrijk."

Niet te veel nadenken in Nice, maar net doen als de piccolo's van het Hôtel Négresco. Onverstoorbaar, als gemummificeerd, kijken ze toe. Ja, Cees Nooteboom had gelijk. Is onverstoorbaarheid niet het wezenskenmerk van deze stad, die zich ook amper bekommert om wat haar literaire passanten haar toedichten: "Nice zelf blijft er onaangedaan onder. Al duizend jaar draaien hier avond aan avond de roulettes, al duizend jaar sterven hier oude dames en heren op het groene laken van eer, en duizend en duizend geslachten van blinkend witte obers vervullen hun zachte plichten in de majestueuze schuimtaarten waar de rest van Europa als een hongerige vogel zijn gezondheid komt oppikken, koste wat het kost."

Dirk Leyman

Bij uitgeverij Bas Lubberhuizen verschijnt

in de Oog-in-'t Zeilstedenreeks binnenkort

een boek over literair Nice onder redactie

van de auteur.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234