Dinsdag 11/05/2021

InterviewJan Versweyveld

‘Net voor ze mij de operatiezaal in rolden, heb ik Ivo laten beloven dat we zouden trouwen’

Jan Versweyveld en Ivo van Hove. Beeld Dirk Balsem
Jan Versweyveld en Ivo van Hove.Beeld Dirk Balsem

Als Ivo van Hove (62) wereldwijd de invloedrijkste theatermaker van het moment is, dan heeft hij dat in niet geringe mate te danken aan Jan Versweyveld (62), zijn scenograaf en levensgezel sinds veertig jaar. En als Jan Versweyveld buiten het theater nauwelijks bekend is, dan heeft hij dat in belangrijke mate te danken aan het feit dat hij nooit interviews geeft. Tot nu.

Het palmares van Ivo van Hove samenvatten is hem oneer aandoen. In een carrière die inmiddels vier decennia omspant, regisseerde hij Shakespeare, Tsjechov en Eugene O’Neill, maar ook Pasolini, Bergman en David Bowie. Voornamelijk theater, maar ook opera’s en musicals. Hij opereert vanuit Amsterdam, waar hij nu het Internationaal Theater Amsterdam (ITA) leidt, maar op gezette tijden strijkt hij voor langere periodes neer in Londen, Parijs of New York. Overal ter wereld vielen hem prijzen en andere lauwerkransen ten deel, waaronder de Vlaamse Cultuurprijs voor Algemene Culturele Verdienste en de Johannes Vermeerprijs, de Nederlandse staatsprijs voor de kunsten. Hij werd ridder in de Orde van Kunsten en Letteren in Frankrijk, commandeur in de Belgische Kroonorde en ereburger van Ham, zijn geboortedorp op de grens van de Limburgse en de Antwerpse Kempen.

Hoe groot het aandeel van Jan Versweyveld is geweest in de steile opgang van zijn jeugdvriend tot superstar director (dixit The Guardian), valt moeilijk te becijferen. Maar één ding is zeker: het wordt onderschat.

Jan Versweyveld: “Ik ken Ivo al veertig jaar. Zo lang werken we al samen. En vrij snel is er tussen ons een rolverdeling ontstaan: Ivo voert het woord, ik verschuil me achter hem. Ik doe mijn ding in zijn schaduw. (lacht) Ik vind dat een heel comfortabele positie.”

In het neorenaissancegebouw aan het Leidseplein waar nu het ITA gevestigd is, zat vroeger, voor de fusie met Toneelgroep Amsterdam, de Stadsschouwburg. En nog vroeger was het de thuisbasis van het Nationaal Ballet en de Opera. Van dat roemruchte verleden is in het doolhof van zaaltjes en kantoortjes rond de historische Grote Zaal niet veel meer te merken. De spaarzaam met minimalistische zelfbouwmeubelen en decorrestanten ingerichte ruimtes maken duidelijk: hier zetten twee modernistische Vlamingen de toon, de pruikentijd is voorbij.

Jan Versweyveld lacht minzaam en excuseert zich voor het feit dat deze ontmoeting met Humo zo lang op zich heeft laten wachten.

“Ik ben een beetje een rat als het op interviews aankomt. Ik vind altijd wel een reden om ze te weigeren of om ze zo lang voor mij uit te schuiven tot niemand er nog naar vraagt. Ik voel de behoefte niet zo om mijn ziel onder ie-mands microscoop te leggen.”

Versweyveld en Van Hove in Parijs, 1980. Beeld RV
Versweyveld en Van Hove in Parijs, 1980.Beeld RV

Tot vandaag!

“Ik kruip alvast in de slachtofferrol!”

Wanneer, waar en hoe hebt u de jonge Ivo van Hove voor het eerst ontmoet?

“In 1980, op een feestje bij gemeenschappelijke vrienden. En op een cruciaal moment in ons leven. Ivo was na drie jaar gestopt met zijn rechtenstudie en net begonnen aan zijn opleiding tot regisseur aan het RITCS. Ik had Sint-Lukas in Brussel doorlopen en was net weer naar Antwerpen verhuisd om mijn studie te voltooien aan de Academie.

“Wij hebben geluk gehad dat we elkaar op jonge leeftijd leerden kennen. We waren amper 21, een leeftijd waarop je nog zoekende bent. Ik wist dat ik later iets in de kunsten zou gaan doen, iets met beeld en vorm, maar het was nog niet duidelijk wat precies. We waren nog jong en plooibaar genoeg om onze artistieke ambities in te passen in onze relatie.”

Is dat van een leien dakje gegaan? Ivo heeft eens gezegd dat de passie tussen jullie zo hoog oplaaide dat jullie wel móésten gaan samenwerken. Ik citeer: ‘We dreigden elkaar met huid en haar op te vreten.’

“Klopt. Ivo is terug in Antwerpen komen wonen om dichter bij mij te zijn. Maar zodra we samen waren, kwam er zoveel energie vrij dat onze relatie echt moeilijk werd. Te passioneel, te heftig, te brutaal. Als tektonische platen die tegen elkaar botsen. (lachje) Het is geweten dat daar ongelukken van komen. We voelden allebei scherp aan dat we die energie moesten zien te kanaliseren, anders zou het niet goed komen en zouden onze wegen onvermijdelijk weer scheiden.”

Hoe hebben jullie dat opgelost?

“Door onze energie te bundelen. Eerst zijn we drie weken naar New York getrokken. Om inspiratie op te doen, zoals dat heet. Dat was heilzaam. Omdat we nauwelijks geld op zak hadden, waren we heel erg op elkaar aangewezen. Plantrekkerij in survivalmodus. We ontdekten wat ons bond. Toen we terugkwamen, hebben we onze eerste voorstelling gemaakt: Rumors, Geruchten, naar een flard tekst van Ivo. We zijn beginnen samen te werken en zijn er nooit meer mee gestopt.”

Wat bond jullie precies?

“Hm, het is moeilijk om dat te omschrijven. Gretigheid, het verlangen om te creëren, ontploffingsdrang. Het was een interessante tijd, hè, begin jaren 80 in Antwerpen. Althans, dat weten we nu. Toen we er midden in zaten, zagen we dat niet. De postpunkperiode: er was niks en er gebeurde van alles. We hadden niks te verliezen en alles te winnen. Aan de Academie zat ik in de klas bij mensen als Guy Cassiers (nu artistiek directeur van Toneelhuis, red.), Jean-Pierre Temmerman (beeldend kunstenaar, in 2017 overleden, red.) en Kris Fierens (eveneens beeldend kunstenaar, red.). Ik stelde hen voor aan Ivo en er ontstond een los gezelschap van verwante zielen. We werden in elkaars armen gedreven om samen dingen te doen en te maken.”

Was het van meet af aan duidelijk dat het theater zou zijn? Of had de energie net zo goed naar een punkband kunnen vloeien?

“Ivo schoof toen al in de richting van de performing arts. Hij was in zijn middelbare school – het Klein Seminarie van Hoogstraten – al druk bezig geweest met theater. En zijn kandidatuur in de rechten had ook wel sporen nagelaten. Die opleiding had hem sterker gemaakt in het intellectuele: tekstbehandeling, verhaalopbouw, argumentatie. Dat het voor Ivo theater zou worden, was dus ergens wel te verwachten. Maar welk soort theater – tekstgedreven of beeldend, happenings, performances of nog iets anders – was nog een open vraag. Het enige wat heel duidelijk was, was dat we het samen gingen doen en dat het radicaal in zou gaan tegen de heersende theatercodes en het establishment.”

null Beeld Dirk Balsem
Beeld Dirk Balsem

DE TOTALE BEVRIJDING

Ivo is een apothekerszoon die zich een outsider voelde in zijn familie. Hoe zat dat bij u? Uit welk nest bent u gevallen?

“Uit een warm nest. Ik ben geboren en getogen in Wilrijk, maar mijn ouders kwamen ook uit de Kempen: uit Voortkapel, bij Westerlo. Mijn moeder was huisvrouw, mijn vader expediteur in de haven. Ik ben de jongste van vijf: ik heb twee veel oudere broers, van wie er één jammer genoeg is overleden, en twee zussen die vijf en zes jaar ouder zijn. Ik was een nakomertje, verwend tot en met.”

Een idyllische jeugd, kortom.

“Een idyllische kindertijd. Maar er zitten gaten in het verhaal. Ik werd vaak maandenlang bij mijn tante ondergebracht, als kleuter al. En mijn zussen zaten ondertussen op een internaat. Het is mij nooit helemaal duidelijk geworden waarom. Pas na het overlijden van mijn ouders ben ik het me beginnen af te vragen. Ik ben gaan beseffen dat het een invloed heeft gehad op mij, dat voortdurend losgemaakt worden en daarna weer gehecht raken. Wat was er met onze moeder aan de hand? Ik had een heel liefdevolle band met haar. Heel lichamelijk ook. Ik herinner me haar geur nog, wanneer ze me vasthield...”

Hebt u een vermoeden?

“Eigenlijk niet. Ik heb al vaak gedacht: ik moet het er eens met mijn zussen en mijn broer over hebben. Maar het komt er nooit van. Ik denk dat zij het ook niet goed weten. Misschien was er een praktische reden. Mijn moeder kwam uit een gezin met dertien kinderen. Na de dood van haar moeder heeft zij de zorg over de tien kinderen die jonger waren dan zij op zich genomen. Misschien kon ze het zorgen en het opvoeden op een gegeven moment niet meer aan? Mijn vader werkte hard. Hij was heel belezen, sprak Spaans, Italiaans, Frans, Duits en Engels, het filosofische type, maar hij was ook vaak afwezig. Desondanks herinner ik me mijn kindertijd als overwegend vrolijk en onbezorgd. Maar toen kwam mijn puberteit. Dat was een totale ramp. Een verschrikking.”

Waaraan lag dat?

“Aan mezelf, in de eerste plaats. De worsteling met mijn homoseksualiteit stak al heel vroeg de kop op. Op 8-, 9-jarige leeftijd had ik al het gevoel dat ik anders was dan mijn leeftijdsgenoten. Met als gevolg: gepest worden, buitengesloten worden, je kent dat. Kinderen zijn hard voor elkaar. Ik had vrienden, ik was bij de scouts – daar doe ik nog elke dag mijn voordeel mee, het was mijn leerschool in diplomatie – maar tegelijk was het een keiharde tijd. Al mijn vriendschappen hadden een gecompliceerd randje.

“Tussen mijn 14 en mijn 18 jaar werd het echt heftig. Depressies, opnames in de psychiatrie, zelfmoordneigingen, zelfmoordpogingen... Ik heb mijn ouders toen een vreselijke tijd bezorgd.”

Klikte het daarom meteen met Ivo? Omdat hij zich ook zo anders en buitengesloten had gevoeld in zijn jeugd? Was hij de eerste die u begreep?

“Ivo heeft niet dezelfde puberteit gehad als ik. Hij heeft psychische ravage gezien bij anderen – bij zijn broer, met name. Hij heeft een dierbare vriend verloren toen hij 17 was, een jongen op wie hij verliefd was. Vreselijke dingen, maar hij heeft niet zelf in die duisternis gezeten.

“Ik zeg nu wel dat het bij mij heeft geduurd tot ik 18 was, maar eigenlijk heeft het geduurd tot ik Ivo leerde kennen. Pas op dat moment is er een soort rust over mij gekomen. Stabiliteit, vaste grond onder mijn voeten. Het gevoel van: nu heb ik misschien wel gevonden waar ik al die tijd naar zocht.”

Is die donkere periode naderhand een artistieke voedingsbron gebleken?

“Dat is een iets te vrolijke manier om ernaar te kijken. Ik zeg niet dat die heftige periode alleen maar slecht is geweest voor mij. Je wordt er ook sterk van, je krijgt meer fond en diepgang. Maar ik besef maar al te goed dat ik toen veel mensen pijn heb gedaan. Mijn ouders in de eerste plaats. Toch hebben zij mij naar Brussel laten vertrekken, naar Sint-Lukas, alleen, op kot. Dat ze mij dat vertrouwen hebben geschonken, is achteraf gezien bijna onwaarschijnlijk. Er zaten maar een paar maanden tussen mijn, euh, psychisch dieptepunt en hun beslissing om me te laten gaan. Voor hen was dat een enorme stap. En voor mij was het de totale bevrijding. Het begin van mijn echte leven. Daaruit is alles voortgekomen.”

Sluimert de angst om te hervallen in die donkerte nog in u?

“Nee, die angst is echt wel weg, maar dat gebied is er nog. In mijn hoofd kan ik het deurtje ernaartoe gewoon openen. Dat blijft gevaarlijk, want als ik erdoorheen stap, kom ik niet in een gezellige kamer terecht, maar in een ijle, kille duisternis.”

null Beeld Dirk Balsem
Beeld Dirk Balsem

BEHEERSBARE CHAOS

In een aantal recente stukken die jullie met ITA hebben geproduceerd, trokken jullie wel onvervaard de duisternis in: Freud, met de crew van FC Bergman, Wie heeft mijn vader vermoord? van de Franse schrijver Édouard Louis, en vooral met Een klein leven, de adaptatie van het boek van Hanya Yanagihara.

“Ja, wat er in Een klein leven met het personage Jude gebeurt, ken ik heel goed – verdomd goed zelfs. En ik ben dan ook niet te beroerd om uit mijn eigen ervaringen te putten.”

U doet meer dan het toneelbeeld een beetje op orde zetten?

(lacht) Dat is een wel heel oudbakken invulling van mijn job. Ook voor mij begint alles met de tekst.”

Hoe gaat dat concreet?

“Het is telkens een heel traject. Zodra een idee heeft postgevat in ons hoofd, praten Ivo en ik er voortdurend over. Meestal zijn dat korte gesprekjes. Wat willen we ermee zeggen? Waar willen we naartoe? Welk soort ervaring moet het worden? Of we gaan samen iets drinken en beginnen te fantaseren. Ik teken wat droedels op een bierkaartje of een servet.

“Zodra het serieus wordt, stromen onze ideeën vrij snel door naar onze medewerkers. Sommigen fungeren als klankbord, maar anderen doen ook research, zoeken inspiratiebeelden, maken technische tekeningen, moodboards of maquettes. Ivo en ik werken in dat stadium veel apart. Hij met de dramaturg, ik met mijn mensen. Tot ik het moment gekomen acht om een zogenaamde conduite te maken. Dat is een synopsis in de vorm van een Excel-sheet. De omvorming van tekst naar theater, zeg maar, een heel rudimentaire scenografie. Gaandeweg schrijft iedereen eraan mee: de videodesigner, de mensen die met de props (decorstukken, red.) bezig zijn, de muzikanten. Het zijn bedenkingen in kindertaal: ‘Komt op met afgesneden hoofd.’ ‘Er ligt een plas bloed.’ Dat moet ertoe leiden dat we de acteurs al een stevig uitgewerkte vormgeving kunnen aanbieden op de eerste repetitiedag. En vanaf dan ben ik er gewoon altijd bij. Theater is chaos. Ik probeer die chaos een beetje te organiseren.”

U haat willekeur, heb ik ergens gelezen.

“Ik hou van anarchie, maar ik verafschuw willekeur, dat klopt. In mijn ellendige puberteit heb ik enorm geworsteld met wiskunde. In het merendeel van mijn vakanties had ik bijlessen en herexamens wiskunde. Aan de Academie is dat al een beetje gekanteld, en zodra ik mij ging bezighouden met toneelbelichting helemaal. Licht is pure wiskunde. Zelfs licht dat we ‘organisch’ noemen, is een wiskundige formule.

“Ik heb het geluk gehad veel te mogen samenwerken met Anne Teresa De Keersmaeker. Sinds midden jaren 90 ontwerp ik vaak de scenografie van haar voorstellingen. Zij is daar ook enorm mee bezig: spontane bewegingen, bewegingen uit de natuur, omzetten in mathematische reeksen. Een zwerm vogels, hoe beweegt die, en hoe suggereer je die beweging op een scène? Ook dat is de chaos beheersbaar maken, organiseren, berekenen. Je mag er niet aan denken dat een danser een beweging maakt die een andere danser niet voorzien heeft. Dan vallen er gewonden.”

Vraagt u zich soms af wat er van u was geworden als u Ivo van Hove niet had ontmoet? Lichtkunstenaar, misschien? De Vlaamse Dan Flavin?

“In mijn laatste jaren op Sint-Lukas heb ik inderdaad veel objecten gemaakt waar ‘licht’ in zat. (lacht) Je moest ze in het stopcontact steken, anders werkten ze niet.

“Als ik Ivo niet had leren kennen, zou ik waarschijnlijk een heel middelmatige, niet zo bijster interessante kunstenaar zijn geworden. Als ik er al één zou geworden zijn. Ik ben een groepsdier. Samenwerken met anderen maakt mij sterker. Voeden en gevoed worden. Playing in a band.”

CODES KRAKEN

Jullie wonen en werken al meer dan twintig jaar in Amsterdam. Bent u het hier nog niet beu?

“Het is niet altijd goed gegaan tussen ons en Amsterdam. De eerste drie jaren waren moeilijk. Toneelgroep Amsterdam stond op stelten toen we arriveerden, Ivo voelde zich niet zo welkom. Intussen is dat gaan liggen. Ik ben hier nu heel erg op m’n gemak. Wij wonen in de Jordaan, aan de gracht, op drie minuten fietsen van hier: fantastisch. Maar ik weet niet of we hier zouden blijven wonen als ons werk zou veranderen.”

Jullie zijn voortdurend aan de slag in het buitenland. Maakt het eigenlijk nog uit waar jullie officiële domicilie zich bevindt?

“Steeds minder. Op dat vlak hebben wij alleen maar luxeproblemen. Londen, Parijs, New York: wie zou het níét leuk vinden om daar te wonen, al is het maar tijdelijk?

“Ten faveure van Amsterdam en het ITA, het instituut dat wij mee hebben opgebouwd, moet ik wel zeggen: het blijft hier een veilige haven, een plek waar vernieuwing en experiment mogelijk blijft. In weerwil van de terugkeer naar het victoriaanse tijdperk die we beleven, van de morele grenzen die weer worden opgetrokken. (lacht) Al moeten we ook durven toegeven dat Ivo en ik er tamelijk goed in zijn om die grenzen niet te voelen...”

Ja, jullie doen heel handig alsof ze er niet zijn.

“Het is zelfs niet doen alsof. We laveren erlangs. Of we vinden een doorgang. Intuïtief weten we ondertussen heel goed wat we willen maken, en voor wie. Ons publiek zou nu raar opkijken als we de grenzen wél zouden respecteren. Van ons wordt verwácht dat we de vastgeroeste codes kraken. Dat is ons handelsmerk, onze eigenheid geworden.”

‘Extreem theater voor een breed publiek’, zoals Ivo het kernachtig uitdrukt. Wat in 1980 underground was – het Joy Division-gevoel, zeg maar – hebben jullie mainstream gemaakt in het theater, tot op Broadway toe. Een onwaarschijnlijke prestatie, toch?

“Onze laatste productie op Broadway – West Side Story, de klassiekste aller klassieke musicals – was een geweldige ervaring. Nooit hebben we zo lang en zo intens aan een project gewerkt. Vijf maanden ter plekke, met Anne Teresa erbij als choreograaf. En echt waar: op geen enkel moment hadden we het gevoel dat we iets aan het maken waren dat niet van ons was, waarvoor we smadelijke compromissen moesten sluiten. En toch is het resultaat enorm in de smaak gevallen bij de critici én het publiek. West Side Story wordt in de herfst zeker hernomen, het virus zal bepalen wanneer precies.”

‘‘West Side Story’ breaks all the rules for all the right reasons’, titelde Rolling Stone boven zijn vijfsterrenrecensie.

“Bij de doorlopen en de previews zaten we met de artistic crew vaak achteraan in de zaal. Soms kwam er bij het buitengaan toch een oud dametje in het gezicht van Ivo en Anne Teresa schreeuwen: ‘You should be ashamed of yourself!’ (lachje) Dat was telkens een hele geruststelling.”

Is dat de reden waarom ze jullie overal ter wereld graag zien komen? Omdat jullie altijd dat visitekaartje achterlaten: ‘Van Hove – Versweyveld: vernieuwing met succesgarantie’?

(lacht) Dat is mooi uitgedrukt. Voor avontuurlijke degelijkheid: u kunt op ons rekenen!”

Blijft de werkverhouding tussen Ivo en u ongewijzigd in het buitenland? Was iemand als David Bowie, met wie jullie Lazarus maakten op Broadway, niet meer geïnteresseerd in hoe u zijn verhaal in beeld bracht dan in hoe Ivo het regisseerde? Zijn iconische songs waren inmiddels veertig jaar oud, maar uw visualisering was nieuw.

“Neen, zo zit het niet in elkaar. De regie is altijd heel bepalend voor de scenografie. Bowie was enorm geïnteresseerd in het visuele aspect, maar toch heeft Ivo alle belangrijke gesprekken met hem gevoerd, één-op-één. Ook de vraag om nieuwe songs te schrijven heeft Ivo aan hem gesteld.

“Ik ben er een paar keer bij geweest. (grijnst) Ivo heeft de onhebbelijke gewoonte op zo’n moment aan mij te vragen ‘even te schetsen’ hoe ik deze of gene scène zie. Hij verwacht dan dat ik begin te tekenen op een groot blad papier, dat tussen de gesprekspartners op tafel ligt. Ondersteboven, welteverstaan, zodat David Bowie zijn hoofd niet moet draaien. Dat kan gruwelijk gênant zijn voor mij. Maar met Bowie was het heel aangenaam. Hij stelde honderden vragen, maar hij was ook heel supportive, ik voelde mij absoluut niet geïntimideerd.”

STOOM UIT DE KETEL

Hoe ziet u de toekomst van het theater? Toen ik de Italiaanse schrijver Alessandro Baricco sprak na het verschijnen van The Game, zijn optimistische essay over het digitale tijdperk, zei hij: ‘Nu we Netflix hebben, hou ik mijn hart vast voor het theater.’ Hij betwijfelt of de consument straks nog de puf zal hebben om zich, op een moment dat hij niet zelf bepaalt, te verplaatsen naar een schouwburg midden in de stad, om daar met een paar honderd anderen een avondvullende, onzapbare voorstelling uit te zitten.

“Ik ben daar niet bang voor. Helemaal niet. Theater zal altijd blijven bestaan. Want mensen zullen altijd willen spelen. Van kindsbeen af: dansen, performen, nabootsen, kunstjes opvoeren, hun beste beentje voorzetten, hun duivels uitdrijven. Ze kunnen nu ook in hun eentje zitten gamen, maar met elkaar spelen is leuker. Theater is leuker. Er zullen wel nieuwe vormen van theater ontstaan. Mengvormen van film en theater, theater als tv-serie. We hebben tijdens deze covidcrisis al een kleine preview gekregen van hoe theater zich aanpast aan de digitale wereld.”

ITA heeft gepionierd op dat vlak: nog voor de pandemie uitbrak, waren jullie al aan het streamen.

“Ja, we hadden een kleine voorsprong. Directeur Wouter van Ransbeek was hier de visionair die het voelde komen. En we gaan het blijven doen. Het is spannend, maar ook supercomplex om het goed te doen. (lacht) Dus we gaan er almaar beter in worden. Enkele weken geleden hebben we voor het eerst een voorstelling gelivestreamd naar een zaal op een ander continent. Om halftien ’s ochtends speelden wij hier in de schouwburg Medea integraal, en in Taiwan, waar het op dat moment avond was, zat een volle zaal te kijken naar de livestream op groot scherm. We hebben het daarna nog een keer overgedaan voor Adelaide in Australië. Fantastisch, toch? Bijna alles wordt mogelijk met streaming. Maar het kan niet alles vervangen: de geur van het theater, de bijna samenzweerderige verbondenheid van het publiek, de reacties achteraf, de geanimeerde discussies, de ontlading, de naschokken...

“Ivo is ontzettend gelukkig met die livestreams. Ik ook. Eindelijk hebben we goeie opnames van de producties die we maken.”

In welke mate zijn jullie bezig met jullie nalatenschap? Jullie hebben samen zo gruwelijk veel voorstellingen gemaakt dat niemand het overzicht nog kan bewaren. Wordt het niet stilaan tijd om tevreden terug te blikken en dat overzicht te maken, bijvoorbeeld in een royaal geïllustreerd boek?

“Je bent niet de eerste die daarover begint. Eens je begint terug te blikken, stop je de vooruitgang. Wij zijn daar nog niet aan toe. We zijn er nog veel te jong voor. (lacht) De energie stroomt nog volop tussen ons. Op gezette tijden moet die eruit, als stoom uit een ketel. Ik denk dat theater onze eerste levensbehoefte is. Ik denk dat we theater zullen blijven maken tot we doodvallen.”

Doen jullie ooit iets anders dan werken?

“Da’s een goeie vraag. Leven, natuurlijk. Reizen. Genieten van lekker eten. Ontspannen, toch wel. Heel veel lezen, en niet alleen in functie van een theaterproject. Een droom die ik nog heb, en Ivo weet dat zeer goed, is zelf een huis bouwen.”

Waar?

“In de Provence. We spreken allebei goed Frans. Communicatie met de medemens is key. We houden ook enorm van Italië, maar daar zou de taal een te grote barrière zijn.”

Bent u van u beiden de man met een hang naar het traditionele? Jullie zijn ook getrouwd. Ivo laat niet na te benadrukken dat u daar sterk op aandrong.

“Ja, maar hij vergeet er meestal bij te zeggen hoe ernstig de situatie was. In 2003 werd ik ineens heel ziek. Ik bleek een aneurysma te hebben op de carotis: een uitstulping op de slagader die naar de hersenen loopt. Opereren was toen nog niet mogelijk, de dokters durfden er niet aan te komen. Ik heb er een jaar mee geleefd. Dat was niet leuk. Het aneurysma was zo hard dat het de omliggende zenuwbanen afknelde. Ik voelde het bloed kloppen en suizen ter hoogte van mijn slaap. Hoofdpijn, zwijmelen, vertroebeld zicht, en een gevaarlijke situatie bovendien.

“Een jaar later was de medische technologie wel zo ver dat er geopereerd kon worden. Maar het bleef een experimentele ingreep. Het gebeurde in Leuven. Ivo kon er niet bij zijn, hij moest een repetitie leiden. Typisch. Toen heb ik wel even gepanikeerd, ja. Toen heb ik gedacht aan onze intieme legacy. Wat als ik er niet levend uitkom? Wat gaat er dan gebeuren met het huis, met de spullen die we hebben verzameld, met alles wat we samen hebben gedaan en gemaakt? Net voor ze mij de operatiezaal in rolden, heb ik Ivo aan de telefoon laten beloven dat we zouden trouwen. Daar is overigens nog flink wat tijd overheen gegaan. En het is waarschijnlijk het snelste huwelijk in de geschiedenis van de Amsterdamse burgerlijke stand geworden. Gauw gauw tussen twee repetities door. Een uur later waren we opnieuw aan het werk.”

© Humo

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234