Dinsdag 15/10/2019
Sandra Devinck, directrice OVSG-basisschool De Wijzer in Kuurne. ‘Elke leerkracht heeft wel een probleemkind.’

Onderwijs

Nergens worden leraren vaker geïntimideerd dan in Vlaanderen: ‘De sfeer was hier totaal verziekt’

Sandra Devinck, directrice OVSG-basisschool De Wijzer in Kuurne. ‘Elke leerkracht heeft wel een probleemkind.’ Beeld ID imagedesk

Leerkrachten verliezen veel effectieve lestijd en pesten is een groot probleem. Dat leert het derde internationale OESO-onderzoek naar bevindingen van leerkrachten op de werkvloer. Toch zien de onderzoekers geen reden tot paniek. We belichten vier aandachtspunten.

Verbale intimidatie en pestgedrag

Nergens ter wereld worden leerkrachten zo vaak verbaal geïntimideerd of beledigd door hun leerlingen als in Vlaanderen. Liefst 12,5 procent van de directeurs van de eerste graad van het middelbaar onderwijs zegt dat hun leerkrachten of personeel wekelijks te maken hebben met verbale intimidatie of beledigingen. Daarmee wijken we sterk af van de internationale norm. In het lager onderwijs is het probleem minder pertinent. Daar maakt 5,3 procent van de directeurs gewag van die intimidatie. Dat loopt ongeveer gelijk met wat er in vergelijkbare landen genoteerd wordt.

Vlaanderen toont ook opvallend hoge cijfers voor intimidatie of pesten onder leerlingen, zowel in het lager als het secundair onderwijs. “Volgens 30,4 procent van de Vlaamse schoolleiders in het lager onderwijs en 40,3 procent van de Vlaamse schoolleiders in de eerste graad secundair onderwijs komt pesten of verbale beledigingen tussen leerlingen minstens wekelijks voor”, staat in het rapport. In het secundair is vooral cyberpesten een opvallend probleem.

De gedragsproblemen zijn het gevolg van de steeds grotere uitdagingen waar zo’n klas voor komt te staan, klinkt het. Toch schatten leerkrachten de band met hun leerlingen net erg positief in. Niet minder dan 98,4 procent van de leerkrachten in het lager onderwijs en 96,4 procent in de eerste graad van het secundair meent dat leraren en leerlingen “meestal goed” met elkaar opschieten. Een stuk beter of minstens even goed als vergelijkbare landen.

Hoe vallen die twee met elkaar te rijmen? “Een mogelijke verklaring is dat we onze vragenlijst hebben afgenomen vlak na de maand tegen pesten. We weten dat zo’n sensibiliseringscampagne tot overrapportering kan leiden”, zegt onderwijssocioloog Filip Van Droogenbroeck (VUB), die het Vlaamse TALIS-onderzoek leidde. “De OESO is zelfs lovend over ons pestbeleid. Daardoor wordt het probleem meer bespreekbaar en zal er misschien sneller iets van gezegd worden als het misloopt.”

Dalende effectieve lestijd

De TALIS-bevraging peilt leerkrachten ook naar hun tijdsgebruik in de klas. Concreet wordt hen gevraagd hoeveel procent van de tijd ze gebruiken voor administratieve taken (rond de 10 procent), discipline houden in de klas (rond de 15 procent) en het feitelijke lesgeven en leren (rond de 75 procent).

Opvallend aan die cijfers is dat er sinds de start van de TALIS-onderzoeken een duidelijke neerwaartse trend te zien is voor het feitelijke lesgeven en leren. In 2008 zeiden leerkrachten in het secundair nog bijna 78 procent van de tijd les te kunnen geven. Die daling van een paar procenten lijkt miniem, maar is in Vlaanderen meer uitgesproken dan in de rest van Europa. 

“Die evolutie heeft een aantal oorzaken: er zijn meer leerlingen met specifieke behoeften, meer taaldiversiteit, meer multiculturaliteit”, zegt Van Droogenbroeck. Het tijdverlies blijkt in Vlaanderen inderdaad groter te zijn in meer diverse klassen – klassen met leerlingen met een migratieachtergrond en leerlingen uit een sociaal-economisch achtergesteld gezin. “Dat zijn toch enkele zaken die voor druk zorgen.”

Het hoeft dan ook niet te verbazen dat de verloren tijd voor het grootste stuk opgaat aan het in de hand houden van de leerlingen. Niet voor niets laten veel leerkrachten noteren dat ze meer moeite hebben dan vijf jaar geleden om hun klas stil te krijgen aan het begin van de les. Ze zeggen ook meer tijd te verliezen door leerlingen die onderbreken.

Het zijn vooral de beginnende leerkrachten die aangeven dat ze veel tijd verliezen aan ordehandhaving. Naarmate de loopbaan van een leerkracht vordert, stijgt ook zijn of haar efficiëntie en winnen ze lestijd terug. Dat de algemene evolutie toont dat leerkrachten lestijd verliezen, heeft dan ook te maken met het feit dat het net beginnende leerkrachten zijn die voor de meest uitdagende klassen staan. “Het werpt de vraag op of de meest uitdagende scholen misschien meer nood hebben aan een betere mix van meer en minder ervaren leraren”, vragen de onderzoekers zich af.

Een veld in beweging: jong en gemotiveerd

“Je voelt aan veel zaken dat Vlaanderen worstelt met zijn onderwijs.” Dat zegt hoofdonderzoeker Van Droogenbroeck. Volgens hem is er een sterke basis voor goed onderwijs, maar de uitdagingen nemen wel toe. “Kijk, onze leerkrachten zijn de meest gemotiveerde die er zijn. En ze zijn heel bekwaam. Maar daarnaast zijn er echter ook heel wat demografische veranderingen onder de leerlingen. Die vereisen een specifiek beleid.”

Onze leerkrachten blijken inderdaad intrinsiek de meest gemotiveerde van het hele rapport. Zowel in het lager als in het secundair onderwijs blijkt de mogelijkheid om het leven van kinderen positief te beïnvloeden (meer dan 96 procent) bijvoorbeeld veel belangrijker dan de stabiele loopbaan (een kleine 70 procent) of het werkschema (rond de 60 procent). Zo zou acht op de tien opnieuw voor de job van leerkracht kiezen mocht hij of zij weer voor de keuze staan. Ook onderwijsminister Hilde Crevits (CD&V) benadrukt dat: “Dit bevestigt nogmaals dat Vlaanderen beschikt over een lerarenkorps waar we trots op mogen zijn.”

Wel problematisch is dat slechts een kwart van de leerkrachten denkt dat de maatschappij hun job waardeert. “Zorgwekkend”, noemen de onderzoekers dat. “Net zoals de zorgsector hebben we nood aan een ambassadeur die acties en maatregelen uitwerkt om het onderwijsberoep positief in het daglicht te plaatsen”, stelt Patriek Delbaere, directeur van het stedelijk en gemeentelijk onderwijs (OVSG).

Bovendien verandert het lerarenkorps sterk. Het aandeel vrouwen neemt toe en leerkrachten worden steeds jonger. “Er is maar één land waar leerkrachten jonger zijn dan hier. We zien zelfs geen enkel land waar directeurs zo jong zijn als in Vlaanderen. Al sinds het begin van de metingen is Vlaanderen een uitschieter”, zegt Van Droogenbroeck. Bij directeurs valt vooral de categorie jonger dan 40 jaar op. Liefst 18,9 procent van de Vlaamse directeurs valt daaronder. Er is geen enkel ander land dat nog maar in de buurt komt. Maar dus ook het lerarenkorps is erg jong. Zo is 56 procent van de leerkrachten tussen de 30 en 49 jaar oud. 

Bijscholing

De voorbije jaren kwamen er veel negatieve berichten over de lerarenopleidingen. Die zouden niet genoeg kwaliteit leveren en worden onder andere daarom komend schooljaar hervormd. Maar op de klasvloer is een heel ander geluid te horen. Leerkrachten vinden immers dat ze uitstekend worden voorbereid op die werkvloer. Volgens hen komen alle basiselementen, gaande van algemene pedagogie tot ruimte voor praktijkervaring, meer dan voldoende aan bod. Het zorgt ervoor dat Vlaamse leerkrachten zich daardoor, vooral in de eerste graad van het secundair onderwijs, beter voorbereid voelen op het werken dan in het buitenland.

Al is er wel één aspect waar leerkrachten klagen over een gebrek aan voorbereiding, het lesgeven in een multiculturele setting. Slechts 17 procent van de Vlaamse leraren voelt zich (zeer) goed voorbereid om les te geven in een multiculturele of meertalige setting. “Net gezien onze uitdagende context is dat wel een aandachtspunt”, klinkt het bij de onderzoekers.

Daarnaast focuste deze TALIS-bevraging ook specifiek op de bijscholingen die leerkrachten volgen. 97 procent van alle Vlaamse leerkrachten zegt het jaar voor de bevraging minstens één bijscholing te hebben gevolgd. Daar zijn we absolute wereldtop in. De populairste bijscholingen zijn cursussen, studiedagen en het lezen van vakliteratuur.

Opvallend is wel dat Vlaamse leraren aangeven minder nood te hebben aan bijscholing dan hun collega’s in het buitenland. Dat is, in tijden van levenslang leren, best opvallend te noemen. “Internationaal onderzoek toont net aan dat degelijke bijscholing een grote impact heeft op het leren van de leerlingen”, zegt pedagoog Pedro De Bruyckere (Arteveldehogeschool/Universiteit Leiden). “En dan heb ik het niet over twee keer per jaar een vormingsdag volgen.” Alle netten treden hem daarin bij. “Wanneer leraren zich met collega’s op regelmatige basis bijscholen en deze bijscholingen ook een gevolg krijgen in het schoolbeleid, stellen we vast dat gedragsproblemen van leerlingen beter beheersbaar worden”, zegt het katholiek onderwijs.

Sandra Devinck (45 jaar), directrice OVSG-basisschool De Wijzer in Kuurne: ‘De sfeer was hier totaal verziekt’

Twee jaar geleden riep de school van Devinck de hulp in van de begeleidingsdiensten van hun OVSG-koepel voor het probleemgedrag op school. “De sfeer was hier totaal verziekt”, zucht ze. Dat uitte zich op verschillende manieren. “Leerlingen schopten keitjes op auto’s in de rij na school – niet te vergelijken met gedragsproblemen in het secundair natuurlijk.

“Maar als we hen terechtwezen, lachten ze ons uit. Of ze scholden.” Steeds vaker ook in een vreemde taal. Devinck wijst inderdaad naar de groeiende diversiteit als oorzaak, ook op sociaaleconomisch vlak. “Maar, we moeten ook erkennen dat de sfeer in het lerarenteam niet goed zat. Er waren te veel irritaties die niet werden uitgepraat.”

Nu twee jaar verder is die situatie helemaal omgedraaid. En zoiets lukt niet door één pedagogische studiedag te organiseren. “Dat is een en-en-verhaal. Elke leerkracht heeft wel een probleemkind. Maar dat is niet langer zijn persoonlijk probleem, maar de verantwoordelijkheid van de hele school.”

Kirsten Jacobs. Beeld ID imagedesk

Kirsten Jacobs (40 jaar), leerkracht Nederlands en Latijn in het GO! Atheneum De Ring, in Leuven: ‘Passie om les te geven: kinderen ruiken dat’

“Of ik veel moeite heb om mijn klas stil te krijgen? Het eerste jaar was dat misschien zo, maar de zeventien die erop volgden, was dat geen probleem hoor”, zegt Jacobs. “Al zeg ik wel altijd tegen de stagiairs dat lesgeven nog het minste is van wat we doen op school. Natuurlijk zorgen we dat onze lessen in orde zijn, maar daarbuiten komt er zoveel op ons af. Het is elk jaar een gevecht om alles gezien te krijgen. Dan ben je blij dat het einde van het schooljaar in zicht komt.”

Jacobs haalt het voorbeeld aan van haar examen Nederlands nu vrijdag. “Ik heb vier kinderen die het examen op pc maken en één van wie de arm in het gips zit. Tegen de tijd dat ik geholpen heb, zijn we al een halfuur verder en dan wachten er nog 45 leerlingen. Maar, en daar ben ik resoluut in, ik vind alles wat erbovenop komt erg belangrijk. Het is pas als leerlingen zich goed voelen dat ze goed zullen kunnen leren.

“Veel mensen denken dat wij lesgeven voor die vakanties. Maar dat klopt niet. Mensen uit de privé die hier instappen om de vakanties, die houden dat niet vol. Die passie om les te geven, dat is het belangrijkste. Kinderen ruiken dat.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234