Donderdag 22/08/2019

Reportage

Nergens sloeg de bankencrisis zo hard toe als in Detroit: "Dit is het failliet van een generatie"

Jay Stange (r.) geeft een zelfgekweekte tomaat aan een voorbijgangster. "We zorgen hier voor elkaar."

Het faillissement van Lehman Brothers in september 2008 en de daaropvolgende bankencrisis stortte de hele wereld in een ongekende financiële malaise. Maar nergens was die crisis zo tastbaar als in Detroit. Exact tien jaar later komt de oude autostad weer een beetje tot leven.

Boven de struiken langs de straat duikt het hoofd op van een zwarte vrouw die verlekkerd naar de moestuin kijkt waarin Jay Stange met haar hond aan het wandelen is. Ja hoor, zegt Stange, en ze plukt een tomaat, een glanzend rode tomaat midden in Detroit. “Wil je ook een boerenkool?”, vraagt Stange. “Boerenkool, oh, mijn god! Ik vroeg alleen maar een tomaat of een peer. Maar dank je! Gezegend is je hart. Wat een geluk. Boerenkool!”

Stange (32) kijkt de vrouw na die met haar tasje met vers avondeten door de verder verlaten straat naar het volgende blok loopt, een groot weiland met een paar huisjes die de crisis ook hebben overleefd. “We zorgen voor elkaar hier”, zegt ze. “De mensen die hier zijn gebleven, zijn hardnekkig. We kijken van hier naar een wereld waarmee we het oneens zijn.”

Lees ook:

10 jaar na de bankencrisis: Zes valstrikken voor een nieuwe economische nachtmerrie

Het is bijna landelijk, deze leegte met eiken en esdoornen langs lanen die naar plukjes houten huizen leiden waar de krekels kirren en de vlinders fladderen. De enclave waar Stange woont en tomaten plukt en meubels maakt heet Farnsworth Farm. Er is een boomgaard, er is een kerkje, er fietsen zomaar kinderen op straat. Wie niet beter weet, zou het idyllisch noemen.

Maar elk lege plek is een huis dat er niet meer staat. Elke lege plek is een familie die er niet meer is.

Als de crisis ergens heeft huisgehouden, is het hier in Detroit, een van de mythische steden van Amerika. Hier liet Henry Ford vanaf 1908 miljoenen exemplaren van zijn model-T van de lopende band rollen, een revolutionaire auto gemaakt door arbeiders die genoeg loon kregen om er zelf ook een te kopen – Ford had niet alleen een betaalbare auto uitgevonden, maar ook de Amerikaanse middenklasse.

Honderdduizend Afrikaans-Amerikanen kwamen uit het zuiden en vonden werk in de fabrieken van Ford, Buick, Chrysler, Packard, Cadillac, Chevrolet, en gaven met hun muziek de stad nog een extra glans die weerklonk in die ene naam: Motown.

De zwarte inwoners mochten vanaf de jaren 30 niet meer in de witte wijken wonen. De overheid wilde het witte huizenbezit stimuleren, en richtte een bank op die alleen hypotheken verstrekte als er geen zwarten in de buurt woonden.

In Detroit is nog steeds de muur langs de 8th Mile te zien, een straat op veertien kilometer van het centrum, neergezet door een project­ontwikkelaar om de zwarten uit een witte voorstad te houden. Dit publiek-private apartheids­beleid, redlining genaamd (naar de met rode stift afgebakende zwarte wijken), werd in 1968 afgeschaft, maar zou nog decennia effecten hebben, en bijdragen aan de klap van 2008: de grootste huizencrisis van Amerika.

Sommige bewoners die de hypotheek niet meer konden betalen, staken uit frustratie hun huis in brand.

Hier, in Detroit, liep het hele systeem op de klippen.

“Detroit is Amerika met de volumeknop in de hoogste stand”, zegt Drew Philp (32), in zijn huis in Poletown, een paar blokken van de Farnsworth boerderij. “De financiële crisis speelde natuurlijk in het hele land. Maar hier in deze stad kwamen alle factoren samen.”

De crisis had een voorgeschiedenis van decennia – Detroit zat begin jaren 50 op zijn piek, toen er 1,7 miljoen mensen in de stad woonden. Met het vertrek van de autofabrieken begon ook de uittocht van de arbeiders, waardoor de (belasting)inkomsten van de stad terugliepen en Detroit op steeds creatievere manieren aan geld moest zien te komen. De banken waren welwillend. Tegen steeds hogere tarieven leenden ze op steeds exotischer manieren geld aan de stad.

Ook voor de inwoners, voor het merendeel zwart, verzonnen de banken steeds exotischer producten. Met name op de huizenmarkt, waar zwarte Amerikanen dankzij de historische ­redlining met moeite normale hypotheken ­konden bemachtigen, werden banken steeds ­creatiever. Zogeheten subprime hypotheken, met snel stijgende rentes en forse provisiekosten, werden door de banken heel gericht aan (arme) zwarten verkocht, hoe lastig die de hoge kosten ook konden dragen.

De banken verpakten deze rommelhypotheken in cadeaupapier om het risico te ­verdoezelen en verkochten ze door aan argeloze beleggers van andere banken, die geen idee ­hadden dat die ­dingen waardeloos werden op het moment dat de huizenbezitters de hypotheek niet meer konden betalen.

Toen dat gebeurde, werden de banken gered, met miljardeninjecties van de overheid. De ­huizenbezitters niet.

Vluchtelingencrisis

“Dit is het failliet van een generatie”, zegt Philp. “De babyboomers hebben dit met hun inhaligheid laten gebeuren. Hier in Detroit zijn de ­afgelopen jaren één op de drie huizenbezitters uit hun huizen gezet. Er zijn 250.000 mensen vertrokken. De financiële crisis was een vluchtelingencrisis.”

Philp was student aan de universiteit van Michigan en zag het gebeuren. Hij kocht in 2009 een huis dat leeg was komen te staan, in een van de kaalgeslagen wijken van Detroit, voor 500 ­dollar. Er zaten geen ramen meer in, het was ­volledig gestript. Hij zou het gaan opknappen, om te helpen Detroit te redden, om te laten zien dat de stad nog niet opgegeven was. De stad was terug bij af, en de enige weg was vooruit.

“Er was een opwelling van hoop, van naïviteit, omdat we nog niet hadden geruïneerd wat al door degenen voor ons geruïneerd was”, schrijft hij in het boek A 500 Dollar Home in Detroit. “We dachten dat we misschien, heel misschien, ­konden slagen waar onze hippie babyboomer ouders niet meer in konden slagen: de wereld opnieuw creëren. We wisten dat zij hadden gefaald – Detroit was het bewijs – maar misschien hadden ze wel zo spectaculair gefaald dat wij een nieuwe kans hadden gekregen.”

Drew Philp kocht zijn huis voor 500 dollar en schreef er een boek over.

Het is een prachtig huis. De achtertuin is ­zompig (iets met een lekkende afvoerpijp), maar eenmaal binnen zie je hoe Philps handen zijn ideeën tastbaar hebben gemaakt. Hij heeft een schoorsteen gebouwd van bij elkaar verzamelde bakstenen. Er zitten verwarmingsroosters in de vloer van aan elkaar gelaste tandwielen. Het aanrecht is van smalle, bij elkaar gesprokkelde houten latjes gemaakt. Door het huis loopt een hond – ook gevonden. Boven staat zijn werkbank, met al het gereedschap dat zijn vader hem sinds zijn achtste elk jaar cadeau heeft gegeven. Elke ­kerstmis een nieuwe tang, of een hamer. Een babyboomer die toch iets goed heeft gedaan.

Zijn huis is een vorm van protest, zegt Philp. Hij wilde meer doen dan stemmen of demonstreren – de twee geijkte manieren om iets te veranderen aan het systeem. Hij kocht voor 2.300 dollar ook het huis van zijn bejaarde buren, toen die uit hun huis dreigden te worden gezet. “Wat mij kwaad maakt, is dat er hier in de stad wel een nieuw ijshockeystadion kon worden neergezet, met een paar honderd miljoen dollar subsidie, terwijl er geen geld was om deze mensen te helpen. Dat idee van trickle-down urbanisme, dat je het centrum opknapt waarna iedereen profiteert, is onzin.”

Gereanimeerd stadshart

Het centrum van Detroit, tot een paar jaar geleden het domein van hoeren en zwerfvuil, is na het faillissement in 2013 een moderne modelstad geworden, schoon en functioneel. Nergens in Amerika glanst het asfalt zo als op Cass Avenue, de voormalige tippelzone. Er zijn dure lofts in oude fabrieken, er zitten hippe koffietentjes in bakstenen panden, er zijn techbedrijven en ­leenfietsen en er is een tramlijn. Er is een footballstadion en een honkbalstadion en dus dat ­hockeystadion en ’s avonds loopt het centrum vol – en veel Detroiters zijn er blij mee, met dit gereanimeerde hart van de stad.

Dit nieuwe leven is het project van twee slimme projectontwikkelaars geweest, Dan Gilbert en Mike Ilitch, handige miljardairs die met verschillende petten op niet alleen de stad, maar ook zichzelf vooruit hebben geholpen. Pizzabaron Ilitch hielp twee plaatselijke ­sportclubs uit het slop, en vertaalde de daarmee verkregen populariteit in gemeentelijke ­miljoenensubsidies voor zijn projecten. Hypotheekverstrekker Gilbert was ook voorzitter van de commissie die adviseerde over het slopen van de verlaten huizen in de stad. Hij adviseerde vooral véél te slopen, wat over het algemeen goed is voor hypotheekverstrekkers en projectontwikkelaars zoals hijzelf.

Het Michigan Central Station, waar Ford Motor Company zich gaat vestigen.

Ondanks de sloopdrift worden er ook pogingen gedaan de monumentale panden in de stad te behouden. Het meest symbolische voorbeeld is Michigan Central Station, een bombastisch gebouw van een eeuw geleden, dat met zijn rails naar nergens en zijn honderden holle vensters het verval van de stad groots verbeeldde.

Begin deze zomer werd bekend dat Ford het gebouw heeft gekocht om er een campus van te maken voor de ontwikkeling van robotauto’s. Daarmee zou niet alleen het gebouw een tweede leven krijgen, maar ook Detroit zelf – als nieuw centrum van een auto-ontwikkeling die zich tot dusver vooral in Silicon Valley afspeelt. Met ­duizenden banen voor duizenden nieuwe werknemers, die ergens moeten wonen.

In de buurt, natuurlijk.

Voor straf in het kerkkoor

Er brandt een vuur op het gras bij een huis in North Corktown, de wijk meteen ten noorden van het centraal station. Ook in deze wijk heeft de afgelopen jaren de crisiskaalslag gewoed, en is zo’n tachtig procent van de huizen en hun ­bewoners verdwenen. Maar wie is gebleven, of is gekomen, is nu spekkoper.

“In drie maanden moet het af zijn”, zegt een man die naar buiten komt, met een riem vol gereedschap rond zijn camouflagebermuda. Hij gooit nog een paar oude planken op het vuur, en gaat naar binnen.

Tussen een koevoet en wat waterflessen ligt op een tafel een stoffig papiertje met daarop een kaart van de wijk. ‘Impact area’, staat erop.

Het is het gebied dat het eerst gaat merken dat Ford is teruggekomen in Detroit. Dit huis ligt er midden in.

Nee, het huis is niet van hem, zegt Tony Zwierkowski, een Detroiter die de crisis doorkwam met coke en het strippen van verlaten gebouwen, tot hij in de Packard-fabriek werd gepakt en tot een paar maanden cel werd veroordeeld. Een deel van zijn straf zat hij uit door in een kerkkoor te zingen, met een paar ex-Motown-types, en toen kreeg hij een openbaring, zegt hij. Nu is hij clean en doet eerzaam werk – hij schoolde zichzelf om van dakdekker tot klusser en huizenopkalefateraar.

Tony Zwierkowski schoolde zich om tot dakdekker en klusser.

Even later komt de eigenaar van het huis ­binnen. Charlene Boyd (32), in het dagelijks leven freelancemodel, te huur voor autobeurzen. Het huis heeft ze van haar spaargeld gekocht. Vorig jaar bood ze via een veiling voor het eerst op een huis hierachter. Iemand was het kwijtgeraakt omdat hij de belasting niet meer kon betalen – een belangrijke oorzaak voor huisuitzettingen in Detroit, omdat de vastgoedbelasting gebaseerd is op huizenprijzen van voor de crisis en daardoor veel te hoog is. Boyd klopte aan, en vertelde aan de oude eigenaar dat zij de nieuwe eigenaar was. “Een paar dagen later brandde het huis tot de grond toe af”, zegt Boyd. “Hij kon het niet aan, denk ik.”

Dat was een tegenvaller, want ze was nog niet verzekerd. Maar niets gebeurt zonder reden, zegt ze. Ze hoorde kort daarna dat het huis erachter te koop was, en ze kocht het. Dertigduizend dollar. Dat was dit huis. Inmiddels is het meer dan 230.000 waard, zegt Tony, die dat soort dingen op een vastgoedsite volgt. Zijn eigen huis in Oost-Detroit, in de jaren 90 nog 130.000 waard, schat hij nu op 13.000 dollar. ‘Treurig. Het wachten is tot ze het vliegveld daar gaan ontwikkelen.”

Dubieuze landcontracten

Boyd kocht het huis van haar spaargeld. Eén van de problemen in Detroit is dat de banken nog maar zeer spaarzaam geld uitlenen. De meeste huizen in de verlaten zwarte wijken zijn nog te weinig waard – onder een halve ton vinden de banken te riskant voor een hypotheek. En de ­huizen in de verbeterde wijken, met prijzen die wel hoog genoeg zijn voor een hypotheek, zijn weer te duur voor de meeste aspirant-kopers. Het huizenbezit onder Detroiters is daardoor nog steeds lager dan het in decennia is geweest. Banken bieden inmiddels ook weer dubieuze producten aan, zogeheten landcontracten, die aspirant-eigenaren huur laten betalen tot het huis van hen is – maar met één te late betaling kunnen ze alles verliezen.

“Ik doe het op eigen kracht”, zegt Boyd. “Mijn generatie moet het allemaal zelf regelen.”

Het is typerend voor de nieuwe Detroiters: ze proberen de stad vanuit de marges naar hun hand te zetten. Ze kopen een huis, ze verbouwen een huis, of ze huren een huis en verbouwen tomaten. Zij vullen de tabula rasa vanaf de rafelranden van de stad, terwijl de grote projectontwikkelaars vanuit het ­veilige midden werken. Soms versterken die twee activiteiten elkaar, zoals in het geval van Charlene Boyd, die enorm zal profiteren van de Ford-investering. Ook veel andere inwoners van Detroit hopen ongeduldig op een financiële injectie, of in elk geval een opknapbeurt van de buurt.

Maar iemand als Drew Philp is juist huiverig voor de ontwikkelaars, die geen waarde kunnen hechten aan een alternatieve invulling van de open ruimte. Gaan die twee botsen?

Burgemeester Mike Duggan ­luistert naar de bekommernissen van zijn burgers.

Burgemeester Mike Duggan ziet het tijdens een buurtbijeenkomst in de Tweede Ebenezer kerk in het noorden van de stad zonnig in. Hij pakt de stad via tien ‘strategische buurten’ stapsgewijs aan, vertelt hij, door daar huizen te slopen, dicht te spijkeren of op te knappen en te verkopen. Mensen die een huis hebben mogen voor 100 ­dollar de aanpalende percelen (10 bij 30 meter) kopen, voor een moestuin, een terras of een ­speelveld voor de kinderen.

Ook investeert de stad in deze strategische buurten in parken en sportvelden en lantaarn­palen en bedrijven met banen. Duggan wijst op de buurten waar dat vorig jaar is gebeurd, en waar de waarde van de huizen met 14 procent is gestegen.

Maar Detroit zal nooit meer die oude stad ­worden, met de volledige dichtheid aan huizen en mensen. De leegte op sommige plekken is ­permanent, zegt Maurice Cox, directeur planning en ontwikkeling. “De groepjes gebouwen die het hebben overleefd, soms met heel hechte gemeenschappen, moeten we proberen te begrijpen als kleine dorpen. Ze voelen soms als landgoederen die je ook op het platteland ziet. Een lange weg met bomen, en dan in de verte een groepje gebouwen – de weg lijkt daar een soort erf. Wat gaan we daarmee doen? Dat vragen we aan ontwerpers en aan stedelijke economen. Wat is de waardepropositie van zo’n constellatie?

“Misschien moeten we bij zo’n dorpje een poort op de weg zetten. Zodat je het gevoel hebt dat je niet ergens langs rijdt maar ergens aankomt. Een aankomst bij een boerenhoeve. Als we dat voor elkaar kunnen krijgen, dan heeft de ­crisis toch iets moois opgeleverd.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden