Zaterdag 31/07/2021

neo-impressionist Théo Van Rysselberghe in Bozar

Ook voor de brave, academische pointillist die schijnbaar alleen luxe en burgerlijke harmonie kende, was kunst een halszaak

Een stippelaar met connecties

Hij was de aanvoerder van het neo-impressionistische elftal in België, een gedreven en bedreven stippelaar met internationale connecties. Omstreeks 1900 ontving Théo Van Rysselberghe zowat de hele avant-garde in zijn atelier: pointillisten en symbolisten, collectioneurs en critici. In het Brusselse PSK wachten zijn pokdalige portretten en landschappen in geel en mauve op vreedzame horden burgers en buitenlui.

Brussel

Van onze medewerker

Eric Min

Meer nog dan Khnopff of de brutale Ensor is Théo Van Rysselberghe (1862-1926) een spilfiguur in het kunstbedrijf rond de eeuwwisseling. Hij heeft een aardig oeuvre bijeengeborsteld, maar was ook een kruispunt van invloeden - doorgeefluik en arbeidsbureau, seismograaf en megafoon.

Théo kende iedereen en iedereen kende Théo. We kunnen het nalezen in de portretten die hij als academisch geschoold kunstenaar heeft gerealiseerd. Familieleden en vrienden passeerden de revue in het atelier van de niet onbemiddelde schilder, die ooit durfde te klagen dat hij bij gebrek aan opdrachten geen geld had om modellen te betalen. Zijn portrettengalerij oogt als een carnet mondain: de kunstenaar Dario de Regoyos, de zusjes van zijn collega Schlobach, de dochters van monsieur Van Mons, secretaris van het Paleis voor Schone Kunsten en neef van de schrijver Emile Verhaeren...

Dezelfde Verhaeren zit achter zijn schrijftafel of dwaalt over het strand. De dandy Octave Maus, kunstpaus en stichter van artistieke genootschappen als Les Vingt en La Libre Esthétique, poseert als een Jan Hoet uit lang vervlogen tijden. De zussen Sèthe waren een gedroomd motief, onder meer Maria met haar harmonium maar vooral de negentienjarige Alice wier portret in oplichtend blauw en goud in 1888 een keerpunt in Van Rysselberghes carrière was. Een criticus oreerde over deze "bloem van jeugd in de dauw van een ontluikende ochtend" en ook Maurice Denis ging overstag toen hij het doek op de Salon des Indépendants van 1890 te zien kreeg. Alice trouwde met de beeldhouwer Paul Dubois, Maria werd in 1903 door huisvriend Van Rysselberghe als de echtgenote van de architect Henry Van de Velde geportretteerd.

Ook de vrouw van de schilder en hun dochter Elisabeth waren dankbare modellen voor deze discrete huiskamerkunstenaar. Maar evenzeer intimistische composities als Familie in een boomgaard of een aan Khnopff verwante, zonnige strandwandeling zijn eigenlijk dagboekaantekeningen uit het leven van een burgerlijke intellectueel met artistieke aspiraties. De dame op het strand die haar hoed vasthoudt en onbevangen 'in de lens kijkt', is de dichteres Marie Closset. Onze neo-impressionist ging dus vooral de geschiedenis in als een chroniqueur van zijn eigen biotoop. De wereld was klein, adembenemend klein.

Bij nader inzien blijken veel essentiële bouwstenen uit Van Rysselberghes oeuvre, die vandaag in musea in Brussel, Otterlo of Antwerpen thuishoren en in 1993 op een fraaie retrospectieve in Gent werden getoond, in Brussel te ontbreken, terwijl zijn latere, minder interessante periode enigszins overbelicht wordt. Dat hoeft geen probleem te zijn, want wat samensteller Olivier Bertrand in het Paleis heeft opgehangen, is echt wel de moeite waard. Toch zijn er enkele leemten. Het Gentse Museum voor Schone Kunsten wilde het grote doek De lezing door Emile Verhaeren (1903) niet meer uitlenen. Onlangs was het sleutelwerk nog een van de pronkstukken in de expositie Van Ensor tot Bosch en het museum kon het schilderij echt niet langer missen. Dat is jammer, maar we kunnen natuurlijk altijd in Gent gaan nakijken hoe Van Rysselberghe in één bevroren beweging - de knokige rechterhand van Verhaeren in het hart van het doek - de lijnen trekt die hem verbinden met de artistieke coterieën van zijn tijd. Het schilderij is ook de zwanenzang van de pointillistische portrettraditie. Nadien zou de kunstenaar een meer realistische stijl in wilde kleuren bedrijven. In De lezing voeren de puntjes nog de boventoon, vooral in het decor.

Zeven heren in zwart pak luisteren peinzend naar Verhaeren, die voorleest uit eigen werk. We herkennen schrijvers als André Gide en Maurice Maeterlinck, maar ook Félix Fénéon, de Franse kunstcriticus die in 1886 door Maus in zijn Brusselse tijdschrift L'Art Moderne werd binnengehaald om de kleurtheorie van het neo-impressionisme uit te leggen en het publiek voor te bereiden op de aardschok die Seurats manifest Un dimanche après-midi à la Grande Jatte ongetwijfeld op de salon van Les Vingt zou veroorzaken. We zien ook goedgevulde boekenkasten, een beeldje van George Minne op de schoorsteenmantel en een foto van Whistlers portret van Thomas Carlyle in een gestippelde lijst. Alles staat stil, het tafereel ademt de rust van een zondagmiddag onder heren van stand. En de schilder reikt ons de sleutels tot zijn oeuvre aan, als in een zaterdagavondthriller voor meerwaardezoekers avant la lettre.

Na een wat aarzelende start in de slipstream van het tachisme, een lokale versie van het impressionisme in dikke, donkere kleuren, heeft Van Rysselberghe tussen 1882 en 1884 het licht gezien. Dankzij een beurs van de stad Gent belandde hij met enkele studiegenoten in Marokko. Constantin Meunier bleef in Sevilla achter om er de kopie van een kruisafneming te schilderen, maar de anderen zetten hun tocht verder - het was een Grand Tour voor nieuwlichters die droomden van de Oriënt. De schilderijen die ze er borstelden, misten hun effect niet. Ook Van Rysselberghe ontkwam niet aan de exotische clichés, en hij wist het. Tijdens zijn tweede reis bekende hij in een brief aan Verhaeren dat hij aan alles twijfelde: "Ik wil dat iedereen voelt dat het in mijn schilderij warm is, dat er een feest aan de gang is. Maar misschien ben ik wel een grotesk, conventioneel plaatje aan het borstelen."

Intussen was hij actief als stichtend lid van Les Vingt, het clubje dat de kunstwereld naar Brussel haalde en de hoofdstad naar de buurlanden exporteerde. Op de jaarlijkse tentoonstellingen defileerden de stoottroepen van het moderne, van Monet en Renoir tot Whistler, die Van Rysselberghe tot het portret bekeerde. Maar de schilder trok ook als talentscout rond om nieuwe invités voor Maus' salons te zoeken. In 1886 ging hij in Parijs de laatste tentoonstelling van de impressionisten bekijken, waar Georges Seurat vriend en vijand verbaasde met La Grande Jatte. Impresario Maus rook bloed en huurde Fénéon in om de nieuwe stijl, het divisionisme, in een essay te vatten. De streepjescode van punten en komma's in zuivere kleuren werd een ware hype. De jonge Henry Van de Velde zou voor de bijl gaan, samen met Willy Finch, Anna Boch, Xavier Mellery of Georges Lemmen. De Belgische connectie sloeg aan het stippelen en ook Van Rysselberghe had zijn huisstijl gevonden. Hij haalde La Grande Jatte naar Brussel, waarna de pers een rondje art-bashing organiseerde. De "dolle reactionair Seurat" werd gebrandmerkt als de aanstichter van een armlastige stijl, "driedubbel koeterwaals toegepast op de schilderkunst". Het affiche in blauw en wit dat Van Rysselberghe voor de salon van Les Vingt in 1889 had ontworpen, leek wel "door de pokken verminkt".

Van geleerde manifesten word je geen kunstenaar, en ook de waan van de dag die uit het trendy Parijs komt aanwaaien volstaat niet. Het moet dat helse licht zijn waar Van Rysselberghe een leven lang op heeft gejaagd, tot hij strandde in zijn villa nabij het Zuid-Franse Saint-Clair, een naam als een zonnestraal. Zijn weduwe typeerde haar man als iemand die geen talent had voor inkeer, voor geheimen of duistere diepten: "Il vivait dans la clarté." In Marokko en aan de Belgische kust leerde hij naar de wereld luisteren. Na een vermoeiende zomer in een vissershuisje in Heist schreef Théo aan Eugène Boch dat hij niet meer wist waar zijn hoofd stond. Hij wilde weten of Eugènes zus Anna ook zo behekst werd door dat vervloekte licht. "Ik kan er niet meer van slapen, en als ik een doek zie dat niet luministisch is, word ik zeeziek."

Overspannen artistiek gedaas? Nauwelijks. Vraag het aan Ensor of aan Finch, ook hun palet klaart op in de koortsige jaren rond 1887. In december vertrekt Van Rysselberghe met de diplomaat Edmond Picard naar Marokko. De gevolgen van zijn derde reis zijn niet te overzien. Verhaeren krijgt een opgewonden briefje in de bus: "Het weer is hier onvoorstelbaar heerlijk, zo zacht dat je er geen idee van hebt, en zo mooi dat ik niet durf te schilderen. Mijn kleuren lijken vuil, zwaar en donker. Hoe kan ik de beweging beschrijven, de heldere, zuivere lucht? Iets zeggen over de kleurschakeringen, zo klaar en kristallijn? Ik maak notities; in Brussel zal ik motieven uitwerken die ik hier onmogelijk op het doek kan brengen. De effecten zijn te vluchtig, en elke poging om ze vast te houden loopt verkeerd af. Kortom: ik kijk, ik observeer, ik schrijf."

De gloed die oplicht boven het tentenkamp bij Meknes is Van Rysselberghes eerste pointillistische wapenfeit. Een andere Marokkaanse brief aan Verhaeren zou een manifest over de schilderkunst kunnen zijn: "Maar de kleur die alles hier heeft! Veelkleurige modder gedroogd in de zon - vuile tinten wit en symfonieën van stront, eindeloos gevarieerd - en hier en daar (en altijd op de juiste plaats!) een mooie vlek ultramarijn, scharlakenrood, gouden violet, teder blauw; enkele bronzen en frisgroene accenten, et voilà - maar zo complex dat je er niet aan moet denken het te schilderen."

Seurats stippels moeten een onverhoopte vluchtheuvel geweest zijn, een boomstam voor de drenkeling. Théo Van Rysselberghe, de academische meester van het Kammerspiel en het gracieuze gebaar die salons schilderde waarin geen spatje straatlawaai de rust verstoort, had vlekjes zuivere kleur nodig om zich met de dingen te verzoenen. Hij wilde de wereld stilzetten, vasthouden in een onbewogen heden - als een fotograaf die zijn camera heeft ingeruild voor schilderdoek en kwasten. Wie ooit de gouden gloed van het Zuiden heeft gezien, weet dat een schilderij niets anders kan zijn dan een kreupele vertaling, een poging om orde en harmonie te suggereren. L'art pour l'art is een vroom leugentje van kunsthistorici: ook voor de brave Van Rysselberghe, die schijnbaar alleen luxe en burgerlijke harmonie kende en nauwelijks aan volupté deed, was kunst een halszaak. Zelfs een man die "in de klaarte leefde" blijkt een raadselachtige, ongrijpbare vlegel te zijn. En zo hoort het.

Tot 21 mei in Bozar, Koningsstraat 10, Brussel. Open van dinsdag tot zondag van 10 tot 18 uur, donderdag tot 21 uur. Toegang 9 euro

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234