Vrijdag 05/03/2021

Filosofie

"Nee, natuur moet niet nuttig zijn"

Beeld uit de expo 'Lori Nix, The Power of Nature' in Museum Schloss Moyland in Bedburg-Hau in Duitsland. De Amerikaanse kunstenares (°1969) onderzoekt in haar werk wat er gebeurt met de wereld als de mens er plotseling uit zou verdwijnen. Beeld © Lori Nix
Beeld uit de expo 'Lori Nix, The Power of Nature' in Museum Schloss Moyland in Bedburg-Hau in Duitsland. De Amerikaanse kunstenares (°1969) onderzoekt in haar werk wat er gebeurt met de wereld als de mens er plotseling uit zou verdwijnen.Beeld © Lori Nix

In landen met een grote biodiversiteit worden meer talen gesproken. Het is maar één frappante vaststelling in de essaybundel van Wereld Natuur Fonds- directeur en filosoof Johan van de Gronden. Optimistisch is hij niet: "Ik zie alleen verschraling."

Slecht nieuws voor natuurliefhebbers vorige week. Uit een studie uitgevoerd in de 27 lidstaten van de Europese Unie blijkt dat bijna 80 procent van de Europese natuurgebieden een matige tot zelfs zwakke staat van bescherming geniet en dat twee derde van de beschermde diersoorten erop achteruitgaat.

Er is trouwens nog meer zwaar weer op komst. Binnenkort wil de Europese Commissie de evaluatie van de Vogel- en Habitatrichtlijn aangrijpen om de regels voor natuurbehoud te versoepelen, zodat economie en industrie minder gehinderd worden. "Het is iedere keer hetzelfde: economie, economie en economie", zegt Johan van de Gronden, directeur van het Wereld Natuur Fonds, wanneer we hem erover aanspreken. "Ik heb daar schoon genoeg van. Ik vind dat we ruimte moeten maken voor een ander discours, waarin waarden weer centraal staan."

Johan van de Gronden

° 1963.
• Studeerde filosofie in Leiden.
• Werkte onder meer bij het ministerie van Buitenlandse Zaken, het Ontwikkelingsprogramma van de VN en de ontwikkelingsorganisatie SNV.
• Woonde en werkte vele jaren in Paramaribo, Johannesburg en Kopenhagen.
• Sinds 2006 directeur van het Wereld Natuur Fonds.

Ongerept

Van de Gronden is ook de auteur van Wijsgeer in het wild, een bundel essays waarin hij zijn visie op natuurbehoud uiteenzet en waarin hij - wat zou je anders verwachten van iemand die van opleiding filosoof is - niet bang is om ook de diepte in te gaan. "Weet je wat het grote probleem is?", bindt hij de kat meteen de bel aan. "Dat we denken dat natuur nuttig moet zijn. Wanneer ik de beleidsnota zie van Sharon Dijksma, de Nederlandse staatssecretaris voor Economische Zaken, ook bevoegd voor Natuur, zie ik alleen maar nutsdenken. De natuur moet een direct economisch nut hebben, of toch ten minste een recreatief nut. Ze moet een ecosysteem-service leveren of de spirituele of openbare gezondheidszorg ondersteunen. Nergens vind je het fundamentele idee dat de aanwezigheid van min of meer ongerepte natuur belangrijk is voor onze eigen maatschappij en voor ons zelfbeeld. De Duitse filosoof Immanuel Kant wist in de achttiende eeuw al dat je voor natuurervaring niet in Nederland moest zijn. Die Hollanders, zei hij, denken alleen aan hun centen. Hollanders zijn handelaars en de rest interesseert hen niet."

Romantisch

Wijsgeer in het wild bevat essays over onder meer het Rewilding Europe-project, waardoor er weer wolven, beren en bizons rondlopen, en over de vraag of we vandaag in het antropoceen leven, de geologische periode waarin de mens alles naar zijn hand zet.

En ook naar zijn verstand, zo blijkt, want heel wat van wat we denken over de natuur, blijkt toch vooral op verbeelding te berusten. Neem bijvoorbeeld de notie wilde natuur, zo bekend uit tv-documentaires. Die onaangeroerde wildernis is een constructie van ons. Ze is er niet meer en ze is er ook nooit geweest, want ze wijst op een geproblematiseerde relatie met de natuur.

De Noord-Amerikaanse indianen hadden wellicht geen notie van het begrip wildernis, schrijft Van de Gronden. Waar ze ook geen notie van hadden, was de aanslag die ze pleegden op het bizonbestand - om nog maar eens een mythe aan te pakken. De legendarische aantallen bizons die over de prairie trokken, waren wellicht veel kleiner dan we gewoonlijk denken. Vandaag zijn ze veel groter, en dit doordat hun natuurlijke vijand, die indiaan dus, is weggevallen. En die indiaan, hoe zien wij die? Juist, als een nobele wilde.

null Beeld rv
Beeld rv

Natuurmonument

Het belangrijkste essay gaat echter over Immanuel Kant. Al begint het bij Frederik Willem van Eeden, de bollenkweker wiens zoon De kleine Johannes en Van de koele meren des doods op papier zette.

Frederik van Eeden was degene die het woord natuurmonument muntte, dat in 1905 verankerd werd in Natuurmonumenten, de Nederlandse tegenhanger van het Vlaamse Natuurpunt. Van Eeden zag het groter. Hij zag een samenhang tussen mens en natuur en dacht dat het landschap en de geaardheid van de mens die het bewoonde heel nauw verbonden waren. Wie verbastert van de natuur, verbastert van zichzelf, vond hij. Kennis van de natuur leidde volgens hem tot een schoonheidservaring en die gaf op haar beurt aanleiding tot een beter begrip van het goede leven.

Van Eeden haalde de mosterd bij de Duitse natuurschrijver Alexander von Humboldt, die zelf te rade was gegaan bij Kant. Deze filosoof, zowat de grondlegger van alle filosofie die na hem is gekomen, was het maar om één ding te doen: hij was op zoek naar de morele bestemming van de mens. Tegen de achtergrond van de opkomende natuurwetenschappen, die sterk de nadruk legden op wetten waaraan alle materie voldeed, ging hij op zoek naar de menselijke vrijheid. In hoeverre kon hij zelf beslissingen nemen en wat waren goed en kwaad in dit verhaal?

Identiteit

Voor Kant gingen natuurervaring en moraal hand in hand. Doordat we morele wezens zijn, kunnen we het sublieme in de natuur ervaren, schreef hij, terwijl sublieme natuurervaringen ons op hun beurt aansporen om betere mensen te worden. Een goed mens kan dus nooit in een landschap wonen dat nog louter bestaat uit overbemest bloem- en kruidloos Engels raaigras, zoals dat door de hedendaagse intensieve melkveehouderij gepropageerd wordt.

"'Wees toch niet zo oubollig romantisch', krijg ik weleens als opmerking als ik het over de eenheid van mens en natuur heb", zegt Van de Gronden. "Maar de zorg om de natuur heeft niets met romantiek te maken. Ze ligt verankerd in de Europese verlichting en hangt samen met onze nationale identiteit. Neem de Waddenzee, die we delen met Duitsland en Denemarken en die al een paar jaar werelderfgoed is. Heel Nederland zou daar warm voor moeten lopen. Dat zou ons een heel ander gevoel geven van de waarde van de natuur. Maar zo gaat dat niet. Wij vragen ons alleen af of we er ook iets aan kunnen verdienen. Staatssecretaris Dijksma heeft net weer een vergunning voor zoutwinning toegekend, garnalenvissers woelen de bodem om en er is nu zelfs sprake van gaswinning op Terschelling, nadat we net al dat gedoe hebben gehad met de gaswinning in Groningen."

De reden waarom na Van Eeden natuur en moraal uit elkaar groeiden, zoekt Van de Gronden in een tijdgeest die ook de literaire beweging van de Tachtigers voortbracht, met dichters als Jacques Perk en Willem - 'Ik ben een god in 't diepst van mijn gedachten' - Kloos. Schoonheid werd een fel nagejaagd goed, maar het was een schoonheid die genoeg had aan zichzelf. L'Art pour l'art dus. En ook al zou ook deze mode wel weer overwaaien, tussen natuur en moraal kwam het nooit meer goed. Zelfs veel hedendaagse natuurbewegingen, aldus Van de Gronden, zien die link niet en stappen dus mee in het utilitaire denken.

Toevluchtsoord

Dat het ook anders kan, toont Van de Gronden in de essays die over Amerika gaan, over Henry Thoreau, wiens Walden net opnieuw in het Nederlands is uitgegeven, en over dichter Ralph Waldo Emerson en schilder Thomas Cole. Het waren mensen die in de eerste helft van de negentiende eeuw het transcendentalisme aanhingen en dachten dat het opkomende nutsdenken vroeg om een antwoord: het individu dat zich bewust is van de grootsheid van de natuur om zich heen leidt een authentieker en gelukkiger leven.

Net zoals Kant zagen zij natuur en moraal hand in hand gaan. Hun ideeën zijn tot vandaag heel belangrijk gebleven in Amerika, waarvan wij gemakkelijkheidshalve denken dat het alleen om platte commercie draait. Het zijn ideeën die trouwens hun beslag hebben gekregen in de Amerikaanse Wilderness Act van 1964, waarin gestipuleerd staat dat Amerikanen recht hebben op wildernis en de verankering van het landschap in hun leven.

Aan één man besteedt Van de Gronden wat dat betreft extra veel aandacht, aan de schilder Thomas Cole, van oorsprong een Engelsman, die vanaf zijn zestiende in Amerika woonde. Een van zijn belangrijkste doeken is View from Mount Holyoke, Northampton, Massachusetts, After a Thunderstorm. Het toont een gespleten landschap. Links zie je de woeste bergnatuur, flanken vol bomen met een dik bladerdek, waarboven dikke, dreigende wolken hangen. Rechts de vallei, waar de mens de natuur omgevormd heeft tot landbouwgrond en waar de zon vredig op de hoefijzervormige bocht in de rivier schijnt.

Cole realiseerde zich heel goed dat de wildernis in belangrijke mate zou wijken voor een cultuurlandschap met landbouw, spoorwegen, steden en fabrieken, schrijft Van de Gronden, maar hij voerde ook het argument aan dat later in de natuurbeweging nog vaak zou klinken: spaar voldoende oorspronkelijke natuur, niet alleen als wijkplaats voor wilde planten en dieren, maar vooral ook als toevluchtsoord voor de mens, die anders het spoor bijster raakt. De natuur als bron van hoop, schoonheid en bezinning dus.

Waar Cole zichzelf zag in dit geheel is voor iedereen die het schilderij nauwkeurig bekijkt duidelijk. De man heeft zichzelf ook geschilderd, al moet je je best doen om hem te zien, aangezien hij bijna volledig opgeslokt wordt door de wilde natuur.

Eenvormig

Dat het samengaan van cultuur en natuur wel degelijk meer is dan een romantisch verzinsel toont Van de Gronden in een essay over de parallellen tussen taal- en natuurdiversiteit op aarde. Als je de botanische diversiteit uitzet op een wereldkaart en die naast een gelijksoortige kaart legt waarop de culturele diversiteit staat, zie je een opvallende overeenkomst. In streken met een grote biodiversiteit worden veel meer talen gesproken dan in streken met een schrale biodiversiteit.

En het gaat zelfs verder. Als je de voorspelling bekijkt van het aantal talen dat er tegen het midden van deze eeuw nog gesproken zal worden, kom je uit op een halvering: van 7.000 naar 3.500. Leg je daar de index voor biodiversiteit naast, dan zie je dat ook die halveert. Dat moet toch tot nadenken stemmen, want de homogenisering die ons platteland zo eenvormig maakt, grijpt ook om zich heen in onze cultuur. Alles gaat op alles lijken en we gaan allemaal dezelfde talen spreken.

"Ik zie alleen maar verschraling", zegt Van de Gronden. "Je hebt misschien niet de indruk dat je bezig bent met natuurbescherming als je geniet van een symfonie of van poëzie in een bonte mengeling van talen, maar toch zijn die twee innig verbonden. Wat ik hier uit opmaak, is dat je de natuur niet kunt beschermen door je louter op die natuur te richten, maar dat je de hele samenleving erbij moet betrekken.

Populisme

"Ik heb me de afgelopen tien à vijftien jaar enorm gestoord aan het debat in Nederland met die ruige, populistische stellingname dat wie naar Nederland komt zich maar moet aanpassen aan de dominante Nederlandse cultuur. En anders donder je maar op. Moet ik me daar als directeur van het Wereld Natuur Fonds over uitspreken? Wij houden ons toch alleen met natuurdiversiteit bezig? Nee dus, want onze morele verschraling gaat samen met een verschraling van het landschap.

"Twee derde daarvan heeft vandaag een agrarische bestemming, en de diversiteit is enorm achteruitgegaan: vlinders, insecten en vogels zijn verdwenen, maar ook kruiden, bloemen en grassen. We stevenen af op een soort McWorld. We moeten weer meer waardering opbrengen voor streekproducten en -talen.

"In Nederland hebben we bijvoorbeeld het Fries als minderheidstaal. Het vieren van het Fries is volgens mij een van de beste bijdragen aan het natuurbehoud in Friesland. Als er één vogel is waarvan de populatie voor 80 procent afhankelijk is van Nederland, en dan meer bepaald van Friesland, zal het de grutto wel zijn. In veertig jaar tijd is die van 120.000 broedparen teruggevallen naar 35.000. Dan weet je wat je morele plicht is, want stel dat de grutto verdwijnt, dan verdwijnt ook een heel Fries cultuurgoed dat met die grutto verbonden is."

Johan van de Gronden, 'Wijsgeer in het wild. Essays over mens en natuur' ****(*), Athenaeum - Polak & Van Gennep, 198 p., 19,99 euro.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234