Dinsdag 17/09/2019
Nabela Benaïssa.

Interview

Nabela Benaïssa: ‘We moeten ophouden met de politiek te diaboliseren’

Nabela Benaïssa. Beeld Filip Claus

Dit interview met Nabela Benaïssa, zus van Loubna, verscheen in De Morgen op 6 mei 2006. We publiceren het opnieuw naar aanleiding van 40 jaar De Morgen.

Nabela Benaïssa (27) is advocate. Ze was een van de 80.000 Belgen in de Stille Mars. 
Anoniem, zonder megafoon, zonder hoofddoek. Na negen jaar doorbreekt ze, eenmalig, de stilte. Voor een warm pleidooi tegen antipolitiek, voor de nuance boven alles. Ook als het brandt. ‘Politiek of justitie moeten niet leven op de golven van de nieuwsflash. Het helpt de samenleving geen stap vooruit.’

‘Ik weet wat angst is”, zegt ze. “Je kunt er ook iets moois uit halen. Dat wou ik u maar vertellen.”

We wandelen over de Louizalaan. Geen mens die haar nog herkent als de zus van. Ook ik niet, toen we twee uur voordien in een koffiezaak bijna naast elkaar op elkaars komst bleken te hebben zitten wachten. Ik kende haar alleen van op bijna tien jaar oude foto’s, genomen op de trappen van het justitiepaleis, op de trappen van de Beurs tijdens de Witte Mars. Ze droeg toen nog een hoofddoek, Nabela Benaïssa. Ze wil dat verleden, de beelden ervan, laten rusten. Dat was de voorwaarde.

“Ik was achttien toen ik plots in het middelpunt van de belangstelling kwam te staan. Ik heb dat nooit gezocht. Ik wilde op een min of meer normale manier volwassen worden, zoals elke jongere. Dat lukt niet als je elke avond op tv komt. Ook morgen neem ik gewoon de draad weer op: ik ben advocaat en assistente in de eerste kandidatuur rechten aan de ULB en de Facultés Saint-Louis.

“Waarom ik nu toch wil praten? Straks zijn er verkiezingen en ik vrees dat drama’s zoals die van de moord op Joe Van Holsbeeck weer tot een opstoot van extreem rechts kunnen leiden. We moeten die kiezers niet stigmatiseren, wel proberen te begrijpen. Velen laten zich leiden door angst. Extremisten ruiken dat. ‘Ze stellen u de realiteit altijd zeer complex voor’, zeggen ze dan. ‘Geloof het niet, de realiteit is heel simpel. Het volstaat om...’ Wie bang is, snakt naar zulke simpele woorden. Tegen die mensen zou ik alleen maar willen zeggen: laat u niet verleiden, blijf vertrouwen hebben. Ik weet wat angst is, het hoeft niet per se tot simplisme en nog meer angst te leiden.”

De werkelijkheid en hoe ze wordt voorgesteld, “les grilles de lectures”, zoals ze het noemt: Nabela Benaïssa is er mateloos door gefascineerd. Ongetwijfeld omdat ze in 1996 zelf in het oog van de camera’s kwam te staan. Maar ook vandaag nog kijkt ze veelal geschokt naar wat mensen te zien krijgen van de werkelijkheid.

“De wereld zoals ze ons wordt voorgeschoteld verduistert vaak een andere realiteit. Ik ben de afgelopen jaren vier keer naar Afghanistan gereisd. Waar ging die oorlog om? ‘Ah’, zegt men, ‘de vrouwen daar moesten van hun boerka’s worden bevrijd.’ Direct na de oorlog kregen we reportages te zien over vrouwen die inderdaad hun boerka afgooiden. Maar wat bleek, toen het stof van de Grote Gebeurtenis gaan liggen was? Dat bevallen voor een vrouw in Afghanistan het grootste risico is, bij gebrek aan deugdelijke medische apparatuur.

“Omgekeerd is de realiteit soms eenvoudiger dan men ons wil laten zien. De oorlog in Irak, zei men ons, dat was zeer complex. Daar waren geopolitieke belangen mee gemoeid waar stervelingen zoals u en ik geen flauw benul van hebben. De realiteit is dat er elke dag kinderen stierven in die oorlog. Elke dag zijn er mensen die lijden en sterven. Dat is het gegeven, daar moeten we allemaal, ieder op zijn schaal, tegen in opstand komen.”

Ook nadat u van de publieke scène verdween, bent u erg geëngageerd gebleven.

“Ja, maar ik ben nooit achter een vlag opgestapt. Ik heb aan de universiteit, niet anders dan andere studenten, mijn weg gezocht. Samen met enkele vrienden heb ik er de Cercle des Etudiants Arabo-Européens opgericht. We wilden een statement maken: we hebben een aparte identiteit, we zijn Belgen, hier geboren en opgegroeid, en dat onze ouders uit diverse hoeken en culturen van de wereld komen, geeft die identiteit en hopelijk de samenleving waarin we leven een extra rijkdom.”

Tien jaar geleden werd er bijzonder veel druk op uw schouders gelegd. Vooral jonge allochtone meisjes keken erg naar u op. Zoals een van hen toen zei: ‘Nabela heeft de islam een menselijk en tolerant gezicht gegeven voor de Belgen.’

“Als dat zo was, ben ik daar blij mee. Het kwam erbij. Maar ik deed het eerst voor mijn familie, ik wilde druk zetten op het onderzoek naar het drama dat ons trof. Toen die noodzaak wegviel, was het tijd voor mij om de draad van mijn leven weer op te pikken. Ik was géén woordvoerder, ik was daar niet voor verkozen.”

Na uw studies kon u aan de slag op het kabinet van minister van Defensie André Flahaut (PS). Blijkbaar klopt uw hart links.

“Als je voor gelijke kansen en meer welzijn van de mensen bent, zit je automatisch dichter bij progressieve bewegingen. Maar mijn engagement is nog niet partijpolitiek. Ik raakte aan de universiteit vooral geïnteresseerd in diplomatieke relaties, ik wou werken in een internationale context. Op dat moment was er maar één linkse minister met een internationale portefeuille, en dat was André Flahaut. Ik heb gesolliciteerd et voilà. Dat anderhalve jaar op het kabinet was een enorme leerschool. Ik zag er een stuk van de wereld door: Benin, Burkina Faso, Congo, Rwanda, Angola, Jordanië en Afghanistan.”

Hebben die reizen uw kijk op België veranderd?

“Het opent je blik, je merkt dan wel dat wij Belgen nogal eens de neiging tot navelstaren hebben. Neem nu Brussel-Halle-Vilvoorde, pfff. (denkt even na) Al zijn die schijnbare pietluttigheden op zich best wel belangrijk. Het is eigen aan de geschiedenis van dit land. We hebben heel complexe staatsstructuren op poten gezet, de mensen die ze ten volle begrijpen, zijn wellicht op twee handen te tellen. Maar tegelijkertijd zorgt die complexiteit wel voor pacificatie. Er is hier nog nooit bloed vergoten. Niet zo heel ver van hier, in de Balkan, verscheurden nog geen tien jaar geleden de mensen elkaar.

“Reizen geeft je een zekere afstand. Je leert scherpere vragen te stellen over het leven en de wereld. Ik ben twee keer in Rwanda geweest. 800.000 doden in drie maanden tijd. C’est quoi, la nature de l’être humain? Hoe is dergelijke waanzin mogelijk? En hoe is het mogelijk dat de wereld niet heeft ingegrepen? Terwijl er honderdduizenden mensen met machetes werden afgemaakt, brak de VN zich het hoofd over de vraag of de term ‘genocide’ nu al dan niet in de tekst moest.

“En het gaat door, vandaag, in Darfur. Al die vragen en geen antwoorden. We zullen niet weg kunnen blijven kijken, hier op ons westers eilandje. Op een dag ontploft het in ons gezicht. Ik wil niet vervallen in clichés over een koloniaal schuldcomplex, maar we moeten ons toch een beetje verantwoordelijk voelen omdat onze voorouders de kaart van Afrika hebben ingedeeld in functie van hun toenmalige economische belangen. Je kunt zeggen: het gebeurt niet voor mijn deur, het gaat mij niet aan. Ik vind niet dat iedereen stante pede met pak en zak naar Kabul of elders moet vertrekken om de wereld te gaan veranderen. Maar je geweten laten spelen lijkt mij een minimum.”

Voor internationale misstanden komen er geen tienduizenden Belgen op straat.

“Dat zou ik niet met zoveel aplomb zeggen. Denkt u niet dat de politieke houding van België ten aanzien van de oorlog in Irak er anders had uitgezien indien de Belgen niet massaal op straat waren gekomen?”

U liep ook mee in de stille mars voor de vermoorde tiener Joe Van Holsbeeck.

“Hebt u mij gezien? (lacht) Wellicht niet, want u herkende me zonet evenmin. Ja, ik was er ook. Natuurlijk raakt het de mensen directer dan de situatie in Darfur of Kabul. Ook ik dacht: die jongen van zeventien jaar met zijn mp3-speler, dat had mijn kleine broer kunnen zijn. Die mars was een catharsis, maar ik vind wel dat men heel voorzichtig moet zijn met de politieke vertaling van die beweging. Ik zou er niet durven op te zweren dat die 80.000 mensen als ‘boodschap’ mee hebben willen geven dat er meer blauw op straat moet komen.

“Ik zou toch ook eens iemand klaar en duidelijk willen horen zeggen dat Brussel géén jungle is. Het is hier zeker niet onveiliger dan in gemiddeld welke Europese of wereldstad ook. Wat gaan we meer doen? Naast elke Belg een agent zetten? Nog meer camera’s met een betere beeldkwaliteit? Op zulke dramatische gebeurtenissen moet er een reactie komen, er moeten maatregelen worden genomen, maar het liefst beredeneerd. In België hebben we een beetje de gewoonte van: er gebeurt iets, we nemen maatregelen, er gebeurt weer iets, we nemen opnieuw maatregelen.”

Vond u, achteraf gezien, dat er na de Witte Mars van 1996 ook te snel conclusies zijn getrokken?

“Toen strekte het zich uit over verschillende maanden. Er is een parlementaire commissie geweest, er kwam bezinning, er is vooruitgang geboekt. En er zijn fouten gemaakt. Er moet nog veel gebeuren, er staat nog veel in de steigers. Vandaag pas zien we de gevolgen van de eengemaakte politie. Vandaag pas kun je de balans opmaken van wat na die hervormingen van eind de jaren negentig wel werkt en wat niet. Maar dat is nu net het punt: het is altijd een work in progress.”

Veel mensen die actief waren in Witte Comités zijn tien jaar later vaak verbitterd, hebben zich nog meer van de politiek afgekeerd.

“Daar is geen reden toe. Ik hou echt niet van die tegenstelling tussen samenleving en burgers enerzijds, politiek en politici anderzijds. Politici zijn verkozen door de burgers, ze worden verondersteld in onze naam te werken. Daar moet je ze elke dag aan herinneren, maar dat is iets heel anders dan ze elke dag op te jagen. We moeten ophouden met de politiek te diaboliseren.

“Bij wat er is gebeurd in het Centraal Station in Brussel moet je je eerst afvragen hoe het kan dat zo’n ijskoud geweld opborrelt bij jongens van zestien jaar. Nooit zal een oplossing op dat soort vraagstukken zo simpel zijn als één plus één is twee. Dat er een tweede Everberg moet komen is te simpel. Dat we de leeftijd moeten verlagen om jongeren naar de correctionele rechtbank te kunnen verwijzen ook. Er is niet één nieuwe maatregel, niet één nieuwe wet nodig: het volstaat om gewoon de middelen te geven om het al bestaande systeem doeltreffender te laten werken.

“Ik heb als advocaat permanenties gedaan op de jeugdsectie van het parket. Dat gaat dan zo: de jongeren die na vijf uur ‘s avonds worden opgepakt zitten in de cel tot de volgende ochtend. Ze moeten daar voor mijn part niet langer zitten, maar wel moet er vrij snel na de feiten via het gerecht een reactie van de samenleving komen. Als het tien maanden duurt om zo’n zaak te trancheren, áls het al gebeurt, heeft die jongere ondertussen al twee nieuwe feiten gepleegd. Als je alleen al daarop eens kon werken, die mazen in het net dichten.

“Justitie is een van de fundamentele pijlers van onze samenleving. Ze is er omdat we als samenleving niet tolereren dat ernstige feiten straffeloos blijven. Maar je moet evenmin afglijden naar de absolute repressie. Weet u wat vandaag op de correctionele rechtbank het ergste is wat de mensen daar kan overkomen? Dat is dat er een jongere wordt opgepakt die in het bezit van een mes uit was op diefstal. Vandaag moet daar prompt een reactie van de rechter op komen. Confraters die zulke jongeren moeten verdedigen weten niet hoe ze moeten pleiten. Was zo’n feit drie weken geleden, voor de moord op Joe, dan minder erg?

“Begrijp me niet verkeerd. Het is terecht dat er nu extra oog is voor jongeren die met een mes op zak gsm’s of mp3-spelers gaan stelen. Maar wat als er morgen buiten de stad iets ernstigs voorvalt? Moeten de schijnwerpers dan weer allemaal de andere kant opzwenken? Justitie moet mensen geruststellen. Ze kan het zich niet veroorloven om te leven op de golven van de nieuwsflash. Dat helpt de samenleving geen stap vooruit.”

In 1999 reageerde u op een open brief van Brusselse magistraten die zich beklaagden over het gebrek aan personeel en middelen op de jeugdsectie.

“Ja, ze nodigden de mensen uit om met eigen ogen te komen kijken in welke penibele omstandigheden ze moesten werken. Ik ben op die uitnodiging ingegaan. Je kunt zoveel discussiëren met magistraten als je wilt, je weet het pas als je het op het terrein ziet. Daar zag ik in welke omstandigheden een onderzoeksrechter soms moet werken. Dan weet je: het is ook maar een mens. Je kunt van hem niet meer vragen dan wat hij maar kan geven. (stilte)

“Justitie is feilbaar, het is mensenwerk. Het gerecht vraagt al jaren meer middelen, en die zijn er ook gekomen, maar er is nog meer nodig. Het minimum dat de samenleving vraagt, is dat de justitie werkt. Niemand vraagt om een guillotinejustitie. Het recht moet ten dienste staan van de mens, en niet omgekeerd. Dat heb ik geleerd tijdens mijn stage op het Arbitragehof. Er is sinds het einde van de jaren negentig veel ten goede veranderd op justitie. De toegankelijkheid is formidabel verbeterd, alleen al door het taalgebruik. Het Hof van Cassatie heeft onlangs de frase ‘overwegende dat’ uit zijn teksten geschrapt. Het is een detail, maar het maakt een wezenlijk verschil.”

Ook de politiek is een pijler van de samenleving. Reageert ze niet evenzeer vaak al te ad hoc? ‘Wat vraagt de bevolking vandaag?’

“Absoluut. Het is trouwens vaker wat denken we dat de bevolking wil, dan wat wil de bevolking. Politici moeten af en toe ook staatsmens durven te zijn. Ik geloof dat je soms maatregelen moet kunnen nemen die vandaag niet iedereen plezieren, maar die een positieve impact hebben op de samenleving binnen vijf of tien jaar. Na de moord op Joe is het politiek misschien net moediger om te zeggen dat er meer leerkrachten nodig zijn dan agenten. Ik vind dat we moeten stoppen met bij elke crisis opnieuw het warm water uit te vinden. Hoe gaat het soms? Een wet ad hoc, een commissie ad hoc, en hup, alles in de shaker en ziedaar de Oplossing. Soms is het beter wat je al doet gewoon beter te doen.

“We laten ons soms te gemakkelijk het hoofd op hol brengen. Vraagt een journalist na de stille mars aan de mensen wat er volgens hen nu moet gebeuren. ‘Meer politie, maar ook meer preventie’, zegt de één. ‘Meer preventie, maar ook meer politie’, zegt de ander. ‘Ha!’, zegt de journalist, ‘u bent dus voor meer preventie en u daar voor meer repressie’. Mais arrête ce ping-pong! Er zijn geen mirakeloplossingen. Tien jaar geleden was het de Witte Mars, nu is het de stille mars, straks gebeurt er weer iets en komt er misschien een derde mars. Het moet ons allemaal alert houden, maar de politiek moet vooral ernstig werken, iets op poten zetten dat ook op lange termijn houdt.”

Net zoals de ouders van Joe Van Holsbeeck riep u tien jaar geleden op tot kalmte en sereniteit. Net zoals Kenza Isnasni vier jaar geleden, de zeventienjarige dochter van een Marokkaans koppel dat in Schaarbeek werd vermoord.

“Verbazend toch, nee?, dat het op zulke momenten vooral de direct getroffenen zijn die het kalmst blijven. (glimlacht) Ook Kenza Isnasni kwam plots terecht in het middelpunt van zeer uitzonderlijke omstandigheden. Il faut se rendre compte que c’est horrible, quoi! Die moord in Schaarbeek, dat was een onversneden racistisch misdrijf. Na de moord op Joe waren de eerste reacties: het is antiblank racisme. Zoals zo vaak heeft men te snel een culturele of zelfs religieuze grille de lecture over een crimineel feit gelegd. Natuurlijk bestaan racistische misdrijven, maar een crimineel feit is allereerst een crimineel feit. Misdadigers zijn als roofdieren, ze zoeken altijd de gemakkelijkste prooi, of die nu blank, geel of groen is.

“Het bleken dan twee jonge Polen te zijn. ‘Oeps.’ Wat mij echt heeft geschokt is dat men aan de imams ging vragen om a.u.b. de gelovigen in de moskee op te roepen om mee te werken met de opsporing van de daders. De premisse was duidelijk: les tueurs sont parmi vous. Drie premissen in één: de daders zijn Arabieren, Arabieren zijn moslims, de imams zijn de woordvoerders van die gemeenschap. Wat men er ons dus fijntjes inwreef, was dat de allochtone gemeenschap eigenlijk niet zwaar tilde aan die moord, dat ze het onder elkaar wilden houden, dat ze zich samen in hun gemeenschap en hun geloof opsluiten.

“Geruisloos verschoof ook het taalgebruik. Al jaren was het niet meer politiek correct om het over migranten te hebben, het moest zijn: allochtonen. In één week tijd begon iedereen het weer over migranten te hebben. Het spijt mij, maar het gaat over Belgen, Belgen die bovendien niets met die misdaad te maken hadden. Een beeld dat mij geraakt en geschokt heeft, was dat van die jonge allochtonen die in Brussel Centraal bloemen gingen neerleggen aan het gedenkteken van Joe. Een mooi gebaar, maar tegelijkertijd triest. Waarom gaan die jongens bloemen neerleggen? Omdat ze zich bijna schuldig moesten voelen. Het is toch vreselijk dat een hele gemeenschap expliciet moet gaan zeggen: ‘Wij waren het niet, wij hebben er niets mee te maken’?”

Tien jaar geleden zei Jean-Luc Dehaene bij wijze van spreken hand in hand met u: ‘Dit land zal nooit meer als vroeger zijn.’ De Belgen waren allemaal één in de rouw. Maar sindsdien was er 9/11, de oorlog in Afghanistan en Irak, en dichterbij, de moord op Theo van Gogh: gebeurtenissen die de stigmatisering van een hele bevolkingsgroep verder hebben aangewakkerd. Ook in België.

“De media spelen daar een belangrijke rol in. Waarom voelden ze zich na de moord op Joe verplicht om meteen te zeggen dat het om jongeren ging, ‘waarschijnlijk’ van allochtone origine? Twee dagen later was het: ‘waarschijnlijk’ van Noord-Afrikaanse origine. Nog een dag later: jongeren van Noord-Afrikaanse origine die ‘waarschijnlijk’ moslim zijn. Dat heb ik zo gehoord uit de mond van journalisten. Het parket heeft zich nadien geëxcuseerd. Van de media heb ik dat niet gehoord. ‘Ach, het was de schuld van het parket.’ Désolée, maar het zijn wel de media die met de microfoon naar de imam zijn gestapt, niet het parket.”

“Ondertussen is de verdenking er toch maar weer geweest. Dat is de realiteit die allochtonen elke dag meemaken. Eén op de twee jongeren kan het u vertellen, hoe vaak ze door de politie al staande zijn gehouden: ‘U beantwoordt aan het profiel van de kerel die we zoeken. Getuigen hebben hem omschreven als iemand van Noord-Afrikaanse afkomst, met een trainingspak en baskets aan.’ Hoe wil je dat al die mensen zich volwaardige burgers van dit land voelen, als ze om de haverklap met de vinger worden gewezen? Extreem rechts wrijft zich in de handen.

“Het is een gevecht van elke dag. Ik spreek geen enkele misdaad goed, maar er zit in het DNA van geen enkele gemeenschap een gen dat mensen tot crimineel maakt. Steek alle ingrediënten in een doos: sociale context, armoede, afwijzing, racisme... en om het even waar of bij wie springt de veer. Ook u en ik zouden in dezelfde omstandigheden gewelddadig reageren.”

‘Brussel is geen jungle’, zei u daarnet. Laurette Onkelinx (PS) zei onlangs dat er in de hoofdstad wel degelijk een tijdbom tikt. ‘Wat in de Franse banlieues gebeurde, kan zich hier ook voordoen als je kijkt naar de werkloosheidsgraad onder allochtonen.’

“Dat is zo. Maar wat doe je eraan? Meer agenten om ervoor te zorgen dat hangjongeren geen misdrijven begaan, of zorg je dat ze iets in hun leven hebben dat de moeite waard is? Voor de meisjes gaat het iets beter, maar je cv belandt in de vuilnisbak nog voor ze je hoofd hebben gezien, als je een jongen bent met donker haar en van min of meer vreemde afkomst. Men doet alsof het niet waar is, maar er is echte discriminatie. Ik heb vrienden, met een diploma, sommigen ook al met werkervaring, en toch vinden ze moeilijk een job. Ik weiger dat te begrijpen.”

U bent universitair geschoold. Dat maakt u toch tot een uitzondering in de Marokkaanse gemeenschap?

“O, is dat dan de waardemeter voor integratie? Als u het vergelijkt met het percentage van de Belgische bevolking dat naar de universiteit gaat, valt het nog wel mee. Allochtonen moeten namelijk van veel verder komen. Het leidt overigens tot een uitzonderlijk sociologisch fenomeen. Normaal is de sociale mobiliteit veeleer zwak, de meeste mensen blijven in de sociale klasse waar ze uit voortkomen. Bij mensen van allochtone afkomst zie je ondanks alles soms een reuzensprong over drie generaties. Ouders of grootouders zijn meestal ongeletterden die naar België zijn gekomen om er arbeider te worden, hun kinderen en kleinkinderen schoppen het soms tot bankbediende, dokter of chirurg. Ik heb er veel in mijn vriendenkring die die kwantumsprong gemaakt hebben, louter door hun werkijver en omdat hun ouders hen een duwtje hebben gegeven. Zo uitzonderlijk is dat niet.

“Natuurlijk is er in België wel de handicap van de talenkennis. Ik zie nochtans veel allochtonen die hun kinderen massaal naar Nederlandstalige scholen sturen vanuit de redenering: thuis leren ze Frans, op school Nederlands, zo kunnen ze zich in dit land uit de slag trekken. Het ontbreekt volgens mij niet aan goede wil, maar het systeem moet er dan ook wel op inspelen. Ik heb in de lagere school en het humaniora twaalf jaar gemiddeld drie à vier uren Nederlands per week gehad. Toen ik op achttienjarige leeftijd de school verliet, kende ik die taal niet. Dan is er toch iets mis?

“Ik wil mijn ex-leerkrachten Nederlands niet beledigen, maar wat belet er ons om native speakers in te zetten? Er is Erasmus, Socrates en tal van andere programma’s die studenten aanmoedigen om zich in een ander land onder te dompelen in een vreemde cultuur en taal, maar in ons eigen landje, waar je in twee uur door rijdt, slagen we er niet in om de taalgrens te overstijgen? Stuur leraren uit Knokke naar Aarlen en omgekeerd. Dat is toch niet zo ingewikkeld?

“Ik zei het al, men moet soms in een vroeg stadium politieke beslissingen durven te nemen die op het moment zelf niet populair zijn, maar op termijn wel hun nut bewijzen. Als je vandaag in Vlaanderen een sociale woning wilt kunnen betrekken moet je bewijzen dat je Nederlands kent of wil leren. Aan Franstalige kant is men daar een beetje door geschoffeerd, maar misschien had men dit soort maatregelen gewoon al veel vroeger moeten nemen. Waarom kon het niet toen duidelijk werd dat de gastarbeiders hier zouden blijven en hun kinderen dus niet langer gastarbeiders? Ook vandaag moeten we maatregelen blijven nemen om recht te trekken wat scheef is gegroeid.”

De jongste jaren komen er uit de allochtone gemeenschap almaar meer zelfkritische stemmen en mea culpa’s. Ayaan Hirshi Ali, Hind en Tarik Fraihi, Fouad Ahidar.

“Ik ben absoluut voor zelfkritiek, maar een mea culpa is iets anders. Je moet de clichés niet verder versterken. Dat heeft Fouad Ahidar misschien net iets te snel gedaan na de moord op Joe. Maar binnen de gemeenschap is er altijd zelfkritiek geweest. Je hoort mij niet zeggen dat de allochtonen allemaal slachtoffers zijn, dat ze overbeschermd moeten worden. Het zijn eerst en vooral zelf verantwoordelijke mensen, ze moeten voor zichzelf uitmaken welke plaats ze in deze samenleving willen innemen. Sommige doen dat naar behoren, andere verknallen het. Er zijn problemen. Ik zie hoe jongeren in sommige wijken terugvallen op een zeer sterk en agressief beleefd geloofsgevoel.”

Welke plaats neemt het geloof nog in in uw leven? In uw boek Au nom de ma soeur (1997) schreef u hoe u op zestienjarige leeftijd de islam omarmde. ‘Op een dag’, schreef u, ‘had ik zin om te tonen tot welke religie ik behoorde.’ De hoofddoek die u in 1996 begon te dragen hebt u inmiddels blijkbaar afgelegd?

“Ik schreef toen al dat die hoofddoek en mijn lezing van de Koran een volkomen vrije en persoonlijke keuze waren. Dat vind ik nog altijd. Het stoort mij dat mensen van vreemde afkomst bijna onveranderlijk als eerste vraag krijgen: bent u gelovig? In die vraag komt er altijd een hele onuitgesproken bagage mee. De tweede vraag luidt dan meestal: bent u een praktiserend gelovige? De derde: wat denkt u van Hamas? (grijnst) Stop toch met mensen een etiket op te kleven. Als iemand het aan mij vraagt, antwoord ik beleefd dat het zijn zaken niet zijn. Religie is iets wat je met jezelf regelt.”

Daar ben ik het niet helemaal met u eens. Neem nu Roger Lallemand (PS), de stichter van het advocatenbureau waar u nu werkt. Dat de man humanist en vrijzinnig is, doet er wel degelijk toe om zijn engagement te kunnen duiden.

“Dat is waar. Aan de universiteit ben ik doordrongen geraakt van waarden als vrijzinnigheid, humanisme, vrij onderzoek. Die waarden hebben wel degelijk mee vormgegeven aan mijn visie op mens en wereld. Maar de manie om etiketten op mensen te plakken, is en blijft gevaarlijk. Het is niet omdat je moslim bent dat je akkoord gaat met de suicide bombers waar ook ter wereld.”

Gelooft u dat een leven zonder geloof een armer leven is dan één met?

“Ik zou de vraag anders formuleren. Heeft een leven zonder overtuiging zin, of die overtuiging nu religieus, filosofisch of nog iets anders is? De overtuiging telt.”

En die moet voor u voor alles humanistisch zijn?

“Vanzelfsprekend. De enige hoop op vooruitgang is en blijft de gehechtheid van de ene mens aan de andere mens. Als we dat humanisme niet in ons hebben, slaan we elkaar de kop in. Dan ben je inderdaad in staat om 800.000 mensen te vermoorden in enkele maanden tijd. Dan heb je zelfs nog minder tijd nodig om de hele wereld op te blazen.”

Hebt u het gevoel dat u met uw optreden tien jaar geleden de Belgische samenleving een tikkeltje verbeterd hebt?

(denkt na) Ik kan daar moeilijk ‘nee’ op zeggen. Het is waar dat ik op een bepaald moment als een soort rolmodel werd voorgesteld, het bewijs dat het bestond, dat een meisje van achttien jaar met een hoofddoek redelijke dingen kon zeggen. Maar uiteindelijk moet het toch komen van mensen die in hun directe omgeving elke dag een beetje een voorbeeldfunctie hebben. Een van mijn vriendinnen draagt een hoofddoek en werkt in een grote bank. Ze doet er interne audit en ze doet haar job uitmuntend. De bank is haar komen zoeken omdat ze zo goed was. Elke dag, sinds vier jaar, gaat ze met haar hoofddoek naar de bank. Ongetwijfeld heeft ze daarmee ongelofelijk bijgedragen tot een beter begrip van al die mensen die daar in de bank komen. Zodra je mensen ontmoet, vallen vooroordelen weg.

“Vertrouwen moet je zachtjes aan opbouwen. Maar soms mag het ook iets meer zijn. Soms moet je te kennen geven dat je het spuugzat bent om keer op keer gestigmatiseerd te worden. Een andere vriendin is cultureel bemiddelaar op een school. Op een dag zocht ze voor een jongen een stageplaats bij een dakwerker. Toen die zich aanmeldde, vroeg de bedrijfsleider: ‘Doet u de ramadan? Ja? Dan neem ik u niet aan.’ Die jongen laat de schouders hangen: ‘Laat maar zitten, ik ga wel bij de bakker werken.’ Die bakker is zelf van Arabische origine en op die manier blijf je dus in je gemeenschap zitten. De gettoïsering wordt in de hand gewerkt, terwijl je dan ook nog een tweede keer kritiek krijgt omdát je in je getto blijft. Dat soort mechanismen gaat er niet van vandaag op morgen uit. Het is nooit te laat. Pak nu de sociale problemen aan en binnen tien jaar hebben we geen integratieprobleem meer.”

Binnen tien jaar? In 1979...

“Toen was ik pas geboren!”

...stond het migrantenstemrecht in het regeerakkoord van Martens I. Het heeft nog een kwarteeuw geduurd voor het er kwam, en dan nog niet zonder slag of stoot.

“Sommige evoluties hebben hun tijd nodig, ongetwijfeld. Maar politici moeten ook hun tijd voor durven te zijn. Je moet niet altijd wachten tot iedereen mee is. Politiek betekent ook risico’s nemen. Ook dat is voor mij een teken van progressiviteit. Ik kan me voorstellen dat toen Frankrijk de doodstraf afschafte de meerderheid van de bevolking daar tegen gekant was. Toch heeft men het gedaan. Er zijn in de politiek fantastische mensen, die echt een sociale, egalitaire en humanistische visie hebben. Maar er zijn er natuurlijk ook die alleen maar aan hun stemmen denken.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234