Zondag 26/01/2020

Na zes moeizame jaren van verbouwingswerken is vernieuwd museum (bijna) klaar voor strijd met dvd

Brussels Filmmuseum is nu Cinematek

Op 31 januari heropent het Brusselse Filmmuseum in het Paleis voor Schone Kunsten zijn deuren onder de naam Cinematek. Ruim een jaar later dan gepland, en zes jaar nadat de eerste verbouwingswerkzaamheden begonnen, heeft het instituut daarmee eindelijk weer een behuizing die past bij zijn status als een van de belangrijkste filmmusea ter wereld.

Door Han Ceelen

BRUSSEL l Onder leiding van architectenbureau Robbrecht & Daem werd Victor Horta's Zaal voor Sierkunsten in zijn oude luister hersteld, en ingericht als moderne ontvangst- en exporuimte. Onder de vloer kwamen twee schitterende ondergrondse projectiezalen.

Conservator Gabrielle Claes is er nog altijd niet gerust op. Op de vraag wat haar gevoelens zijn bij de aanstaande heropening van het Brusselse Filmmuseum, verzucht ze: "Dat er nog een hoop werk te doen is". Claes' voorzichtige reactie is niet zo vreemd als je bedenkt dat de verbouwing van haar instituut zes jaar heeft geduurd, en keer op keer met vertragingen te maken kreeg. En inderdaad, er is nog werk aan de winkel, want het gebouw is nog niet helemaal af. Er wordt nog driftig geboord, en hier en daar ontbreekt nog een paneeltje of een likje verf.

Toch is nu al duidelijk dat het museum er met de nieuwe behuizing enorm op vooruit is gegaan. Victor Horta's Zaal voor Sierkunsten, die jarenlang aan het oog werd onttrokken door een modernistische zwarte doos van architect Constantin Brodzki en interieurontwerper Corneille Hannoset, is volledig in zijn oorspronkelijke art-decostijl hersteld. Inclusief cassetteplafond dus, en natuurlijke lichtbronnen, trompe-l'oeils en beglaasde wanden. Daarnaast zijn een verdieping lager twee nieuwe projectiezalen uitgegraven, een met 119 en een met 27 stoeltjes.

Alles in Hortastijl

Grotendeels verantwoordelijk voor deze metamorfose is Hilde Daem van Robbrecht & Daem architecten. Zes jaar geleden werd haar gevraagd om het uit 1967 daterende Filmmuseum een opknapbeurt te geven. De filmzaaltjes voldeden niet langer aan de eisen van de tijd, en het publiek liet het steeds vaker afweten. Maar de opdracht bleek lastiger dan gedacht, want binnen de bestaande constructie was nauwelijks ruimte om te manoeuvreren. Na drie jaar puzzelen en wroeten kwam de zaak in een stroomversnelling toen directeur-generaal Paul Dujardin van het Paleis van Schone Kunsten (PSK) zich ermee ging bemoeien. Hij had een masterplan bedacht waarbij alle ruimtes in het paleis moesten worden teruggebracht in de stijl van Victor Horta. Hierop werd besloten om ook de Sierkunstenzaal terug te brengen in zijn oude luister, deze in te richten als exporuimte, en ondergronds twee nieuwe filmzalen te bouwen.

Het eerste was relatief eenvoudig, zegt Daem. "Wij zijn gewend om met historische gebouwen te werken, en met de Sierkunstenzaal kon ik prima uit de voeten. Dankzij de typische Hortakokers is er een schitterende natuurlijke lichtinval. Dat staat volgens velen haaks op een museum, maar Robbrecht & Daem heeft dat altijd anders gezien. Onze filosofie luidt net: 'Kunst verdraagt daglicht'. Daarom hoefden we eigenlijk alleen het masterplan te volgen. Daarnaast hebben we in samenspraak met PSK-bouwmeester Barbara Van der Wee een paar kleine aanpassingen gedaan, zoals een lanterneau die daglicht naar de filmzalen leidt." Het laatste is geen heiligschennis, verzekert Daem: "Ik denk niet dat Horta zich zou omkeren in zijn graf als hij het zou zien. Misschien zou hij wel denken: waarom heb ik dat zelf niet bedacht?"

Het tweede gedeelte van het plan bleek een stuk lastiger. De ruimte onder de Sierkunstenzaal was de enige die in de jaren '20 niet door Horta was benut, en dat was niet voor niets. Bij de graafwerkzaamheden stuitten de aannemers op een enorme hoeveelheid bouwafval die door Horta's arbeiders was achtergelaten. Deze moest eerst worden verwijderd. Ook dienden alle bestaande zuilen te worden gestut, en moest een grote betonnen kuip worden aangebracht om de zalen te herbergen. "Iedereen was enorm bang dat we iets zouden beschadigen", herinnert Daem zich. "Maar we hebben het zonder één enkel scheurtje gered. Het is echt een huzarenstukje geweest."

Alle inspanningen waren uiteindelijk niet vergeefs, want het eindresultaat mag er wezen. Wie vanuit de Sierkunstenzaal de nieuwe trap naar beneden neemt, komt via een strakke, industrieel ogende gang uit bij twee schitterende projectieruimtes. Beide zijn uitgerust met analoge en digitale projectoren, schermen die twee keer zo groot zijn als voorheen, en een piano voor livemuziek. Maar het zijn vooral de rustige, uitgebalanceerde inrichting en de comfortabele stoelen die meteen uitnodigen tot een bezoek. "Ik streef altijd naar een tijdloos ontwerp", zegt Daem. "Anders ben je niet bezig met architectuur, maar met aankleding."

Ook Gabrielle Claes is zeer tevreden over het eindresultaat, al had zij meer moeite met de afbraak van 'de zwarte doos'. "Ik heb daar dertig jaar van mijn leven doorgebracht", zegt ze. "En ik heb het concept altijd mooi gevonden. Van mij had het niet weg gehoeven."

Legendarische Jacques Ledoux

Claes trad in 1968 op 22-jarige leeftijd in dienst van het Belgisch Filmarchief als assistente van de legendarische conservator Jacques Ledoux. Die had het uit 1938 daterende archief en het later opgerichte filmmuseum in zijn eentje op de kaart gezet, en zou dat blijven doen tot zijn dood in 1988.

Ledoux' succes was het resultaat van zijn enorme gedrevenheid, een slimme strategie, en het feit dat hij zich in Brussel bevond. "In de jaren '40 en '50 waren er onder Europese filmconservatoren grote verschillen van opvatting", zegt Claes. "Je had mensen als Henri Langlois, de oprichter van de Cinémathèque Française. Die wilde vooral tonen, tonen, tonen. Maar in Londen wilde men films juist onbeschadigd bewaren voor het nageslacht. Ledoux koos voor een tussenweg: hij wilde zowel bewaren als laten zien."

Voor beide doeleinden leende Brussel zich bijzonder goed. De Belgische filmproductie stelde weliswaar weinig voor, maar er was wel sprake van een bruisende filmcultuur die maakte dat er veel buitenlandse films werden vertoond. Amerikaanse en Franse films uiteraard, maar ook Oost-Europese films, die hun weg naar het cinefiele publiek vonden dankzij een paar ondernemende distributeurs. Vanwege de taalkwestie werden deze films vaak in originele versie vertoond en ondertiteld. Daarmee had Brussel een flinke voorsprong op Parijs (waar alles werd gedubd) en Londen (waar nauwelijks films van het continent te zien waren). Zodoende kon het Koninklijk Belgisch Filmarchief uitgroeien tot een van de belangrijkste ter wereld. In de jaren '50 kwamen latere filmkanonnen als Resnais, Truffaut en Tavernier speciaal naar Brussel om hier originele versies van westerns en film noirs te bekijken.

Ook onder het curatorschap van Claes, die Ledoux in 1988 opvolgde, bleef de collectie van het Filmarchief groeien. Momenteel liggen er in de drie depots in Elsene en Namen zo'n 60.000 fictie- en non-fictiefilms opgeslagen, en daar komen er jaarlijks nog zo'n 500 bij. Daarnaast beschikt het archief over een bibliotheek met 50.000 boeken en 4.000 gespecialiseerde tijdschriftentitels, meer dan 25.000 affiches en miljoenen persknipsels en filmfoto's.

Dvd-opkomst nefast

Aanvankelijk bleven ook de filmvertoningen in het Filmmuseum aanslaan, maar midden jaren '90 kwam de klad erin. Voor een deel lag dat aan de verouderde projectiezalen, denkt Claes. Maar minstens zo belangrijk was volgens haar de opkomst van de dvd: "Plotseling kon iedereen de oude films die wij vertoonden ook thuis zien, en in goede kwaliteit."

Aangezien de dvd-verkoop sindsdien is geëxplodeerd, was er meer nodig dan een verbouwing om het Filmmuseum levensvatbaar te houden, besefte Claes. Daarom werd er de afgelopen jaren ook grondig nagedacht over de rol die het instituut moet gaan spelen in de 21ste eeuw.

Een van de vragen die daarbij aan de orde kwam was of het Filmmuseum wel gevestigd moest blijven in het Paleis voor Schone kunsten. Een vraag die uiteindelijk met ja werd beantwoord. "We hebben serieus andere opties overwogen", zegt Claes. "Maar het PSK is een mooie instelling waar steeds meer gebeurt. Wij denken dat het beide partijen voordelen biedt om hetzelfde gebouw te delen. Je ziet dat er in de kunstwereld steeds meer kruisbestuiving plaatsvindt met film, en er lopen in het PSK natuurlijk wel mensen rond die zijn geïnteresseerd in kunsten. Als wij die beter kunnen laten zien wat we doen, komen ze misschien ook een keer bij ons langs. Vandaar dat we er van alles aan hebben gedaan om beter zichtbaar te zijn vanuit het PSK. Van onze drie ingangen lopen er nu twee via hen."

Dat dit betekent dat ze zaken moet doen met de als dominant bekendstaande Paul Dujardin, neemt Claes voor lief. "We zullen zien hoe die samenwerking gaat verlopen. Maar ik hoop dat Paul ook begrijpt dat het voor ons absolute noodzaak is dat men ons ziet als een zelfstandige instelling. Wij hebben in 2001 een geweldige crisis meegemaakt toen de federale overheid haar steun introk en we alleen nog waren aangewezen op de Nationale Loterij. Gelukkig is er toen een grote steunoperatie op gang gekomen en heeft premier Verhofstadt de bijdrage terug verhoogd, maar die situatie heeft me wel geleerd dat wij ons als instelling moeten profileren naar buiten toe. Dus ik kan niet accepteren dat het PSK zegt: 'jullie zijn onderdeel van ons'."

Behalve door een betere presentatie denkt Claes ook kijkers te kunnen terugwinnen door ze steviger bij de hand te nemen. "Het filmaanbod is zo overweldigend dat mensen niet meer weten wat ze moeten kiezen. Wij kunnen ze tips geven, rode draden aanbrengen, enzovoort."

Ook wil Claes meer aandacht gaan besteden aan kortfilms en non-fictiefilms, die zo'n 20 procent uitmaken van de collectie. Eerdere dvd-uitgaven over de Expo 58 en agricultuur waren verrassend succesvol.

Daarvoor is wel het geld nodig, en daarom was het jammer dat minister van Wetenschapsbeleid Sabine Laruelle deze week doodleuk twee miljoen euro kwam toezeggen die jaren geleden al waren beloofd door haar voorganger Marc Verwilghen. Ze werden echter nooit uitbetaald. Claes: "Of we het nu wel krijgen? We zullen zien."

Cinematek presenteert

Om de heropening te vieren houdt Cinematek op 31 januari en 1 februari een opendeurweekend. Er zijn dan non-stop films te zien van kanonnen als François Ozon, Alfred Hitchcock, Tex Avery, Buster Keaton en Charlie Chaplin. Een dag later start een uitgebreide cyclus rond New Hollywood, met werk van regisseurs als Steven Spielberg, Francis Ford Coppola en Martin Scorcese. Ook nog in februari stellen De Morgen-filmcriticus Jan Temmerman en zijn Franstalige collega Philippe Reynaert vier recente Belgische films voor in het kader van het programma Belgorama. Hoogtepunt van het voorjaar wordt een retrospectief van Luis Buñuel, dat op 1 maart wordt ingeleid door zijn zoon Jean-Luis Buñuel. Later dit jaar staan programma's op stapel rond Ernst Lubitsch, Sean Penn, Joseph Mankiewicz, Reiner Werner Fassbinder en Alfred Hitchcock.

Van Wunderkammer tot Moviola's

Het oude Filmmuseum stelde naast films ook objecten tentoon uit het precinematijdperk, zoals kijkdozen en toverlantaarns. Een deel hiervan is terug te vinden in de Wunderkammer, een verduisterde ruimte in de Sierkunstenzaal.

Verder herbergt de nieuwe expohal de Remix, acht schermen waarop filmfragmenten en kortfilms worden vertoond, en vier interactieve Moviola's, filmtafels waar de kijkers zelf films kan kiezen. In de Viewing Space zijn trailers en andere voorproefjes te zien van de in de filmzalen vertoonde films.

n Conservator Gabrielle Claes: 'Het Paleis voor Schone Kunsten is een mooie instelling waar steeds meer gebeurt. Wij denken dat het beide partijen voordelen biedt om hetzelfde gebouw te delen.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234