Zaterdag 08/05/2021
null

GetuigenisAanslag 22 maart

‘Na die kogel in mijn hoofd zette de politie me bij het vuilnis’

Beeld Humo

De maandenlange jacht op Salah Abdeslam en de andere terroristen eist een zware tol bij de Speciale Eenheden. De mannen raken dodelijk vermoeid, hun families zijn bang. Op 15 maart 2016, een week voor de bomaanslagen in Zaventem en Brussel, vallen ze binnen in een rijhuis in Vorst. Er volgt een urenlang vuurgevecht waarbij hoofdinspecteur Lerre een kalasjnikovkogel in het hoofd krijgt. In het boek Terroristenjager van collega Lionel D. doet hij het verhaal van zijn lange lijdensweg: ‘Ik was 46 jaar, en ik moest met pensioen.’

Dinsdag 15 maart 2016, de kazerne van Etterbeek. Bij de interventie-eenheid zijn hoofdinspecteur Lerre en een ploeg van vier man van wacht. Het is al de hele dag rustig, tot er om halfdrie in de namiddag een flashbericht op de radio is: ‘Speurders van de federale politie worden tijdens een huiszoeking in Vorst beschoten met kalasjnikovs.’ De ploeg haast zich naar de Driesstraat. Daar treffen ze de politiediensten in een staat van paniek.

Lerre: “Ik was al 22 jaar bij het SIE (Speciaal Interventie Eskadron, red.), maar het was de eerste keer dat ik dacht: fuck, wat is dit? De Driesstraat was afgesloten met een wegversperring; er was geen agent te zien. Maar ze waren er wel: ze stonden tegen de gevels en voordeuren aangedrukt, gehurkt achter auto’s, schuilend in portieken, met hun wapens in de aanslag. Het vreemde, bijna absurde was dat de ene zijn wapen naar boven richtte, de andere naar links, nog een andere naar rechts. Normaal kun je bij een crisissituatie uit de positie van de agenten onmiddellijk afleiden waar het gevaar vandaan komt. Hier was het onmogelijk te zeggen waar de schietpartij had plaatsgevonden. Zo’n vijftig politieagenten keken in alle richtingen. Het gevaar kwam van 360 graden in het rond.

“Ik greep een agent bij de arm. ‘Waar is het te doen?’ Hij wees naar een oud herenhuis met een pastelgele gevel. ‘Daar op de hoek.’ Ik zag de angst in zijn blik. Ik draaide me om naar mijn ploeg: ‘Maak jullie klaar, zet de gepantserde voertuigen dwars, zoek dekking.’

“Zelf ging ik op zoek naar iemand van het commando. Op het Sint-Denijsplein heerste chaos. Vier officieren van de lokale en de federale politie kwamen naar mij toe. Met verontruste gezichten deden ze verslag. Speurders van de federale recherche waren beschoten tijdens een huiszoeking in het kader van een terreurdossier. Ze hadden twee daders naar het dak zien vluchten, één was wellicht gewond. ‘Waar ze nu zijn, weten we niet. Misschien zitten ze nog op het dak, misschien zitten ze al enkele huizenblokken verder en zijn ze van plan ons in de rug te beschieten. Of erger. Er zijn twee scholen vlakbij. En een crèche.’”

De officieren halen er één van de speurders bij die mee is binnengegaan. De man ziet lijkbleek en trilt op zijn benen. Met horten en stoten doet hij zijn verhaal. ‘We dachten dat het appartement leeg was. Maar toen we binnengingen, zagen we de loop van een AK-47 verschijnen. Meteen daarna kwamen er vlammen uit. Er kwamen schoten van links en van rechts.’

‘Met hoeveel waren ze?’ vraagt Lerre. De jonge collega klinkt verward. ‘Twee, misschien drie. Misschien vier, ik weet het niet. We hebben teruggevuurd en zijn weggelopen. Achter ons bleven de wapens ratelen. Ik ben naar het dak gelopen en heb me daar verstopt, doodsbang. Ik denk dat ze via het dak naar buiten zijn gevlucht. Toen het stil werd, ben ik snel langs de trap naar beneden gelopen.’

Niemand kan de agenten verwijten dat ze ervandoor zijn gegaan. Hun dagelijkse dienstwapens, 9mm-Glocks, zijn geen partij voor oorlogswapens. Drie van hen, onder wie een Franse politieagente, raken lichtgewond. Als hoofdinspecteur van het SIE-team moet Lerre de situatie bliksemsnel inschatten.

Lerre: “We vreesden voor een dreigende amoksituatie. ‘Amok’ is de politieterm voor een massamoord: een wilde schutter die in een menigte schiet, zoals in de Bataclan. Iemand die zichzelf opoffert om zo veel mogelijk doden te maken. We moesten te allen prijze vermijden dat ze op schoolkinderen zouden schieten.

“Ik nam de radio, bracht mijn officieren op de hoogte en wachtte op een reactie. Die kwam er niet, ze leken het ook niet te weten. Maar ik wist dat we iets moesten ondernemen, en wel onmiddellijk, of een bloedbad zou volgen. Ik wist dat de andere ploegen van het SIE elders in het land op missie waren. Er was niemand anders om in actie te komen dan ons team van vijf. Via de radio meldde ik aan de drie officieren dat ik met mijn ploeg zou binnenvallen.

“Ik wist dat ik ons aan een groot gevaar blootstelde, maar alles was beter dan dat er burgerdoden vielen. Niemand van de officieren hield me tegen. De radio bleef stil. Ik stond er helemaal alleen voor. ‘Stuur heel de cavalerie maar,’ zei ik nog. ‘Het gaat hier serieus worden.’”

James, Casta, Rico en Nack zetten hun kogelwerende helmen op en grijpen hun wapens. De mannen laten zich in een pantserwagen door de straat rijden tot voor het gele hoekhuis. Een paar huizen verderop staan vier politieagenten in een deurgat, als sardientjes in een blik, met hun pistolen gericht naar beide zijden van de straat. Om 15.23 uur gaat een team van vijf mannen van de Speciale Eenheden naar binnen.

null Beeld Geert Van de Velde
Beeld Geert Van de Velde

ZESDE ZINTUIG

De voordeur van nummer 60 staat nog open nadat de speurders halsoverkop uit het huis zijn gevlucht. James, de nummer 1 van het team, tikt ze met zijn voet verder open. Hij ziet een lange gang voor zich en een houten trap. In de gang staat een rij schoenen van de bewoners van de benedenverdieping. De mannen lopen er voorbij, ze gaan de trap op. James gaat eerst, met het kogelwerende schild voor zich, dan volgen Casta en Lerre. Rico en Nack sluiten de rangen.

James: “Hoe hoger we de trap opklimmen, hoe meer we voelen dat er iets niet klopt. Noem het een zesde zintuig dat je in al die jaren ontwikkelt. De adrenaline zet al onze zintuigen open. We ruiken de indringende kruitgeur, we zien de grote kogelinslagen van de oorlogsmunitie in de muur. We horen hoe stil het is in het huis. Geen zuchtje, geen geschuifel, geen geluid. We voelen instinctief: dit is niet normaal.

“Op de overloop liggen hulzen op de grond, een zaklamp die een agent in zijn vlucht verloren heeft, een handboeientasje dat van een riem gevallen is. De trap maakt een bocht, en ik zie links van mij de deur van het appartement op de eerste verdieping, met de sporen van de stormram die onze collega’s van de federale politie hebben gebruikt. De deur staat halfopen.”

James en Casta duwen ze zachtjes verder open en gaan naar binnen, traag en geluidloos. Ook binnen hangt een kruitdamp en liggen hulzen op de grond. Op de muur naast de inkomdeur zitten kogelinslagen en bloedvegen. De twee mannen richten hun wapens naar het raam aan de achterkant, waarlangs de daders wellicht zijn weggevlucht. Lerre is in de deuropening blijven staan en kijkt naar de vloer.

null Beeld Geert Van de Velde
Beeld Geert Van de Velde

Lerre: “Ik zie rode druppels. Een bloedspoor loopt van de inkomdeur langs de muur en zo naar de kamer rechts – de slaapkamer. De deur van die kamer staat open. Ik denk: shit, er zit nog iemand binnen. Ik kijk naar mijn mannen: die vorderen geconcentreerd, voetje voor voetje, naar het raam in de achtergevel. Hun rug is niet gedekt en ik kan ze niet waarschuwen, anders verraad ik onze aanwezigheid. Als er iemand in de andere kamer is, heeft die ons misschien nog niet gehoord, zo stil zijn we geweest.

“Ik stap langzaam achteruit om mijn collega’s in de rug af te schermen, met mijn wapen gericht op de deur van de slaapkamer. Op dat ogenblik zie ik een paar voeten op een matras. De man is wellicht gewond, en ligt te wachten tot hij zo veel mogelijk flikken kan neerschieten. Misschien heeft hij zelfs een granaat, of een bom.

“Ik geef een tikje met mijn schouder tegen de rug van Casta en fluister: ‘Schild naar voren.’ Op dat ogenblik zie ik een felle lichtflits en hoor ik een knal. Dan gaat het licht uit.”

James: “Casta en ik draaien ons ogenblikkelijk om. Lerre roept nog: ‘Ik ben geraakt!’ en valt op de grond. De kogel is door de deurlijst van de slaapkamer gegaan. Casta en ik schieten onophoudelijk in het deurgat om te vermijden dat de schutter naar buiten komt. Die vuurt terug, de kogels gaan dwars door de muur van gipsplaten. We hebben geen idee waar hij precies staat of ligt, we weten alleen dat zijn munitie van een heel zwaar kaliber is. BAM BAM BAM! Lerre is bewusteloos, hij moet hier zo snel mogelijk weg. Terwijl we dekkingsvuur geven, komt Rico binnen. Hij neemt Lerre vast en trekt hem uit het appartement. Samen met Nack sleept hij onze gewonde collega langs de trappen naar beneden.”

Terwijl Lerre in allerijl naar het ziekenhuis wordt gebracht, zullen zijn collega’s in het rijhuis in Vorst het zwaarste vuurgevecht uit hun carrière meemaken. Later zal blijken dat er drie terroristen in het appartement ondergedoken zaten, onder wie Salah Abdeslam, die sinds de aanslagen in Parijs al vier maanden wordt gezocht. Hij is samen met een handlanger kunnen ontkomen. Maar de derde, ene Mohamed Belkaïd, is achtergebleven. Pas uren later maakt een sniper een einde aan het zenuwslopende gevecht met een dodelijk schot dat Belkaïd velt. Lerre is intussen geopereerd in het ziekenhuis en mag daags nadien naar huis. Hem wacht een lang herstel.

‘Ik voel mijn huid schrijnen waar ooit mijn oorlel zat.’ Daar is de kogel zijn schedel bin­nengedrongen, om er achter­ aan weer uit te komen. (Foto: de helm van Lerre.) Beeld Geert Van de Velde
‘Ik voel mijn huid schrijnen waar ooit mijn oorlel zat.’ Daar is de kogel zijn schedel bin­nengedrongen, om er achter­ aan weer uit te komen. (Foto: de helm van Lerre.)Beeld Geert Van de Velde

FULL METAL JACKET

Een week later ligt Lerre thuis in een donkere kamer met een koel washandje op zijn gezicht. Zijn hoofd beukt en dreunt, de pijn vlamt op alsof iemand een vlijmscherp mes in zijn schedel drijft. Zijn gespierde, afgetrainde lichaam ligt krachteloos op bed: een gevolg van zijn evacuatie langs de trappen, waarvan hij zich niets meer herinnert. Zijn collega’s hadden hem bij de kraag vastgenomen en hem de trap af gesleurd. Zijn lijf donderde als een dood gewicht naar beneden. De harde schokken op de treden deden zijn pezen en gewrichten scheuren, duwden zijn ruggenwervels schots en scheef, rukten zijn bekken van zijn plaats. Hij neemt zijn collega’s niets kwalijk, ze hebben hem gered in het heetst van de strijd.

Heidi, zijn vrouw, komt de kamer in om te kijken of hij iets nodig heeft. Ze heeft onbetaald verlof genomen van haar werk bij de lokale politie, en verzorgt hem de klok rond. Ze brengt hem naar medische specialisten, tot vijf keer per week, voor onderzoeken en behandelingen. En ze zet zich aan de ingewikkelde procedures voor de verzekeringen en de dienst arbeidsongevallen.

Lerre voelt zijn huid schrijnen aan zijn rechteroor, op de plek waar zijn oorlel zat – en nu niet meer. Daar is de kogel zijn schedel aan de zijkant binnengedrongen, om er achteraan weer uit te komen. Een 7.62 full metal jacket, oorlogsmunitie die dwars door alles heen boort. Afgevuurd door een kalasjnikov, één van de zwaarste aanvalsgeweren die er bestaan. De energie die vrijkwam bij de inslag, heeft talloze zenuwen in zijn hoofd opengescheurd. Er is onherstelbare schade aangericht, maar dat weet Lerre nog niet. Hij denkt dat de pijnaanvallen het gevolg zijn van een zware hersenschudding. Net als het feit dat hij plots zo slecht hoort, en zijn zicht elke dag troebeler wordt, tot hij alleen nog schaduwen kan onderscheiden.

De prognoses voor het herstel, aanvankelijk nog gunstig, worden gaandeweg minder optimistisch. De pijn blijft overweldigend, de oefeningen bij de kinesist zijn een martelgang, de tinnitus in zijn oren wordt steeds erger. Maar Lerre is een Iris, een lid van het SIE. Een Iris komt er altijd bovenop. Wanneer de luide fluittoon hem gek maakt en zijn spieren branden van de pijn, luistert hij naar dat ene nummer van de powermetalgroep Iced Earth, ‘Spirit of the Times’. Honderden keren lipt hij de tekst mee met de zanger, toevallig zelf een politieman bij het New York City Police Department: ‘You may take me / But you’ll never break my will / My soul is not for sale / And justice will prevail.’

In die eerste weken krijgt hij, verrassend, thuis bezoek van de commissaris-generaal van de politie, vergezeld door de directeur van de Speciale Eenheden. Ze komen hem een hart onder de riem steken, beloven hem dat ze hem zullen helpen waar ze kunnen. Lerre heeft twintig jaar in de vuurlinie gestaan, gevaarlijke missies tot een goed einde gebracht, rekruten opgeleid. In Vorst diende hij als levend schild voor zijn collega’s. Natuurlijk kan hij op de steun van de politietop rekenen. De bezoekers zitten bij Lerre thuis met een mooi verpakt doosje pralines. Ze weten zelf nog niet hoe zwaar ze Lerre zullen teleurstellen.

De collega’s van Lerre hebben intussen de handen vol. Na 22 maart maken de speurders van de federale politie onafgebroken jacht op ‘de man met het hoedje’, en die andere onbekende man met zijn rugzak, die in de Brusselse metro werd gezien in het gezelschap van zelfmoordterrorist Khalid El Bakraoui. Huiszoekingen volgen elkaar in hoog tempo op. De reputatie van België en zijn terreurbestrijding staat andermaal op het spel.

Lerre laat het allemaal aan zich voorbijgaan, noodgedwongen. Het lijkt alsof hij zijn lichaam niet meer onder controle heeft. Epilepsieaanvallen zijn bijna dagelijkse kost. Soms valt hij met zijn hoofd ergens tegenaan, wat weer nieuwe hoofdwonden met zich meebrengt. Het vervelendste zijn de onverwachte spasmen in zijn rechterarm, die een paar keer per dag verkrampt tot in de vingertoppen, zodat hij alles uit zijn handen laat vallen. Toch probeert hij in september, na vijf maanden ziekteverlof, weer aan het werk te gaan. Halftijds, voor de zekerheid, want hij staat nog wankel op de benen.

Lerre: “Eigenlijk voelde ik onmiddellijk dat het niet ging. Ik wilde het niet aan mezelf toegeven, maar ik begreep niet altijd wat tegen mij gezegd werd. Ik had moeite met praten, kon soms de woorden niet vinden. Ik vergat wat iemand juist daarvoor aan mij had verteld. En ik zag en hoorde steeds slechter. Ik was een gevaar voor mijn collega’s. Dat was eigenlijk al van de eerste dag duidelijk.

“Toen ik die avond naar huis ging, nam ik een besluit. Ik zou niet meer deelnemen aan operaties op het terrein, maar me achter de schermen engageren als lesgever. ’s Anderendaags stond ik na de ochtendbriefing op en vroeg ik het woord. Toen ik mijn beslissing uitsprak, werd het stil onder de collega’s. Ze wisten niet hoe erg ik eraan toe was.”

‘De man vuurt terug vanuit de slaapkamer, de kogels gaan dwars door de muur van gipsplaten. We hebben geen idee waar hij precies staat of ligt, we weten alleen dat zijn munitie van een heel zwaar kaliber is.’ Beeld Geert Van de Velde
‘De man vuurt terug vanuit de slaapkamer, de kogels gaan dwars door de muur van gipsplaten. We hebben geen idee waar hij precies staat of ligt, we weten alleen dat zijn munitie van een heel zwaar kaliber is.’Beeld Geert Van de Velde

VOL PIJNSTILLERS

Lerre: “Het commando stelde me bij mijn terugkeer geen vragen. Er werd gezwegen over de schietpartij in Vorst, alsof ze nooit was gebeurd. Eerlijk gezegd had ik op een teken van waardering van het hogere echelon gehoopt. Maar toen duidelijk werd dat het voor mij het einde betekende van mijn carrière als actieve Iris, sprak één van de officieren me er toch over aan: ‘Waarom ben je met je ploeg dat huis binnengegaan? Had je niet beter op ons gewacht?’ Ik ontplofte. ‘Jullie hebben me toch gehoord op de radio? Waarom heeft niemand toen iets gezegd? Stel dat ik níét naar binnen was gegaan, en die kerels hadden vijftig schoolkinderen afgeknald, wat hadden jullie dan gezegd?’

“Dat gebrek aan waardering gold niet alleen voor mij, maar voor de hele ploeg die in Vorst met mij was binnengegaan, en bij uitbreiding voor het hele peloton. Voor mij had de operatie tenslotte niet zo lang geduurd. Mijn collega’s hadden nog uren in de vuurlinie gestaan. Ook zij waren getekend door de oorlog die in het huis in de Driesstraat was uitgevochten. Ik wist dat enkelen van hen getraumatiseerd waren, hoewel ze dat nooit hardop zouden toegeven. We dachten allemaal dat we onoverwinnelijk waren, maar in Vorst was gebleken dat we niet onkwetsbaar waren.

“Ik wist dat ook hun families bang geworden waren. Hun kinderen sliepen niet meer. Hun vrouwen beseften plots dat een helm niet alle kogels tegenhoudt. Het imago van de onkwetsbare eliteagent was doorgeprikt. Toen een collega ’s morgens naar de kazerne wilde vertrekken, hing zijn dochter huilend aan zijn benen. De mannen voelden een steeds grotere druk van hun familie om te stoppen met dit levensgevaarlijke werk. Hun gezinnen ondergingen hun vermoeidheid en hun prikkelbaarheid, het feit dat ze nooit meer iets leuks deden samen.

“Onze bazen leken het vanzelfsprekend te vinden om te werken met mannen die alles opgaven voor de eenheid. Mannen die ze op elk moment van de dag of de nacht konden opbellen, en die dan niet alleen afkwamen, maar elke keer zonder aarzelen op gevaarlijke situaties afgingen waarin geen enkele andere politieagent zich ooit zou wagen. Nooit had iemand van de interventie-eenheid één dag gestaakt. En hoewel we het allemaal gewend waren om niet als een vedette behandeld te worden, liet de onverschilligheid van de bazen bij velen een wrange smaak na.

“In het jaar na de aanslagen van 22 maart verlieten veel Irissen de eenheid waarvoor ze al die jaren geleefd hadden. Charly, James, Casta, Rico... Ze zwermden uit naar de posa’s (de eenheden die instaan voor Protectie, Observatie, Steun en Arrestatie, red.), waar het toch iets rustiger was, of naar totaal andere oorden, zoals Lio (Lionel, auteur van het boek, red.) Jarenlang hadden ze roofbouw op hun lichaam gepleegd door altijd het uiterste van zichzelf te eisen en de aanhoudende, immense stress te controleren. Sommigen waren apathisch, depressief of hadden een burn-out. Bijna iedereen had slaapproblemen en last van hyperalertheid. We waren nochtans allemaal stabiele persoonlijkheden, daar waren we op geselecteerd. Maar als zóveel Irissen klachten hadden, was er toch iets verkeerd gelopen.

“Vanaf dan ging ik lesgeven in gevechtssport en arrestatietechnieken. Hoewel ik ervaren was, moest ik alle energie uit mijn lijf persen om het halve dagen vol te houden. Ik stopte me vol pijnstillers, trok mijn harnas aan en deed zo normaal mogelijk. Maar ik vergat stukken uit de cursussen die ik zelf geschreven had, en ik maakte verschrikkelijke schrijffouten. Ik liet dingen uit mijn handen vallen, verzweeg dat ik af en toe flauwviel, en dat ik al twee keer met de auto ergens tegenaan was gereden. Na elke werkdag kwam ik geradbraakt thuis en kroop ik onmiddellijk in bed met gekmakende hoofdpijn. Heidi zei dat ik mezelf aan het kapotmaken was, maar ik bleef doof voor haar opmerkingen. Dit was mijn roeping en mijn leven.

“Na talloze medische onderzoeken kwamen de dokters met slecht nieuws: de neurologische gevolgen van de kogelinslag waren verstrekkender dan gedacht. Toen de 7.62 van Belkaïd mijn helm en mijn hoofd binnendrong, maakte dat een energiewaarde van 3.000 joule vrij – ter vergelijking: een paintballkogel heeft een impact van maximum 10 joule. De kracht was groot genoeg om mijn hersenen plat te drukken. Gelukkig zijn onze helmen zo ontworpen dat er altijd wat ruimte zit rond het hoofd, waardoor de energie weg kon. Maar niet zonder eerst verschillende zenuwbanen tussen mijn huid en mijn schedel stuk te scheuren. Ik had ook een enorme brandwonde op mijn achterhoofd.

“De kracht van de kogel had ook mijn oogzenuw beschadigd. Een arts bezorgde me een afspraak bij een wereldvermaarde oogchirurg in Aalst. Die waarschuwde me dat mijn ooglens op korte tijd volledig zou kunnen afsterven. ‘Ik moet u nu opereren, want als we nog zes maanden wachten, is de schade misschien onomkeerbaar.’ Twee andere specialisten bevestigden dat. De operatie zou 6.000 euro kosten. Ik wendde me dus tot de federale politie. Maar de reactie van de medische dienst was een koude douche. ‘6.000 euro? We zullen een tegenexpertise laten doen.’

Lio. Beeld Geert Van de Velde
Lio.Beeld Geert Van de Velde

“In het militair hospitaal in Neder-Over-Heembeek deed een arts die over de keuring van miliciens ging, het onderzoek over. Hij concludeerde dat het probleem met een bril en lenzen ook wel verholpen zou zijn. En zo besliste een rekruteringsarts, tegen het advies in van een chirurg voor wie patiënten zelfs uit Abu Dhabi kwamen, dat ik geen operatie nodig had. Toen ik thuiskwam, ten einde raad, zei ik tegen Heidi: ‘Boek die operatie, ik zal het geld zelf voorschieten.’ Het kostte me acht maanden procederen met een advocaat voor de medische dienst ermee instemde om 5.542,67 euro terug te betalen.

“Dat incident zette de toon voor hoe de federale politie me verder zou behandelen. Ik moest slag leveren voor alles waar ik, als slachtoffer van een arbeidsongeval, recht op had. Zo weigerde de medische dienst mijn steunzolen terug te betalen, die ik moest dragen als gevolg van de spierschade die ik opgelopen had tijdens de evacuatie. De administratie stelde dat het verband met het arbeidsongeval niet bewezen was. Nadat ik een heleboel bewijzen aangeleverd had, gingen ze, bijna een jaar na de aanvraag, over tot de gedeeltelijke terugbetaling van het bedrag van 105 euro.

“Heidi en ik waren ervan overtuigd dat de logge procedures als enige doel hadden mensen te ontmoedigen het geld terug te vragen. Ik werd op een bijna vijandige manier afgewimpeld. Er was altijd wel een bezwaar, een reglement of een ministeriële richtlijn waardoor ze ‘niet anders konden of mochten’. Maar het enige wat ze wilden, was zo weinig mogelijk betalen. Voor hen maakte het niet uit of je nu tegen een terrorist had gevochten, of met je auto tegen een paal was gereden.

“De medische dienst stuurde me naar zeven verschillende dokters. Ik was al behandeld door verschillende gespecialiseerde artsen, die telkens verslagen hadden opgesteld, en toch moest ik me nu opnieuw laten onderzoeken. Er was de arbeidsgeneesheer, de controlearts en de arts die verantwoordelijk was voor de arbeidsongevallen. Er was de arts van het Bestuur Medische Expertise (Medex), de arts-gerechtsdeskundige, de arts-adviseur en de arts van de commissie voor pensioenen. En elke keer moest ik het hele verhaal opnieuw doen, wat niet meeviel met mijn beperkingen – en Heidi mocht niet mee binnen. Blijkbaar hadden al die diensten geen onderling contact, want ik moest aan elke dienst dezelfde documenten bezorgen. Dikwijls kreeg ik nog een tweede en een derde verzoek om een reeks documenten opnieuw over te maken die ik eerder al had voorgelegd. Ik moest bewijzen wat al bewezen was.

“Het was Heidi die de weg moest vinden in de administratieve doolhof, zelf was ik er simpelweg niet toe in staat. Van mijn werkgever, de federale politie, waarvan de top bij mij thuis had gezeten met een doosje pralines, kwam er geen enkele hulp. We hadden enorm veel geluk dat Heidi, die bij de lokale politie werkte, op meer begrip van haar werkgever kon rekenen. We hebben ons door de eerste maanden geslagen dankzij de hulp van een sociaal assistent die ons via haar werk ter beschikking werd gesteld.

“Het maakte me woest en radeloos. Waarom liet de federale politie mij zo hard stikken? Was het omdat ik, gehandicapt, niet meer ‘van nut’ was? De song ‘Spirit of the Times’ stond nu op endless repeat.

“De eerste die een hand naar me uitreikte, was de controlearts van de federale politie. Ik ging nog altijd halve dagen werken, maar voelde me steeds verder aftakelen. Heidi en ik zaten in zijn consultatieruimte, en hij keek me doordringend aan: ‘Lerre, je moet stoppen met werken. Je maakt jezelf kapot. Je moet onder ogen durven te zien dat een job uitoefenen simpelweg niet meer mogelijk is.’

“Heidi en ik keken naar elkaar. Daar, in het kantoor van die controlearts, stortten we allebei in. We huilden samen, voor het eerst in al die maanden. Het was de controlearts, van wie je zou verwachten dat hij me terug naar het werk zou schoppen, die me met beide voeten op de grond zette. ‘Lerre, je hebt genoeg geprobeerd.’ Ik besefte al dat ik niet meer kon sporten, niet meer kon duiken, niet meer aan karate kon doen. Nu besefte ik ook dat ik niet meer kon werken. Ik was 46 jaar, en ik moest met pensioen. En bij Heidi waren het vooral tranen van opluchting. Zij was nooit op haar gemak als ik ging werken. Alle spanningen en alle angsten van het voorbije jaar kwamen eruit.

“Op mijn laatste werkdag hield ik mijn mailbox in de gaten. Maar er kwam niets. Geen mail, geen afscheidswoordje, geen sms. Van de bazen, van het commando, van het stressteam, van de personeelsdienst... niets! Die avond liepen de tranen over mijn gezicht. Een paar weken later probeerde ik mijn politiemail te openen, en zag ik dat hij afgesloten was, zonder verwittiging. Ik was al mijn mails, ook die over mijn medisch dossier, in één klap kwijt. Ik had van overal brieven gekregen, van korpschefs van andere politie-eenheden met wie ik gewerkt had, van Special Forces uit het buitenland, die me het beste toewensten. Behalve van de federale politie en van de top van de Speciale Eenheden. Toen ik een gehandicaptenkaart kreeg, was dat een enorme knauw in mijn ego. Maar het was niets in vergelijking met de oorverdovende stilte van mijn bazen. Ik was simpelweg bij het vuilnis gezet.”

KOGEL IN EEN KISTJE

Lerre: “In april 2018 kwam er hulp uit onverwachte hoek. Ik had nog steeds de grootste moeite om mijn medische kosten terugbetaald te krijgen. Die dag zaten Heidi en ik te wachten om de directeur van de medische dienst te spreken, in zak en as. Er kwam een arts voorbij met wie ik vroeger vaak gewerkt had bij de interventie-eenheid. Dokter Dirk Wynsberghe was betrokken bij de selectie en de opleiding van de rekruten, en we maakten altijd ruzie. Nu kwam hij naar me toe, schudde me de hand en vertelde dat hij de nieuwe baas werd van de medische dienst van de politie. ‘Lerre, ik ken je dossier, en ik vind het een ware schande’, zei hij, enigszins tot mijn verbazing. ‘Ik weet dat we in het verleden nooit de beste vrienden waren, maar ik beloof je dat je dossier behandeld zal worden zoals het moet. Ik ga jullie helpen.’

“En de man hield woord. Van de ene dag op de andere werden terugbetalingen vlot geregeld. Ik kreeg nu mails met uitleg en werd daarin aangesproken met ‘Geachte heer’ in plaats van met het korte ‘Mijnheer’. Het was een keerpunt in onze miserie. Het toonde aan dat de moeilijke houding van de medische dienst geen kwestie van regels was geweest, maar van onwil. Dokter Wynsberghe deed nadien hetzelfde voor andere jongens van de Speciale Eenheden en andere politiediensten. Ik ben er hem erg dankbaar voor.

“Ik was intussen thuis en probeerde mijn leven een andere richting te geven. Ik deed vroeger zes dagen per week gevechtssport: dat was voorbij. Lopen: gedaan. Fietsen: kon ik niet meer. Ik mocht niet meer met de auto rijden. Ik kon aardig gitaar spelen, maar door mijn hersenschade lukte ook dat niet meer. Ik kon maar een paar uurtjes opblijven, de rest van de dag moest ik rusten. Alleen tijdens de bezoekjes van de collega’s van het SIE leefde ik op.

“Ik liep niet te koop met de gevolgen van mijn ongeluk, maar een collega had me al zien stamelen en zoeken naar woorden. Hij was ook een paar keer getuige van een epilepsieaanval. Op een dag had hij opbeurend nieuws: hij kende de chauffeur van Jan Jambon (minister van Binnenlandse Zaken, red.), en had via hem contact opgenomen met de minister. Daarop had Jambon mij samen met de rest van de ploeg in Vorst uitgenodigd voor een ontmoeting op zijn kabinet. Intussen had mijn advocaat Tom Bauwens een brief geschreven aan premier Michel en alle bevoegde ministers in de federale regering waarin hij mijn lijdensweg en de uitzichtloosheid van mijn situatie had geschetst. Het antwoord van de premier kwam snel: ‘Collega Jan Jambon heeft mij al van zijn voornemen op de hoogte gebracht om uw cliënt spoedig een decoratie toe te kennen, om hem te bedanken voor zijn carrière en voor de offers die hij heeft gebracht om de Belgische burgers te beschermen tegen de terroristische dreiging.’

“De directie van de Speciale Eenheden was not amused – vooral omdat niemand van de directie was uitgenodigd. We gingen die dag met vijf Irissen naar het kabinet, de ploeg die in de Driesstraat als eerste was binnengegaan. Ook Heidi mocht mee binnen. Ieder van ons deed zijn verhaal. Ik zweeg niet over de manier waarop ik achteraf door de directie behandeld was. En aan het einde van het gesprek excuseerde Jambon zich in naam van de federale politie. Ik was blij, maar Heidi vond dat hij wel iets meer had kunnen doen: ‘Wat is er gebeurd met zijn voornemen om je te decoreren?’ Toen twee collega’s daar discreet naar informeerden bij het kabinet, was het antwoord dat ze er toch maar van hadden afgezien: een decoratie zou alleen maar jaloezie opwekken bij de collega’s.

“Niet lang daarna kreeg ik bezoek van collega Monk. Hij was de scherpschutter in Vorst die de dodelijke kogel afvuurde naar Mohamed Belkaïd, de terrorist die me voor het leven had verwond. Monk was een man van weinig woorden. We hadden elkaar nu en dan gesproken, maar het was de eerste keer dat hij me thuis kwam opzoeken. Hij had iets voor me bij: een houten doosje – ik dacht eerst dat het een sigarenkistje was. In het doosje zaten een samoeraimes dat hij zelf had gesmeed, en de huls van de kogel waarmee hij Belkaïd had neergelegd.

“Ik was sprakeloos. We zaten tien minuten zwijgend tegenover elkaar. Ik beet op mijn tong, wilde geen tranen tonen in zijn bijzijn. Maar toen Monk vertrokken was, kon ik niet stoppen met janken. De gedachte dat hij die huls vier jaar bewaard had voor mij, en in stilte aan dat mes en dat kistje had gewerkt... Dat betekende alles voor mij. Mijn collega’s waren me nog niet vergeten. Zij waren nog altijd mijn brothers in arms.”


Lionel D. & Annemie Bulté, ‘Terroristenjager’, Lannoo. Beeld RV
Lionel D. & Annemie Bulté, ‘Terroristenjager’, Lannoo.Beeld RV

© Humo

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234