Zondag 31/05/2020

Zeno

Na de Dyab Abou Jahjah-rel: wanneer wordt geweld nu precies terreur?

Israëlische veiligheidsmensen bij de truck waarmee afgelopen zondag vier soldaten werden doodgereden in Jeruzalem.Beeld AP

De goedkeurende reactie van Abou Jahjah op de vrachtwagenaanslag in Jeruzalem lokte een fel debat uit over terrorisme, waarop Jahjah bedankt werd als De Standaard-columnist. Tijd om het t-woord tot zijn reële proporties terug te brengen, vindt filosoof Lode Lauwaert.

De lichte vrachtwagen die vorige ­zondag vier Israëlische soldaten doodreed op de populaire Armon-Hanatzivpromenade, in Oost-Jeruzalem, bleef de voorbije week ook in onze contreien nazinderen. Minder om de feiten zelf – de laatste jaren vonden in Jeruzalem voortdurend aanslagen plaats – dan wel om het Facebookbericht dat Abou Jahjah daarover de wereld instuurde.

‘By any means necessary’, schreef Jahjah. De Libanese Belg keurde het Palestijns verzet ‘met alle noodzakelijke middelen’ goed. Onder te verstaan: ook een middel als de moordpartij van ­zondag.

De oneliner kwam harder aan dan het onderbouwde tienpuntenbetoog dat Jahjah vervolgens op zijn website postte, maar was voor de collega’s van De Standaard reden om, nadat hij daar drie jaar lang columnist geweest was, de samenwerking te stoppen.

Door zijn verwijzing naar de woorden van de Amerikaanse zwarte activist Malcolm X (die ze op zijn beurt aan de theatertekst Les mains sales van Jean-Paul Sartre ontleende), "plaatst Jahjah zich buiten het publieke debat dat (de krant) op haar eigen platformen wil voeren", aldus De Standaard.

Malcolm X. Beeld Getty Images

Op de sociale media brak prompt een heetgebakerd welles-nietesspel los. Een hele reeks vragen werd de inzet: of de voor de rest onbekende dader, Fadi al-Qanbar, inderdaad namens de terreurgroep Islamitische Staat (IS) had gehandeld, dan wel hooguit een copycat geweest was; of het een blinde terreurdaad was geweest, dan wel een Palestijnse verzetsdaad; of Abou Jahjah terrorisme als drukkingsmiddel had verdedigd en zo ja, of het verdedigen van terrorisme wel binnen de vrije meningsuiting valt.

Agitatie verzekerd. Terwijl Jahjah zelf verwees naar het internationaal recht en naar de Conventies van Genève die de oorlogsvoering regelen, meenden tegenstanders dat hij geen punt had. Zoveel is zeker: met dat internationaal recht, dat met handen en voeten gebonden is aan de goodwill van de betrokken staten, kun je alle kanten op.

Internationaal recht

Het is een ter zake onverdachte bron die het ons enkele jaren geleden in een interview nog zei, de Britse, radicaal pro-Palestijnse filosoof Ted Honderich. Honderich, fel omstreden omdat hij met name de Palestijnse terreur ‘moreel aanvaardbaar’ vindt, stelde het zo: “De benadering die we over het algemeen volgen als we het over terrorisme hebben, is die van het internationaal recht. Dan hebben we het bijvoorbeeld over de (in het begin van de christelijke tijdsrekening ontwikkelde, LD) theorie van de rechtvaardige oorlog, over de VN-verklaring van de rechten van de mens die ook de bevrijdingsstrijd van volkeren legitimeert, de liberale en conservatieve tradities over democratisering enzovoort. Als je al die teksten bij elkaar neemt, of je kijkt naar de doctrine van de mensenrechten, dan zul je vaststellen dat ze elkaar voortdurend tegenspreken, en dus niet adequaat of zelfs fout zijn, in ieder geval geen ­antwoord bieden. In zo’n kader ontbreekt met andere woorden een moreel principe dat duidelijkheid verschaft: welke mensenrechten hebben voorrang op welke andere?”

Zoals het internationaal recht geen sluitende garanties biedt, zo bestaat er nog altijd geen onfeilbare, algemeen aanvaarde definitie van het begrip terrorisme. Politie- en inlichtingendiensten, regeringen, legers, rechtssystemen en de Verenigde Naties: allemaal hanteren ze hun eigen omschrijvingen. De vraag wat terrorisme nu precies is, en wie al dan niet als terrorist geldt, blijft het voorwerp van een door passie, emotie en politieke belangen verdonkerd debat, zie de post van Jahjah.

Rationeel denkkader

Toch, zegt filosoof Lode Lauwaert (Hoger Instituut voor Wijsbegeerte, KU Leuven), moeten we het begrip terrorisme, de wijze vooral waarop dat in politiek, media en academische wereld opduikt, kritisch onderzoeken. “Het gemak waarmee we het woord terrorisme in de mond nemen, wijst op inflatie. Daar zit de internationale actualiteit van de jongste jaren natuurlijk voor veel tussen: we hebben de aanslagen in Parijs en Brussel gehad, die in Thailand en Nigeria. Maar ondertussen werden ook de drone-aanvallen van de VS boven Pakistan als ‘terroristisch’ omschreven, net zoals de Franse en Britse luchtaanvallen op Libië. In Washington noemde uittredend vicepresident Joe Biden Wikileaks-oprichter Julian Assange dan weer een hightech terrorist.

“Terrorisme situeert zich dan ook in een semantisch veld dat alsmaar groter wordt, wat de scherpe afbakening er niet eenvoudiger op maakt. Zo heb je een werkwoord als terroriseren: kinderen terroriseren hun ouders, in Nederland wordt een ziekenfonds geterroriseerd door een stalkende patiënt en ga zo maar door. Maar zelfs al zijn er gelijkenissen, dan nog is terrorisme uiteraard niet gelijk aan terroriseren. Ook is lang niet alle geweld terroristisch, evenmin als geweld en agressie synoniem zouden zijn. Terrorisme is vooral een retorisch beeld geworden dat het wij-zijdenken versterkt.”

Toch heeft Lauwaert, onder wiens redactie momenteel het boek Filosofie van geweld (uitgeverij Polis, met bijdragen van onder anderen Maarten Boudry en Paul Cliteur) tot stand komt, een eigen definitie bedacht. “Er heerst een zekere conceptuele overeenkomst over terrorisme, het is een term die we allemaal gebruiken. Ons, filosofen, komt het echter toe de zaak te expliciteren.”

Doel

Ten eerste, zegt Lauwaert, hebben terroristen een doel. Dat kan politiek of religieus zijn, maar net zo goed persoonlijk of crimineel. “Als het over de Islamitische Staat gaat, valt in één adem door het woord nihilisme. Dat is fout, want het suggereert dat de daders sadisten of psychopaten zouden zijn: personen die geweld zonder doel zouden uitoefenen en er hoogstens wat plezier aan beleven. Neen, het gaat juist om mensen met een rationeel denkkader die heel goed weten waar ze op uit zijn: het vestigen van een islamitisch ­kalifaat.”

Dat langetermijndoel wordt op korte termijn voorafgegaan door een tweede doelstelling: door middel van bloedvergieten of dreigen met geweld angstgevoelens, verschrikking en intimidatie veroorzaken bij de burgerbevolking.

Een derde punt, aldus Lauwaert, is de status van het slachtoffer. “Dat moet onschuldig zijn. Onder te verstaan: het slachtoffer mag, vanuit ons perspectief, niet in rechtstreeks verband staan tot het omver te werpen regime. Toen de extreem-linkse Rode Brigades in 1978 de Italiaanse christendemocratische premier Aldo Moro ombrachten, hadden ze het niet op een onschuldige burger gemunt, maar op een vertegenwoordiger van de staat. Hoewel de Rode Brigades een terreurgroep waren, begingen ze daar geen terreurdaad, wel een politieke moord. Als de man die zondag vier soldaten doodde in Jeruzalem het heel bewust op militairen heeft gemunt, en niet op burgers, dan heeft hij volgens mijn definitie geen terreurdaad begaan.”

Een laatste voorwaarde waaraan een feit moet voldoen om het etiket ‘terroristisch’ opgeplakt te krijgen, is de willekeur. “Nogmaals, terreur drijft op angst. Het latijnse ‘terror’ betekent ‘paniek’. Zonder angst is er geen terreur. Als we op voorhand weten waar en wanneer de dader zal toeslaan, komt niemand op het bewuste uur naar de plaats in kwestie. Een terreurgroep kan dreigementen uiten, als puntje bij paaltje komt gaat ze onaangekondigd te werk. Anders mist ze haar effect.”

“Ik denk niet dat onderhandelingen de Palestijnen dichter bij hun doel zouden hebben gebracht,” zo motiveerde Honderich zijn stellingname in deze krant. Ook voor de vroegere Yale-professor mogen de Palestijnen op any means necessary een beroep doen.

Terrorisme, gaat Lauwaert verder, is moreel verwerpelijk vanwege de onschuld van de slachtoffers. “Maar dan wordt mij heel vaak de vraag gesteld: wil dat ook zeggen dat terrorisme nooit gebruikt kan worden? Is terrorisme in alle omstandigheden verwerpelijk? Toegegeven, het is een erg delicate vraag. Het is alleszins zo dat wij in het gewone leven wél menen dat verwerpelijke dingen soms mogen. Kijk naar een heel andere daad: liegen. Vinden we liegen goed? Neen. Maar als we voelen dat de resultaten van dat liegen positief zijn, dan doen we het toch! Dat is de zogenaamde leugen om bestwil. Als het over liegen gaat, hangt ons oordeel van de gevolgen van de leugen af, veeleer dan van de daad zelf.

We passen dus een ‘gevolgen-ethiek’ toe, de juistheid van een daad meten we af aan de gevolgen ervan.”

Militaire noodzaak

Vandaag ervaren we terrorisme als in essentie slecht. Zelfverklaarde terroristen bestaan allang niet meer. Hoe vreemd dat ook klinkt, bij momenten is het ooit anders geweest, de voorbeelden zijn legio: in The Defense of Terrorism (Terrorism and Communism) hield de Russische revolutionair Leon Trotski een levendig pleidooi voor het gebruik van terrorisme om een nieuwe politieke orde te vestigen. Oók in Rusland, tussen 1880 en 1920, droegen anarchisten in de kringen van Michail Bakoenin trots de titel ‘terrorist’ in het vaandel. Ofschoon zij het in eerste instantie op de tsaar gemunt hadden – en daar dus politieke moordenaars in plaats van terroristen waren – maakten ook zij onschuldige burgerslachtoffers, pakweg door bommen te gooien in theaters en cafés.

Verder terug in de tijd, in het Frankrijk van de prille jaren 1790, stoten we op de Terreur van Maximilien de Robespierre, een schrikbewind dat zichzelf zo noemde met als doel de zuiverst mogelijke staatsvorm te scheppen.

Ook die staat is een probleem. Volgens veel politicologen vergrijpen staten zich niet aan terrorisme en kunnen terroristen nooit staatse actoren zijn. Maar de geschiedenis, meent Lauwaert, bewijst wel het tegendeel. “Zo heeft het naziregime doelbewust terreur ingezet om te vermijden dat het omvergeworpen zou worden. Toen de geallieerden op het einde van de Tweede Wereldoorlog Dresden met brandbommen bestookten, begingen ze terreur. Idem dito met de VS in Hiroshima en Nagasaki. De VS zijn natuurlijk geen terreurorganisatie, maar sommige door de VS gestelde daden komen wel neer op terreur.”

De aanslag op de kerstmarkt in Berlijn beantwoordt aan alle criteria van een terreurdaad.Beeld Bas Bogaerts

Staten zijn echter niet van gisteren. In het internationaal recht beschikken ze over een arsenaal aan begrippen die hen indekken. Zo wordt in het kader van de theorie van de rechtvaardige oorlog niet zelden de militaire noodzaak ingeroepen, of nog, het zogenoemde proportionaliteitsbeginsel, dat stelt dat, zelfs wanneer een geplande aanval gericht is tegen een legitiem militair doelwit, het verboden is om effectief tot de aanval over te gaan indien het verwachte risico op burgerslachtoffers en/of schade aan burgerlijke goederen buiten verhouding staat tot het verwachte tastbare en rechtstreekse militaire voordeel dat de aanval zal opleveren.

Afwezig in het oorlogsrecht maar heel gangbaar in de praktijk, blijft het eufemisme ‘nevenschade’ – collateral damage. Er vallen onschuldige slachtoffers, ja, maar ze vormen geen doel op zich en komen daarom niet als terreurslachtoffers in aanmerking. Een logica die Palestijnse activisten worst zal wezen: voor hen, en heel wat burgers in de bezette gebieden en Gaza, is het Israëlische beleid je reinste terrorisme.

Om maar te zeggen: wat we al dan niet als terreur beschouwen, hangt in ruime mate af van wie we zijn, wat onze levenservaring is, waar we staan op het politieke en ideologische schaakbord en wat we op dat vlak nastreven. Hoe heiliger het doel in onze ogen is, hoe minder we geneigd zijn om de gebruikte middelen af te keuren, ook als daarbij geweld komt kijken.

Om een recent voorbeeld te geven uit Latijns-Amerika: in Brazilië werd vorig jaar de linkse president Dilma Rousseff uit haar ambt ontzet. Rousseff heeft het nooit onder stoelen of banken gestoken, maar in haar jeugd maakte ze deel uit van VAR-Palmares, een marxistisch-leninistische guerrilla die de omverwerping van de militaire dictatuur voor ogen stond. Rousseff heeft persoonlijk geen bloed aan de handen, maar zeulde wel met wapens en munitie. In de aanloop naar haar verkiezing in 2010 belichaamde Rousseff het heroïsche verzet tegen de reactionaire krachten. Zes jaar later, nu de cursor weer op rechts staat, heet ze in de ogen van menig boze Braziliaan plotsklaps een terroriste.

Wat te denken ook van de steun die de Belgisch-Nederlandse anti-apartheidsactiviste Hélène Passtoors hier destijds genoot, terwijl ze wel in een Zuid-Afrikaanse cel zat wegens terrorisme? In 2013 gaf Passtoors het zelf in De Morgen toe: ze was mee verantwoordelijk voor de dodelijkste aanslag uit de geschiedenis van het ANC, de partij van wijlen Nelson Mandela. Bij de (slecht voorbereide en daarom te bloedige) terreurdaad, in 1983 in Pretoria, vielen 19 doden en 200 gewonden, onder wie onschuldige burgers.

Nog in ons land schurkten met name linkse Vlaams-nationalisten lange tijd aan bij de invloedssfeer van het Iers Republikeins Leger of de Baskische ‘afscheidingsbeweging’ ETA. Geweld heette vaak legitiem, want noodzakelijk om het doel te bereiken: het verdrijven van de respectievelijk Britse en Spaanse bezettingsmacht.

En ja, ook het communistische verzet tijdens WO II zette terreur als strijdmiddel in. “De vraag omtrent de legitimiteit van terreur binnen het verzet is niet nieuw, ze werd dertig jaar geleden al gesteld”, licht Chantal Kesteloot toe, onderzoekster publieksgeschiedenis aan het CegeSoma/ Rijksarchief. “Zeer vermoedelijk heeft het verzet zelf de term ‘terreur’ gebruikt om zijn acties te omschrijven en moorden te plegen op Duitse soldaten en Belgische collaborateurs. Uiteraard beschouwden ook de Duitsers die daden als terrorisme. Het verzet sprak van ­terreur om net aan te geven dat de bezetter zich nergens nog veilig kon voelen. Mensen die niet meteen het doelwit waren van het verzet, zijn daar eveneens bij omgekomen.”

Zelfgeschapen psychose

Een rekkelijk begrip dus, terrorisme, waarop de politieke waan van de dag fors doorweegt. De door George W. Bush verklaarde War on Terror is zo totaal en veelomvattend gebleken dat een hele rist individuen en groepen die voorheen volstonden met het stempel ‘radicaal’ of ‘gewelddadig’ plots op terreurlijsten kwamen te staan. Na 9/11 werd het terrorisme ‘s werelds vijand nummer één.

Onterecht, oppert ook de Franse geopolitiek denker Gérard Chaliand, auteur van het recente boek Histoire du terrorisme. De l’Antiquité à Daech. “Het effect van het terrorisme wordt fel overschat,” zegt Chaliand in Le Point. “Kijk naar 2001: Osama bin Laden had de apocalyps van het Westen voorspeld. Oké, in 2004 werd Spanje aangevallen, in 2005 was Londen aan de beurt, in Frankrijk is dan weer niets gebeurd tussen 1996 en 2011. In 2015 betreurden we de tragedies in Parijs, Charlie Hebdo en 13 november. Vervolgens kwam Brussel, op 22 maart 2016. En toch. Sinds 2001 heeft het Westen statistisch gezien twee procent van alle aanslagen wereldwijd te verduren gekregen. Vandaar dat ik van een overschatting spreek. Hoewel het terrorisme meer doden heeft gemaakt in Azië en Afrika, zijn dat er nog altijd veel minder dan bijvoorbeeld de drugsdoden. Terrorisme is dan ook een beperkt fenomeen. Het wordt erg uitvergroot door de sociale media en door de propaganda van de jihadisten, kinderen van Hollywood die ons perfect kennen.”

Door zo gedwee op die propaganda in te gaan, geven we de angst veel te veel ruimte en spreidt de samenleving volop het bedje voor de zelfgeschapen psychose.

“Maar dat is dan ook het enige doel dat de terroristen bereiken”, besluit Lode Lauwaert. “Al het andere lukt ze niet.”

Lode Lauwaert (e.a.), Filosofie van geweld, Polis, 22,50 euro. Binnenkort in de winkel

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234