Zaterdag 16/01/2021

My generation

De Sex Pistols klinken meteen weer bekend, vertrouwd, vermakelijk en daardoor zelfs geruststellend

Schrijven over popmuziek, het blijft moeilijk. Tenzij misschien als het voor generatiegenoten is; liefst groeiden ze dan nog op in hetzelfde milieu en maakten ze ook dezelfde ontwikkeling op muzikaal gebied mee.

In Walhalla (Rainbow, 2001) bundelde Joost Zwagerman (°1963) essays over wat hem boeit: literatuur, beeldende kunst en popmuziek. Over de vermenging van "hoge" en "lage" cultuur, schrijft hij in een inleiding, of over, zoals op de achterflap staat, "zowel Schopenhauer als All you need is love" (een liedje van The Beatles, dacht ik, maar het gaat over een televisieprogramma, zo zie je maar weer).

"Om mijn geheugen te staven en weemoed te voeden draai ik nog weleens een plaat van de Sex Pistols. En iedere keer ben ik weer gerustgesteld: het klinkt nog net zo afgrijselijk als de eerste keer dat ik 'God Save the Queen' op de radio hoorde." Zo begint hij het essay 'Anti alles. Hoe dada waren de Sex Pistols'.

Vreemd, nauwelijks ouder dan Joost Zwagerman, heb ik een compleet tegenovergesteld gevoel als ik de Sex Pistols nog eens hoor: ze klinken meteen weer bekend, vertrouwd, vermakelijk en daardoor zelfs geruststellend. Volledig anders dan toen ik ze voor het eerst hoorde, ergens in 1977: Never Mind the Bollocks.

Over 'Anarchy in the UK' schreef de ook door Zwagerman aangehaalde criticus Greil Marcus in zijn boek Lipstick Traces (1989): "Het is een grap... en toch blijft de stem die hem vertelt iets geheel nieuws in de rockmuziek, met andere woorden iets nieuws in de naoorlogse populaire cultuur: een stem die alle maatschappelijke feiten ontkende en met die ontkenning bevestigde dat alles mogelijk was" (geciteerd in De duivel in vermomming, Nijgh & Van Ditmar, 1994).

Joost Zwagerman - die eerder en elders stelde dat hij eigenlijk te jong was voor de punk - merkt op dat de intellectuele elite jarenlang een weerzin tegenover de punkers onderhield. Zowat tien jaar na de punkgolf veranderde dat; plotseling werd door sociologen, journalisten en cultuurfilosofen "vooral aan de korte, maar hevige loopbaan van de Sex Pistols plotseling een culturele relevantie toegeschreven die de vier non-muzikanten en hun lepe manager Malcolm McLaren indertijd moeilijk kunnen hebben vermoed". Verantwoordelijk daarvoor was Greil Marcus met Lipstick Traces. A Secret History of the Twentieth Century, waarin hij wees op verbanden tussen het geschreeuw van Johnny Rotten en andere uitingen van protest of reactie in de geschiedenis, gaande van de studentenrevolte in 1968 tot de middeleeuwse ketters, met bijzondere aandacht voor de dada-beweging. Zwagerman: "Greil Marcus, in de rol van de Paul Rodenko van de punk, maakte in één klap ieder dédain over de Sex Pistols en aanverwante bands onmogelijk."

Zwagerman zelf, die iets te nadrukkelijk de seismograaf van een tijdperk probeert te zijn, duidt de punk vanuit de makke jaren zeventig, met een nostalgische namedropping die wel meer voorkomt als dertigers over de muziek van hun jeugd schrijven: "Je was jong en er gebeurde niets. (...) Op de radio draaiden dj's de hits van KC and the Sunshineband, Abba en Pussycat, of anders klonk er wel deprimerende symfonische rock van mannen met baarden die allemaal leken op je leraar maatschappijleer, (...) Het matte, mainstream-klimaat van de toenmalige pop- en jongerencultuur blijkt misschien het beste uit het feit dat Queen doorging voor een zéér decadente band."

En toen kwam de punk, stelt Zwagerman: "Er viel immers niks te lachen. Alleen hippies lachten. (Oh boy, die verzaligde, oerlome, gék makende cannabislach van de hippies!)". Verder poneert hij dat "de ongerichte woede" van de punkers in Nederland "haar kookpunt" bereikte in 1980 met de krakersbeweging. Dat is, met alle respect, een nogal gratuite en grove veralgemening. Met hetzelfde gemak kun je stellen dat de grunge-beweging van enkele jaren geleden automatisch leidde tot de antiglobaliseringsbeweging die nu zoveel van zich laat horen, dezer dagen bijvoorbeeld in Canada. Natuurlijk was de punk een reactie op de heersende muziekstromingen, maar is (niet-commerciële) popmuziek niet altijd een protest geweest?

Thomas Verbogt (°1952, van een eerdere generatie dus) maakt dat onbedoeld duidelijk in My Generation, waarin hij anekdotisch en vaak nostalgisch schrijft over zijn levenslange passie voor popmuziek. Hij heeft het zowel over The Beatles en The Stones als over Golden Earring en Hank the Knife & The Jets (die van 'Stan the Gunman', - dit voor mijn generatie).

Voor Verbogt zelf begon het met plaatjes draaien in de jaren zestig - "minstens duizend keer het intro van 'Paint it Black'" - toen hij "voor het eerst het gevoel kreeg dat die muziek mij toebehoort en dat ik er daarom iets over kan zeggen". Mooi beschrijft hij zijn eerste beluistering van Blonde on Blonde van Bob Dylan, althans voor mij, want vaak ligt de kracht van dat soort verhalen in de klankkleur die bij het noemen van nummers of namen hoort: "The Doors, natuurlijk The Doors". In de jaren zeventig woonde Verbogt een concert van de Stones bij, dat voor hem vergald werd door enkele Hells Angels. Hij schrijft over die pre-punktijd - volgens Zwagerman die van de verzaligde hippielach - "de jaren waarin dit soort evenementen geen feest konden worden".

Het verlangen naar een andere wereld is blijkbaar eigen aan popmuziekfans. Over Dylans keuze voor rockmuziek schrijft Verbogt, bijvoorbeeld: "de muziek werd een uiting en een instrument van een beweging die geen genoegen meer nam met de wereld zoals die was." Nog merkwaardiger vond ik dat hij als twintiger, samen met zijn medestudenten in Nijmegen, hield van Toppop en de toen heersende glitterrock: "De jaren zestig waren voorbij. Daar moest de bezem door. Wat er aan muzikaal amusement kwam, begon vals te glimmen. Verbluffende aanstellerij waar we geen genoeg van konden krijgen. Mud, Slade, The Rubettes, Gary Glitter, The New York Dolls. Mud was ook heel erg in orde, maar haalde het toch niet bij The Sweet. (...) Graag had ik mijn gezicht met oorlogskleuren beschilderd, maar ik durfde niet. The Sweet deed dat voor mij. Hun motto was: Us against the world!"

Zo heb ik het niet ervaren, maar ik herken evenmin het protest dat volgens sommigen in de kreet van Little Richard stak: A wop bob a loo bop, a lop bam boom. Het citaat (volgens mij overigens niet correct weergegeven) heb ik van Greil Marcus, die ook vermeldde dat Little Richard in de tijd van de Sex Pistols als evangelist de rockmuziek als duivels afschilderde.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234