Maandag 16/12/2019

Muzikale understatements

Elliott Smith in het voetspoor van The Beatles

Elliott Smith

Figure 8, Dreamworks.

Beulah

When Your Heartstrings Break, Cycle.

Paul Weller

Heliocentric, Island.

Bill Frisell

Ghost Town, Elektra Nonesuch.

Wie ooit platen als Either/Or of XO heeft gehoord, hoeven we er niet meer van te overtuigen: Elliott Smith is een bijzondere songschrijver die zijn ambacht tot in de puntjes beheerst en weemoedige, introspectieve teksten combineert met een trefzeker gevoel voor melodie. Smith, een verlegen jongen die tot de obscuriteit veroordeeld leek, maardankzij een Oscar-nominatie voor zijn muzikale aandeel in Gus Van Sants film Good Will Hunting plots in het volle licht kwam te staan, is geen man van het grote gebaar. Zijn liedjes over verlies en verlangen zijn muzikale understatements, waarin vooral de details belangrijk zijn. Zijn eerste drie no budget-platen klonken uit noodzaak simpel en lo-fi, maar sinds Elliott Smith onderdak vond bij een grote platenmaatschappij experimenteert hij met een rijker palet van klankkleuren en ietwat gedurfdere arrangementen.

Smith is een fervente Beatles-fan, die onlangs voor de soundtrack van American Beauty nog 'Because' coverde. Geen wonder dus dat Figure 8 gedeeltelijk werd opgenomen in de Londense Abbey Road-studio's en dat hij op 'Everything Means Nothing to Me' de piano bespeelt die Paul McCartney destijds gebruikte op 'Penny Lane'. Elliott Smith is, in tegenstelling tot Noel Gallagher, echter geen imitator. Hij weet zijn invloeden op een creatieve manier te verwerken en er iets eigens uit te puren. Een andere pijler voor zijn werk is de sprankelende Westcoastpop van The Beach Boys (denk aan de door Van Dyke Parks beïnvloede Smile-periode). Maar hoewel 'Son of Sam' en 'Junk Bond Trader' wat gespierder uit de hoek komen en in 'Easy Way Out' een elegische cello opduikt, is Elliott Smith bovenal zichzelf gebleven. Luister maar naar breekbare akoestische miniatuurtjes zoals 'Somebody That I Used to Know' of 'Can't Make a Sound'. Figure 8 is, net zoals zijn vier voorgangers, een werkstuk dat best een lang leven beschoren is. Alleen hebben de songs, zestien in totaal, dit keer gewoon iets meer tijd nodig om zich in je geheugen te nestelen.

Als de muziek van Elliott Smith u bevalt, is de kans groot dat er vroeg of laat ook iets van Beulah in uw platenrek terechtkomt. Dit vijftal uit San Francisco put namelijk uit dezelfde bronnen, springt al net zo creatief om met de erfenis van The Beach Boys en The Fab Four en weet met primitieve middelen (in dit geval een viersporenbandopnemer) opzienbarende resultaten te bereiken. Op When Your Heartstrings Break, de tweede cd van de groep, hoor je vooral charmante, zonovergoten en transparant gearrangeerde pop, waarin veel plaats is voor strijkers en blazers. Als de songs van Miles Kurosky niet gereflecteerd worden door een achteruitkijkspiegel, vertonen ze verwantschappen met die van retro-activisten als Pavement, The Flaming Lips en Olivia Tremor Control. Een onweerstaanbaar zomerse plaat dus, die de temperatuur in uw huiskamer vanzelf doet stijgen.

Al even retro, maar dan op een heel andere manier, is Heliocentric, de vijfde solo-cd van Paul Weller. Het is een organische rockplaat, waarop de Dadrocker voortbouwt op een traditie die tijdens de sixties en seventies in het leven werd geroepen door Traffic en The Small Faces. Toch grijpt hij occasioneel ook terug op de folkrockaanpak van Wildwood en laat hij zijn songs orkestreren door Robert Kirby, een man die ooit als arrangeur zijn sporen verdiende op de eerste twee platen van Nick Drake. Na het even scherpe als agressieve Heavy Soul, dat gekleurd was door relationele problemen, wou Weller dit keer absoluut een bemoedigender langspeler maken. Daar slaagt hij slechts ten dele in. Want ondanks het psychedelische 'There's No Drinking after You're Dead', het ter nagedachtenis van Ronnie Lane geschreven 'He's the Keeper' en het aan zijn dochtertje opgedragen 'Sweet Pea, My Sweet Pea', worden zijn songs ook nu weer regelmatig overspoeld door golven woede en melancholie. Bovendien manifesteert de Modfather zich op Heliocentric nadrukkelijk als een traditionalist die steeds binnen dezelfde lijntjes kleurt en melodieën aflevert die hij als het ware in zijn slaap had kunnen verzinnen. De zanger preekt hier voor eigen parochie en doet dat uiteraard met een zekere welsprekendheid, maar veel nieuwe volgelingen zal hij met deze plaat niet naar zijn kerk lokken. Dit is Weller-by-numbers: mooie verpakking, (iets te) weinig substantie.

De Amerikaanse gitarist Bill Frisell is iemand die zich niet laat inkapselen door genres, maar zich al meer dan twintig jaar vrijelijk tussen het jazz- en rockmilieu beweegt. Je vindt zijn herkenbare snarenspel terug op platen van zowel Don Byron, Paul Motian en John Zorn als van Elvis Costello, Marianne Faithfull, Gavin Friday en David Sylvian. Bovendien is hij een folk- en bluesliefhebber, die zich almaar vaker verdiept in uiteenlopende muzikale tradities. Maar Frisell is niet alleen een begenadigd begeleider; hij houdt er ook een florissante carrière als bandleider op na en met Ghost Town heeft hij nu voor het eerst een solo-cd opgenomen. Daarop speelt hij elektrische en akoestische gitaren, bas en een zessnarige banjo en is hij occasioneel in de weer met loops en andere snufjes. Behalve eigen composities, die niet zelden filmisch aandoen, interpreteert hij op zijn eigen onnavolgbare manier muziek van John McLaughlin en standards van Hank Williams, Gershwin en Doris Day.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234