Maandag 30/03/2020

Museumpje doen vanuit je luie zetel

ERFGOED IN EVOLUTIE. Steeds meer musea kiezen ervoor om hun collecties ook digitaal te ontsluiten. Sommige gaan daarvoor in zee met het Google Cultural Institute, dat zijn technologische expertise ter beschikking wil stellen van de cultuursector.

Er zijn al pagina's volgeschreven over de impact die de digitale revolutie heeft op de filmwereld, de muziekindustrie en de mediasector: aanpassen of verzuipen, lijkt het credo daar te zijn. Op de museumsector lijkt de digitalisering minder vat te hebben. Integendeel: een expositie die géén bezoekersrecords breekt, lijkt de laatste jaren eerder uitzondering dan regel te zijn.

Als musea al problemen hebben, is het eerder met een te grote vraag voor een te klein aanbod: bij het Rijksmuseum in Amsterdam lopen tegenwoordig zelfs klachten binnen over de drukte bij de razend populaire Rembrandt-tentoonstelling. Hebben musea dan eenvoudigweg geen last van digitale concurrentie, of weten ze gewoon heel goed hoe ze er hun voordeel mee kunnen doen?

Internetangst

Internetgigant Google denkt alleszins dat het antwoord bij de laatste optie aanleunt. Het Google Cultural Institute, een initiatief dat dateert uit 2011, wil met zijn Art Project musea de optie bieden om hun collectie ook online te presenteren. "Een nieuwe kunst- en cultuurbeleving", dat is wat ze bij Google voor ogen hebben.

Vorige week stelde het Google Cultural Institute zijn project voor in Bozar in Brussel. De ambitie? Ook in ons land een online platform van museumcollecties uitbouwen, om de 'echte' cultuurbeleving ook van een virtueel verlengstuk te voorzien. "Het draait om een uitwisseling van expertise", vertelt Pierre Caessa van GCI. "De musea beschikken over een gigantische hoeveelheid aan cultureel materiaal, en wij hebben de technologie om die online, voor een breed publiek, toegankelijk te maken."

De essentie is eenvoudig: een culturele instelling gaat een partnerschap aan met Google, dat hen de nodige tools bezorgt om hun collectie op verschillende manieren online te publiceren, zowel op de website van het Google Cultural Institute als op de website van de instelling zelf.

Inmiddels telt het Cultural Institute al meer dan 800 partners wereldwijd, waarvan negen in België. Onder meer het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten van Brussel, het In Flanders Fields Museum en het Huis van Alijn in Gent gingen al met Google in zee. In het buitenland hebben instellingen als het Metropolitan Museum of Art (New York) en het Musée d'Orsay (Parijs) hun collectie al op de website van het Art Project geplaatst. Alles tezamen staan er al meer dan 800 miljoen stuks online.

Collecties zichtbaar maken op het wereldwijde web, het is op zich geen nieuw gegeven. De Vlaamse Kunstcollectie, een samenwerking tussen het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten (Antwerpen), het Groeningemuseum (Brugge) en het Museum voor Schone Kunsten (Gent) doet dat al een tiental jaar. "Internet is de meest toegankelijke manier om het brede publiek kennis te laten maken met onze collecties", legt Pascal Ennaert van de Vlaamse Kunstcollectie uit. Van een 'internetangst' - dat mensen niet meer naar de musea zelf zouden komen omdat ze de hele verzameling aan kunstwerken toch al online kunnen bekijken - wil Ennaert niet spreken.

"Mensen worden getriggerd door iets wat ze online leren kennen, maar meer dan ooit willen ze dan ook de echte ervaring. Kijk naar de Rembrandt-tentoonstelling in het Rijksmuseum in Amsterdam: die volledige expo stond online, maar de bezoekersaantallen braken records."

De vrees dat het internet een bedreiging vormt voor het museumbezoek is al lang achterhaald, vindt ook Timothy Naessens van Lukas, een initiatief van de Vlaamse overheid dat de collecties van zo'n 60 musea in één centrale beeldbank beheert, ook online. "Online aanwezigheid zorgt net voor meer betrokkenheid, zeker bij de jongere generatie. En het draagvlak voor bezoekers wordt dan ook kleiner wanneer die online aanwezigheid afneemt."

Maar niet alle angst voor de digitale wereld is weggenomen, geeft Naessens toe. Zeker niet nu Google zich met de zaak komt bemoeien. "Er is nog veel wantrouwen bij culturele instellingen: ze zijn vooral bang dat ze de rechten op de beelden zullen verliezen wanneer ze door Google online geplaatst worden." Dat is niet zo, benadrukt Pierre Caessa. "De legale kant van de samenwerking blijft volledig in handen van de musea. Zij bepalen wat ze online zetten, zij behouden de rechten en zij kiezen wanneer ze die weer offline halen."

Gigapixel

Maar de realiteit is net iets ingewikkelder dan dat. Het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten van Brussel (KMSK) was het eerste museum dat met Google samenwerkte, maar heeft voorlopig slechts tien werken online geplaatst: niet toevallig tien werken die tot het publiek domein behoren, om rechtenkwesties te vermijden. En het gaat nog verder. "De werken die Google zelf in hoge resolutie inscant voor hun project, zijn wél hun eigendom", zegt Naessens.

En die scans in hoge resolutie vormen net een van de paradepaardjes van het Google Cultural Institute. Bij de voorstelling van het project in Bozar trekken de Gigapixel-beelden de meeste aandacht. Met die technologie is het mogelijk om gigantische uitvergrotingen te maken zonder dat de scherpte van het beeld verloren gaat.

De kleinste details van Pieter Brueghels De oogst (1565), een doek van 119 op 162 cm, kunnen worden uitvergroot tot op een high-definitionscherm dat tot twaalf keer groter is. En het plafond dat Marc Chagall ontwierp voor de Nationale Opera van Parijs (1964) hangt normaal 18 meter boven de hoofden van de bezoekers, maar met Gigapixel kunnen ze de kleinste versieringen van het kunstwerk in een haarfijne close-up bekijken.

Leuke gimmick?

Het is niet toevallig met toepassingen als Gigapixel dat het Google Cultural Institute zich wil onderscheiden van musea die hun collectie op hun eigen website online zetten: de resolutie van de beelden is niet te vergelijken. (Dat komt deels doordat de auteursrechten voor sommige werken niet bij de musea, maar bij de collectieve beheersvennootschappen liggen, die instaan voor de rechten van de erven. Daardoor kunnen musea van sommige werken enkel beelden in lage resolutie op het web plaatsen.) Daarbij komt nog dat de technologische expertise van Google - inmiddels werken er zo'n 25 programmeurs voltijds voor het GCI - voor andere leuke toevoegingen zorgt.

Zo is StreetView ondertussen ook beschikbaar voor sommige kunsthuizen: met een speciale trolley, uitgerust met tientallen camera's, wordt een gebouw van binnenuit in beeld gebracht. Bezoekers kunnen dan virtueel door een museum lopen, de collectie bekijken en meer informatie vragen over bepaalde werken. Onder andere het Stripmuseum in Brussel maakt er al gebruik van, wegens de mogelijkheid om buitenlandse bezoekers snel vertrouwd te maken met wat het doet en presenteert. Al klinkt er ook scepsis vanuit de Vlaamse Kunstcollectie. "Het is een leuke gimmick, maar het voegt weinig toe aan een eenvoudige online collectie. Bovendien wijzigt de opstelling van musea voortdurend, dus ik zie niet in hoe ze die online toer actueel kunnen houden."

Toch is vooral die StreetView-technologie een van de redenen waarom ook Bozar nu in zee wil gaan met het Google Cultural Institute. "We willen het mogelijk maken om bepaalde ruimtes te bezoeken met Indoor StreetView." Want het Paleis voor Schone Kunsten, waarin Bozar gevestigd is, is zélf een architecturaal kunstwerkje, van de hand van Victor Horta. "Door met Google samen te werken kunnen we een expo met de architecturale hoogtepunten van het gebouw op een andere manier toegankelijk maken voor een breed publiek", legt Leen Daems van Bozar uit. Een virtuele expo met archiefstukken behoort ook tot de mogelijkheden.

Verhoogde zichtbaarheid

Het is dan ook geen toeval dat Google vorig jaar bij Bozar kwam aankloppen en net daar zijn project voorstelt. Op de digitalisering van de museumsector zet Bozar, dat niet over een permanente collectie beschikt, zwaar in. De Michaël Borremans-tentoonstelling trok vorig jaar maar liefst 130.000 bezoekers, onder andere omdat Bozar en Borremans de bezoekers aanmoedigden om foto's te trekken en die te delen op sociale media. En in 2012 lanceerde Bozar een speciale app naar aanleiding van de Permeke-expo die toen plaatsvond.

De vraag blijft natuurlijk hoe de verhouding ligt tussen online museumbezoekers en kunstliefhebbers die toch liever voor de echte ervaring gaan. Hoeveel museumliefhebbers bekijken de collectie eerst online, of worden tot een fysiek bezoek verleid door de digitale aanwezigheid? Google kan daarover geen cijfers vrijgeven - "elk museum waarmee we samenwerken, beschikt zelf over die data" - en tenzij je een enquêteur bij de ingang van het museumgebouw zet, kun je de relatie tussen het ene en het andere moeilijk definiëren. Maar het is wel opvallend dat de bezoekers van de Google Cultural Institute-website daar gemiddeld zeven minuten lang op blijven - een eeuwigheid in de vluchtige wereld van het internet - en dat een kwart van de bezoekers zelfs langer dan twintig minuten op de pagina blijft rondhangen.

Het lijkt een paradox, maar de steeds snellere digitale wereld en de trage, contemplatieve cultuurbeleving lijken elkaar gevonden te hebben in het online museum. De cijfers voor het bezoek van zijn (nochtans beperkte) online collectie zijn verrassend hoog, klinkt het bij het KMSK Brussel, en het verhoogt de zichtbaarheid van de collectie aanzienlijk. Wat meteen de aanleiding geeft tot de volgende stappen: voor de expo 2050: A Brief History of the Future, die in september opent, wil het KMSK ook een app lanceren. En ook de immersieve BrueghelBox, waarbij je door middel van 3D-technologie in een schilderij van de meester zou kunnen stappen, moet binnenkort in het Brusselse museum staan. De kunstwereld kan er alleen maar bij varen, vindt Google. "Hoe opener je bent op het internet, hoe meer aantrekkingskracht je uitstraalt."

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234