Zondag 31/05/2020

Museum voor Schone Kunsten in Gent dreigt een absoluut topwerk kwijt te spelen

Touwtrekken om een Kokoschka

Robert Hoozee, directeur van het Gentse Museum voor Schone Kunsten, verslikte zich in zijn koffie toen hij op 12 januari de e-mail van een Duits advocatenkantoor dubbelklikte. Of zijn museum het portret van Ludwig Adler, een werk uit 1914 van de Oostenrijkse expressionist Oskar Kokoschka, alsjeblief zou willen terugbezorgen aan de rechtmatige eigenaars, de erfgenamen van een Joods-Duitse bankier. Hij moest het werk in de nazi-jaren onder dwang verkopen, beweren ze. Door Eric Bracke

'Aangekocht met de steun van de Vrienden van het Museum, de Nationale Loterij en de Vlaamse Gemeenschap - 1988", staat er onder het tekstplaatje bij het portret van de Weense gynaecoloog Ludwig Adler. Het werk werd door de Oostenrijkse expressionist Oskar Kokoschka in 1914 geschilderd, en is zonder twijfel een van de pronkstukken van het Museum voor Schone Kunsten in Gent.

Directeur Robert Hoozee is dan ook duidelijk aangeslagen, want mogelijks is hij straks een van zijn paradepaardjes kwijt. "De Kokoschka was in 1988 mijn eerste internationale aankoop (het werk kostte 18 miljoen frank of 450.000 euro, EB). Het doek is heel belangrijk voor onze collectie, want het is altijd mijn bedoeling geweest om het Vlaamse expressionisme in een internationale context te plaatsen. Het is ook niet bepaald een obscuur werkje dat men nu plotseling op het spoor is gekomen. Nee, het staat bij de specialisten al lang bekend als een belangrijke Kokoschka."

Op het moment van de aankoop in 1988 was Hoozee zich naar eigen zeggen van geen kwaad bewust. "We kochten het stuk bij de gerenommeerde galerie Marlborough Fine Art in Londen, en uiteraard bestond er een keurig dossier van de pedigree. Het portret is namelijk vaak van eigenaar gewisseld. Dat het omstreeks 1938 in het bezit kwam van Herbert Kurtz vonden we toen niet verdacht. Je mag ook niet vergeten dat de kwestie van de gedwongen verkoop van kunst uit Joodse collecties tijdens de nazitijd pas in de jaren negentig onder de aandacht kwam."

Wiegendrukken en porselein

Alvorens het portret in handen kwam van de Duitse verzamelaar Herbert E. Kurtz behoorde het toe aan de Joodse bankier Victor von Klemperer. Wellicht leerde Von Klemperer de kunstenaar Kokoschka kennen toen die tijdens het interbellum een aantal jaren docent was aan de kunstacademie van Dresden. Von Klemperer zelf was directeur van de Dresdner Bank AG, tot hij in 1934 gedwongen met pensioen werd gestuurd. In 1938 ontvluchtte hij nazi-Duitsland en emigreerde hij met zijn vrouw naar Zuid-Afrika.

De zeven kleinkinderen van Von Klemperer wonen in Zwitserland, Groot-Brittannië, Australië en de Verenigde Staten. Een van hen, die naar zijn grootvader is genoemd, heeft nu een advocatenbureau uit Dresden in de arm genomen om het schilderij van Kokoschka uit de Gentse verzameling terug te eisen. Von Klemperer vermoedt namelijk dat zijn grootvader, zoals vele Joden in die tijd, de twee of drie schilderijen die hij van Kokoschka bezat, moest verkopen om aan het nazibewind te ontsnappen.

"Victor von Klemperer verzamelde vooral kostbare boeken, waaronder heel wat incunabulen of wiegendrukken van voor 1501, en Meissnerporselein", zegt Sabine Rudolph van het bewuste advocatenkantoor Cramer von Clausbruch Steinmeier & Cramer Rechtsanwaltskanzlei (CSC) via de telefoon. Zij heeft zich gespecialiseerd in de kwestie van de restitutie van kunstwerken uit Joodse verzamelingen, een onderwerp waarover ze ook een boek schreef. Rudolph treedt overigens ook op voor de erfgenaam van de ook uit Dresden afkomstige Joodse verzamelaar Fritz Glaser, voor wie ze de teruggave eist van een portret van Max John. Dat portret van Kokoschka's tijdgenoot Otto Dix is momenteel een topstuk in de collectie van het Freiburger Museums für Neue Kunst.

Bommen op Dresden

"De collecties van Von Klemperer werden in december 1938 in Dresden in beslag genomen door de Gestapo. Victor von Klemperer en zijn vrouw durfden toen niet meer terug naar hun villa in Dresden. Ze waren eerder dat jaar met nauwelijks enige bagage naar Zuid-Afrika gereisd, waar de broer van Victor op dat moment verbleef. Ze wilden zich er eerst van vergewissen of ze in Zuid-Afrika zouden kunnen aarden. Maar toen ze terugkeerden om hun bezittingen in Dresden op te halen, vonden ze het niet meer veilig in Duitsland en gingen ze dan maar naar Zwitserland."

De door de Gestapo geconfisqueerde bezittingen van Von Klemperer kwamen aanvankelijk in musea in Dresden terecht en werden later naar veiliger plaatsen in de omgeving gebracht. Daar werden de collecties door oprukkende Sovjettroepen gevonden en als oorlogsbuit meegenomen, al heeft een deel van het porselein het beruchte bombardement op Dresden van 13 februari 1945 wellicht niet overleefd. Rusland gaf delen van de collecties in het begin van de jaren negentig terug aan de erfgenamen van Victor von Klemperer. Maar de kostbare incunabelcollectie, vroege boekwerken die nog met losse letters werden gedrukt, is nog niet terecht.

Volgens Sabine Rudolph maakte de Gestapo in december 1938 een gedetailleerde lijst op van de in de villa van Von Klemperer in beslag genomen stukken. Opvallend is dat het Portret van Ludwig Adler van Kokoschka niet op de lijst voorkomt. "We vermoeden dat het schilderij op dat moment al verkocht was", zegt Rudolph. "In 1937 maakte het deel uit van een expositie in een museum in Wenen (Österreichisches Museum für Kunst und Industrie, EB). Toen de expositie in de herfst afgelopen was, werd het schilderij terug naar Dresden gebracht. Dat blijkt uit brieven in het archief van het museum. Vermoedelijk is het in de daaropvolgende maanden, en nog voor het echtpaar in de zomer van 1938 naar Zuid-Afrika reisde, verkocht aan Herbert Kurtz. Dat Victor von Klemperer van zins was het werk te verkopen, blijkt ook uit een brief die we in het museumarchief in Wenen hebben aangetroffen. Daarin vraagt Von Klemperer aan de museumdirecteur om hem te informeren over mogelijke geïnteresseerde kopers."

De koper, Herbert E. Kurtz, had een vlaggenfabriek in Chemnitz, een stad op 60 kilometer van Dresden. "Hij verzamelde vooral moderne schilderkunst en bezat verschillende werken van de Noorse kunstenaar Edvard Munch", zegt Rudolph. "We weten dat hij ook werk kocht van Joodse verzamelaars die zich gedwongen zagen hun collectie van de hand te doen. De zoon van Kurtz leeft nog, maar het enige wat hij zegt is dat zijn vader, die in de jaren veertig naar het Westen verhuisde, geen nazi was."

Geldzorgen

Dat Kurtz mogelijk geen nazi was, betekent volgens advocate Rudolph nog niet dat er geen sprake was van een gedwongen verkoop van het schilderij van Kokoschka. Von Klemperer had geld nodig om een uitreisvisum te bekomen en te kunnen emigreren. Het was dus een kwestie van lijfsbehoud, zoals de geschiedenis helaas heeft bewezen.

Rudolph: "We weten dat Victor von Klemperer in 1934 bij de bank gedwongen op pensioen is gestuurd en we weten ook dat alle betalingen van de bank aan hem in 1936 gestopt zijn. Op dat moment zat het gezin dus zonder inkomen. Dat verklaart ook waarom Victor von Klemperer in zijn brief aan de Weense museumdirecteur te kennen gaf dat hij het schilderij wilde verkopen als er belangstelling voor was. Bovendien wordt elke transactie uit die tijd als een gedwongen verkoop beschouwd, zowel volgens de restitutiewetten die de geallieerden na de Tweede Wereldoorlog uitvaardigden als volgens de Washington Principles van 1998."

Die Washington Principles zijn een internationale overeenkomst omtrent de restitutie van door de nazi's geroofde kunst of door Joodse eigenaars onder dwang verkochte kunstschatten. Vierenveertig landen, waaronder België, hebben zich er moreel toe verbonden mee te werken aan de identificatie en de bekendmaking van gestolen kunstwerken, zodat erfgenamen van Joodse collectioneurs ze makkelijker kunnen opeisen. De Washington Principles hebben internationaal geleid tot een sterke toename van claims op kunst die ooit in Joods bezit was (zie kader). Belgische musea hebben er echter weinig of geen ervaring mee. De aanspraak van Victor von Klemperer op de Kokoschka in het Gentse MSK is een pijnlijke primeur.

Cadeauverpakking

In Gent zijn ze nog niet op de hoogte van de boven beschreven inhoud van het dossier-Victor von Klemperer. Toen schepen van Cultuur Lieven Decaluwe en de juridische dienst van de stad donderdagmiddag samenzaten met museumdirecteur Hoozee, lag alleen een summiere e-mail van 12 januari van advocate Sabine Rudolph op tafel. "Het spreekt voor zich dat we het schilderij niet meteen met een strik errond zullen terugsturen", zei schepen Decaluwe voor de aanvang van de vergadering.

In het communiqué dat gisteren werd verspreid, laat de schepen weten dat men eerst extra informatie zal opvragen over het dossier, om daarna alle aspecten van de zaak te laten onderzoeken. Tijdens de onderzoeksfase zal niet over de zaak worden gecommuniceerd.

Speuren naar kunst met een nazireukje: de Washington Principles

In 1998 ondertekenden 44 landen en organisaties, waaronder ook België, de Washington Principles, een niet-bindende overeenkomst over de teruggave van kunstwerken die door de nazi's geroofd of geconfisqueerd werden.

In de tien jaar dat de Principles bestaan, is het aantal claims op kunstwerken in musea gevoelig toegenomen en zijn er ook een pak meer advocaten die zich gespecialiseerd hebben in de materie. Het vergt vaak langdurige research naar de herkomst en historiek van de werken, waardoor de advocatenkosten hoog kunnen oplopen. Claims komen daardoor vooral van kapitaalkrachtige erfgenamen en hebben meestal betrekking op topstukken.

Toen bleek dat de erfgenamen in sommige gevallen met de opnieuw in hun bezit gekomen kunstwerken meteen naar Christie's of Sotheby's liepen om ze te laten veilen, leidde dat hier en daar tot controverse. Een ophefmakende voorbeeld daarvan waren de vijf schilderijen van Gustav Klimt die in 2006 door het Belvederemuseum in Wenen werden geretourneerd aan een Amerikaanse nicht van de oorspronkelijke Joodse eigenaar, de suikerbaron Ferdinand Bloch-Bauer. Het veilinghuis Christie's veilde op 8 november 2006 vier van de vijf werken voor 192 miljoen dollar (129 miljoen euro). Het vijfde schilderij, Portret van Adèle Bloch-Bauer, was toen al gekocht door Ronald Lauder, de eigenaar van het cosmetica-imperium Estée Lauder. Hij betaalde 136 miljoen dollar (104,5 miljoen euro) voor het werk, dat nu in zijn museum in New York, de Neue Galerie, hangt.

In Nederland gaven de musea in februari 2007 kunstwerken terug uit de collectie van de Joodse kunsthandelaar Jacques Goudstikker. Na een decennia durende betwisting over de eigendomsrechten tussen de schoondochter en de Nederlandse staat besloot Nederland op morele gronden tot de restitutie van 202 door de nazi's ontvreemde kunstwerken.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234