Woensdag 12/05/2021

Museum of pretpark ?

Maatschappijkritiek van socioloog Frank Furedi

In zijn controversiële boek Waar zijn de intellectuelen? hekelt de Britse socioloog Frank Furedi het anti-intellectuele klimaat dat heerst in het onderwijs, de media, cultuur en politiek.

Door Hans Muys

In het Noord-Nederlandse Drents museum loopt momenteel de tentoonstelling Neanderthalers in Europa, een expositie die wij al enkele jaren geleden in Tongeren konden bekijken en die een boeiend beeld schetst van deze uitgestorven tak van de vroege mensheid. Reden te over voor de organisatoren om er de aandacht op te willen vestigen in de vorm van een televisiespot. Maar kennelijk waren ze daar in Assen toch bang dat het thema op zich niet volstond, want de reclameboodschap eindigt met de kreet 'en voor de kinderen een gratis ijsje'.

Of de Britse socioloog Frank Furedi, die werkt aan de universiteit van Kent, op de hoogte is van deze poging tot culturele klantenwerving, is twijfelachtig. Maar hij zou er zeker niet verbaasd van opkijken. Want na zich in vorige boeken al te hebben geërgerd aan de betutteling, bangmakerij en risicovermijding in de hedendaagse westerse samenleving, geeft Furedi in Waar zijn de intellectuelen? zelf ook een lange lijst voorbeelden van wat in het Engels 'dumbing down' heet en waarvoor in deze krant ooit de term 'verkleutering' werd uitgevonden: de niveauverlaging die doorspijpelt op verschillende maatschappelijke niveaus.

Een waarschuwing om te beginnen: de titel van Furedi's nieuweling is enigszins misleidend. De auteur vertrekt weliswaar vanuit de vaststelling dat de rol van de intellectueel (voor Furedi een multidisciplinaire denker "die geen genoegen lijkt te nemen met de dingen zoals ze zijn" en die maatschappelijk geëngageerd is) veel kleiner is dan voorheen en schrijft dat toe aan de manier waarop het postmodernisme de pijlers van de verlichting zoals het zoeken naar Waarheid en Kennis heeft ondermijnd. Waarbij hij ruiterlijk toegeeft dat veel intellectuelen inderdaad 'windbuilen' zijn (denk maar aan Bernard-Henry Lévy's oprispingen over de kopstoot van Zidane). En hij erkent dat zij vaak "een betreurenswaardige en soms destructieve rol gespeeld" hebben - al is dat een wel heel vage verwijzing naar de manier waarop sommige intellectuelen de slachters van de twintigste eeuw, of ze nu Hitler, Stalin of Mao heten, laattijdig of helemaal niet hebben ontmaskerd.

Dat het vak van intellectueel niet bepaald in de lift zit, weten we al langer, want mensen als Allan Bloom, Alain Finkielkraut en, recenter, Richard Posner, stelden dat ook al vast. Maar daar gaat dit boek ook niet echt over. Furedi maakt zich vooral zorgen over de gevolgen van die intellectuele deemstering. Over de scepsis waarmee nu wordt gereageerd op de suggestie dat het publiek kan worden 'verlicht'. Over de manier waarop er een 'filistijns klimaat' is gegroeid waarin infantilisering welig tiert.

Het uitdelen van ijsjes om mensen naar een museum te lokken is namelijk niet zo uitzonderlijk in het huidige culturele klimaat. Musea, zo stelt de auteur vast, worden vaak zo interactief dat ze beginnen te lijken op pretparken en in een Britse reclamecampagne was onlangs zelfs sprake van 'een eersteklas café met een heel aardig museum erbij'. Bibliotheken worden steeds vaker omgevormd tot 'stedelijke huiskamers', compleet met 'chill out zones' waar jongeren MTV kunnen kijken. Dat alles onder het motto: 'maak het niet te moeilijk, hou het toegankelijk'.

In het onderwijs wordt het steeds vaker als normaal ervaren dat universiteitsstudenten geen boeken meer volledig uitlezen en worden zaken als spelling, interpunctie en correct taalgebruik als hinderpalen gezien voor de ontplooiing van de student. Auteurs van schoolboeken krijgen de instructie leerlingen in het lager en middelbaar onderwijs te beschermen tegen elke verwijzing die buiten hun levenservaring staat, want die persoonlijke ervaringen worden vaak zeker zo belangrijk geacht als de leerstof. 'GeMcDonaldiseerde' universiteiten lijken steeds meer op middelbare scholen omdat van de studenten vooral wordt verwacht dat ze het aangereikte lesmateriaal passief consumeren. Dat alles onder het motto 'maak het te moeilijk, hou het toegankelijk'.

Die lijn wordt doorgetrokken in de politiek. Dat deze sector wordt geteisterd door desinteresse, apathie en algemeen wantrouwen tegen het gezag - een van de uit de hand gelopen naweeën van de jaren zestig waarover ook Jean-Luc Dehaene het onlangs in deze krant nog had - werd recentelijk nog onderstreept in een internationaal onderzoek waaruit politici als minst betrouwbare beroepsgroep naar voren kwamen. Ook dat heeft volgens Furedi alles te maken met de devaluatie van de status van de intellectueel, want daardoor zijn ook de grote ideeën/ideologieën verdwenen die voor echte discussies kunnen zorgen. Maar in plaats van te zoeken naar meer inhoud, zo klaagt hij, wordt ook hier gestreefd naar het wegnemen van potentiële drempels. Volgens impopulaire politici is hun vak gewoonweg te ingewikkeld voor de gewone mensen. Het antwoord: drempelverlagende trucjes zoals de steeds grotere aandacht voor individuele thema's en voor persoonlijkheden - wat dit najaar opnieuw zal blijken uit het aantal, bij voorkeur door hun spontaneïteit en enthousiasme gekenmerkte BV's dat onze kieslijsten dreigt te bestormen. Ook dat alles onder het motto...

In al die gevallen, zo stelt Furedi, wordt de burger behandeld als een consument, want cultuur, onderwijs en politiek zijn producten geworden. Dat is niet in de eerste plaats het werk van marktmechanismen, die altijd al een invloed hebben gehad, maar het gevolg van "een overheidsbeleid dat sociale integratie, opname in het cultureel proces tegen elke prijs, voorstaat". Einddoel daarbij is de 'uitsluiting' tegengaan die een deel van de bevolking buiten het culturele, sociale of politieke leven houdt. Te zorgen voor meer participatie op alle bovengenoemde gebieden. Dat klinkt goed en Furedi stelt zelf ook nadrukkelijk dat "de groei van de publieke participatie in het intellectuele en culturele leven een doelstelling is die iedereen met democratische neigingen alleen maar kan onderschrijven". Wat hij verwerpt, is de manier waarop dat gebeurt en de mensen door wie dit nobele doel wordt nagestreefd.

Hij hekelt het feit dat sociale integratie "in elkaar wordt geflanst door personen die menen gerechtigd te zijn de gewone bevolking te dicteren omdat zij weten wat het meest in belang is van de mensen". Die gewone mensen worden niet gestimuleerd tot participatie, het wordt hen opgedragen door al die experts en managers die de plaats hebben ingenomen van de traditionele, universalistische intellectuelen. Door 'kennis entrepreneurs', die niet zijn geïnteresseerd in de inhoud van cultuur en ideeën, maar ze louter zien als meetbare producten die moeten zorgen dat de consument er 'beter van wordt': gezonder of geschikter voor de arbeidsmarkt of zelfs bedacht met meer zelfvertrouwen - dit door te voorkomen dat iemand kan 'falen', door iedereen te verzekeren dat hij/zij uniek is. Want om met de startpagina van de BBC-weblogs te spreken: 'iedereen is een expert'.

Het is niet verrassend dat Furedi's stelling hem het verwijt heeft opgeleverd een elitaire rechtse rakker te zijn. Niet verrassend maar ook niet juist. Niet zozeer omdat de socioloog van Hongaarse afkomst in 1981, tijdens de hoogtijdagen van Margaret Thatcher, de Revolutionary Communist Party stichtte - want er zijn de jongste decennia wel meer progressieve intellectuelen van hun geloof gevallen. Wel omdat hij de gevolgen van die opgedrongen integratie bekampt vanuit een progressieve denkwereld. Vanuit de overtuiging dat het steeds lager maken van het verwachtingspatroon "blijk geeft van minachting voor de gewone mensen die de doelgroep vormen voor de sociale integratie" (al is zijn geloof in het verlangen van die mensen om zichzelf (cultureel) te ontplooien wel heel optimistisch). Voor Furedi is dit 'zogenaamde anti-elitarisme' in werkelijkheid juist een vorm van 'elitair populisme', omgekeerd snobisme dat leidt tot een dociel en conformistisch publiek, tot een nieuwe vorm van volgzaamheid. Niet langer aan het sinds 1968 dood en begraven 'traditionele gezag', maar aan de nieuwe 'autoriteiten' zoals lifestyle goeroes, supernanny's en de ontelbare andere soorten relatiedeskundigen.

Waar zijn de intellectuelen? mag dan nauwelijks 200 bladzijden tellen, het staat bol van de controversiële ideeën. Furedi's uitgangspunt: dat we leven in een verkleuterde wereld, kunnen we dagelijks aan den lijve ondervinden. De voorbeelden die hij geeft om dat hard te maken, zijn soms wat onevenwichtig (het weggeven van ijsjes door een museum is van een andere grootteorde dan het 'wegnemen van barrières' in het onderwijs) maar doen niets af aan de basisstelling. Net zomin als de heftige reacties en discussies die Frank Furedi met dit boek blijkt te hebben uitgelokt. Want is dat niet net wat intellectuelen verondersteld worden te doen?

Frank Furedi

Waar zijn de intellectuelen?

Oorspronkelijke titel: Where Have All the Intellectuals Gone?

Vertaald door G. Houtzager

Meulenhoff, Amsterdam, 223 p., 18,95 euro.

Het is niet verrassend dat Furedi's stelling hem het verwijt heeft opgeleverd een elitaire rechtse rakker te zijn. Niet verrassend maar ook niet juist

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234