Donderdag 28/01/2021

Multitasken? Vergeet het maar

Ik heb het een keer bijgehouden. Afgelopen maandag. Voor mijn collega’s van de Wetstraatredactie was het one hell of a day, op het scherp van de snee. Voor mij, als mediajournalist, een al bij al rustige dag, waarop ik één groot stuk heb geschreven (over de kijkcijfers van de verkiezingsprogramma’s), en één kleintje (over het blauw uitslaande hoofd van Aimé Van Hecke op de cover van Humo). Die dag heb ik 104 e-mails gekregen. Zelf heb ik 32 mails verstuurd. Via mijn gsm heb ik 23 telefoongesprekken gevoerd. Vier keer moest ik de vaste telefoon op mijn bureau beantwoorden (daarop word ik alleen gebeld door vriendelijke jongens of meisjes van pr-bureaus die me vragen of ik hun mail gezien heb). Achttien keer heb ik een sms-bericht ontvangen. Zestien keer heb ik zelf een sms verstuurd. Eén bericht kwam van mijn gsm zelf, die me duidelijk maakte dat mijn sms-box voor 95 procent vol zat, waarop ik alle uitgaande berichten heb gewist. Ik heb vijf tweets de wereld ingestuurd. Eén keer kreeg ik via Twitter een private message. Ik heb één blogpost op mijn blog geschreven en twee reacties goedgekeurd. In mijn postvak in Facebook heb ik vier mails gekregen. Twee daarvan heb ik beantwoord. Ik heb gemerkt dat ik nog zes Facebook-mails niet beantwoord heb. Eén keer heb ik mijn status geüpdatet. Op één iemands status heb ik zelf een comment geschreven, waarna ik vijf mails heb gekregen omdat telkens iemand anders de behoefte voelde daar ook op te reageren. Drie mensen hebben me gevraagd of ik hun vriend wilde worden. Twee anderen hebben mij een vriend gesuggereerd (alsof ik zelf mijn vrienden niet zou vinden). Eén iemand heeft me een uitnodiging voor een quiz verstuurd. Eén iemand wil graag met me pokeren. Blijkbaar heb ik één ‘How well do your friends know Brecht Decaestecker?-quiz invitation’. Ik heb die dag 167 webpagina’s bezocht. Na het werk ben ik gaan zwemmen. Vijfenveertig lengtes. Drie kwartier niet gestoord. God, bewaar me voor de dag dat Steve Jobs een waterproof iPhone uitvindt.Exact weet ik het natuurlijk niet meer, maar ik kan me nog levendig voorstellen hoe dezelfde maandag in juni er tien jaar geleden moet hebben uitgezien. Ik nam de krant uit de brievenbus van mijn studentenkot en begon aan een halfuur multitasken: tegelijk een kom cornflakes eten en de sportpagina’s lezen. Daarna legde ik een cursus op mijn bureau en ging er zelf achter zitten om mij voor de acht uur die volgden te concentreren op een stuk of zestig pagina’s. En niets anders. Ik had geen pc op mijn studentenkamer, laat staan internet. Ik had geen gsm. Het enige wat me kon afleiden waren straatwerkers, die, hoe kon het ook anders, net tijdens de examens het voetpad kwamen openbreken. Waarop ik in de universiteitsbibliotheek ging zitten studeren.

Veel meer afleiding

In diezelfde bibliotheek zit ik nu dit stuk te schrijven op een laptop, omdat ik hier mijn gsm op stil zet, waardoor hij minder dwingend wordt, want ik kan hem hier ook niet meteen opnemen. De ‘airport’ of draadloze internetontvanger in mijn MacBook staat uitgeschakeld. Leg ik die aan, dan vindt dat ding in minder dan een seconde een internetverbinding, waarna ik uren van blog naar blog zou surfen (zelfkennis is het begin van alle wijsheid).Ik ben de laatste om te beweren dat het vroeger beter was, maar het leek eenvoudiger. En er was zonder twijfel minder afleiding. We leven in ‘the age of distraction’, zeggen wetenschappers. En die trend was al aan de gang toen mijn vader, anno 1990, een telefoon in zijn auto had. Een draagbare telefoon. Dat wil zeggen, als je graag met een bak van tien kilo over straat liep. In 1971, toen een computer nog even groot was als een telefoonhokje (waarvan mijn neefje van vijf vraagt wat het is), schreef de Amerikaanse cognitieve psycholoog Herbert A. Simon: “Informatie consumeert de aandacht van diegenen voor wie die informatie bedoeld is. Een grote rijkdom aan informatie creëert daarom een armoede aan aandacht en de behoefte aan een manier om zo efficiënt mogelijk die aandacht toe te kennen aan al die verschillende informatiebronnen.”Een zin zo lang, dat we ze vandaag halverwege al niet meer begrijpen, hoewel Google al tien jaar beweert alle informatie te bundelen en beschikbaar te maken. “Men spreekt vaak over een informatie-paradox”, vertelt Steven Paulussen. Paulussen is professor aan de vakgroep Communicatiewetenschappen van de UGent en senior researcher bij de onderzoeksgroep voor Media & ICT (MICT) van dezelfde universiteit. “Nooit eerder hebben we zo snel zoveel informatie kunnen opzoeken”, vertelt hij. “Maar tegelijk zijn er tal van studies die aantonen dat mensen nooit zo slecht geïnformeerd geweest zijn als vandaag.” “Hoe kan het dat je zo weinig kennis opdoet, terwijl je overspoeld wordt door informatie? Wellicht omdat het te veel wordt. Je ziet zodanig veel, dat je die informatie scant in plaats van ze volledig in je op te nemen. Als je een krant leest, ben je enkel bezig met het lezen en verwerken van dat nieuws. Dan neem je veel meer informatie tot je dan wanneer je een aantal nieuwssites scant en tegelijk mails beantwoordt.”

Geen aanklacht tegen internet

Dit stuk is geen aanklacht tegen het internet en de nieuwe communicatietechnieken die het heeft voortgebracht. Het is nogal onnozel om te roepen dat het wereldwijde web ervoor zorgt dat we allemaal debielen worden, die wel weten waar we iets kunnen vinden maar zelf geen algemene kennis meer zouden hebben (nodig me uit voor een spel Trivial Pursuit en ik zit al aan tafel voor je uitgesproken bent). Dat technologie ons dommer zou maken, wordt al meer dan tweeduizend jaar beweerd door doemdenkers. Socrates klaagde destijds over de nieuwe techniek ‘schrijven’. Die zou ervoor zorgen dat we niets meer zouden onthouden. Dat we vandaag weten dat hij dat beweerde, komt omdat zijn collega-filosofen destijds zo slim waren om het op te schrijven.“Je hebt pessimistische wetenschappers, die beweren dat sociale netwerken funest zijn voor jongeren, omdat ze hun sociaal contact zouden verliezen”, vertelt Peter Mechant, collega-onderzoeker van Steven Paulussen bij het MICT. “Je hebt optimisten, die zeggen dat jongeren op die netwerken tools leren gebruiken die ze in hun professionele leven ook nodig zullen hebben, zoals netwerken en discussiëren.“Daarnaast heb je een derde benadering, die ik de interessantste vind. Die zegt dat je dit niet op individueel niveau moet bekijken, maar dat je moet kijken naar de relatie tussen technologie en maatschappij. Beiden beïnvloeden elkaar. De technologie beïnvloedt de maatschappij, want vandaag hebben we allemaal een Facebookaccount. Maar de maatschappij beïnvloedt ook de technologie. Bijvoorbeeld: politici gebruiken Facebook in hun campagne. Kijk alleen maar naar hoe Barack Obama met nieuwe technologieën omgaat.”Technologie heeft duidelijk tal van voordelen. Alleen volgden nieuwe technologieën elkaar de voorbije jaren wel erg snel op. We leerden mailen en sms’en. We leerden dat we altijd en overal opgebeld konden worden. En toen kwamen MySpace en Netlog. Daarna Facebook en Twitter. En nu zitten we op allemaal tegelijk.Sommigen doen dat altijd en overal op hun gsm. De rest van ons over een paar maanden of jaren ook, zonder dat we het al goed beseffen. Die fenomenen groeien als kool (zie kader), maar ze zijn nog piepjong, waardoor er nog niet veel onderzoek naar verricht is. “Daar is dringend behoefte aan”, vindt Paulussen. Want het kan niet anders dan dat ze invloed hebben op mens en maatschappij. En dat de kans bestaat dat we op een gegeven moment niet meer meekunnen. Niet omdat we te oud worden, maar omdat het menselijk brein al die impulsen niet langer kan verwerken.”

Maandje op eCongé

Toen ik wilde weten hoe RSS werkt, hoe je aan een blog begint en waarom ik in godsnaam op Twitter zou moeten zijn (wat hebben de mensen eraan als ik laat weten welk soort smeerkaas ik op mijn boterhammen smeer?), belde ik meestal Alex Deforce (24), de man achter de fantastische blog On Point (www.on-point.be). Op 1 februari maakte Deforce bekend een maand met ‘eCongé’ te gaan. De jonge blogger boekte geen snowboardtrip of strandvakantie (“Dat zou al te gemakkelijk zijn”) maar bleef gewoon verder werken bij een trendwatchingbureau. Hij was bereikbaar via gsm of e-mail. “Anders zou ik na een maand door negenduizend mails moeten wroeten”, vertelt hij.Maar voor de rest surfte Deforce een maand lang alleen nog naar websites die hij voor zijn werk nodig had. Achtentwintig dagen lang zou hij nooit naar Facebook of Twitter surfen. Op zijn blog zou het al die tijd doodstil blijven.“Ik moest wel”, vertelt hij. “Ik was met een kameraad op café over de blogosfeer aan het praten. Hij zei: ‘Als ik jou bezig hoor, dan ben je voortdurend aan het managen wat je online aan het doen bent.’ Ik besefte dat het obsessief werd. Ik voelde me schuldig als ik niet elke dag iets op mijn blog gepost had, wat dan ook nog eens exclusief moest zijn. En ik vond dat ik via Facebook voortdurend iedereen op de hoogte moest brengen van wat ik online had gezien.“Een andere vriend zei me: ‘Als je wilt, kun je ermee stoppen.’ Hij zei dat om mij te pesten, maar hij had gelijk. Ik kòn stoppen. Ik heb tijdens mijn eCongé veel mails gekregen van mensen die zeiden dat ze jaloers op mij waren en dat ze graag hetzelfde zouden doen. Hun professionele en privé-leven speelt zich in zo’n grote mate online af dat ze er niet meer mee kunnen stoppen. Ik hoefde bij wijze van spreken alleen maar de stekker uit het stopcontact te trekken.”Makkelijk was het niet, zo beweert Deforce. Omdat hij bleef werken en op zijn werk vaak op het internet moest surfen, waardoor het heel verleidelijk was om eens naar zijn Facebookprofiel te gaan kijken. “De melk stond bij de kat”, lacht hij. “Het zat onder mijn vingers. Ik was natuurlijk nieuwsgierig of niemand iets op mijn Facebookwall zou plaatsen. Als ik vrienden tegenkwam, vroeg ik: ‘Gebeurt er iets op Facebook? Mis ik iets?’ Maar gewoonlijk antwoordden ze van neen. Het enige wat ik zelf miste, was dat ik niet meer wist welke feestjes er in het weekend waren, omdat ik geen uitnodigingen meer zag. Daarvoor moest ik opnieuw rondbellen (lacht).”Op zijn blog had Alex gezet dat hij nu eindelijk tijd zou hebben voor andere dingen: tekenen, zwemmen en leren koken. “Maar daarvoor had ik nog een tweede maand eCongé nodig”, lacht hij. “Ik ben vooral veel op café geweest.”Iets wat hij anders ook geregeld doet. “Mensen denken soms dat ik geen sociaal leven heb, omdat ik online zo actief ben. Terwijl ik naar zeer veel feestjes ga en vaak genoeg buiten kom. Het is net daarom dat ik over zoveel kan bloggen. Je doet geen inspiratie op als je altijd achter je pc zit. Als ik blog over een expositie, dan heb ik die gezien. Als ik video-interviews op mijn blog post, dan heb ik die mensen geïnterviewd. Maar je vraagt je wel soms af: ‘Is mijn gedrag mainstream of is het abnormaal? Of wordt het binnenkort main- stream?’ Sommige van mijn vrienden hebben minder actieve vrienden op Facebook. Als zij hun startpagina opendoen, zien ze zeven keer mijn kop, en dan vinden ze mij storend. Dat is best freaky, want dan merk je dat niet iedereen dat vanzelfsprekend vindt.”

Wereldwijde ziekte

Een artikel schrijven en ondertussen mails checken en beantwoorden, je Facebookstatus aanpassen en tweets posten, dat is multitasken, iets waarvan we al jaren beweren dat het al onze problemen zal oplossen.Maar dachten we tien jaar geleden dat technologie ervoor zou zorgen dat we steeds meer in steeds minder tijd zouden doen, dan heb ik persoonlijk niet het gevoel dat ik vandaag drie keer zoveel artikels schrijf dan in het pre-MySpace-tijdperk. “Multitasken is een mythe”, prikt Steven Paulussen de ballon door. “Heel wat cognitieve psychologen beweren dat je ze oppervlakkiger doet als je twee dingen tegelijk doet. Het is beter om ze na elkaar te doen en al je aandacht aan één iets te schenken.”Veel onderzoek over multitasking bestaat er nog niet, al zijn we dankzij neurowetenschappers, die de werking van de hersenen bestuderen, de voorbije tien jaar een stuk meer te weten gekomen over hoe ons brein functioneert. Een van hen is David Meyer van de University of Michigan. Een autoriteit op het vlak van multitasking, die wordt geïnterviewd in het jongste nummer van het maandblad New York. “We zullen het steeds moeilijker krijgen om aandachtig te blijven”, voorspelt hij. Onze constante afleiding noemt hij een epidemie waarvan we nu nog niet weten wat de gevolgen zullen zijn. “Vergelijk het met roken”, zegt hij. “Mensen beseffen niet welke schade ze aan hun hersenen aanrichten, zoals we in de jaren zestig ook niet wisten wat we met onze longen of hartvaten aan het doen waren.”

Eén stroom informatie tegelijk

Als we denken dat we aan het multitasken zijn, zo blijkt uit onderzoeken van cognitieve psychologen en neurowetenschappers als Meyer, switchen onze hersenen voortdurend tussen die activiteiten. Ons brein verwerkt informatie via verschillende kanalen: een taalkanaal, een visueel kanaal, een gehoorkanaal... Allemaal kunnen ze maar één stroom aan informatie op één moment verwerken. Daarom is rijden en bellen gevaarlijk. Als je in de auto rijdt maar een contactpersoon in je gsm opsnort of een sms leest, heb je twee keer op hetzelfde moment dat visuele kanaal nodig, wat niet kan. Zo kan zelfs handenvrij bellen gevaarlijk zijn. Als de persoon aan de andere kant van de lijn een visuele beschrijving maakt - stel je voor dat hij je uitlegt hoe een huis eruit ziet - dan kan dat jouw visuele kanaal zodanig verstoren dat je niet langer merkt wat er op de weg gebeurt. De enige manier waarop multitasking kan, is wanneer je twee verschillende kanalen gebruikt, zoals de was opvouwen (visueel kanaal) en ondertussen naar de radio luisteren (gehoorkanaal). Vandaar dat muziek beluisteren bij tal van taken zelden stoort.

Vloeibare maatschappij

Moet je dan als werkgever gaan verbieden dat jouw personeel kan mailen, naar nieuwssites kan surfen of zich kan bezighouden met Facebook, terwijl je hen betaalt om andere dingen te doen? Neen, menen Steven Paulussen en Peter Mechant. “Werkgevers die dat allemaal verbieden, beseffen niet dat de maatschappij veranderd is. Het publieke en het privéleven lopen steeds meer door elkaar. Men blogt over zijn privéleven, waardoor dat publiek wordt, en men heeft zijn baas als Facebookvriend. Jongeren die opgroeien met social networks maken dat onderscheid niet meer. Daarom wordt onze maatschappij wel eens de ‘liquid society’ genoemd, de vloeibare maatschappij.”Werknemers afsluiten van Facebook, laat staan van het internet, werkt niet altijd in het voordeel van het bedrijf. “Hoe hoger iemands functie, hoe meer tijd die niet productief aan het internet spendeert, zo weten we uit een studie”, vertelt Steven Paulussen. “Mensen die voldoende mogelijkheden hebben om tijdens de werkuren op het internet aanwezig te zijn, blijken vaak ook creatiever en innovatiever. Ze zijn sneller mee met nieuwe technologieën, wat hen ook voordelen in hun professionele leven bezorgt. Zo zijn ze sneller in het opzoeken van informatie, of ze netwerken beter.“Als je bijvoorbeeld op Facebook mag zitten, zorgt dat vaak ook voor meer loyauteit ten opzichte van je werkgever. Je staat positiever tegenover het bedrijf. Mag je tijdens de werkuren geen privézaken regelen, dan zul je na de werkuren ook niets meer voor het werk doen. Beantwoord je tijdens het werk ook privémails, dan zul je thuis ook op professionele mails beantwoorden.”Met andere woorden: de nieuwe technologieën zijn er om ze te gebruiken, alleen niet door elkaar. “Het is goed als je je werknemers toegang verleent tot die technologieën, maar je moet hen aanraden om dat in specifieke tijdsblokken te doen. Pauzeren is sowieso gezond. Zo kan een praatje aan het koffiezetapparaat ook goed zijn om je daarna opnieuw op je werk te concentreren.”“Bovendien worden aan het koffiezetapparaat vaak interessantere zaken verteld dan tijdens de vergadering ervoor”, voegt Mechant daaraan toe.En wilt u mij nu excuseren? Ik moet dringend tv-kijken. De harde schijf van mijn digicorder staat propvol.

Vijf tips om ondanks alles zo productief mogelijk te zijn

Als je minder slaapt dan nodig is, raak je vermoeid. Als je meer uren slaapt dan je nodig hebt, word je depressief. Probeer elke nacht net voldoende te slapen. Een gemiddelde volwassen persoon heeft zeven à acht uur slaap nodig. Het eerste kwartier van de dag is je brein niet klaar om belangrijk werk te verrichten. Beantwoordt dus niet meteen mails. Neem een douche. Ga naar de bakker. Eet een ontbijt. Lees de krant. En begin pas daarna met belangrijke mails en gsm-gesprekken.Trap niet in de val voortdurend met je mailbox bezig te zijn. Open het mailprogramma drie à vier keer per dag om mails te versturen en te beantwoorden. Sluit het ding af wanneer je belangrijker werk te verrichten hebt. Idem voor Facebook en Twitter.Maak ‘to do’-lijstjes. En laat ze niet overal rondslingeren. Koop één notitieboekje waarin je ze opschrijft, dat je altijd bij de hand hebt. Of koop een bord met uitwisbare stift om boven je bureau te hangen.Neem een tweede e-mailadres, bij Hotmail, GMail, Yahoo!, noem maar op. Gebruik dat voor mails met familie en vrienden, die je twee keer per dag beantwoordt. Zo ben je niet de hele dag door uitstapjes aan het regelen. Laat ook je Facebook-alerts hierop toekomen, zodat je niet verstoord bent bij elke nieuwe comment op een status waarop je zelf iets geschreven heb.Of laat al die Facebook-alerts gewoon niét toekomen (surf naar ‘instellingen’ en vervolgens naar ‘meldingen’, en zet alles op ‘uit’ wat nu op ‘aan’ staat).

Exponentiële groei Facebook en Twitter

“Er is dringend meer onderzoek nodig naar de invloed van sociale netwerken”, zegt Steven Paulussen, professor communicatiewetenschappen aan de UGent. Hij bedoelt: grootschalig onderzoek, dat verder gaat dan proberen te bepalen hoeveel uren we op het werk op Facebook zitten en hoeveel euro’s daarmee verloren zouden gaan. Onderzoek naar de ware impact op mens en maatschappij. De reden waarom dat nog niet is gebeurd, ligt voor de hand. Die fenomenen zijn nog piepjong. Facebook werd vijf jaar geleden in Harvard bedacht, maar toen De Morgen tweeënhalf jaar geleden twee pagina’s aan ‘de nieuwste internethype’ besteedde, hadden nauwelijks vijfhonderd Belgen een account. Vandaag is het niet meer uit ons leven weg te denken. En de groei die Facebook de voorbije twee jaar heeft gemaakt, verdwijnt dan nog in het niets bij de snelheid waarmee het aantal Twittergebruikers is toegenomen. Zoals blijkt uit volgend overzicht.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234