Woensdag 17/07/2019

Mr. Ripley, het dodelijke alter ego van Patricia Highsmith, wordt 80

Lang zal hij leven!

Wie van de twee is de meest onsterfelijke, de meest getalenteerde: de als onuitstaanbare mensenhaatster bestempelde, biseksuele schrijfster Patricia 'Pat' Highsmith of haar quasi-goddelijke schepping, de charmante, amorele, seksueel ambiguë oplichter en gelegenheidskiller Thomas 'Tom' Ripley? De eerste is net veertien jaar dood, de laatste wordt dit jaar tachtig. Jo Smets

Wel, hij zou het in elk geval worden, had zijn geestelijke moeder nog geleefd en hem nog een zesde decennium ingeloodst. Nu blijft Ripley wat alleen en verweesd achter, nadat hij, gespreid over vijf van haar tweeëntwintig romans, mocht proeven van de jaren vijftig, zestig, zeventig, tachtig en negentig. Ripley, die volgens zijn schepster een compleet eigen wil had, zag het licht in 1954, toen Highsmith in amper zes maanden de eerste Ripleyroman The Talented Mr. Ripley - en daarmee geschiedenis - schreef ("It felt like Ripley was writing it", zou ze later vertellen). Ze was toen 33, en al wereldberoemd. Die faam bezat ze niet echt op grond van haar literaire werk, wel dankzij de verfilming van haar eerste roman, Strangers on a Train. Het was namelijk Alfred Hitchcock die - anoniem, om de prijs te drukken - de rechten op het boek had gekocht voor een schamele 7.500 dollar en er met Farley Granger, met een snerpende tagline ("It starts with a shriek of a train whistle... and ends with shrieking excitement") en vooral met Robert Walker als de vreemde, homoseksueel getinte Bruno Anthony een klassieker van maakte.

Pat

Highsmith werd geboren als Mary Patricia 'Pat' Plangman op 19 januari 1921, niet ver van Fort Worth, Texas. Haar grootmoeder van moeders kant bracht haar eerst groot, in New York City, waar Pat naar eigen zeggen een "kleine hel" beleefde. Ze werd later toch door haar moeder en stiefvader opgevoed, maar had met beiden een - op zijn zachtst gezegd - uiterst bewogen relatie. Volgens Highsmith zou haar moeder, die van haar vader scheidde vijf maanden voor Pat ter wereld kwam, geprobeerd hebben haar te aborteren door terpentijn te drinken. De jonge Highsmith haatte haar stiefvader als de pest, maar zou hem meermaals als joker gebruiken in de weinig vreedzame coëxistentie die ze met haar moeder uitzat. Dat Pats aard naar het meest duistere neigde, bleek al uit haar prille belangstelling - ze was acht jaar, kon al als kleuter lezen - voor afwijkingen van de menselijke geest, zoals pyromanie en schizofrenie. Uit haar biografie Beautiful Shadow rijst een ware misantrope op, die meer het gezelschap van dieren dan dat van mensen op prijs stelde ("Mijn verbeelding werkt beter als ik niet met mensen moet praten"), hoewel ze aan en af affaires had, met mannen én vrouwen. Homoseksualiteit is inderdaad latent aanwezig in de meeste van haar romans, en in The Price of Salt wordt de vrouwenliefde frontaal gethematiseerd (het is ook het eerste boek in de holebiliteratuur dat een happy end heeft). Kwade tongen beweren echter dat ze vrouwen haatte, op grond van haar satirische verhalenbundel Little Tales of Misogyny. Overigens bleven de verwijten niet bij misantropie en misogynie. Highsmith werd ook beschuldigd van antisemitisme (wegens haar uitgesproken steun aan de Palestijnse bevrijdingsbeweging, maar zonder dat er rekening werd gehouden met haar vriendschap met Arthur Koestler en haar devotie voor onder anderen Franz Kafka), en anti-Amerikanisme (al in 1963 verhuisde ze naar Europa en in de verzameling korte verhalen Tales of Natural and Unnatural Catastrophes steekt vlijmende kritiek op de twintigste-eeuwse Amerikaanse cultuur en buitenlandse politiek). De Amerikaanse uitgever van mystery fiction, Otto Penzler, omschreef haar ooit als een "gemene, hardvochtige, wrede persoon die niet geliefd kon worden en zelf niet lief kon hebben". De man zou nooit echt hebben kunnen vatten "hoe een menselijk wezen zo aanhoudend lelijk kon zijn". Gary Fisketjon, die bij Knopf haar latere romans uitgaf, was kennelijk genuanceerder en achtte haar "ruw, erg lastig..., maar ook openhartig, van een droge humor, en great fun in de omgang". Highsmith stierf aan leukemie op 4 februari 1995 in Locarno, Zwitserland. Ze liet haar hele hebben en houden na aan Yaddo, een schrijverskolonie in Saratoga Springs in de staat New York, waarnaar niemand minder dan Truman Capote haar ooit had verwezen, met de opdracht haar eerste draft van Strangers on a Train te herschrijven.

Tom

Hoewel ze op het stuk van charme een antithese lijkt te zijn geweest, en hoewel ze maar liefst 17 andere romans schreef, geldt beslist dat Highsmith zichzelf 'fictionaliseerde', 'idealiseerde' en zelfs 'vergoddelijkte' in de persona van haar befaamde schepping, Thomas 'Tom' Ripley. Tom is een man die het liefst zo weinig mogelijk met gewone - lees: inferieure - stervelingen te maken heeft, voortdurend met een masker rondloopt, het leven vanuit een esthetische, van moraliteit ontdane code 'praktiseert', en daardoor een seksueel ambigu, maar eveneens erg dodelijk, Nietzscheaans roofdier wordt. De vaak meesterlijk gestileerde pen waarvan Highsmith zich bedient om Ripleys avonturen, hoe grotesk en waanzinnig ook, neer te zetten, sijpelt door in zijn sardonische, kurkdroge, onaantastbare en 'pure' kijk op zijn soortgenoten, die nauwelijks als zijn 'lotgenoten' kunnen worden beschouwd. Dat Highsmith weinig onderscheid maakte tussen zichzelf en haar alter ego, bevestigde ze door brieven te ondertekenen met de naam van haar favoriete personage. Naar een vriend stuurde ze ooit een kopie van Ripley Under Ground met de woorden: "For Charles with love... from Tom (Pat)."

De rijzige, verrassend sterke, maar ook erg gereserveerde en (schijnbaar) 'vrouwelijk' zachtaardige Ripley is - zeker op latere leeftijd - een man van natuurlijke onbevangenheid en zelfverzekerdheid. Op geen enkel ogenblik lijkt hij behoefte te hebben aan zelfbevestiging door uiterlijk vertoon. Steeds valt zijn ascetische benadering op van een realiteit die hij zelf tot een uiterst complex kluwen maakt. Hij heeft een ietwat 'verwijfde', esthetische beleving van natuurlijke schoonheid, van literatuur en muziek, zelfs van medemensen (zoals wanneer hij aan de grillen van zijn vrouw toegeeft), en kan nooit zijn afkeer tegenover 'ondergeschikte' exemplaren van de mensensoort onder stoelen of banken steken. Is zijn boosaardige ironie of dodelijk sarcasme veelal aan het intellect van zijn doelwitten verspild, áls hij zich gekrenkt voelt, blijft niemand echt gespaard. Het is overigens de onverstoordheid waarmee Ripley zijn diabolische plannen beraamt en uitvoert, waarmee hij weer orde op zaken stelt in een chaos die hij zelf in de hand werkt, die indruk maakt en die hem tot een van de meest gedenkwaardige 'slechterikken' uit de misdaadgeschiedenis maakt (al werd hij intussen in duivelskunst ruim overtroefd, bijvoorbeeld door Thomas Harris' Dr. Lecter, die méér dan één trek van Highsmiths creatie meekreeg). Dat betekent evenwel niet dat er geen zweem van geweten overblijft, of dat er zich geen even plotselinge, als 'natuurlijke' opstoot van een hoogst persoonlijk, maar niettemin legitiem rechtvaardigheidsbesef, of van een morele code, kan voordoen. Alleen is het verschil met zijn egocentrische besef - of angst - dat hij weleens 'gewoon' tegen de lamp zou kunnen lopen, vaak heel minimiem. Dat is zeker zo als de wondermooie vlinder die hij wordt zich nog in het stadium van de pop bevindt. Op het einde van The Talented Mr. Ripley, wanneer Ripley zich veilig mag wanen in Griekenland, schrijft Highsmith: "He saw four motionless figures standing on the imaginary pier, the figures of Cretan policemen waiting for him." De schrijfster zet daarmee de toon voor de lichte paranoia die de meester-oplichter en gelegenheidskiller nog veertig jaar zou achtervolgen (en ook op het einde van Ripley Under Water, als we Ripley voor het laatst lezen, met een knipoog terugkomt). Namelijk bij de vraag "if he was going to see policemen waiting for him on every pier that he ever approached".

De Ripliade

Ripleys levensloop ligt besloten in vijf romans, gespreid over vijf decennia (van 1955 tot 1991). Samen vormen ze de zogenaamde Ripliad. In The Talented Mr. Ripley (1955) is hij een 25-jarige New Yorkse jongeman, zonder veel toekomstperspectieven, maar begenadigd met een bijzonder talent, ja zelfs instinct, om te overleven. Wanneer de rijke reder Herbert Greenleaf uit Boston hem inhuurt om zijn zoon, Dickie, die met zijn vriendin Marge in Europa la dolce vita leeft, terug naar Amerika en op het rechte pad te brengen, ontpopt Tom zich als eersteklasintrigant. Hij werkt zich in de gunst van Dickie, ontwikkelt zelfs een meer dan vriendschappelijke bewondering voor hem en laat zich bovenal diens rijkeluisleventje welgevallen. Zo goed zelfs dat hem stilaan duidelijk wordt dat hij voor dit bestaan is weggelegd en het niet zonder slag of stoot zal opgeven. Als Marge echter argwaan begint te koesteren en blijkt dat Dickie zijn aanwezigheid en meer dan groeiende afhankelijkheid moe is, zit er voor ultranarcist Ripley niets anders op dan het object van zijn verlangens te worden. Op het einde van het boek heeft de getalenteerde Tom niet alleen Dickie en een achterdochtige vriend opgeruimd, maar ook Dickies identiteit aangenomen en er met een vervalst testament voor gezorgd dat Dickies fortuin hem toekomt. In Ripley Under Ground (1970) leeft Tom een welgesteld bestaan in Frankrijk, op het landgoed Belle Ombre, waar hij - voor de rest van de Ripliade - niks liever doet dan zijn dahlia's onderhouden, Schubert spelen op het klavecimbel, haute cuisine bedrijven en teder zorgen voor zijn rijke vrouw Heloise en hun huishoudster Mme. Annette. Hij voorziet zich van blijvende luxe dankzij een kunstzwendel, waarbij hij nieuwe schilderijen van de hand van een dode kunstenaar verlapt aan een vooraanstaande Londense galerie. Als een Amerikaanse verzamelaar de authenticiteit van de werken betwist, en de man die voor de vervalsingen zorgt acute gewetensnood krijgt, ziet Ripley zich genoodzaakt zich weer van zijn dodelijkste kant te laten zien. Nochtans, hij "detest[s] murder, unless absolutely necessary". De daad blijft hem echter achtervolgen, want in de derde Ripleyroman, Ripley's Game (1974), duikt een van zijn minst fraaie handlangers, de Amerikaan Reeves Minot, op met een bijzonder oneerbaar voorstel: of hij voor 96.000 dollar even twee maffiafiguren om zeep kan helpen. Ripley bedankt, maar brengt Minot er uiteindelijk toe een plaatselijke, aan kanker lijdende en wanhopige lijstenmaker te overreden de moorden te plegen (uit wraak omdat de man hem heeft beledigd, en onder meer door een medisch verslag te vervalsen waaruit zou blijken dat diens toestand terminaal is). Het plan loopt echter volledig uit de hand en Ripley is verplicht... een handje toe te steken (zoals bij een gruwelijke wurgmoord op een trein). Er groeit zelfs een bizarre verstandhouding tussen beiden als zij worden belaagd door twee huurmoordenaars, die tragisch eindigt voor de een, en de ander tot een opmerkelijk, maar even 'sierlijk' betoon van moraliteit noopt. In The Boy Who Followed Ripley (1980) raakt de prille vijftiger Ripley diep geïnteresseerd in een zestienjarige jongen die uit het niets opduikt en beweert op zoek te zijn naar een baantje, maar in werkelijkheid de zoon is van een vermoorde Amerikaanse tycoon en al snel bekent zelf de moordenaar te zijn. Wat volgt is een hoogst bizarre ontvoeringsplot, die Ripley achterlaat in diepe rouw om het verlies van zijn beschermeling, de vadermoordenaar die nog het meest zijn zoon, zijn spiegelbeeld, had kunnen zijn. In Ripley Under Water (1991) beleeft de tweeënzestigjarige Ripley een absolute nachtmerrie, wanneer een hatelijk Amerikaans koppel zich in de buurt van Belle Ombre komt vestigen, warempel Ripleys verleden begint uit te spitten en op de koop toe het kanaal laat dreggen waarin hij de kunstvervalser in Ripley Under Ground liet verdwijnen! Weinig verbazend nog is dat hij ongestraft doet wat hij doet, al komt het deze keer niet (meer) tot moord.

` Jo Smets

De Ripley- adaptaties

Ripleys/Highsmiths diep beleefde fascinatie voor de 'oude' cultuur van het Avondland, zou een spiegel vinden in het verlangen bij overwegend Europese film-, televisie- en toneelmakers om de Ripleyromans te bewerken. De Amerikaanse televisiezender CBS bracht echter, in zijn legendarische live-dramareeks Studio One op 9 januari 1956, voor de zeventiende aflevering van het achtste seizoen, The Talented Mr. Ripley. Op het grote scherm zou de Fransman René Clément, een van de grote Europese filmmakers van na de Tweede Wereldoorlog, als eerste The Talented Mr. Ripley aanpakken en in Plein Soleil (1960) Alain Delon opvoeren als - voor Highsmith trouwens "ideale" - Ripley. De lichtvoetige toon van Cléments visualisering was perfect, aangezien ze een parallel zocht met Ripleys ongeremde aard, haast dierlijk mooi geïncarneerd door Delon, waardoor het onbehagen om zijn amorele handelen des te groter werd. Van Wim Wenders' Der Amerikanische Freund (1977), een bewerking van Ripley's Game, en vooral van Dennis Hoppers vertolking van Ripley, moest Highsmith niet veel weten. Wenders had het naar eigen zeggen moeilijk met het casten van 'duistere' personages, en hoewel hij zelf aan John Cassavetes dacht, was het de laatste die met Hopper op de proppen kwam. Wenders wou verscheidene van Highsmiths romans verfilmen, maar kon, zoals hij op de commentaartrack van een dvd-editie echter onthult, de rechten niet bemachtigen. Hij zou er wel in geslaagd zijn om Highsmiths laatste manuscript te bekijken. Ofschoon Highsmiths andere werk in de loop van de jaren tachtig en negentig best wel druk verfilmd werd (onder meer Claude Chabrol adapteerde The Cry of the Owl, een werk dat onlangs opnieuw verfilmd werd door de Brit Jamie Thraves), was het wachten tot 1999, vier jaar na haar dood, voor er weer een Ripleyroman het witte doek haalde. De vorig jaar onverwacht overleden Britse regisseur Anthony Minghella maakte de meest befaamde verfilming totnogtoe, met Matt Damon als Ripley, Jude Law als Dickie Greenleaf en Gwyneth Paltrow als Marge Sherwood. Het mag worden gezegd dat Damon behoorlijk uitblonk als de - met de officiële Amerikaanse titel van de film - "Mysterious Yearning Secretive Sad Lonely Troubled Confused Loving Musical Gifted Intelligent Beautiful Tender Sensitive Haunted Passionate Talented Mr. Ripley". Pas drie jaar later verscheen de definitieve Ripley op film en werd meteen ook de beste, maar meest miskende adaptatie in de annalen opgenomen. Liliana Cavani castte John Malkovich in de hoofdrol van Ripley's Game en overklaste haast zichzelf met een buitengewoon intelligente, sluipende thriller die de volmaakte verfijning en even volmaakte gruwel van het personage met hetzelfde matter-of-fact-gevoel toont en zo zijn universele aantrekkingskracht nog eens onderstreepte. Van de volgende drie Ripleyromans was in de toen bijna vijftig verstreken jaren sinds het eerste boek uitkwam geen enkele film gemaakt, tot in 2005 Roger Spottiswoode met Ripley Under Ground de vloek doorbrak. Met een aanstekelijke Barry Pepper in de hoofdrol, brak de film de tanden op de verbeelding van de romance tussen Ripley en zijn vrouw Heloise, om een stille dood te sterven. Zoals het ooit in 1956 begon met een toneelvoorstelling, zo zijn de verbeeldingen van Highsmiths personage de laatste jaren nog het vaakst op de bühne te zien, waar vooral Phyllis Nagy's pikdonkere bewerking van The Talented Mr. Ripley een kleine standard lijkt te zijn geworden.

Ripley is een man die het leven vanuit een esthetische, van moraliteit ontdane code 'praktiseert', en daardoor een seksueel ambigu, maar eveneens erg dodelijk, Nietzscheaans roofdier wordt

n Tom Ripley is een dankbaar personage voor film-, televisie- en toneelmakers.

De jonge Tom Ripley (Matt Damon) in de film 'The Talented Mr. Ripley' van Anthony Minghella.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden