Donderdag 28/10/2021

Moord als politieke methode

Te vuur en te zwaard, zonder omzien vooral, vocht de Iraakse leider zich een uitweg uit zijn lemen boerendorp. Maar megalomanie, wreedheid en een op zijn zachtst gezegd gemiddelde intelligentie hebben hun prijs. Saddam mikte hoog maar viel laag.

De zegetocht van de beroemdste en meest gehate politicus die de Arabische wereld de jongste decennia kende, Saddam Hoessein, begon op 30 juli 1968. Als jonge dertiger behoorde Saddam Hoessein Abdal-Majid al-Tikriti ('Hij die ertegenaan gaat') toen al tot het erg besloten Iraakse machtsestablishment: hij was het hoofd van de geheime politie en een van de bevroeders van de putsch die die dag de Regionale Iraakse Leiding van de Baath-partij aan de macht bracht. Zijn verre verwant kolonel Hassan al-Bakr, die na zijn nasser-baathistische coup van 1963 eerste minister geworden was, beging de fout, maar had toen al geen andere keuze meer, Saddam Hoessein een zitje in de Revolutionaire Commandoraad te gunnen. Hoessein had toen al sterke staaltjes van zijn conspiratief en complotterend kunnen ten beste gegeven.

Achterlijk

provincienest

Het is Saddams weinig fortuinlijke jeugd die van hem een machtswellusteling gemaakt heeft. Hoessein wordt op 28 april 1937 geboren in een familie van landloze boeren in het dorp Al-Ajwa, niet meer dan een verzameling lemen hutten op de oevers van de Tigris, op 8 kilometer van het achterlijke provincienest Tikrit. Hoessein al-Majid, Saddams vader, verdwijnt of overlijdt (de waarheid is nooit ontdekt) luttele maanden voor de geboorte van zijn zoon. Het is Saddams oom Kharaillah Tulfah, een eersteklas anglofoob en daardoor fervent aanhanger van nazi-Duitsland, die de jongen grootbrengt. Nu ja, leren lezen en schrijven doet Saddam niet voor zijn tiende, begaan als hij is met de kuddes van de familie en met het bestelen van passanten - een van de weinige mogelijkheden om het povere hebben en houden van oom, moeder en stiefvader bij te spekken. Die stiefvader, Hassan al-Ibrahim, is maar een nietsnut; Saddams moeder, Subha Tulfah, ondergaat slagen en verwondingen.

Met vallen en opstaan maakt Saddam Hoessein het lager onderwijs af, waarna hij in de om haar anti-hasjemitische, en dus anti-Britse en anti-Amerikaanse sfeer bekendstaande Al Jark-school, in Bagdad, zijn middelbare studies aanvangt. Saddam komt in de ban van de politieke sfeer die de Iraakse hoofdstad in die dagen, halfweg de jaren vijftig, kenmerkt. Beslissend voor zijn latere loopbaan is de weigering van de militaire academie om Saddam als leerling in te schrijven. De schoolresultaten van de latere despoot zijn bedroevend. Uitgerekend het leger, de enige factor die orde kan scheppen in de chaos van volkeren, van bedoeïenen, stedelijke intellectuelen, handelaren en olieproletariërs die Irak heet, de enige instelling waar plattelandsjongens als Saddam aan hun sociale mobiliteit kunnen werken, wil hem er niet bij hebben.

De diep vernederde jongeman besluit het over een andere boeg te gooien en wordt lid van de nog niets voorstellende Socialistische Partij voor de Arabische Wedergeboorte (Baath). Saddam Hoessein zegt later dat hij verleid was door de seculiere, revolutionaire en nationalistische idealen van de partij. Was hij zelf niet afkomstig uit een streek die hele generaties notoire antikolonialisten had voortgebracht? Was Tikrit niet het land van Saladdin, de Turks-Koerdische grootsultan die in 1187 Jeruzalem op de kruisvaarders veroverde?

Saddam de revolutionair, dus. In naam van zijn ideaal begaat de toekomstige president in 1958, op zijn 21ste, zijn eerste moord, die op een communistische militant in Tikrit. Saddam Hoessein, en zijn oom die als aanstichter wordt beschouwd, belanden een halfjaar lang in de cel. Bij gebrek aan bewijsmateriaal komt hij echter op vrije voeten en wordt hij opnieuw bij de Baath-partij ingelijfd. Minder dan een jaar later voert Saddam Hoessein zijn eerste grote opdracht uit. Op 14 juli 1958 had in Irak een bloedige staatsgreep plaatsgevonden, waarbij zowel de jonge koning Feisal II, zijn eerste minister Ahmad Mukhtar Baban, ex-premier Noeri As Said als de voormalige regent Abdallah ibn Ali om het leven gekomen waren. De Iraakse macht lag sindsdien bij generaal Abdel Karim Kassem. Maar diens sovjetkoers en aperte anti-pan-Arabisme lag de baathisten niet. In oktober 1959 vervult Saddam Hoessein zijn eerste opdracht voor Baath: generaal Kassem vermoorden. Maar de aanslag mislukt, vermoedelijk omdat Saddam de trekker te vroeg overhaalde. Volgt een onwaarschijnlijke vlucht die Saddam van Bagdad over Tikrit en Syrië naar Egypte brengt. Daar probeert hij een diploma rechten op zak te krijgen, maar zijn academische vaardigheden blijken ontoereikend. In Irak zelf wacht hem een doodvonnis in absentia.

Pas bij de ramadanputsch van 1963 wordt Kassem geëlimineerd. De Baath-partij is korte tijd aan de macht. Op het koninklijk paleis is officier Saddam, intussen weer in Bagdad, actief als verhoorder, als folteraar zeg maar. Maar lang zal hij zijn positie niet bekleden. In het Irak van die dagen wisselt de macht met de regelmaat van een klok, en in 1964 belandt Saddam opnieuw in de cel. Het apparaat is nu in handen van de groep officieren rond president Abdul Salem Aref. Als die in 1966 bij een auto-ongeluk om het leven komt, neemt premier Hassan al-Bakr Saddam onder zijn hoede en wordt hem de organisatie van de gewapende ondergrondse groepen van Baath toevertrouwd, de kiemen van wat later Saddams geheime dienst zal worden, een machtsfactor die voortaan binnen de intieme kring rond Saddam zal blijven.

Op 14 juli 1968 worden de restanten van Arefs regime evenwel op hun beurt met een putsch weggeruimd en ziet Saddam zijn kans om schoon schip te maken met potentiële rivalen. "Israëlische spionnen" worden uit de weg geruimd, couplustige officieren publiekelijk terechtgesteld en vijanden van Saddams broodheer Hassan al-Bakr geëlimineerd. Het ziet ernaar uit dat de echte macht in Irak met de dag meer in de handen van Saddam ligt.

In 1973, nadat hij al enkele groten der aarde, zoals sovjetpremier Kosygin, bij zich over de vloer gehad heeft, wordt Saddam Hoessein Iraaks vice-president, al weet iedereen op dat moment al dat hij de touwtjes echt in handen heeft. Hij is het ook die de nationalisering van de Iraakse oliebronnen voor zijn rekening neemt: een cruciale beslissing die de landelijke olie-inkomsten verveelvoudigt en Irak vanaf 1976 in staat stelt zich enige grootmachtallures toe te meten: Saddam lanceert een programma voor de aanmaak van nucleaire, chemische en bacteriologische massavernietigingswapens en beslist het conventionele wapenarsenaal gigantisch uit te breiden. De sfeer in de regio is er dan ook naar. Israël geldt als de historische aartsvijand. Zijn de Iraakse betrekkingen met Syrië, Iran en de Sovjet-Unie nu eens beschaafd, dan weer bikkelhard, de meeste Arabische landen liggen met Bagdad overhoop. Na de Syrische inval in Libanon ligt ook de ideologische verwantschap tussen de Syrische en de Iraakse Baath-partij voorgoed aan diggelen. Als Saddam in 1980 Iran binnenvalt en Damascus de Iraniërs steunt, worden de diplomatieke bruggen tussen Syrië en Irak opgeblazen.

De luttele communisten op wie hij nog geen jacht gemaakt heeft, heeft Saddam intussen verleid om tot Baath toe te treden - om hen zo makkelijker te controleren, onschadelijk of koud te maken. Maar zelfs binnen de Revolutionaire Commandoraad aarzelt Saddam niet om lastige rivalen van zich af te schudden, soms zelfs eigenhandig te vermoorden. Op 16 juli 1979 stuurt hij in een verkapte paleisrevolutie zijn beschermheer Bakr met pensioen en neemt hij diens functies over: president van de Republiek, voorzitter van de Revolutionaire Commandoraad, eerste minister, secretaris-generaal van Baath, opperbevelhebber van het Iraakse leger zonder ooit aan een militaire academie te hebben gestudeerd.

Met de boeren van Tikrit en zijn eigen clan als toeverlaat en de soennitische gemeenschap als vertrouwensgroep installeert Saddam zijn persoonlijke dictatuur. Meer dan ooit tevoren wordt de moord op tegenstanders of wie hij als dusdanig beschouwt Saddams beproefde machtsrecept.

Maar zijn ambitie om na Nasser de tweede grote leider van de moderne Arabische wereld te worden, moet Hoessein opbergen. Al heeft Irak door de rijkelijke olie-inkomsten een levensstandaard bereikt die in de regio zijn gelijke niet kent en geniet Saddam nogal wat buitenlands krediet vanwege de Iraakse volksgezondheids-, woningbouw- en onderwijsprogramma's, het vredesproces tussen Israël en Egypte is een streep door de rekening. Het Egyptische isolement door de Arabische Liga, een initiatief van Saddam, is geen lang leven beschoren.

Maar verder naar 1979-'80, de jaren waarin Saddam Hoessein de door de nationaliseringen in de oliesector veroorzaakte rel tussen Irak en de Verenigde Staten definitief lijkt te kunnen begraven. In buurland Iran is ayatollah Khomeini aan de macht gekomen en is de islamitische revolutie een feit. In die gewijzigde context is de seculiere Saddam voor de VS een godsgeschenk. Washington, waar het nog prille reaganisme intussen de plak zwaait, steekt zijn tevredenheid niet onder stoelen of banken over de anti-Iraanse taal die in Bagdad wordt gesproken. Een gezant van Reagan komt zowaar naar Bagdad overgevlogen en biedt Saddam een rist niet te versmaden en lucratieve contracten aan: voor de aanmaak van chemische en andere wapens, voor de verdere industrialisering van Irak. Een jaar later komt die zelfs nog een keer terug, met nog concretere voorstellen. De gezant luistert naar de naam Donald Rumsfeld. "He's a son of a bitch", heet het in de Washingtonse jaren tachtig, "but he's our son of a bitch." Zo komt het dat Washington bepaald geen protestgeluid laat horen als Saddam in 1988 gifgas inzet tegen de opstandige Koerden van Halabja en tegen het Iraanse leger. Niet eerder dan vijftien jaar later daagt het de VS: "Saddam heeft zijn eigen volk vergast!"

Saddams oorlog tegen Iran eindigt onbeslist in 1987. Er zijn een miljoen doden gevallen, tweehonderdduizend tot driehonderdduizend aan Iraakse kant, de schatkist is leeg, het land is uitgeput, de economie verwoest. De kosten voor de wederopbouw, zo'n 230 miljoen dollar, en de afbetaling van de Iraakse schuld die bij de Golf-monarchieën uitstaat, nog eens 85 miljoen dollar waarvan drie vierde in de aankoop van wapens verdwijnt, brengen de financiële balans danig uit evenwicht. Tot overmaat van ramp bedragen de Iraakse olie-inkomsten in 1989 amper veertien miljoen dollar. Pogingen van Saddam om de Golf-staten niet boven de toegelaten quota te laten produceren en zo de olieprijs weer op peil te krijgen, blijken een slag in het water. Bovendien verstoort de demobilisering van honderdduizenden soldaten de maatschappelijke orde en ontstaat er een klimaat van sociale onrust.

In de hoop zijn beschadigde blazoen op te poetsen, en vooral omdat hij bepaalde uitingen van VS-ambassadeur April Glaspie als een impliciete instemming beschouwt, valt Saddam in augustus 1990 de Golf-staat Koeweit binnen. De nederlaag die Irak nu wacht, luidt het begin van Saddams einde in: met een zelden geziene, door de VN-Veiligheidsraad onderschreven internationale coalitie onder leiding van de VS wordt zijn leger Irak weer ingedreven. Voor het Iraakse volk begint een periode van bittere beproevingen: het omstreden VN-embargo katapulteert het land naar het pre-industriële tijdperk terug. De humanitaire noden groeien met de dag. Voor iedereen, behalve voor de clan van Saddam, het verhaal is genoegzaam bekend.

Zijn machtsinstinct heeft de leider geleerd dat zijn omgeving hem trouw blijft zolang ze in de winst kan delen. Steeds vaker koopt hij de loyauteit van zijn medestanders. Het embargo, en de door zijn zoon Uday gecontroleerde oliesmokkel die daar het gevolg van is, stelt hem in staat op gigantische schaal luxeartikelen en wapens het land binnen te krijgen.

Hoe zit het trouwens met dat clan- en familieleven van Saddam? De spanningen binnen de familie, met als dramatische hoogtepunt de veelbesproken moord op Saddams uit Jordanië teruggekeerde neven Hoessein Kamel en Saddam Kamel al-Majid, lijken een kleine doorslag van wat in Irak op grote schaal gebeurt. Neem de gebeurtenissen van 18 oktober 1988. Op een chic feestje op een eiland in de Tigris komt Saddams oudste zoon Uday binnengestormd. Voor de ogen van de echtgenote van de Egyptische president Hosni Moebarak schiet hij er een vertrouwensman van zijn vader dood, het heerschap dat de contacten legde tussen Saddam en diens toekomstige tweede echtgenote Samira Fadel Shahbandar. Saddam Hoessein draait stoute Uday de nor in maar schenkt hem later, "op verzoek van het volk", gratie. Want wat had Uday anders gedaan dan "de eer van zijn moeder gewassen", Saddams eerste vrouw en rechtstreekse nicht Sakhida Tulfah, de dochter van zijn oom?

Ach, Uday was Saddams eerstgeborene en mocht in die zin wat meer dan de rest van de familie, alle excessen waren hem geoorloofd: 's lands nationale voetbalploeg afranselen wegens slecht gespeeld, bijvoorbeeld, een gevreesd privé-leger van 15.000 manschappen opzetten (de 'Fedajien van Saddam'), een verzameling peperdure sportwagens aanleggen of de zwarte markt naar zich toe halen.

Uday Hoessein lag overigens bijna zijn hele leven lang overhoop met zijn jongere broer Qusay. Uday, die in 1996 het slachtoffer van een moordcomplot wordt maar niet sterft, moet maandenlang het bed houden. Qusay, diplomatischer dan zijn oudere broer maar niet minder doortrapt, profiteert van Udays bedlegerigheid om enkele 'staatszaken' naar zich toe te trekken. Ook Qusay wist een eigen leger uit te bouwen, de Speciale Republikeinse Garde. Was aanvankelijk Uday voor Saddams opvolging voorbestemd, dan leek Saddams voorkeur de jongste jaren naar Qusay te gaan. Qusay was het in ieder geval die de zogenoemde familieraad voorzat, het orgaan waarbinnen de vermoedelijk aan lymfkanker lijdende en met chemotherapie behandelde Saddam zijn potentiële opvolgers hun respectieve rivaliteiten liet uitspelen. Saddam zelf stond er vooral op dat de Iraakse macht in handen van de Tikriti's zou blijven. Nu zijn regime gevallen is en behalve zijn beide zonen ook de Iraakse leider zelf er geweest is, zal de geschiedenis Tikrit zo gauw nog niet een nieuwe rol laten spelen.

"Het regime van Saddam is voorbij", heeft George W. Bush de voorbije maanden herhaaldelijk gesteld. Gisteren heeft hij kennelijk gelijk gekregen.

Lode Delputte

Bronnen: Frankfurter Rundschau, Cidob.

Met de boeren van Tikrit en zijn eigen clan als toeverlaat installeert Saddam zijn persoonlijke dictatuur. Meer dan ooit wordt de moord op tegenstanders Saddams beproefde machtsrecept

Washington laat bepaald geen protestgeluid horen als Saddam in 1988 gifgas inzet tegen de opstandige Koerden van Halabja en tegen het Iraanse leger. Niet eerder dan vijftien jaar later daagt het de VS: 'Saddam heeft zijn eigen volk vergast!'

Uday was Saddams eerstgeborene en mocht al wat meer dan de rest van de familie: 's lands nationale voetbalploeg afranselen wegens slecht gespeeld, bijvoorbeeld, een gevreesd privé-leger van 15.000 manschappen opzetten, een verzameling peperdure sportwagens aanleggen of de zwarte markt naar zich toehalen, Saddam zag het allemaal door de vingers

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234