Dinsdag 13/04/2021

Moment nu, monument

'Poëzie kennen we allemaal, schrijvende dichters. Maar Simon is anders. Hier heb je iemand met een uitzonderlijke taalbegaafdheid in alles wat hij doet.' Het lijkt wel alsof Edith Vinkenoog het over een niet erkende ziekte heeft. En dat is in zekere zin ook zo. Haar man heeft het onder de leden: 'Geluk, je zou willen dat het besmettelijk is.' Des zomers huppelt hij door zijn volkstuintje in Noord-Amsterdam, plukt hij de dag met Edith, tikt hij invallen op een ouderwetse typemachine. Simon Vinkenoog, het Gezicht van de Vijftigers, wordt volgende maand zeventig. 'Ach Vijftig, ik krijg er binnenpretjes van als ik hoor wat daar allemaal van gemaakt wordt.' Laat hem maar fladderen, deze jonge ouwe man. Straks gaat er weer een eeuw open. 'Toekomst genoeg, zelfs al gaan we dood.'

Filip Rogiers / Foto's Stephan Vanfleteren

Dat hij het op den duur een tikkeltje vervelend gaat vinden, kun je hem niet kwalijk nemen. Hij blijft beleefd herkauwen wat al in honderden scripties en boeken staat, maar zijn ogen beginnen na de zoveelste vraag over de Vijftigers, Parijs en Cobra af te dwalen. Naar de planten in zijn tuintje, naar zijn fazant Janus die parmantig graantjes pikt en naar een mus die hetzelfde wil doen met onze borrelhapjes. Er is per slot van rekening al een heel mensenleven overheen gegaan, sinds hij het verstikkende naoorlogse Nederland verliet voor Parijs. Over drie jaar zal het een halve eeuw geleden zijn dat hij een splinterbom in de Nederlandse letteren gooide met de bloemlezing Atonaal. Hugo Claus, Lucebert, Gerrit Kouwenaar, Hans Andreus, Bert Schierbeek en Vinkenoog zelf zetten zichzelf zonder gêne bij in de galerij van de groten. Veertig jaar al wordt hij gevraagd om te praten over die dolle jaren, over die poëzie die niet meer gehoorzaamde aan rijm noch metrum, syntaxis noch smaak. "Dat was het, jááá. Een explosie van taal. Een splinterbom van beeld en klank. O o, wat je allemaal kon doen met die taal!"

Nog altijd. Er valt nog altijd ergens wel iets te noteren of te declameren. Vergeet nu even die vergeelde foto's, dat gedicht van toen, kijk om je heen. Naar de kleurenpracht van het perceeltje waar Vinkenoog in het tuinencomplex Buitenzorg 's zomers woont. Het huisje waarin hij met Edith al bijna tien jaar een sprookje beleeft, lijkt op een scheepskajuit. Als je je door de struiken een weg baant, kom je bij een tweede huisje, de werkkamer van Simon. Hij heeft het schaamteloos Eden gedoopt. "Godallemachtig, ben ik blij dat hij niet het soort mannetje is dat om zes uur 's ochtends opstaat en voor het blanco papier gaat zitten," zegt Edith.

Vijftig had alles te maken met een tabula rasa, een streep onder het verleden met dat monsterhoofd dat oorlog heette. Al in 1971 schreef Vinkenoog: "Er is zo weinig te eksperimenteren met het verleden, (...) terwijl datgene wat je nù aan het doen bent, zwanger gaat van wat komen zal." Maar sinds die jaren vijftig is het precies alsof hij half in het nu leeft, half voorheen. Nieuwsgierige studenten en journalisten dwingen hem in die schizofrene houding, die hij zelf eens omschreef als: "Ik ben een monument en een moment-nu!"

Als het over dat laatste gaat, verdwijnt de lichte verveling uit zijn blik. Dan schatert hij het uit, kletst erop los, gooit zijn armen alle kanten op, presenteert de doos met marihuana zoals andere heren op leeftijd de sigaren. "Memoires? Ik denk er niet aan. Later misschien, als ik niet meer uit de voeten kan, blind en kreupel in een stoel zit, dan zal ik ze misschien dicteren aan Edith."

Sinds ze elkaar tien jaar geleden leerden kennen, en trouwden - Simons zesde huwelijk -, delen ze elk moment. Ook interviews. Simon wordt straks zeventig, zij is 26 jaar jonger. Of het niet naar is, om de toekomst te zien slinken? Ouderdom is toch onverbiddelijke wiskunde, en met verbeelding hou je de man met de zeis toch niet weg?

"Totáál fout! Er is nog toekomst zat," barst Simon los. "De dood is toch het grootste wat er is. Het is de allermachtigste natuurervaring waar de mens na zijn geboorte mee in aanraking komt. De toekomst, die ligt in die sfeer waar Pierre Teilhard de Chardin het al over had, die sfeer waarin alles zowel materieel als geestelijk is. Alle lichaamscellen zijn doordrongen van geestelijke inhouden. Ach, ik noem het liever geen vergeestelijking, want dan gaan de mensen al snel zeggen dat je zweeft. Maar het is al in het begin van de eeuw gezegd: de grenzen tussen leven en dood zullen wijder worden, en dat is ook gebleken met al die mensen die bijna-doodervaringen hebben gekend. Je hebt nu verenigingen van paranormale kinderen, en een blad rondom de dood, Doodgewoon. Die dood gaat langzaam deel uitmaken van de recycling die leven is. Nee, het is helemaal geen nare gedachte voor mij."

En voor Edith? "Toen we trouwden, heb ik onmiddellijk mijn baan opgezegd. Wie zal het zeggen hoeveel gelukkige jaren er nog komen? Je denkt er niet aan. Nou, iedere dag wel heel even. Misschien ben ik wel de eerste die doodgaat. We maken geen plannen voor de dag van morgen, en 's zomers komen we hier genieten. Je wordt hier bescheiden. Het is een heerlijk gevoel om ieder jaar uit die kale zwarte grond al die planten te zien opschieten. We leven zeer intens met de seizoenen, maar vooral zeer intens als man en vrouw. Als Simon dood is, zal ik nooit een moment spijt moeten hebben dat ik niet genoeg van 'm genoten heb. Verdriet kan ik best alleen verwerken. Maar geluk in je eentje, dat bestaat niet. Dat moet je delen."

Simon: "Méér, je wilt het besmettelijk maken, overdraagbaar tegen alle virussen in. Er kan altijd een idioot langskomen die te hard rijdt en je van de weg maait. Als je die kwetsbaarheid beseft, word je tegelijkertijd onkwetsbaar. Je hoeft nergens bang voor te zijn. Wat moet gebeuren, gebeurt. Expect the unexpected any moment. Wees tot alles bereid. In de jaren zestig heb ik parachute gesprongen. Dat gevoel van je te kunnen loslaten, dat gaat elke meditatie of sensitivity training te boven. Ik ben ook altijd in het leven zelf gesprongen. Ik ben nooit zo'n workshoptype geweest."

De jaren vijftig en zestig, van de provo's tot de hippies. Er was zoveel vrijheid blijheid dat er brokken werden gemaakt. In alle ernst geloofden Vinkenoog en zijn generatiegenoten eind jaren vijftig dat alle oorlogen zouden ophouden als iedereen zich maar tot de LSD bekeerde. Geloofden ze het echt, of negeerden ze gewoon moedwillig de donkere kant van de maan? Zes huwelijken, dat wijst toch ergens op. En een van Simons kinderen zei ooit: "We hebben geen opvoeding gehad. Het enige wat we geleerd hebben is Engels". Simon: "Ach dàt. Dat was een boutade." Maar toch, in hoeverre was zijn grenzeloze lofzang op het leven ("Ik houd een gedachte hoog / Ik speel met een idee. / Ik verbrand energie. / Ik kreëer, d.w.z. / ik herschep") geen vlucht, een fluiten in het donker? Simon sputtert tegen. We hebben het niet begrepen. "Vluchten is zo'n lelijk woord. De meeste mensen denken dat je moet kiezen tussen vluchten of vechten. Alsof daar niets tussen is. Maar ja, je beseft op zeker ogenblik wel dat je vrijheid ophoudt waar ze die van een ander aantast. Soms kwetste ik weleens iemand. Jij hebt het over vrijheid blijheid, nou, ik heb wel meegerouwd ook hoor. Ik ontken de droefheid van de wereld helemaal niet. De jaren vijftig vormden toch ook een heel zwarte periode, ook al werd er gefeest. Zoals Bertolt Brecht zei: 'Ook in droeve tijden wordt gezongen.' Juliette Greco zong ook in die dagen, en opgeruimd was dat helemaal niet. Er was de koude oorlog, de uitzichtloosheid.

"Het was een interessante tijd. Het was het begin van de happenings waar naderhand provo uit ontstond. Er werd geëxperimenteerd. Aatje Veldhoen reed met een bakfiets door de straten om pornografische prenten aan de man te brengen. Het was alsof iedereen een held in een opera was toen. Dertig jaar mei '68, en wij waren wegbereiders, hoor ik nu zeggen. Ja, zal wel.

"De jaren zestig vormden een samenballing, en ik heb de indruk dat er nu weer zo'n moment aankomt, dat de samenleving om de zoveel jaren eens moet vervellen. Ik heb de indruk dat de mens nog maar voor zijn geboorte staat. Dat hij nog echt wakker moet worden. Want ga de wereld maar in, het is een krankzinnigengesticht. Dat die afspraken nog allemaal functioneren, het is allemaal waanzinnig toneel, zoals dat loze gouden-kalfsspel op de beurzen. Wat dat betreft ben ik altijd een situationist gebleven. La transcendence du spectacle, blijf alles wat er gebeurt zien als een spel. Eigenlijk komt het erop aan te vertrouwen op je eigen krachten en niet meer te hopen op verlossing van buitenaf, niet te wachten op ideologieën of iemand die je vertelt hoe het moet. Maar vluchten? Nee, dat is het niet.

"Niemand van mijn generatie heeft zich ooit in de politiek gestort of in het massameeting-protestwezen. Harry Mulisch is wel naar Cuba gegaan om er Fidel Castro te gaan bejubelen. Ik hoorde van Allen Ginsberg dat het eerste wat Castro deed, was de hennepvelden platbranden en de homoseksuelen gevangen zetten. Dat was voor mij dus niet zo'n bevrijding. Ik wil tot geen enkele sekte behoren. De revolutie speelde zich af in de taal. Daar was het ons om te doen, daar vonden we de vrijheid. Iets wat van het papier af de werkelijkheid in ging, zoals dichters ook meer naar buiten begonnen te komen om hun gedichten voor te lezen in plaats van die woorden te laten verstillen op papier.

"Zijn we zowat rond, dan?" Hij blikt verlangend de tuin in.

Tja, vrijheid blijheid," zucht Edith als Simon met de fotograaf in zijn Eden is gedoken. "Het is wel zo dat Simon en zijn bentgenoten als geen ander getrouwd, getrouwd en nog eens getrouwd zijn. En dan denk je: jeetje, was dat zo gemakkelijk. Ik vind het heerlijk om nu met een oudere man samen te wonen. Die heeft dat haantjesgedrag lang en breed achter zich gelaten. En vluchten? Nee. Simon huilt veel. Natuurlijk ontkent hij de donkere kant van de maan niet. Verre van. Hij wordt nog elke dag triest van de ellende die hij ziet. Indonesië, Kosovo. Dat zo één mannetje kan bepalen dat de mitrailleurs ergens overheen gaan, zichzelf kan verrijken en dat de grote massa daar niets aan kan doen. Als je dat goed tot je laat doordringen, huil je erbij. En dat doet Simon vaak. Hij is er zich ontzettend goed van bewust dat hij geboft heeft in het gezicht van al dat ongeluk op de wereld. "Hij zegt weleens: 'Ik kom uit die oorlog, armoe troef, geen familie waar ook maar iets uit leek te kunnen groeien, en waarom kwam ik dan toch uit die pijp gekropen en zovele anderen niet?' Dat wil hij delen. Als een gezelschap naar Simon heeft zitten luisteren, is iedereen een beetje flabbergasted, stomverbaasd. Je merkt dat er iets is gebeurd."

En er gebeurt nog altijd iets. Vinkenoog verzamelt nog altijd alles wat hij ziet en hoort. Draagt op een podium net zo graag eigen gedichten voor als - in zangerig Nederlands Engels - wereldpoëzie. Hij heeft ook zijn nieuwsgierigheid altijd willen delen. Zijn buren op Buitenzorg horen hem vaak over de heg in drie talen declameren. Zelf gaat hij regelmatig met Edith luisteren naar de poëzie van de bingospelers in de tuintjeswijk. Niets is hem te min, niets te groot. Dat hebben zijn collega-Vijftigers ook altijd in hem bewonderd. Simon organiseerde, hij bracht samen, zette in Parijs zijn deuren open voor bekaaide vrienden - hij was een van de weinigen die geen zwarte sneeuw zagen dankzij een baantje bij de Unesco.

Ironie: hij ziet tegenwoordig op veilingen het oude pakpapier terug dat hij wegschonk aan zijn vrienden schilders die geen geld hadden om doek te kopen. Zelf heeft hij geen pensioen, geen levensverzekering, leeft hij van klusjes. Voor zijn oud pakpapier, en wat Corneille of Karel Appel daar op tevoorschijn toverden, wordt tegenwoordig een fenomenaal veelvoud neergeteld van wat zijn eigen dichtbundels moeten kosten (als je ze nog ergens vindt). Simon, vrolijk: "Ik heb niets meer. Ik ben altijd bekaaid gebleven. Ik heb knarsetandend afstand moeten doen van dingen die nu zoveel meer waard zijn. Maar kijk eens hoe zonnig en rijk en gelukkig ik er nu bij zit." Atonaal heeft de naam van vele dichters gemaakt die ook voor hun recente werk nog erkenning genieten. Vinkenoog schrijft veel, maar heeft jarenlang geen gezaghebbende uitgever meer gevonden. De Bezig Bij brengt nu voor zijn zeventigste verjaardag drie oude prozawerken (Hoogseizoen, Zolang te water, Wij helden) in één deel uit. De enige literaire prijs die Vinkenoog ooit won, de 's-Gravesandeprijs, kreeg hij niet voor zijn eigen werk, wel "voor zijn verdiensten ter stimulering van de aandacht voor de poëzie".

"So what?" zegt hij kortaf. Zijn blik dwaalt opnieuw af naar de tuin. We hebben het nog altijd niet begrepen: dat er leven is buiten de bladspiegel, een ander soort dichterschap.

"Niets is leuker dan mensen over de drempel te helpen. Ik ben hier ooit in een buurtcentrum begonnen met een workshop poëzie. Ik reikte de thema's aan, zij schreven. En je mopperde dan niet over wat goed of slecht was. Het ging erom dat die mensen de dichter in zichzelf ontdekten. Breng iets aan, maak iets los, laat de engel van de stilte over je neerdalen en zie wat er bezit van je neemt. Want ja, er zijn er nogal wat hè, dichters."

Edith: "Ook mensen die zich dichter noemen en het absoluut niet zijn."

Simon: "Ja, die denken dat het alleen maar om het blootleggen van emoties gaat. Of dat het moet rijmen, of ze zoeken het in het cerebrale. Later merk je dan dat ze nog nooit andermans gedichten hebben gelezen. Ik heb vier jaar middelbaar onderwijs gevolgd en voor het overige ben ik autodidact. Ja, ik was een spons die alles met volle teugen opzoog. Maar er is ook iets uit die spons gekomen. Het is een in- en uitademen. Elke dag leer je iets, uit de krant die je openslaat, van de mensen die je ontmoet."

Aanstekelijk, we zeiden het al. Al wordt er weleens bijgezegd dat hij zelf te snel schreef. Jan Cremer noemde hem ooit "de ongebakken deegsliert Vinkenoog". En Annejet van der Zijl, in HP/De Tijd, had het over een "culturele kwikstaart die alles even aanraakte, maar vervolgens weer verder fladderde naar het volgende dat zijn oog trof". Een inspirator, maar...

"Niks te maren. Ik ben meer dan dichter. Er is er maar één van mij. Ieder probeert op zijn eigen manier een bewust individu te zijn. Ik ontdekte op zeker moment dat overal ter wereld interessante mensen samenkwamen, en dat ik er niet bij was. Toen ben ik zelf maar op zoek gegaan. Het levenslot heeft bepaald dat ik interessante mensen zou blijven tegenkomen. En dat het nooit meer zou ophouden. Altijd kwam er weer iemand anders met iets aandragen."

Edith: "Het is natuurlijk zo dat dichters als Lucebert, Claus of Remco gewoon beter zijn dan Simon. Dat vinden wij zelf ook. Maar die hebben zich dan ook meesterlijk in die stiel bekwaamd. Simon is overal inzetbaar. Als die of die vriend een expositie opent, staan ze voor de deur. Als een krankzinnigengesticht zijn deuren sluit, of een bibliotheek vijftig jaar bestaat, als een middelbare school over de jaren zestig wil horen vertellen: Simon staat er."

Simon: "Ja, maar wel met een dichterlijke vrijheid."

Edith: "Natuurlijk, jij beheerst gewoon de taal op een manier zoals wij dat niet doen, en je weet bij te dragen aan de feestvreugde. Kom daar maar eens om bij een verlegen Hugo Claus, of een Lucebert die nooit de deur uitkwam. Wie gaat er alle gevangenissen in Nederland af? Wie heeft er bij elk dispuut op welke universiteit dan ook zijn zegje gedaan, jaar in jaar uit? En dat met een vuur en een improvisatietalent waar ik nooit genoeg van krijg. Een spraakwaterval is hij. Soms schrijft hij wel eens een tekstje voluit."

Simon: "Ja, een gelegenheidsgedicht. En orale gedichten."

Edith: "Hij is altijd in topvorm, heeft er altijd zin in. Samen de baan op, niets is zo heerlijk. We hebben onlangs drie dagen door België getoerd zonder één stoplicht tegen te komen. Mooi om mee te maken hoor. Ja God, en dan ben je maar een ander soort dichter. Een gelegenheidsdichter."

Simon: "Natuurlijk, maakt niet uit zeg. 'Es müssen alle Gelegenheitsgedichte sein,' heeft Goethe gezegd. Dat heb ik van Gerrit Achterberg gehoord, en zeer goed onthouden. Gedichten werden vroeger geschreven als een schip te water werd gelaten, bij de geboorte van een kind, het leggen van de eerste steen, bij een overlijden, er waren altijd aanleidingen. Ja, ik fladder graag naar het volgende. Kijk maar, ik haal de marihuana." Hij veert overeind en verdwijnt in zijn kajuit.

Edith: "Toen Simon zestig werd, zei Rik Zaal in Elsevier dat de levenswandel van Simon Vinkenoog later meer zal zeggen over de jaren zestig dan de hele literatuur die er al over geschreven is. En dat kan ik me wel voorstellen. Academici komen vooral om over die zaken te praten. Maar voor het overige is hij een vraagbaak voor alles. Hij vindt het enig om zijn stem te mogen laten horen. En hij blijft het een voorrecht vinden. Ook dat is zo geweldig aan die man: hij is nooit blasé geworden. Hij heeft zich misschien ooit wel een beetje miskend gevoeld. Nee, dat is te sterk uitgedrukt, hij vond het gewoon jammer dat mensen die alleen maar denken aan wat literatuur is niet verder keken dan de bladspiegel. Dat ze niet ook eens dachten aan wat iemand doet met een taalbegaafdheid.

"Hij maakt de mensen wakker voor poëzie, dat is een van de opdrachten die hij zichzelf gegeven heeft. En daarom raakte hij ook met zoveel mensen bevriend. De naam Simon Vinkenoog zegt veel hippe Amerikanen nog heel wat. Simon was de gastheer als die jongens zoals Allen Ginsberg hier waren. Daar zal je hem nooit over horen opscheppen. Hij stond met iedereen op goede voet. Als er iemand dood is van die generatie, staan ze hier altijd op de stoep. Ze weten dat Simon makkelijk spreekt. Tegenwoordig zeggen we wel 's vaker nee."

Daar fladdert Simon weer het terras op. Vol leven buiten de bladspiegel, buiten het bereik van de bandrecorder. "Laatst kreeg ik van de Nederlandse televisie zo'n handig cameraatje mee waarmee ik een homevideo van drie minuten mocht maken. Ik liep eerst wat te kuieren langs mijn boekenkast en de kunstwerken die ik hangen heb. Maar het is uiteindelijk drie minuten Janus geworden, graantjes pikkend. Een fantastisch beest hoor."

De Bezige Bij-uitgave waarvan in het interview sprake (Zolang te water/Wij helden/Hoogseizoen, ca. 500 p., 900 frank) verschijnt volgende maand.

'Je hoeft nergens bang voor te zijn. Wat moet gebeuren, gebeurt. Wees tot alles bereid''Niets is leuker dan mensen over de drempel te helpen, de dichter in zichzelf te laten ontdekken'

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234