Dinsdag 20/10/2020

InterviewWorking class heroes

Mohamed Ridouani: ‘Het CLB ging ervan uit dat ik nooit verder zou springen dan mijn ouders, ondanks al mijn goede rapporten’

Beeld Wouter Van Vooren

Wat als je met een achterstand aan het leven begint? Hoe krijg je die ongelijkheid afgeschud? En welke littekens blijven een leven lang schrijnen? We zochten de antwoorden bij working class heroes, arbeiderskinderen die zich met talent en geluk op de sociale ladder hebben opgewerkt maar onherroepelijk gevormd zijn door het milieu waarin ze zijn opgegroeid. Helaas zijn zij de uitzonderingen: de kloof tussen arm en rijk wordt groter, één op de zeven kinderen groeit in armoede op, working class heroes worden steeds zeldzamer.

Dat Mohamed Ridouani (41) als zoon van een gastarbeider een lange weg heeft afgelegd voor hij burgemeester van Leuven werd, is een understatement. Net voor ik hem spreek, wandel ik langs de Mussenwijk, de arbeiderswijk pal in het centrum van Leuven waar hij opgroeide. Het ziet er een lieflijke buurt uit: de huisjes hebben pastelkleuren gekregen en worden nu vooral bewoond door middenklassegezinnen.

Mohamed Ridouani: “Wij woonden in de Jozef II-straat, samen met twee oudere broers van mijn vader: drie gezinnen onder één dak, zes volwassenen en negen kinderen. Elk gezin had een kamer, in de kelder was de gemeenschappelijke keuken. Pas veel later hadden we ons eigen huisje.

“Mijn vader is in 1969 naar hier gekomen, hij was zestien jaar. In Marokko heerste hongersnood, terwijl België goedkope arbeidskrachten zocht. Hij kwam uit een grote familie die als één huishouden werd gerund en waar alles heel gestructureerd verliep. Mijn vaders taak was ’s nachts in het bos hout sprokkelen, hopend dat hij niet door de boswachter werd betrapt, en het in de omliggende dorpen verkopen.”

Is hij naar school geweest?

“Nee, die kans heeft hij nooit gehad. Hij heeft zichzelf leren schrijven, in drukletters. We gingen elke zomer naar Marokko op vakantie: slaagde hij erin onderweg de plaatsnaamborden te lezen, dan vond ik dat straf. Mijn vader heeft zijn leven lang ’s nachts als betonpolierder gewerkt, een ontzettend zwaar beroep. Mijn moeder is hem gevolgd – gezinshereniging werd toegestaan. Ze was zeventien toen ik werd geboren, als oudste van zes kinderen. En dan plots, ik was twaalf en weet het nog goed, verscheen Filip Dewinter met zijn bokshandschoenen en racistische filmpjes. Op de VRT dan nog!”

Hoe kwam dat binnen?

“Knalhard. Wij dachten: wij liggen morgen buiten en moeten terug, terwijl wij hier geboren waren en Marokko alleen kenden als vakantiebestemming. Weet je, pas met Paula D’Hondt (Koninklijk Commissaris voor het Migrantenbeleid van 1989 tot 1993, red.) begon iemand zich met migratie bezig te houden, dértig jaar nadat de eerste gastarbeiders waren gearriveerd. En écht investeren in onderwijskansen, in migranten wegwijs maken in de samenleving, dat gebeurde nóg veel later, onder Dehaene II. De hele problematiek rond migratie trek je dan niet meteen recht.

“Ik beschouw mezelf niet als een referentie. Al heb ik wel het doorzettingsvermogen van mijn ouders meegekregen. Het idee van vooruitgang zit er diep ingebakken in onze familie.”

Wat was jouw grote geluk?

“Dat ons huis vlak naast het buurtcentrum De Straatmus lag. Het werd geleid door Ingrid Pira (Groen-politica en voormalig burgemeester van Mortsel, red.). Ik zeg zonder aarzelen dat dat mijn grote redding is geweest: er ging een nieuwe wereld voor me open, ik kwam er in contact met wijkwerkers en studenten. Zij hielpen me met lezen en schrijven, maar leerden me vooral dat ik mezelf mocht ontplooien en iemand worden. Ik nam later hun methode over voor mijn ‘buddy-project’, waardoor momenteel 1.500 kansarme jongeren door studenten en vrijwilligers worden begeleid in Leuven. Net zoals bij mij gaat dat niet alleen over hulp bij het schoolwerk, maar over iets véél essentiëlers. Voor die jongeren is er iemand die tegen hen zegt: ‘Ik geloof in jou.’ In middenklassegezinnen krijg je andere stimulansen, daar wordt gesproken over hogere studies en komt men in aanraking met cultuur en andere gewoontes. Maar voor de sociaal kwetsbaardere milieus is de vertrekbasis te smal: de culturele ladder die je moet beklimmen, is hoog en steil.”

Hoe was die voor jou?

“Héél steil. Bepaalde omgangsvormen kende ik niet, en dat kan heel intimiderend overkomen. Ik begon na mijn studies bij Deloitte als consultant, maar een restaurant had ik nog nooit bezocht. Ik zat met het koude zweet aan mijn eerste lunch, in mijn maatpak van de C&A, wat voor mij al een gigantische stap vooruit was.

“Mijn grote streven is dat iedereen, ongeacht zijn of haar achtergrond, zich kan ontwikkelen zoals hij of zij dat wil. En dat alle jongeren er geraken, en zeker ook de jongen die op de tiende verdieping van het Sint-Maartensdal (hoogbouwwijk in Leuven met sociale woningen, red.) woont, en zijn huiswerk in de zetel maakt omdat hij zijn kamer deelt met twee broers. Er is nog veel werk.”

Het lijkt wel een levensmissie.

“Dat is het zeker, en uiteraard komt die voort uit mijn ervaring. Ik geloof in de maakbaarheid van een samenleving, die genoeg voorziet om iedereen in een goede startpositie te brengen. Alleen hebben we die verruild voor de maakbaarheid van het individu: als je het goed doet, ben je geniaal. Als je faalt, ben je een sukkelaar en ligt het aan jezelf.

“En vergis je niet: het gaat niet alleen om ‘allochtone jongeren’, er zijn ook veel kansarme blanke jongeren. Daar gaat het om generatiearmoede: die zit nóg dieper. Het perspectief ontbreekt daar totaal: er is geen geloof meer dat het morgen beter zal zijn.”

Zoals in Kuregem en Molenbeek.

“Dat zijn geen kansrijke omgevingen om in op te groeien. Er is enkel frustratie. ‘Waarom zou ik mij nog inzetten?’, zeggen ze. Niemand heeft er nog het gevoel dat hij erbij hoort. (zucht)

Wanneer heb jij het gevoel gehad: ik hoor erbij?

“Dat is in stappen gebeurd. Eerst bij De Straatmus, maar ook toen ik halftijds bij de Quick begon te werken. Ik betaalde er mijn studies mee, maar het gaf me vooral een gevoel van vrijheid. Van veel zaken dacht ik altijd: ‘Dit is niet voor mij weggelegd.’ Zoals mijn job bij Deloitte, wat opnieuw een grote erkenning was. Maar de avond dat ik als burgemeester werd verkozen, op 14 oktober 2018, was dé bevestiging. Pas vanaf toen voelde ik: ‘Ik hoor er écht bij.’ Dat ze in Leuven voor iemand met de naam Mohamed kozen en geloofden in mijn verhaal, vond ik ongelooflijk. Ik voelde me volledig als mens.

“Ik breng mijn verhaal nu naar de jongeren: het is niet omdat jouw ouders geen diploma hebben, of gekleurd zijn, dat je je dromen niet kan waarmaken. We hebben in Leuven 171 nationaliteiten: ofwel polariseer je hierop en speel je ze uit elkaar, ofwel probeer je iedereen bijeen te houden. Het Vlaams Belang heeft minder voet aan de grond in steden die de samenleving inclusief maken. De verdraagzaamheid is er groter. Dat drijft mij.”

Wat betekende het burgemeesterschap voor je ouders?

“Ik ben in de politiek gerold. Louis (Tobback, red.) heeft me overtuigd: ‘Als je iets positiefs wilt betekenen in het leven van anderen, zul je wel in de politiek moeten gaan.’

“Mijn vader begreep niet dat ik mijn goedbetaalde job bij Deloitte opgaf voor een onzeker bestaan in de gemeentepolitiek. Nu vindt hij het ongelooflijk dat ik het hoofd ben van de politie. En uiteraard dat ik er überhaupt in geslaagd ben dit te bereiken. Terwijl ik het veel straffer vind dat hij als zestienjarige zijn berberdorp heeft verlaten en 4.000 kilometer verderop een leven heeft opgebouwd. Hij is oersterk, maar kreeg vorig jaar plots een beroerte. Dat die rots ineens zo kwetsbaar was, daar was ik kapot van. Hij wilde eerst niet naar de spoeddienst. Na zijn hele leven ten dienste te hebben gestaan van anderen, wilde hij zelfs nu niemand tot last zijn.”

Je cijferde jezelf ook al op heel jonge leeftijd weg voor je familie.

“Mijn vader kwam ’s morgens kapotgewerkt thuis, mijn moeder had met de kinderen genoeg om handen, en dus nam ik alles op mij. Als zesjarige bracht ik iedereen naar school, ik zorgde dat de inkopen werden gedaan, en ik regelde de administratie, voor de hele familie. Ik voelde me daar heel verantwoordelijk voor.”

Je hebt niet onbekommerd kind kunnen zijn.

“Het heeft me gevormd tot wie ik ben – ik heb er zeker geen trauma aan overgehouden. Ik was me zelfs van onze bescheiden omstandigheden niet bewust. Maar ik heb wel altijd een latente bezorgdheid gehad, die pas minder is geworden toen ik mijn vrouw leerde kennen. Er moest thuis altijd wat gebeuren. Altijd. Zorgen dat de kinderen op school werden ingeschreven, dat de belastingbrieven tijdig en correct werden ingevuld...

“Ik was de eerste mannelijke Ridouani van de tweede generatie en dat was wel een gebeurtenis. Vanaf dan werd er altijd naar mij gekeken.”

Als de chef de famille?

“Dat is overdreven, maar ik had wel het gevoel: jij moet het waarmaken. Er werd me een plichtsbesef duidelijk gemaakt: jij moet zorgen dat de dingen hier goed lopen. Wij zijn nog altijd sterk verbonden: wat hen kwetst, kwetst mij.”

Is die hechtheid kenmerkend voor de arbeidersklasse?

“Misschien. Ondanks onze bescheiden afkomst hadden we een rijk familieleven. Als we nu willen afspreken met vrienden, moeten mijn vrouw en ik onze agenda’s naast mekaar leggen. Vroeger ging de bel, stond er tien man voor de deur, en werd er meteen voor gezorgd dat er eten en drinken op tafel stond. Mijn nonkels en hun gezinnen liepen voortdurend binnen en buiten.”

Beeld Geert Van de Velde

GOEDE LEERKRACHTEN

Wanneer heb je voor het eerst een klasseverschil ervaren?

“Als kinderen coolere T-shirts hadden dan ik, of rondliepen met Nike Air Max-schoenen en ik het met de fake versie moest stellen. Ik voelde ook dat sommige kinderen andere ervaringen hadden, waarover ik niet kon meepraten.”

Hoe ging je daarmee om?

“Je zoekt leeftijdsgenoten op waarmee je wel je ervaringen kunt delen. Daarom blijven die verschillen bestaan.”

Dat is onbewuste uitsluiting.

(knikt) En daarom is het niet evident om uit die generatiearmoede te geraken. Maar als kind stel je je er niet zoveel vragen bij. Ik zie nog altijd de mensen waarmee ik ben opgegroeid. Ik ging naar het Atheneum van het Redingenhof, waar je aso, tso en bso had – een school waar alle sociale milieus vertegenwoordigd waren.”

Je was er de enige allochtone jongere in het aso. Het CLB maakte je duidelijk dat je je ambities moest temperen. Terwijl je nadien universitaire studies hebt gedaan en een bloeiende carrière had bij Deloitte.

“In mijn geval ging het CLB ervan uit dat het kind niet verder zou springen dan zijn ouders – ondanks de uitstekende rapporten die ik altijd had. Zulke vooroordelen zijn funest.”

Iemand met de naam Mohamed mocht geen grote dromen koesteren?

“Er is vooruitgang: vandaag is er meer gevoeligheid voor het diversiteitsverhaal, maar er is nog gigantisch veel werk. Door in een bescheiden omgeving op te groeien, was het al niet evident te denken dat je ergens recht op had. Ik ben onderweg mensen tegengekomen die me deden geloven dat er meer inzat.”

Zoals de manager van de Quick, die vond dat je wél voor universitaire studies moest gaan.

“Ik heb ook heel goede leerkrachten gehad die me op weg hebben gezet. Maar met persoonlijke inzet alleen was ik er niet gekomen, nee.”

Dat wil je benadrukken, want jouw verhaal leest als een sprookje.

“Rolmodellen zijn belangrijk, maar ik hoef niet als maatstaf gezien te worden. Men zegt al snel: ‘Zie je wel, hij is erin geslaagd, dan kan jij het ook.’ Zo eenvoudig is het niet, naast persoonlijke inzet zijn de mogelijkheden die je krijgt van de samenleving even belangrijk. En wat is succes? Ik pleit er niet voor dat alle kinderen universitaire studies moeten kunnen volgen of later met een Porsche rijden, wel dat ze hun volle potentieel kunnen waarmaken en kunnen groeien als mens.

“Mijn pad was zeker geen sprookje – de vooroordelen waren niet evident – maar daar put ik net kracht uit: er is een verbetenheid in me geslopen. Ik kan me daardoor ook gemakkelijker inleven in de verschillende milieus, en ervoor zorgen dat de sociale ladder minder steil wordt.”

Identificeer je je nog met het milieu waar je vandaan komt?

“Voor mijn identiteit heb ik eindelijk rust gevonden. Ik voel me zowel trots op mijn Marokkaanse roots als op mijn Vlaamse. Ik ben gezegend, ook door mijn job.”

Waarom vond je die rust voordien niet?

“Omdat ik altijd buiten mijn comfortzone zat. Ik was de eerste van de familie die hogere studies aanvatte, die een job in de bedrijfswereld had of die in de politiek ging. Ik was nooit op mijn gemak, maar ondertussen ontwikkelde ik me wel.

“Je ontgroeit onvermijdelijk je omgeving, maar ik ben altijd met iedereen blijven omgaan. Zowel met de mensen van de wijk Casablanca waarmee ik ben opgroeid, als met mijn medestudenten aan de universiteit, die uit welgesteldere milieus uit West-Vlaanderen komen. Vandaag behoor ik tot verschillende werelden. Maar ik ben nog altijd ‘de Mo’, zoals ze me vroeger noemden.”

In welke mate was racisme een hinderpaal?

“Je hoopt ergens bij te horen. Als je uit de arbeidersklasse komt en ook nog eens Marokkaanse roots hebt, is dat dubbel zo moeilijk. Op school viel dat goed mee, al vloog het woord ‘makak’ ook daar in het rond. Ik kon het niet verdragen dat ze dat tegen mijn jongere broer of zus zeiden. Zulke zaken werden geregeld aan de schoolpoort.

“Niemand van allochtone origine is gespaard gebleven van racisme. Toen ik ooit vol trots met mijn nieuwe fiets rondreed, werd ik achtervolgd door een man die me bleef uitdagen: ‘Waar heb je die gepikt?’ Zulke zaken vergeet je niet. Maar ik heb een goeie jeugd gehad, en van echte armoede ben ik gespaard gebleven: we leefden met beperkte middelen, maar er stond altijd eten op tafel.

“Weet je, ook racisme is deels terug te brengen tot dat gebrek aan migratiebeleid. Ik zou Paula D’Hondt graag eens ontmoeten. Zij is een inspiratiebron geweest.”

‘BIJT DOOR!’

Jij hebt ook de moeders – de spil van de allochtone gezinnen – weten te bereiken.

“Niemand lag er wakker van dat de ‘gastarbeiders’ geen Nederlands konden en dat hun kinderen niet regelmatig naar school gingen. Dat is de verantwoordelijkheid van de ouders, maar ook van de samenleving die hen ontvangt. Iedereen ging er destijds vanuit dat die migranten hier niet zouden blijven: de taal leren was niet nodig. Daarom begon ik met de moeders te werken. Vrijwilligers zijn de wijken ingetrokken om hen Nederlands te leren. Het was een inslaand succes. Er ging een wereld open voor die vrouwen: ze verstonden hun buren, en konden plots communiceren met de leerkrachten. Meer nog, ze werden mondig en eisten van mij dat ik voor betere voorzieningen zou zorgen voor hun wijk. Ze wilden meer groen, een bushalte, een crèche: ze dachten mee! We moeten net investeren in buurten waar er veel kwetsbaarheid is. Ik ben daarvan doordrongen. En als die context er is, dan kan ik naar de jongeren toegaan en zeggen: (slaat met vuist op tafel) ‘Komaan, ga ervoor!’”

‘De winnaar is de verliezer die nooit opgeeft’, zei je vader altijd. Impliceert dat dat je als verliezer start?

“Nee. Maar de helling is steiler. Ofwel rol je naar beneden, ofwel bijt je door. Ik voel me er verantwoordelijk voor om een kansrijke omgeving te scheppen. Tegelijkertijd wil ik ook zeggen: ‘Bijt door, het heeft geen zin je in een slachtofferrol te wentelen.’ De politiek bevestigt die rol soms te veel.”

Is het daarom dat je zo hard was voor je broer toen die even in de gevangenis zat?

“Ik was niet hard. De meesten van ons gezin hebben hun weg gevonden, één ervan heeft het moeilijk. Mijn broer heeft problemen gekend, en we proberen hem allemaal te helpen. Vandaag stelt hij het al veel beter.

“Onze samenleving hoort mensen die een fout hebben begaan en hun straf hebben uitgezeten, een tweede kans te geven. Zijn problemen met de politie gebeurden net voor de verkiezingen, en werden breed uitgesmeerd in de pers. ‘Wat wil je dat ik daarop zeg? Hij is en blijft mijn broer’, was mijn antwoord. Ik zou mijn broer nooit laten vallen, ik heb hem jaren elke morgen naar school gebracht.

“Bij veel mensen waarmee ik ben opgegroeid, is het misgegaan. Zo gaat dat met mijn achtergrond: als er niet voldoende kansen zijn, dan is het gauw beklonken.”

Herken je meteen iemand die uit een kansarm gezin komt?

(knikt) Ik heb er een zesde zintuig voor. Ik nodig weleens kinderen uit om op het stadhuis met mij te spreken. En dan zie ik het aan hun kledij en aan hun manier van spreken: de taalvaardigheid en assertiviteit ontbreken, ze zijn erg onder de indruk. Onlangs waren het kinderen van Pee & Nel, een basisschool waar de hele regenboog is vertegenwoordigd. Vooraf hadden ze me brieven geschreven: ‘Heb jij een tuin, of woon jij in een huis?’ De meesten wonen in het Sint-Maartensdal: die kennen dat niet. Ze hebben vooral te weinig slaapkamers.”

Die slaapkamer komt altijd terug.

“Een plek voor jezelf is heel belangrijk. Ik heb tot mijn 23ste thuis gewoond, en altijd een kamer gedeeld. Door mijn eigen ervaringen compenseer ik veel bij mijn kinderen. Onlangs zijn we zelfs een dagje gaan indoorskieën, onder lichte dwang van mijn vrouw. Het was voor mij de eerste keer: een Marokkaan op de latten, het blijft geen gezicht. (lacht)

© Humo

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234