Dinsdag 25/02/2020

Moeke met de rode mond

Meer dan tweehonderd schilderijen, talloze tekeningen en twee van de mooiste bronzen beelden die de jonge twintigste eeuw heeft voortgebracht... Rik Wouters kreeg er nauwelijks de tijd voor. Vijftien jaar werkte hij als een bezetene, en toen was het voorbij. Kanker. Een ruim retrospectief in Mechelen mag nog eens zijn levensverhaal vertellen.

Rik Wouters (1882-1916) tekende en schilderde alsof hij een dagboek hield. Portretten van een vrouw, interieurs, een zeldzaam landschap, kunstenaarskoppen, taferelen uit de kampen waar hij als krijgsgevangene verbleef. De dingen van elke dag, ja. Hoe de stralen van de zon door het raam vallen en de jurk van een lezende vrouw doen trillen. Hoe het licht zijn weg zoekt van schilderij naar schilderij. "Als een jarenlang aarzelende zonsopgang," schrijft Bernard Dewulf in het Nieuw Wereldtijdschrift. Dichters hebben altijd gelijk.

In een brief vat de schilder zijn programma samen: "Wat mij betreft, leven dat is schilderen, boetseren en teekenen, zo eenvoudigweg als eten. Ik heb slechts één model: de natuur. Hare schoonheid is oneindig, en ik verzeker u dat ik er toe komen zal er genoeg uit te halen, ten einde ze volgens mij te organiseren, sculpturaal en pictoraal gesproken." Kan het nog duidelijker? Je moet tekenen zonder aarzelen, schreef hij, en als een lijn niet op haar plaats valt, moet je herbeginnen. Leren klaar zien en "tekenen zoals ge schrijft, in een sobere lijn zeggen wat ge te zeggen hebt".

Wouters schilderde gewoon wat hij zag. Heel veel was dat niet, en hij kreeg er nauwelijks de tijd voor. Het "werkmans-huizeke" aan de rand van het Zoniënwoud in Watermaal-Bosvoorde dat hij voor achttien frank per maand huurde, bijvoorbeeld. Zijn kunstenaarsvrienden die er over de vloer kwamen. De man die hij elke ochtend in de spiegel zag. En een vrouw - één vrouw, al laten de titels van Wouters' werken dat niet meteen vermoeden. Dame in het zwart, gezeten in een interieur (rode hoed in de hand) of Namiddag te Bosvoorde (1908). Zonneschijn (1908). Zomernamiddag te Amsterdam (1915). Huiselijke zorgen (1913). Het zotte geweld (1912). De was (1915). Vrouw voor het interneringskamp. Vrouw, dame, zot geweld? Vergeet het maar. Het model dat leest, strijkt, bij het raam zit, slaapt, schrijft en naait is Nel, Hélène Duerinckx. Wouters ontmoette haar in 1902 op de bovenverdieping van het Brusselse café La Rose du Midi, tegenover de academie. Het meisje poseerde voor de kunstenaars die er op kamers woonden. Ze was zestien en het liefje van de schilder Ferdinand Schirren. Henry, een jongen van twintig die het meubelbedrijf van zijn vader in Mechelen had geruild voor de hoofdstedelijke bohème, werd hopeloos verliefd. Nel zou zijn minnares worden, zijn muze en model, manie en moeke - in ontelbare brieven heeft hij haar "Chère moeke" genoemd. Het stel gaat samenwonen in Sint-Joost. Later trekken ze naar Bosvoorde omdat Nel tuberculose heeft. Ook armoede en honger zullen hun deel zijn. De jonge vrouw gaat al eens aardappelen stelen en ze eten dagenlang "brood op krediet met een klontje suiker als toespijs".

Nel is klein en mollig, onbevangen, licht en toch log, "met altijd rode mond". Haar ponykapsel gaat de legende in. Ze weet het, maar af en toe valt het poseren zwaar. Rik laat haar urenlang zichzelf zijn in een hoekje van de kamer. Zo is het goed, ja, of trek de rode jurk aan en ga dan zó staan. Als het haar te veel wordt, loopt ze naar buiten of beklaagt ze zich bij een vriendin: Rik ziet haar vooral als een feest van kleuren - als een vorm, niet als een vrouw. Zou het? Nel is de tobbende gestalte van het beeld Huiselijke zorgen en de Zieke vrouw met witte sjaal in Amsterdam, waar het paar tijdens Wouters' krijgsgevangenschap is gaan wonen. Maar nam hij echt genoegen met de vorm, de oppervlakte en het spel van het licht op kleurige kleren? Ik kan het niet geloven, al heeft hij inderdaad slechts een handvol naakten nagelaten. Een rustende Nel in de strandstoel, bijvoorbeeld: haar ironische blik ("duurt het nog lang, liefste?"), het ponykapsel, de zware borsten. Maar in Mechelen is ook een andere Nudité au repos uit 1911 te zien die Wouters' opgewonden hand een ogenblik eerder of later heeft geschetst: Nel achteroverleunend in de stoel, de benen gespreid, met het weelderige geslacht en de triomfantelijke blik van een vrouw die weet dat haar geliefde de tijd neemt om toe te kijken.

En is Wouters' beroemdste beeld, Het zotte geweld, geen uitbarsting van sensualiteit? In de Muntschouwburg had hij de legendarische danseres Isadora Duncan, die eerder al Rodin en de verzamelde avant-garde inspireerde, aan het werk gezien. Drie jaar lang, tussen 1909 en 1912, zou hij op de krappe zolderkamer van vier bij zeven meter aan zijn beeld werken. Nel mocht - nee, moest - poseren. Het lukte niet. De sessies werkten haar danig op de heupen, tot ze haar lichaam woest en "als in een zweepslag" naar voren gooide. Dat was het, en of ze zo even kon blijven staan? De ranke Isadora moest het afleggen tegen de ronde Nel, die voortaan door Middelheim en de kunstgeschiedenis zou dartelen en ook in Mechelen een ereplaats krijgt.

Altijd is het Nel, van het eerste Portret van een vrouw in het grijs (profiel) dat Wouters in 1903 of 1904 schilderde tot de gestalte die twaalf jaar later op het balkonnetje van het Amsterdamse appartement de was doet of bij het raam zit en even omkijkt. Een bootje vaart voorbij. Jan van Nijlen, dichter en intieme vriend, heeft opgetekend hoe Rik en Nel zich in Nederland overeind hielden: "Hij bewoonde te Amersfoort eene banale huurkamer waarvan het meest in 't oog vallend meubel een dier oude, zwarte, dubbele canape's was, zoals men die hier niet meer ziet. Hij gaat aan 't tekenen, en zie: die leelijke dingen krijgen een ziel, beginnen te leven, spreken een taal die ontroert (...) Zoo ging het met alles. Zoo ging het ook nog op zijn kamers te Amsterdam, van waar hij de schuiten zag voorbijvaren en, achter de gevels van den overkant, de onmetelijke vlakte der hollandsche polders aanschouwde. Zijn oog en zijn hart maakten van elk stukje wereld een landschap van heerlijkheid en rijkdom."

Wouters heeft een lange weg afgelegd van de Brusselse bohème naar "de kleine doodenkamer van het ziekenhuis" in Amsterdam waar hij lag opgebaard "met het arme verminkte en vermagerde gelaat, dat van een zoo nobel succes was hier verzekerd" (Jan van Nijlen). In de Mechelse tentoonstellingszalen hebben de oude collega's zich nog één keer rond hun vriend verzameld. Niet alleen Wouters' 'artiestenkoppen' van min of meer vergeten namen als Léon Thumilaire, Simon Lévy, Jehan Frison, Ernest Wijnants of Edgard Tytgat werden uit de reserves gehaald. De kunstenaars zijn zelf ook present, zij het vooral symbolisch, met één werk of twee. Ze eisen hun plaats op in het dagboek waarvoor de schilder zelfs de voetnoten leverde. Op de keerzijde van een houtskooltekening van de Mechelse Hoogbrug lezen we dit kattebelletje, spelfouten inbegrepen: "Victor Attends moi je reviens de suite, ou bien viens plus tot aux Caves de Maestricht à la porte de Namur."

In dezelfde ruimte hangt ook een vertederend stilleven van Nels hand, uit 1949, en verderop wordt haar schetsboekje uitgestald, opengeslagen op een tekening van de dode Rik in de "Clinique du Prinsengracht". Hij werd er vruchteloos geopereerd aan de ogen en het kaakbeen. Kanker, ja. Nel getuigt dat het verband achter in zijn mond stonk en dat het vloeibare voedsel hem deed walgen. Toch schildert hij nog een briljant zelfportret met ooglap. Signeert op zijn ziekbed enkele oudere werken. Bereidt zijn eerste retrospectief voor, dat in het Stedelijk Museum van Amsterdam zal plaatsvinden. Gaat dood. Acht jaar later, in 1924, wordt het lichaam opgegraven en naar Bosvoorde overgebracht.

Zijn dodenmasker is in Mechelen niet tentoongesteld. Wie het gezien heeft, herinnert zich het hoofd van een veenlijk of het versteende kadaver van de jonge mammoet die ooit in Siberië werd opgegraven. De mond staat scheef, het rechteroog is ingedrukt en uitgelopen, als verf. Het is 1916 en volop oorlog. Twee jaar eerder was Rik onder de wapens geroepen. Hij had de gevechten in Luik en de val van Antwerpen meegemaakt. Hij was bang geweest, doodsbang. Aan Nel schrijft hij een overbodige afscheidsbrief: "Ik sterf dan met heerlijke herinneringen aan jou. Je Rik die je altijd heeft aanbeden." Mag ik vinden dat de tragiek van Wouters' kunstenaarsbestaan onrecht werd gedaan door de vlegel die de vernissage van het mooie Mechelse retrospectief inleidde met de jolige mededeling dat des schilders korte leven iets had van een "gespierde sprint," dat de artiest "de Mick Jagger van zijn tijd" moet zijn geweest? En ik verzwijg zedig dat de Rik met de blauwe blouse (1914) die duizendvoudig op folders en affiches naar klanten en sponsors tuurt, de verkeerde kant op kijkt. Het komt in de beste families voor, maar Wouters verdient beter.

Misschien is dat zelfportret wel een goed voorbeeld van Wouters' stijl en een staalkaart van de invloeden die hij heeft ondergaan. Eén: het werk lijkt onaf. We zien grote lappen onbeschilderd canvas, zoals bij Cézanne. Een grote reproductie van diens Portret van Gustave Geoffroy sierde de eetkamer in Bosvoorde. Toen Rik eindelijk wat geld had vergaard, trok hij naar Parijs om er het werk van zijn grote voorbeeld te gaan bestuderen. Waarom zou hij zijn schilderijen nog "opvullen" met verf als hij het licht ook rechtstreeks over het korrelige doek kan laten spelen? De Nel van Vrouw voor het rode gordijn (1912) heeft zelfs geen gezicht, en dat is goed.

Twee: de kleuren die Wouters in zijn grote dagen gebruikt zijn aards en hel. De verf op het palet werd niet of nauwelijks gemengd: kleur moest zuiver op het doek gebracht worden, in toetsen die laat-impressionistisch aandoen maar evengoed aan een handvol andere -ismen werden ontleend (het fauvisme, het expressionisme). Na gedane arbeid werd het palet weer zorgvuldig schoongemaakt. Er zit puur groen in Riks snorharen en wenkbrauwen. "De lucht is roze, godverdomme," kreunt de schilder wanneer hij een doek van de door hem mateloos bewonderde James Ensor onder ogen krijgt. Een tweede reisje in het gezegende jaar 1912 voert Wouters naar Keulen, waar hij een tentoonstelling met honderd vijftig werken van Vincent van Gogh wil zien.

Drie: het licht, de "jarenlang aarzelende zonsopgang" uit de inleiding van dit stuk. De schilder heeft het uiteindelijk gevonden. In Mechelen kun je er niet naast kijken, ook al ontbreken enkele essentiële werken, zoals Vrouw in het blauw voor de spiegel, De fluitspeler of De strijkster uit de musea van Brussel en Antwerpen. Vertelt de legende niet dat Nel en Rik op 15 april 1905 als huwelijksreis een uitstap met de tram naar Brussel maakten? Ze gingen er naar een expositie van de gevierde "lichtschilder" Emile Claus kijken. Vijftien centiem kostte de rit. Hoeveel licht koop je daarvoor, en hoeveel leven?

De tentoonstelling Rik Wouters - De menselijke figuur loopt tot 11 april in het Cultureel Centrum Antoon Spinoy, Meilaan te Mechelen (tel. 015/29.40.00). Dinsdag tot zondag, van 10 uur tot 18 uur. Toegangsprijs: 200 frank. De catalogus kost 1.250 frank. De acteur Karel Vingerhoets voert elke donderdag, vrijdag, zaterdag en zondag om 20.30 uur de theatermonoloog De brief van Wouters, een tekst van Bert Popelier, op in de tentoonstellingszaal. Plaatsbespreking op nummer 015/29.40.00.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234