Donderdag 15/04/2021

Modder in de aderen

Voorpublicatie uit het boek over wereldzangeressen van Gerry De Mol en Patrick De Spiegelaere

Beverly Jo Scott

Toen fotograaf Patrick De Spiegelaere op 2 maart 2007 volkomen overwacht overleed, had hij acht van de negen 'wereldzangeressen' gefotografeerd wier levensverhalen zijn kompaan Gerry De Mol had opgetekend. Verhalen over weggaan, vluchten. Over zingen in de lage landen, met stemmen uit verre landen. Hieronder leest u het ingekorte relaas van Beverly Jo Scott, die vele jaren geleden vanuit het zuiden van de Verenigde Staten in België terechtkwam.

(...) Ik had het plan opgevat om mijn kind te kidnappen en naar Europa te vluchten. Ik stal, leende en bedelde om het geld bijeen te krijgen voor de vliegtuigtickets, en toen ik het had, ging ik naar Alabama. Daar pas besefte ik dat ik fysiek geweld zou moeten gebruiken tegen een vijftienjarig nichtje dat op mijn dochter paste, dat ik haar iets zou moeten aandoen. En dat kon ik niet. Tegelijk wist ik ook dat het dom was wat ik deed, want ik had geen idee waar ik naartoe ging. Ik verloor mijn zelfvertrouwen, en ik heb het niet gedaan.

Ik heb me daar heel lang schuldig over gevoeld. Ik bleef piekeren over hoe het dan wel had gemoeten, hoe ik mijn dochtertje had kunnen meenemen naar hier. Natuurlijk had het geen zin dat te blijven herkauwen. Ik had het niet gedaan, punt. Het is geen uitvlucht, maar ik was toch maar eenentwintig.

Beverly Jo Scott zegt het met pauzes tussen haar zinnen, om na te denken. Maar ook met monkellachjes om de combinatie van haar jeugdige overmoed en de wanhoop. We zitten onder het lawaai van een aanvliegroute van Zaventem en ze heeft al naar de stapel koffers naast haar sofa gewezen. Gewone koffers en gitaarkoffers, ze staan altijd klaar. Ze is in de keuken koffie gaan zetten en ik hoor hetzelfde geluid als toen ik daarnet bij haar wou aanbellen maar me nog even bedwong, omdat de bel het mooie geluid van haar gospelgeneurie in de keuken zou smoren. Zoals het door het raam naar buiten kroop met de geur van de maaltijd die net uit de pannen was gewassen, leek het wat op de intro van 'Mudcakes', de plaat waarmee ze doorbrak in Europa. 'Coffee, sweetheart?' Ze klinkt nog steeds als een zuidelijke Amerikaanse film.

Ik had er geen idee van hoe of wat Europa of Brussel was, hoe de mensen hier leefden of welk klimaat er hier heerste. Ik wist alleen dat het ver weg was. Dat was voldoende. Ik was een compleet psychisch wrak tegen de tijd dat ik hier aankwam. Het kon me niet schelen wat ik mezelf aandeed, zo stom was ik. Ik zat ook nog aan de drugs, I was pretty fucked up.

We hadden een ticket kunnen kopen van Laker Airlines, een van de eerste lowcostmaatschappijen, en die vlogen toevallig naar Brussel. Dat was de 'keuze'! Ik herinner me de vlucht;, ik luisterde naar de muziek in de oorsetjes die je kreeg, 'Once in a Lifetime' van Talking Heads stond op het bandje. Ik zat de hele tijd te wachten tot het zou terugkeren: 'Letting the days go by, water flowing underground'. Dat liedje heeft mijn intrede in dit land gemarkeerd, in dit zeer natte land, waar zeker meer water onder de grond zit dan erboven. Ik zat niet langer in de swamps van Alabama, maar verdomd, wat regende het hier!

Weet je, ik had om het even waar kunnen terechtkomen. Mijn vriend drumde in de band waar ik mee speelde toen en hij kende hier een paar vrouwen die ons in Californië bezocht hadden. Ze hadden er gehoord van ons plan voor de ontvoering van de baby en wilden ons helpen. Maar daar stonden we aan hun deur, zonder baby - ze voelden zich bedonderd, denk ik. Ze hebben ons weggejaagd. Dat was mijn eerste ontmoeting met 'de Belgen'!

Zo ben ik hier begonnen: drugs nemen, op straat zingen, op straat slapen - eind oktober 1981, het was koud en nat. Maar ik heb nooit heel lang aan een stuk op straat geslapen, het duurde altijd maar tot ik genoeg geld had gesprokkeld om een kamer te kunnen nemen in het doorgangshotel, de François Premier bij de Sint-Gorikshallen.

Toen het in november nog kouder begon te worden bracht een Luxemburgse vrouw me in de Beenhouwersstraat af en toe soep en koffie. Zij heeft me echt gered. Ze had een restaurant dat Vendredi 13 heette, in de Getrouwheidsgang, waar het beeldje van Jeanneke Pis nu staat. Het lag aan het eind van die straat, en daar helemaal achteraan was de Black Swan, de eerste vrouwenhomobar in Brussel. Daarom zaten er in dat restaurant ook wel lesbiennes. Zonder dat ik het gezocht had, heeft een lieve lesbische vrouw met dertien of veertien zwerfkatten besloten me in haar menagerie op te nemen. Ik kon op haar sofa slapen als het te koud was.

In Deer Park, Alabama, was het nooit koud. Deer Park ligt een uurtje rijden van Mobile, de hoofdstad van de staat, in de Mississippidelta. I'm a delta girl. Ik denk dat het leven daar wel oké was. Het is zoals met leven en sterven in het algemeen: je hebt maar één kans. Je kiest er niet voor, maar in the South opgroeien... Ik ben blij dat ik het gehad heb. Het gaf me een basis die me sterk heeft gehouden.

Deer Park was niet eens een stadje. De huizen stonden er een kwart mijl van elkaar. Het was vlakbij de staatsgrens met Mississippi. Eerst woonden we in een huis, en nadat dat was afgebrand in een caravan en een omgebouwde garage. Arm maar proper, die stijl.

Mijn grootmoeder, mijn vaders moeder, heeft ons opgevoed. Haar enige boodschap was: y'all love one another, je moet elkaar graag zien. Onvoorwaardelijke liefde en er zijn voor elkaar, dat was alles. Zij heeft ons leren lachen, zingen en respect hebben voor anderen. Had mijn grootmoeder niet zo van mij gehouden, dan zou ik nu in de gevangenis zitten. Of dood zijn.

Dat heeft me nooit losgelaten en ik geloof dat mijn zus en broer het ook zo aanvoelen. We praten er veel over sinds ze gestorven is, haar dood kwam heel hard aan voor ons. Ik was de op een na oudste maar werd wel als de oudste beschouwd, want ik kon al vroeg mijn plan trekken en voor mijn broer en zus zorgen.

Misschien dat ik mijn kinderjaren idealiseer, zoals veel mensen dat doen. Mijn herinneringen gaan allemaal over muziek en natuur. Ik zat altijd in de bossen, ik liep er de hele dag blootsvoets rond, ze konden me geen schoenen doen aantrekken. Mijn voetzolen waren van leer. Toen we zes of zeven waren trokken we al heel diep het bos in. Daar heb ik mijn liefde voor de natuur aan overgehouden.

Ik hield heel erg van mijn vader, maar hij was er nooit. Hij kwam af en toe net lang genoeg naar huis om mama zwanger te maken en dan was hij er weer vandoor. Hij was een zwerver, een vreemde vent, niemand wist precies wat hij deed. Hij deed heel veel, was ook een soort oplichter, hij bedacht niet bestaande bedrijven waar mensen in konden investeren.

Mijn moeder, die vijf kinderen had en bij haar schoonmoeder inwoonde, werkte in Mobile in een fabriek. Soms bleef ze daar bij haar eigen moeder, daarom zagen we haar ook niet veel. Als ze dan toch thuis kwam, was ze vaak moe en mopperde de hele tijd. Ze kon echt gemeen doen, en zo leerden we bij haar weg te blijven. Het was grootmoeder die ons naar school bracht, voor ons kookte, zorgde dat we ons huiswerk maakten... en die me op mijn achterste sloeg als ik niet braaf was.

Mijn moeder speelde een beetje orgel en ze zong, maar voor de muzikale genen zorgde toch mijn vaders familie. Hij heeft me leren zingen. Man, wat kon die zingen, dat was zó mooi. Je hoorde bij ons ook overal de hele tijd zingen. Aan vaderskant waren het allemaal muzikanten. Ze zongen verschillende stemmen, dat heb je nooit gehoord! Ik kon tweede stem zingen bij een melodie toen ik zes of zeven was. Op mijn tiende kon ik om het even wat zingen. Mijn vader had dat ook. Ik weet nog dat ik in bad zat en hij harmonica speelde, hij zat op het toilet. Zo zongen we duetjes.

De hele gemeenschap zong. Het zuiden is protestants en er is altijd al veel meer muziek geweest in de protestantse diensten dan in de katholieke. In het zuiden hoort er bij alles wat je doet muziek. Je wordt erin gedrenkt. Misschien komt het door de hitte en de vochtigheid - je gaat een beetje achterover liggen op de veranda met je gitaar en je speelt.

We kwamen samen bij familie - zij hadden een piano - en we zongen. Als aan ons kinderen werd gevraagd wat we die avond zouden doen dan antwoordden we: 'naar de Barbers' - zo heetten ze - om te zingen. Tot op vandaag zingen we nog allemaal als we samen zijn, iedereen doet mee, we belanden wel eens in een karaokebar of ik neem een gitaar mee.

Mijn eerste echte herinnering aan muziek moet er een zijn uit het kerkje in Silo. Op hoogdagen waren er 75 mensen, maar meestal waren we met 25 à 30. Mijn eerste muziek was gospel, zuidelijke blanke gospel. De zwarten die mijn grootvader hielpen met het opruimen van het erf, hebben ook een diepe indruk op me gemaakt. Ik was zo door hen gefascineerd dat ik de hele tijd in hun buurt bleef rondhangen. Ik ging bij hen eten en vond altijd een excuus om achter hen aan te lopen; niet alleen om te luisteren hoe ze zongen: ik wou horen hoe ze praatten en lachten, ook dat was muziek voor mij.

Het was mooi om op te groeien in zo'n rijke cultuur, maar tegelijk was het tragisch. In mijn jeugd kon je geen omgang hebben met zwarten. Je kon wel vriendelijk zijn tegen hen, maar zij leefden in hun deel van de stad en wij in het onze. We hielpen elkaar wel eens, mijn grootmoeder bracht kippen of hertenvlees of eekhoorns naar de mensen die ons hielpen in de tuin. We brachten hun al eens koekjes, omdat grootmoeder een goed hart had. Maar in het algemeen bleef die grondtoon uit de tijd van de slavernij toch doorwegen.

Het was een deel van onze opvoeding. 'Je kunt vriendelijk zijn maar niet met ze omgaan.' Ik heb dat zo vaak gehoord in mijn jeugd, maar ik wist niet echt wat het betekende, natuurlijk. 'Ga niet te dicht bij ze zitten, ga niet met ze drinken, praat niet te lang met ze', ik hoorde dat van mensen die van me hielden en die ik graag zag. En dan doe je dat dus, als je klein bent. Als ze hun kinderen meebrachten, speelden we gewoon met elkaar. Ik had daar geen probleem mee en mijn grootvader en grootmoeder lachten dan. Zij vonden het lief. 'Is het niet schattig, ze speelt met de zwartjes.' Het was als met de familiehond spelen.

Mijn grootouders hadden een goed hart, maar het waren separatisten, zo waren ze opgevoed. Birds of a feather flock together, soort zoekt soort, dat was hun lijfspreuk. Ik zag zoveel vogels in mijn omgeving die allemaal verschillende kleuren hadden dat het voor mij na een tijdje helemaal geen betekenis meer had. Birds of a feather flock together... hmm... ik weet het niet hoor. Ik heb me er uiteindelijk niet te veel van aangetrokken, het kon me niet schelen.

De sixties zijn aan mij voorbijgegaan. Ik ben in 1959 geboren, dus toen het 1969 werd, toen de burgerrechtenbeweging sterk werd, was ik tien. Pas toen ik wat ouder was begon ik die dingen te begrijpen. Mijn land is vandaag nog altijd een land vol littekens. De zwarten moeten nog altijd vechten, het gaat beter maar we zijn er nog niet, er is nog zoveel geweld tussen de rassen.

Via die mensen was de zwarte muziek dus in mijn leven gekomen. Op mijn tiende leerde ik de rock kennen. Een groot moment was de eerste keer dat ik een langspeelplaat, die toebehoorde aan een volwassene, zelf uit de hoes mocht nemen. Héél voorzichtig legde ik hem op de platendraaier. Het was At San Quentin van Johnny Cash. Ik had mijn eigen plaatjes voor kinderen, van Roy Rogers en Gene Autry, maar dit was bijzonder, dus ik deed dat extra voorzichtig. En dan zong die man in het zwart ook nog 'San Quentin may you rot and burn in hell', dat vonden we erg gewaagd. Dat maakte hem helemaal tot held. Er waren toen nog geen stickers met parental guidance, om de mensen te waarschuwen. We hadden meer gezond verstand, veronderstel ik.

Ik probeerde in die tijd wel braaf te zijn op school, maar ik had een karaktertje. Ik sprak niet tegen maar zei wel wat ik dacht en raakte daardoor altijd weer in moeilijkheden. Ik had hommeles omdat ik een beetje een rebel was en niet afgesloten wou worden van de zwarten, bijvoorbeeld. Ik hield niet van de striktheid van de school, ik wou vrijuit kunnen spreken zonder dat ze me daarop aanspraken.

In de kerk hadden ze me geleerd dat kinderen vragen mochten stellen, dat ze welkom waren bij Jezus en rond hem gingen zitten. 'Laat de kinderen tot mij komen.' Toen ik naar school ging dacht ik dat het net zo zou zijn, dat we samen zouden zitten en vragen stellen. Maar dat was niet zo, het was integendeel heel streng en beangstigend. Zwijgen en opletten. Ik was ook niet gewoon om zo lang te zitten, ik liep de hele dag vrij rond in de bossen, dat was mijn wereld. Daar begon het leven dus moeilijker te worden, maar toen mijn ouders scheidden kwam er nog een heel ander soort ellende over me heen.

Mama was het beu om op daddy te zitten wachten. Dat begrijp ik wel, ze werd wat ouder en hij was er nooit. Wij aanvaardden onze papa zoals hij was want we wisten niet beter, en we begrepen niet waarom zij dat niet deed. Ik denk niet dat de scheiding op zich zo moeilijk was, we zagen onze vader niet echt minder dan vroeger. Het grote verschil was: we gingen weg uit Deer Park, Alabama.

We werden gescheiden van grootmoeder en grootvader en dat was vreselijk. Mijn grootvader is kort daarna gestorven aan een hartkwaal. Grootmoeder heeft altijd gezegd dat het om ons was, omdat we waren weggegaan. Ik was zijn oogappel, ik werkte met hem aan de auto's. Hij had op een jongetje gerekend toen ik geboren werd en ik was toch een beetje een tomboy, een mislukt jongetje.

Nadat mijn ouders gescheiden waren heeft mijn moeder een man ontmoet, iemand van haar werk. In het begin leek alles goed te gaan, maar het bleek een gestoorde man. Van mijn elfde tot mijn zeventiende, toen ik wegliep van huis, was mijn leven een hel. Niet dat hij me niet graag zag, laten we zeggen dat hij me iets té graag zag. Hij kon niet van me afblijven.

Op school ging het van kwaad naar erger, want ik was zo... verschrikkelijk, het was ook zo verdomd erg in dat huis. Ik haatte mezelf en haatte ook nog eens al het andere. Dus implodeerde ik, werd binnenstebuiten gekeerd, ik was een vat vol haat en emoties. Ik kon helemaal niet meer omgaan met zoiets als de school, ik moest en zou botsen met om het even welke autoriteit. Ik weet nu dat ik reageerde zoals elke adolescent in die situatie. Ik was verloren en er was thuis niemand met wie ik kon praten. Als je in die tijd een slachtoffer was van dat soort mishandeling moest je vooral je mond houden, je wou niet dat iemand het wist. Je was er beschaamd over. Je wist dat de slachtoffers meer met de vinger werden gewezen dan de mannen die het deden. Mijn moeder deed alsof ze het niet zag. Het is zo moeilijk te vertellen... Ik weet niet of er goede woorden zijn voor die emoties en voor dat... verraad.

Het is een levenslang litteken en het verandert je voor altijd, het is als een amputatie. Er wordt iets definitief afgesneden. Je raakt emotioneel gehandicapt en je moet daarmee leren leven en eroverheen trachten te komen. Ik denk dat ik een soort overlevingschromosoom heb. Ik zou eigenlijk dood moeten zijn of alcoholicus of zo... Wil je nog wat thee?

BJ zet nog een kop thee, ik neem suiker en ze neuriet er nog een riffje bij. Ze komt weer voor me zitten met haar favoriete koekjes. Het is stilaan donkerder geworden, maar op zulke middagen zien we dat niet. We denken dat de donkerte plots komt. 'Neem een koekje, sweetheart.' Ze noemt me zo sinds we de eerste keer belden, ik veronderstel dat ze iedereen zo aanspreekt. Het valt me op dat het huis iets zuidelijks heeft. Iets van een veranda, maar dan aangepast aan Brussel, met prullaria en foto's aan de muur, van familie die wel of niet in de buurt is.

Ik heb je dat nu verteld omdat ik wil dat de mensen me begrijpen, dat ze begrijpen wat ik zeg. Dat ze zich niet blindstaren op het beeld dat ik zou tonen of dat rond me gecreëerd zou kunnen zijn, maar dat ze de essentie zien van wat ik ben. Dat wil ik duidelijk maken. Al bij al ben ik wel oké nu, maar toen kon ik nergens naartoe. Wie vandaag zoiets meemaakt heeft een betere kans om het aan iemand te kunnen vertellen. En als ík het nu vertel, zijn er meer mensen die luisteren. Misschien dat ik op die manier iemand help om er ook mee naar buiten te komen.

Er was lange tijd een schuldgevoel, ik denk dat dat normaal is. Als je een arm verliest, heb je een fantoomarm en voel je daar nog pijn in. Als ouders scheiden, voelen de kinderen zich ook vaak schuldig. Het maakt er deel van uit, het is een deel van wat overblijft van het litteken en de wonden. Dan groeit er vlees over en ga je ermee om. Goedschiks en kwaadschiks.

Sommige kinderen zijn echt helemaal kapotgemaakt. Ik had het geluk dat ik mijn karakter had en de liefde van mijn grootmoeder. Ik had een reden om te leven, ik dacht dat er iemand was die van me hield. Dat was zij. Anders zou ik een verloren ziel geworden zijn.

We waren verhuisd naar Baldwin County, dichter bij Mobile en nog meer naar het zuiden, een uurtje rijden van bij mijn grootmoeder. We zaten nu helemaal in de delta, bij de Tensaw River. Ik heb een groot deel van mijn jeugd op de Tensaw rondgedobberd, en ik heb veel in de bayou rondgetrokken, in de moerassen en mangrovebossen. Ik ging in mijn eentje vissen met een klein bootje. Als ik daar ben, doe ik dat nog.

Joni Mitchell en Aerosmith waren mijn grote helden geworden. Joni heeft me erg geïnspireerd, vooral de directe manier waarop ze in haar teksten heel poëtisch kon zijn. Mijn bagage bestond verder uit Stevie Nicks, Frank Zappa, Neil Young en een paar lokale groepen die nergens anders bekend zijn. Maar ik wou zingen als een vent, en ik wist niet hoe dat kon, tot ik Janis Joplin hoorde. Voordien zag ik mezelf als het meisje met de tamboerijn en het minirokje, maar toen ik Janis de eerste keer zag, ik was zowat elf jaar, is dat omgeslagen. Ze speelde 'Me and Bobby McGee' en ik dacht: verrek, dat is het, ik wil dat slordig gekapte meisje zijn met de gitaar.

Ik verzamelde S&H Green Stamps. Dat was zoiets als de Valoiszegels hier, je kon ze verzamelen tot je een boek vol had en dan kreeg je een gitaar. Alle buren en de hele familie waren daarbij ingeschakeld. Mijn twee grootmoeders hebben de collectie uiteindelijk helemaal vol gekregen en ik had genoeg voor een gitaar en een tamboerijn. Ik denk niet dat iemand zich realiseerde hoezeer ik het méénde met die gitaar. Het was een klassieke gitaar. Ik leerde erop spelen en later kreeg ik een gitaar met metalen snaren. Toen was ik al twintig. Daar ligt die, that's my girl, ik heb haar nog steeds, ze heeft veel met mij op straat geslapen.

Op school leerde ik mijn weg te vinden met mijn gitaar, met mijn talent. Tijdens de middagpauze zat ik in het rokerslokaal, zoals je van een bad girl kon verwachten. Ik speelde op mijn gitaar, en mijn vrienden gaven me in ruil sigaretten of een joint, en soms een beetje geld - voor de grap. Na een tijdje dacht ik: daar moet ik gebruik van maken.

Op mijn zeventiende liep ik thuis weg, met een zwart meisje. Ik was verliefd op haar, ik was zo jong en naïef. God, wat was ik verliefd en hoe heeft ze me gebruikt! She was a mean mama! Ik liep veel op straat en ze filmden Close Encounters of the Third Kind in onze streek. Ik hing wat rond in de buurt van de crew om te zien of er geen figurantenrolletje in zou zitten. Zo kregen we elkaar in het oog. Ze wou me er wel bij, maar daarvoor moest ze me ouder doen lijken dan ik was, ik leek toen eerder twaalf dan zeventien, een wandelende strijkplank. Toen de film opgenomen was, stelde ze me voor om mee naar het noorden te trekken. Daar ging ik op in. Op naar het noorden... waar ze me liet zitten voor een vent. Ik was maar een speeltje geweest. Had ik het vooraf geweten, ik zou haar wellicht toch gevolgd zijn, want ik was helemaal weg van haar. Alleen zou ik dan niet zo erg gekwetst geweest zijn.

Daar zat ik nu, in Chicago. Ik leefde van de beetjes die van tafel vielen en van mijn gitaar. De zwarten waren niet erg onder de indruk als je aan hun tafel Neil Young begon te spelen. Dat was wat onnozel.

Ik sliep in deurportalen en op daken. In het noorden van de VS hebben veel huizen een opstapje en zo kun je vrij makkelijk via de veranda op het dak klimmen. Ik was namelijk heel bang voor ratten, en dan kun je niet op de begane grond slapen. Ik was banger voor de ratten dan voor de politie. En je moest uitkijken voor de waakhonden. Ik heb een blinde angst voor grote honden maar toch was dat beter dan ratten.

Ik sliep dus altijd op een hoogte, maar daar zien ze je en dus kwamen die verdomde flikken me telkens oppakken. Ik ben dan maar terug naar het zuiden gegaan, naar een oude vriend, tot mijn vader ineens weer opdook: 'Jij komt mee en komt bij mij wonen.' Ik dacht: oké, waarom niet? Zo hebben we elkaar een beetje leren kennen, al duurde het niet lang.

Een oplossing was het niet, maar er was ook geen alternatief. Niemand kon me helpen, ik was in veel zaken heel naïef en had op andere vlakken te jong te veel meegemaakt. Het enige wat ik kon was overal weggaan en weglopen, en op een of andere manier vond mijn stiefvader me altijd terug en dan moest ik weer op de loop. Ik zou liever gestorven zijn dan terug te gaan naar dat huis.

Ik ben wel een keer naar een advocaat gegaan. Die zei me dat je in bepaalde omstandigheden van huis weg kon op je zeventiende. Ik legde hem de omstandigheden uit... maar niet alles. Ik zei hem dat mijn stiefvader me sloeg, wat niet moeilijk aan te tonen was, ik stond vol blauwe plekken.

De politie stond wel aan mijn kant toen mijn stiefvader me kwam zoeken. Maar er waren voorwaarden: ik mocht de staat niet verlaten en ik moest naar school blijven gaan. Die twee dingen heb ik niet gedaan, en zo ben ik officieel een 'jeugddelinquente' geworden.

Zodra je zover bent, kan het niet meer goed gaan, denk ik. Op school moesten ze me niet meer. Ik was te lastig. Ik ging avondonderwijs volgen en daar ontmoette ik een man die een jaar of zes ouder was dan ik. Een ruwe gast die heel gewelddadig was. Op mijn achttiende raakte ik zwanger van hem en toen ben ik bij hem weggegaan, want hij sloeg me de hele tijd. Ik was bang dat ik de baby zou verliezen.

Toen heeft mijn moeder me aangeboden bij haar te komen wonen. Ik had geen keuze, ik kon nergens heen. Ik dacht dat mijn stiefvader me wel met rust zou laten omdat ik zwanger was. En ik was nu oud genoeg geworden om hem ermee te bedreigen dat ik het naar buiten zou brengen. Hij was bang voor me maar bleef toch heel agressief. Hij moet me echt gehaat hebben.

Toen ik de baby had ben ik in de fabriek gaan werken. In het weekend zong ik om voor de baby te zorgen, want mijn loon ging bijna volledig naar mijn moeder. Ze liet me ook huur betalen. Ik kon zo niet verder met mijn leven. Wat ik ook deed, het was altijd fout, fout, fout. Toen Joanna een jaar oud was heb ik geprobeerd met haar alleen te gaan wonen, maar het lukte gewoon niet. Mijn moeders zus stelde me toen voor de baby op te vangen, zodat ik kon gaan werken. Zo had ik opeens wat hoop. Ik zag licht aan het einde van de tunnel: een paar maanden doorwerken en ik zou er financieel bovenop zijn.

Het was september 1979. Orkaan Frederic kwam aan land bij Mobile. De kuststrook werd door windstoten van 200 kilometer per uur en twaalf tornado's met de grond gelijkgemaakt. De prille toeristische industrie werd van de kaart geveegd. Er vielen vijf doden.

Alles wat ik had was weg. Geen huis, geen werk meer, ik had alleen nog een jeans en mijn auto. Er was niets meer aan de Gulf Coast. Alles was kapot. Ik trok naar New Orleans, omdat een meisje me daar een job had beloofd, maar toen ik er aankwam bleek die job er niet te zijn. Wat kon ik anders doen dan in de bars gaan zingen? Af en toe had ik ook een beetje werk achter de tapkast. Maar ik verkeerde in de homoseksuele gemeenschap van New Orleans en dat kwam slecht over bij de familie. Toen ik me er klaar voor voelde om mijn dochter op te voeden, wilde mijn tante haar niet teruggeven. Ik was zogenaamd seksueel afwijkend en mijn mama heeft tegen me getuigd in de rechtbank. Ik was een onbekwame moeder. De groep waarmee ik in New Orleans speelde heeft me nog geholpen om geld te vinden voor een advocaat, maar dat heeft niet mogen baten. Ik was nu helemaal de pedalen kwijt. Ik ben nog een jaar in New Orleans gebleven, daarna zijn we ons geluk in Californië gaan beproeven. Daar is dat idee ontstaan om Joanna te ontvoeren en met haar naar Europa te komen.

(...) Ik heb vier jaar op straat gezongen in Brussel. Ik deed het zelfs nog toen ik al een job had. Als ik iets extra's nodig had, ging ik de straat op. Niet dat ik het prettig vond, het was om te overleven. Ik heb nooit op straat gezongen voor de kick en als ik het vandaag weer zou doen, dan alleen omdat het echt zou moeten. Ik voel me comfortabeler op het podium, zelfs in een kleine bar. Geld vragen aan de mensen lag me ook niet zo, die zuidelijke trots, hé!

Het is onmogelijk om níet veel te leren op straat. Het allermoeilijkste is de eerste noot die je zingt. Je perst die eruit en je bent vertrokken. Als ik op dreef was kon ik de hele middag doorgaan. Ik leerde mijn stem goed hoorbaar maken. Ik leerde dat een grote gitaar voor een slechte gitarist als ikzelf ideaal was. Ik zag de gezichten van mensen en sprak met hen terwijl ik zong. Ik leerde dat de klank van de woorden even belangrijk was als wat ik te zeggen had.

Ik maak al liedjes van toen ik kon neuriën en een paar woorden na elkaar kon zeggen. Ik maakte altijd al mijn eigen liedjes. Mijn nichten hebben dat ook. Mijn neefje kan improviseren tot je ervan achteroverslaat. He flies out, hij doet zijn ogen dicht en is weg. Het is iets bijzonders om hem bezig te zien, een kind nog! Er zit een liedjesader in de familie.

Op mijn twaalfde of dertiende ben ik echt liedjes beginnen te schrijven, en het is nooit gestopt. Ik rommel wat met mijn gitaar en de liedjes komen. Een melodie duikt vanzelf wel op, bij een idee, een zin, iets wat ik gezien heb en waaruit een verhaal tevoorschijn komt. Ik kan hier en nu uit mijn handtas drie of vier papiertjes tevoorschijn halen met ideeën, woorden... Ik wil de mensen bereiken. Ik wil dat mijn teksten ze aanspreken. Ik ben niet op zoek naar het leuke refrein of het pakkende effect. Ik zoek naar de essentie.

Ik zou misschien meer succes hebben als ik wat minder eerlijk was, maar ik heb genoeg bagage van mezelf om geen personage te hoeven uitvinden voor de media. Ik heb mijn voeten nogal stevig op de grond. Ik ben totaal ongeschikt om gratuite radiopop te maken. Ik zou er financieel beter van worden, maar ik kan het niet. Het is een jurk die me niet past.

Al vrij snel had ik in Brussel wat kleinere optredens. We speelden in Amerikaanse pubs voor twee keer niks, maar we kregen er eten: hamburgers en bier. Ik begon met allerlei mensen samen te spelen. We speelden waar we konden, ik vloog van het ene naar het andere. Zo belandde ik in het studiocircuit. Dat was voor mij geen lastig werk, ik zong al tweede stem in de kerk. Ik werd backing vocaliste en dat gaf me de mogelijkheid intussen wat ernstiger met mijn eigen muziek bezig te zijn. Want we zongen altijd covers, nooit mijn liedjes.

Waar ik vandaan kom, worden backing vocalisten veel meer gewaardeerd. Ik krijg vaak vergelijkingen met andere zangeressen : Bonnie Raitt, Lucinda Williams... maar je kunt me geen groter plezier doen dan door te zeggen dat ik iets heb van Bonnie Bramlett. Zij is bij ons heel bekend, heeft backing vocals gezongen op tientallen platen met heel grote namen, terwijl ze ook haar eigen carrière heeft. Het is helemaal niet erg dat iemand met een 'status' bij anderen stemmetjes gaat doen, integendeel.

Veel producers en muzikanten dachten in die tijd dat ik zwart was, soms kwam ik in een studio en dan waren ze ontgoocheld. Ik zei dan : 'Doe gewoon je ogen dicht, man.'

(...) Onlangs zat ik in een bar die me fascineerde, ik kon er gewoon niet weg, en ik vroeg me af waarom. Het was hoog tijd dat ik opstapte en ik wist niet waarom dat zo moeilijk was. Toen besefte ik opeens dat ik het gevoel had dat ik in een bar in de States zat. Er is een fabriek daar in de buurt. De bar is dag en nacht open omdat mensen die naar hun werk gaan er koffie komen drinken en er hun vrienden zien. De mensen van de fabriek komen er een biertje drinken. Ik ken net zo'n café in Florida, naast een van de grootste chemische fabrieken. Je weet er nooit zeker hoe laat het is, het lijkt er altijd nacht. Als ik van mijn werk in de nachtshift kwam, staarden de mensen daar me niet aan omdat ik om acht uur 's morgens een pint dronk. Ik heb er een liedje over geschreven, in het Frans. Dat had ik niet gekund als ik niet in de States had gewoond en niet in die fabriek had gewerkt.

Misschien ga ik wel onbewust op zoek naar de dingen die me aan Alabama doen denken, want ik heb wel heimwee. Ik mis mijn kind, ik mis mijn familie, ik mis het vissen, ik mis de dieren, ik mis het weer. Nog altijd.

Ik was veertien jaar in Europa toen ik een telefoontje kreeg uit Alabama. Mijn dochter! Of ik naar haar graduation wou komen, de ceremonie voor afgestudeerden. Ze was achttien en had de wettelijke leeftijd om zelf het initiatief te nemen, om zelf te beslissen of ze haar moeder wou ontmoeten. Ik viel achterover, we hadden elkaar veertien jaar niet gezien. Wat een schok.

Come to the water

When the thirst for life

Has left you dry

BJ Scott in 'Come to the Water'

Dat lied was een oproep om naar de bron terug te komen. Come on home baby, where I'll be waiting. Ik heb dat voor haar geschreven.

Later viel me op dat dat een van de weinige keren is dat ik over water heb geschreven, hoewel ze me er niet af kunnen krijgen als ik in Alabama ben. Ik ben een waterrat, ik heb modder in mijn aders. Als het leven wat te zwaar wordt, trek ik mijn lieslaarzen aan en ben ik weg. Dan ga ik vissen. Ik huur een hutje en werp mijn lijn uit waar de dolfijnen 's middags de baai inkomen. Ik vis en speel muziek. That's what I do: play music, feed the kids... Het vreemde is dat ik in Europa nog geen haak heb natgemaakt. En dat liedje is het enige waar dat water in voorkomt.

Het liedje heeft zijn nut gehad denk ik, want mijn dochter kwam terug naar het water. Naar mij. Ik liep in de weken vooraf de hele tijd te fantaseren hoe ze er zou uitzien, hoe ze gegroeid zou zijn. Ik had er geen idee van want ik had haar niet mogen zien.

De hele familie was erbij toen. Ze bleek heel mooi en groter dan ik. We hebben minuten lang naar elkaar staan kijken en zijn ongemakkelijk in ons haar gaan plukken. Allebei. Ik voelde ook wel dat ze anders was dan ikzelf, maar we kunnen het nu wel vinden met elkaar en ik heb een hele mooie kleindochter. Dat verzoent me met een groot deel van mijn verleden, met die veertien lange jaren.

Op 9/11 in 2001 zat ik in de studio. Ik kreeg een telefoontje en liep naar het dichtstbijzijnde café om daar de torens te zien neerstorten, in het bijzijn van enkele oudjes die de oorlog hadden meegemaakt. Ik was net zo bang als zij, maar zij wisten waarover ze het hadden. Ik begrijp wel hoe wij, Amerikanen, gehaat kunnen worden, maar ook hoe die haat kan ontsporen, en ik zie dat veel onschuldige mensen gedood zijn voor een politiek machtsspel. En wat doen wij? We maken liedjes. Kunnen we daarmee de wereld veranderen?

Er zijn liedjes die een universele snaar raken. John Lennon heeft met 'Imagine' toch een soort wereldvolkslied van de hoop gemaakt, neen? Je verandert de wereld niet, maar je geeft een voor iedereen begrijpelijke vorm aan een idee. Artiesten hebben een plicht. Als je een talent hebt dan moet je het gebruiken om jezelf gelukkig en trots te maken én om mensen samen te brengen. Ik denk dat het goed is dat artiesten nadenken over dat soort vragen. Je kunt de wereld niet veranderen, maar als er geen muziek was zou de wereld anders zijn. Er zijn kinderen in Irak die dezelfde liedjes graag horen en hetzelfde voelen als kinderen in Rusland en Los Angeles. Jammer genoeg hebben al die kinderen nooit de kans dat gemeenschappelijke gevoel met elkaar te beleven.

Weet je, de afstand van mijn land maakt me wat toleranter voor bepaalde dingen. Soms denk ik dat het hier net als thuis is. Als mensen hier racistisch en vervelend doen dan denk ik: verdomd, heb ik daarvoor de States achter mij gelaten? Maar ik weet ook wel: mensen zijn mensen en waar je ook bent, je moet met ze omgaan. Mensen denken graag dat zij de besten zijn, overal. Ik ben gaan beseffen dat het Amerikaanse zuiden geen monopolie heeft op racisme. Het heeft me toleranter gemaakt tegenover die zuiderlingen. Ik voel me niet zo boven hen verheven dat ik bij hen zou gaan verkondigen dat we geen racisme hebben in Europa, want je hebt het hier wel. Misschien valt het minder op, maar je hebt hier net zo'n racisme als in het zuiden, en je hebt hier hamburgers zoals in het zuiden en je hebt dezelfde problemen en je hebt ook van die vreselijke politici. Het is een deel van het leven.

Ik voel enorm mee met de sociaal voelende mensen in de VS, het moet verschrikkelijk moeilijk zijn om daar te leven. Ik zou het niet meer kunnen, ik heb het geprobeerd toen mijn kleinkind geboren was. Maar ik kon niet anders dan terugkomen naar hier en toen voelde het alsof ik een tweede keer weggelopen was van thuis, want Alabama is mijn thuis, daar is mijn familie, ook al herken ik het steeds minder. Maar dit hier is ook een soort thuis want mijn man, zijn kinderen en zijn familie leven hier.

Mijn geboorteplaats zal altijd Alabama zijn en Europa is waarschijnlijk de plek waar ik de rest van mijn leven zal slijten. Misschien heb ik geen thuis, of heb ik er nóg geen. Er zijn veel plekken waar ik wil zijn. Ik heb vaak gedacht: dit is de juiste plek. Misschien komt er een dag dat ik een huis bouw voor mezelf op een stukje land dat ik zelf gekozen heb, met de hoeken zus en de kantjes zo. Misschien is dat de dag dat ik kan zeggen ik ben thuis. Ik ben nu altijd in het huis van iemand anders. Misschien is het podium mijn ware thuis, maar dat is ook van iemand anders. Ik heb niet het gevoel dat ik dichter bij een thuis kom, en ik drijf ook niet verder weg. Ik spring van het ene naar het andere. Er zijn ook geen regels voor wat je een thuis zou moeten noemen, nietwaar?

Ik ben hier nu wel neergestreken, maar mijn koffer staat altijd klaar. Je ziet het: er staan pakken, er staan kisten, niets aan mij is gesetteld. Ik ben als de delta, ik verander elke dag. Je weet waar ik nu ben, maar je weet nooit waar ik later zal zijn. Ik draag mijn huis op mijn rug zoals een heremietkreeft en als ik te dik word voor mijn huis dan ga ik er een ander zoeken. En heremietkreeften zijn onverwoestbare little fuckers, man.

Anderzijds keer ik ook steeds weer terug naar bepaalde plekken, zoals trekvogels, die van punt een naar punt twee vliegen met niets ertussen. Dat is wellicht wat ik doe, trekken tussen hier en Alabama. Ik ben hier een seizoen en ben daar een seizoen. Misschien lijken trekvogels wel in hun eigen systeem gevangen te zijn, maar hun vrijheid zit in het feit dat ze kunnen doen wat er in hun bloed zit, dat ze zo leven. Ze leven om zich voort te planten, ze moeten de soort in stand houden en dat doen ze door te trekken. In die eeuwige beweging zit een schoonheid die ik breekbaar vind.

Op een dag kreeg ik een telefoontje uit Alabama. Mijn dochter! Of ik naar haar graduation wou komen. We hadden elkaar veertien jaar niet gezien. Wat een schok!

Als het leven wat te zwaar wordt, trek ik mijn lieslaarzen aan en ben ik weg. Dan ga ik vissen

Soms denk ik dat het hier net als thuis is. Als mensen hier racistisch en vervelend doen dan denk ik: verdomd, heb ik daarvoor de States achter mij gelaten?

Het draagbare paradijs. Wereldzangeressen en wereldverhalen van bij ons. Gerry De Mol en Patrick de Spiegelaere, Uitgeverij EPO.

Met muziek-cd. 208 pagina's, 25 euro.

Vanaf vandaag in de winkel.

Spiegelaar!

Vanaf 28 februari is er een grote overzichtstentoonstelling van Patrick De Spiegelaere in het Antwerpse FotoMuseum. Bij uitgeverij Lannoo verschijnt dan ook het boek met 150 foto's, een essay van Stefan Hertmans en gedichten van Herman De Coninck en Peter Verhelst.

Op 29 februari vindt in de Gentse Vooruit Spiegelaar! plaats, een hommage aan fotograaf Patrick De Spiegelaere. De muzikale en literaire avond wordt opgeluisterd door onder anderen Raymond van het Groenewoud, Jan Decleir, Patrick Riguelle, Peter Verhelst, Jan De Smet, Stefan Hertmans, Herman Brusselmans en natuurlijke enkele van de negen zangeressen die hun verhaal vertellen in het boek van Gerry De Mol en Patrick De Spiegelaere. De toegangsprijs is 10 euro. De opbrengst van de avond gaat naar het Fonds Patrick De Spiegelaere, dat zich inzet voor een betere beeldvorming over het Zuiden en beeldjournalisten en kunstenaars wil helpen hun plannen te realiseren.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234