Zaterdag 06/03/2021

GetuigenissenVrijwilligers

‘Mocht elke Belg zelfs maar een week meedraaien in de zorgsector, ons land zou er helemaal anders uitzien’

null Beeld HUMO
Beeld HUMO

Zal 2020 voor altijd de geschiedenisboeken ingaan als het jaar waarin een smerig virus ons uit elkaar trok, dan schrijft 2020 ook geschiedenis als het recordjaar voor het vrijwilligerswerk. Voedsel uitdelen, doodzieke senioren verzorgen of gewoon een babbeltje slaan: de Belg offerde met gevaar voor eigen lijf en leden zeeën vrije tijd op voor zijn medemens. 

DE CULTUURWERKER: ‘GELUK, PASSIE, DRAMA’

Sven Roef (46) was professioneel nachtbraker. Tijdens concerten, fuiven en lezingen in de Gentse Vooruit stond hij in voor de veiligheid. Tot het coronavirus de nacht kortwiekte.

Sven Roef: ‘Het is een berekend risico: dat ik besmet kan raken, neem ik er haast met plezier bij.’ Beeld Wouter Van Vaerenbergh
Sven Roef: ‘Het is een berekend risico: dat ik besmet kan raken, neem ik er haast met plezier bij.’Beeld Wouter Van Vaerenbergh

Sven Roef: “Plots was ik drie dagen per week tijdelijk werkloos. Tijdens de eerste lockdown, in het voorjaar, was dat nog redelijk plezierig. Het weer was prima en ik had voor het eerst sinds lang tijd om te doen wat ik wilde. Ik kocht een kajak en zat vele uren op het water. En toen de maatschappij beetje bij beetje weer openging, kwam ook mijn werk terug. Zeker door de steeds veranderende regels voor evenementen had ik als preventieadviseur voldoende werk met het uitschrijven van coronaprotocollen voor de Vooruit.

“De tweede lockdown was treuriger. Het werd kouder, donkerder, en de zorgsector begon te kraken. Mijn vriendin, die in de zorg werkt, en een resem vrienden uit de sector vertelden me schrijnende verhalen over de ziekenhuizen en woon-zorgcentra. Het personeel raakte moe, overwerkt en ziek. Waardoor er op de overgebleven collega’s nóg meer druk kwam te liggen.

“Ik kon ervoor kiezen om wekenlang te niksen, maar ik voelde dat ik iets moest doen. Ik schreef me in op het platform Help de helpers, en nog geen uur later kreeg ik telefoon van een Gents woon-zorgcentrum. Ik mocht meteen beginnen. Bijna drie vierde van het personeel zat thuis: ziek of in quarantaine.”

Wat moest je er doen?

Roef: “Ik gaf besmette bewoners te eten en te drinken. Ik ruimde af, sloeg een praatje met de mensen, of hield hun hand vast tijdens het wandelen. Ik gaf het zorgpersoneel in de covidafdeling ondersteuning, ademruimte.”

Meteen op de covidafdeling: stevig.

Roef: “Inderdaad. Op mijn dienst verzorgden we zo’n 35 besmette bewoners. De meesten hadden gelukkig milde symptomen, maar soms verloren we zes mensen per week. Fysiek is dat werk al niet te onderschatten, maar psychologisch was het bijzonder heftig. Vrienden uit de zorgsector hadden me gewaarschuwd: ik moest ook voor mezelf zorgen. Toch heb ik het onderschat. Ik leerde in het woon-zorgcentrum bewoners kennen die gezond en bij de pinken waren, en één dag later waren ze overleden. Het virus grijpt sommigen meteen bij de keel. Dat weegt. Op mij, maar ook op de vaste medewerkers.

“Buitenstaanders kijken soms minachtend naar het zorgpersoneel in rusthuizen. Maar het fysieke aspect is niet het zwaarste aan hun job. Ze werken met mensen die aandacht en steun nodig hebben: dat vreet energie. In crisistijden bréékt het mensen.”

Waar haalde je de moed vandaan om te blijven helpen in je vrije uren?

Roef: “Ik was altijd volledig ingepakt, met dubbele handschoenen, een medisch mondmasker, een spatscherm, enzovoort. Maar ik was wel bang om besmet te worden. Het is een berekend risico. De bewoners zitten geïsoleerd op hun kamer, mogen nauwelijks bezoek ontvangen en worden bij een besmetting misschien doodziek. Dat ik dan besmet kan raken, neem ik er haast met plezier bij. Voor mij is ziek zijn misschien erg, voor hen is de isolatie nog veel erger.”

Je had ook administratieve taken in een triagecentrum kunnen uitvoeren.

Roef: “Dat weet ik, maar ik wilde absoluut in de frontlinie staan. Ik gaf me op als vrijwilliger om me echt nuttig te voelen. Dat was veel minder het geval geweest achter de schermen, al heb je ook daar vrijwilligers nodig. Laat maar komen, dacht ik. Toen ik me inschreef, hoopte ik al dat ik in een covidafdeling zou mogen bijspringen. Bij mijn eerste telefoontje had ik prijs – ik ben een gelukzak (lacht). Het is ook logisch dat ik in een covidafdeling nodig was: net daar viel het meeste personeel uit.”

Wat zul je meenemen naar je job in de Vooruit?

Roef: “Ik ga wel vaker om met hulpbehoevenden voor mijn job, zoals mensen in een rolstoel. Maar ik leerde nog meer geduld op te brengen. Iemand aandacht geven, hoe weinig ook, maakt soms een gigantisch verschil. Net als respectvol omgaan met iemands tekortkomingen. Dat zijn dingen die iederéén zou mogen leren. Mocht elke Belg zelfs maar een week meedraaien in de zorgsector, ons land zou er helemaal anders uitzien. Mensen zouden begripvoller zijn, de samenleving zachter. Er wordt vandaag snel neergekeken op mensen met een beperking, senioren, asielzoekers of vreemdelingen. Het is alsof we vergeten dat ook zij mensen zijn. Mijn werk in het woon-zorgcentrum heeft mij nog eens met de neus op die realiteit gedrukt.”

Actrice Elise Bundervoet, bekend van Buiten de zone en De luizenmoeder, schoolde zich om tot verpleegkundige. Ze vertelde in Humo dat zorg en cultuur dicht bijeen liggen.

Roef: “Volledig mee eens. Mensen uit het nachtleven zetten zich net als zorgpersoneel in voor het comfort van anderen. Dat doen ze met passie, niet om veel geld te verdienen.

“In het woon-zorgcentrum praat ik vaak met de bewoners. Een dame vertelde me wel twintig keer het verhaal van de ontmoeting met haar echtgenoot, zestig jaar geleden. Dat maakt bij haar zoveel los: geluk, passie, drama. Dat is wat cultuur ook doet: emoties overbrengen, een brug slaan tussen mensen. Doen voelen dat we allemaal mensen zijn, afhankelijk en kwetsbaar.”

Mis je het nachtleven?

Roef: “Heel erg. Ik mis de energie, de ambiance, de vreugde en alle emoties die opborrelen op een dansvloer. Ook de uitputtende nachtshifts en de langverwachte ontlading wanneer ik ’s morgens na het werk mee een glas kan drinken en een dansje kan wagen. Ik kijk enorm uit naar de ontlading van de eerste feesten na corona. Al houd ik mijn hart nu al vast, omdat ik meer dan ooit werk zal hebben met intoxicaties. Zo sta ik toch weer dicht bij de zorg.”

Zul je ook post-corona in de zorg blijven werken?

Roef: “Als er in de toekomst weer nood is aan helpende handen, zal ik graag bijspringen. Maar ik zou nooit blijvend actief kunnen zijn in de zorg. Dat zou me emotioneel niet lukken.”

DE HORECAKRACHT: ‘NOG NOOIT ZO GELUKKIG’

Ann Verhulst (52) was decennialang verantwoordelijk voor het ontbijt van de gasten in Hotel NH aan station Gent-Sint-Pieters. Het stond al even te koop, maar door corona kwam alles in een stroomversnelling. Ann werd naar huis gestuurd en het hotel zou nooit meer openen. Plots had ze zeeën van tijd.

Ann Verhulst: ‘Waarom zou ik meteen een nieuwe job zoeken? Om nog meer te kunnen uitgeven aan dingen die ik niet nodig heb?’ Beeld Wouter Van Vaerenbergh
Ann Verhulst: ‘Waarom zou ik meteen een nieuwe job zoeken? Om nog meer te kunnen uitgeven aan dingen die ik niet nodig heb?’Beeld Wouter Van Vaerenbergh

Ann Verhulst: “Ik had tijdens mijn carrière nooit de kans om echt stil te staan bij mijn manier van leven. Nu pas besefte ik hoe haastig en druk mijn bestaan was. Ik zette me elke dag 100 procent in voor het hotel, maar begreep niet dat ik mezelf voorbijliep. Wellicht had ik het niet veel langer volgehouden zonder eronderdoor te gaan. Nooit meer, heb ik tijdens die eerste coronagolf beslist.

“Door de sluiting van het hotel was er veel voedsel over – het was zonde geweest om dat weg te gooien. Via via kwam ik terecht bij de mensen van armoedeorganisatie Kras, die het voedsel konden gebruiken voor bedelingen. Na enkele minuten aan de telefoon voelde ik al de drang om zelf de handen uit de mouwen te steken. Ik had altijd gezegd dat ik tijdens mijn pensioen aan vrijwilligerswerk zou doen, maar ik voelde dat de omstandigheden meezaten: dit was hét moment. Het gekke is dat er in het voorjaar meer dan voldoende helpende handen waren. Ik wou vrijwilligen, maar ik mocht niet (lacht). Sinds eind mei ben ik een vaste kracht bij de voedselbedeling. De groep vrijwilligers bestaat bijna volledig uit gepensioneerden – met mijn 52 jaar ben ik er de jongste. Het is helemaal mijn ding. Ik heb nog geen seconde gedacht aan solliciteren voor een nieuwe job.”

Lukt dat financieel?

Verhulst: “Ik krijg nog even doorbetaald. Ik zit in een luxepositie en kan nu kiezen voor minder gejaagdheid. De vraag is: wat doe ik na deze periode? Nu al kijken sommigen me raar aan. ‘Zoek toch een nieuwe job, Ann, je bent nog zo jong.’ Maar waarom? Om nog meer geld te verdienen? Om nog meer centen uit te geven aan dingen die ik niet nodig heb, of om het af te geven aan de belastingen? Geef mij maar dit leven. Ik wil nog niet te veel denken aan de toekomst.”

Vrijwilligen doe je voor de ander, maar stiekem ook voor jezelf?

Verhulst (knikt): “Ik haal er enorm veel voldoening uit. Mijn eerste dag was werkelijk een openbaring. Op de tram naar huis moest ik mezelf onder controle houden om niet aan elke passagier te verkondigen hoe zielsgelukkig ik was.

“Het is het voorrecht om te kunnen helpen, dat het hem doet. Wie niet beseft dat hij in luxe leeft, leeft in luxe. U en ik gaan naar de supermarkt en hoeven niet voortdurend naar de prijs te kijken. We moeten ons geen zorgen maken over het einde van de maand. Bij de voedselbedeling zie je hoeveel mensen die luxe niet hebben. Je ziet niet aan iemand dat hij of zij in armoede verkeert, en je weet al zeker niet hoe dat komt. Hoeveel mensen zijn niet in de problemen geraakt door ziekte of een ongeval? Het heeft dikwijls níéts te maken met je levenskeuzes. Dat ik mensen kan helpen die zo veel pech hebben, doet deugd.”

Is al die ellende door voornamelijk pech ook niet confronterend?

Verhulst: “Natuurlijk. Ik ben geschrokken van het aantal mensen dat op onze organisatie moet steunen om te overleven. In het najaar waren er veel nieuwe gezichten. Of dat aan de tweede lockdown ligt, weet ik niet. Het is ook niet aan mij om dat uit te zoeken. Ik geef mensen wat ze nodig hebben, en krijg dankbaarheid terug. Daar trek ik me elke keer aan op. Al schrik ik eerlijk gezegd ook van de stuitende onbeleefdheid van een minderheid van de mensen. Ze krijgen voedsel, soms kledij en verzorgingsproducten, en ze gunnen je geen blik. Ook dat neem ik mee naar huis.”

DE POLITIEAGENT: ‘SLAAN EN ZALVEN’

Paul (*) blijft vanwege zijn functie anoniem. Ondanks zijn zware bestaan als politieman in Gent besloot hij dit najaar zijn vakantiedagen te vullen als vrijwilliger in een woon-zorgcentrum.

Paul: ‘Het personeel bedankte mij, terwijl ik met mijn vrijwilli­gerswerk respect voor hén wilde betuigen.’ Beeld Wouter Van Vaerenbergh
Paul: ‘Het personeel bedankte mij, terwijl ik met mijn vrijwilli­gerswerk respect voor hén wilde betuigen.’Beeld Wouter Van Vaerenbergh

Paul: “Ik vecht als politieman al tegen corona, maar dan vooral door mensen te beboeten. Ons korps kreeg de uitdrukkelijke opdracht om repressief op te treden: geen verwittiging meer, meteen een sanctie. We pakken nu mensen aan die we in het dagelijkse politiewerk nooit zouden tegenkomen: voorbeeldige burgers, oma’s en opa’s die toevallig net hun mondmasker niet dragen. Waarop we natuurlijk het verwijt krijgen dat we de politiestaat vertegenwoordigen.

“Ik ben niet tégen die boetes, want ze zorgen ervoor dat mensen zich beter gedragen in de strijd tegen het virus. Met zo’n sanctie help ik misschien de moeder of grootmoeder van die persoon. Maar ik vind de boetes wel te zwaar. Het is confronterend om onschuldige burgers zo te moeten straffen.”

Leeft dat gevoel in het korps?

Paul: “Ja. Wanneer wij studenten elk 250 euro boete geven voor een samenscholing of kotfeestje, zie je de paniek in hun ogen. Dat zijn vaak jonge mensen met een bescheiden potje zakgeld. Daarom wilde ik naast het slaan ook wat zalven. Om mijn geweten te sussen, misschien. Ik wilde tonen dat ik ook op een andere manier tegen het virus kan strijden. Door te helpen waar handen te kort zijn, zoals in woon-zorgcentra.

“Omdat er vorig jaar door de terroristische dreiging veel capaciteit nodig was op risicoplekken, spaarden veel politiemensen extra verlofdagen op voor 2020. Ik had er zestig, maar kreeg die nooit opgebruikt. Daarom nam ik in het najaar enkele weken vakantie, en kwam ik via de groep Zorg-Saam ZKJ in een woon-zorgcentrum in de buurt terecht om bij te springen. Ik was verbaasd dat het zo vlot ging. ‘Kom maar af, werk genoeg.’”

Hoe kon u zich nuttig maken zonder medische achtergrond?

Paul: “Je hebt mensen nodig die met de soepkar rondgaan, die ruimtes en deurklinken ontsmetten, de verplegers ondersteunen tijdens hun rondes, vrachtwagens met beschermingsmateriaal uitladen, bezoekers wegwijs maken, vleugels vrijmaken voor een nieuwe groep covidpatiënten... Taken die íédereen kan uitvoeren. En ik merkte meteen dat mijn aanwezigheid, hoe weinig ik soms ook kon doen, enorm op prijs werd gesteld door het personeel. En ook door sommige bewoners. Die mensen kunnen nog rustig kaarten, babbelen en rondlopen zonder vervelend beschermingsmateriaal. Wij zien eruit als aliens, zij kunnen ongestoord genieten van hun oude dag.

“Wat mij trof, was hoe vaak het personeel míj bedankte, terwijl ik met mijn vrijwilligerswerk vooral mijn respect voor hén wilde betuigen. Dat was heel raar. Ik voelde me zelfs wat schuldig. Of je nu politieman bent, dokwerker of leerkracht: het is je burgerplicht om in zo’n crisis bij te springen. Als iedere gezonde persoon één week helpt, is de situatie veel draaglijker voor iedereen. Het zou alvast meer helpen dan een applausje.”

Was uw korpschef opgezet met uw risicovolle vakantieplannen?

Paul: “Hij vond het nobel, maar voegde eraan toe dat ik maar beter oplette. Als er veel collega’s zouden uitvallen, moest hij op mij kunnen rekenen. Sommige collega’s deden ook meewarig. Als ik in mijn vrije tijd ziek zou worden, was het toch een beetje mijn eigen schuld, klonk het. Dat is één van de redenen waarom ik niet op de covidafdeling bijsprong, maar in een gesloten afdeling met niet-besmette bewoners. Daar was ook een groot personeelstekort, omdat veel medewerkers in de covidafdelingen moesten werken.

“Op mijn eerste dag heb ik de volledige dienst ontsmet. Een confronterende ervaring: volledig omringd zijn door demente mensen die voor zich uit staren, rondschuifelen en roepen. Leerzaam ook, want ik kan nu beter signalen van dementie herkennen wanneer iemand ronddwaalt op straat.”

Was u bang om besmet te worden?

Paul: “Als ik een bangerik was, zou ik mijn beroep niet kunnen uitoefenen. Tijdens een burenruzie nemen we het verhoor liefst buiten af, maar bij zwaar intrafamiliaal geweld moeten we natuurlijk naar binnen en bestaat de kans dat we besmet raken. (Droog) Als je in een huis moet vechten met iemand die buiten zichzelf is, zit je masker niet altijd even goed rond je mond en neus. Talloze collega’s zijn al in het gezicht gespuwd. Ik ben zo voorzichtig mogelijk en kan alleen hopen dat het virus mij niet zwaar te pakken krijgt.”

Begrijpt u de hoge boetes beter na uw ervaring in een woon-zorgcentrum?

Paul (knikt): “Vooral door de druk op het zorgpersoneel. Op één van mijn eerste dagen sprak ik een dame die nauwelijks vrije dagen had gehad in de afgelopen maanden. Plots barstte ze in tranen uit. Dat raakte mij enorm. Als je zó snel breekt en je zó kwetsbaar toont bij iemand die je eigenlijk niet kent, dan moet het wel heel diep zitten. Toen kwam het echt binnen: ik voer hier enkele weken eenvoudige taakjes uit, zij staan elke dag met veel te weinig mensen onder gigantische druk.

“Ondanks mijn voorbeeldfunctie als politieman merk ik dat mijn lontje korter wordt. Ik word steeds onbeleefder tegen mensen die zich niet aan de regels houden. Als ik in de achteruitkijkspiegel merk dat iemand zijn masker naar beneden trekt zodra wij gepasseerd zijn, stap ik er streng en hard op af met een boete en een boodschap die hij niet snel zal vergeten. ‘Wat snápt u er eigenlijk niet aan? Zullen we u eens meenemen naar een covidafdeling?’

“Het wordt met de week erger, merk ik. Vooral sinds mijn vrijwilligerswerk ben ik veel emotioneler. Zéker wanneer iemand ‘de slimme’ uithangt: ‘Ja, maar in Nederland moeten maskers niet’, of: ‘Corona bestaat niet, het is een samenzwering.’ Na een hele dag patrouille denk ik soms aan de indrukken van de maskers in de gezichten van de verpleegkundigen. Dan krijg ik het eerlijk gezegd moeilijk om niet als een wilde hond naar zo’n slimmerik te vliegen. Het zal nooit gebeuren – mijn collega’s zouden me ook tegenhouden – maar de combinatie van alles wat ik zie en hoor, doet het dierlijke in mij soms naar boven komen.”

DE THUISWERKERS: ‘MORELE PLICHT’

Een oorlog win je niet alleen in de loopgraven, maar ook in het achterland. Mechelaars Malika Razzouki (37) en Arlette Lemmens (70) streden de zachte strijd door de geïsoleerde medemens bij te staan. Malika met een fulltimejob en drie kinderen, Arlette met een risicoprofiel.

Arlette Lemmens: ‘Ik heb zelf veel last van eenzaamheid: mijn vrijwilligerswerk is ook egoïstisch.’ Beeld Wouter Van Vaerenbergh
Arlette Lemmens: ‘Ik heb zelf veel last van eenzaamheid: mijn vrijwilligerswerk is ook egoïstisch.’Beeld Wouter Van Vaerenbergh

Virologen en politici smeken zeventigplussers al maanden om binnen te blijven.

Arlette Lemmens: “Ik volg die raad zo goed mogelijk op, maar ik ervaarde zeker in de eerste maanden van de crisis een diep gevoel van machteloosheid. Ik deed in het verleden al wat vrijwilligerswerk, nu kon ik als zeventiger alleen maar toekijken. In de eerste golf heb ik mondmaskers gestikt, maar dat is toch niet hetzelfde als écht helpen.

“Sinds dit najaar ben ik buddy van een dame uit de buurt. Ze is even oud als ik en door een beroerte al twintig jaar verlamd. Normaal spendeert ze veel tijd in een zorgcentrum, maar daar waren veel coronabesmettingen. Ze zit nu elke dag urenlang alleen thuis. Ik ga meermaals per week naar haar om te kletsen en samen te lachen. Ik op haar overdekte terras, zij binnen, met tussen ons een open deur. Meer is het niet, en meer hoeft het ook niet te zijn. Ik zou eerlijk gezegd ook geen zin hebben om urenlang te zwoegen in de frontlinie. Er zijn mensen die op hun 78ste nog de energie hebben om president van de VS te worden, maar ik niet (lacht).”

Malika Razzouki: “Ik heb vaak te weinig tijd, maar overal rondom me hoorde ik dat oudere mensen geïsoleerd raakten. Mijn mama is zelf hulpbehoevend, ze is altijd erg afhankelijk geweest van haar kinderen. Ik moest íéts doen voor die mensen. Via een medewerker van de stad Mechelen krijg ik nu te horen wanneer iemand iets nodig heeft van de supermarkt of de apotheek – vaak tachtigers met geen of weinig familie. Dan doe ik de inkopen. Veel oudere mensen kunnen of durven dat niet in deze tijden. Voor mij is het geen moeite, behalve wat schuiven in mijn agenda.”

Jullie benadrukken allebei: het stelt toch niets voor. Maar jullie dóén het wel.

Razzouki: “Ik vind het vanzelfsprekend, een morele plicht. Ik probeer dat ook mee te geven aan mijn kinderen: ‘Als je goed doet, zul je goed ontmoeten.’ Dat klinkt wat zweverig, maar als iedereen zo denkt, en iedereen elkaar helpt, klopt het uiteindelijk wel (lacht).

“Ik help mensen via een platform: dat is erg ‘zichtbaar’ vrijwilligerswerk. Maar ongelooflijk veel mensen doen aan mantelzorg, wat eigenlijk hetzelfde is. Mensen zorgen voor hun buur, een vriend, een familielid: daar mag allemaal wat meer erkenning voor zijn, want het gebeurt massaal.”

Lemmens: “De solidariteitsgolf dit jaar heeft mij niet verbaasd. Ik geloof sterk in de goedheid van de mens, maar het slechte valt meer op. Ik vind ook niet dat ‘de jeugd van tegenwoordig’ zo slecht en onverschillig is, zoals je zeker in coronatijden soms hoort. Toen ik jong was, in de jaren 60, werd exact hetzelfde gezegd. Wie dat beweert, is gewoon een oude zak (lacht). De wereld is veranderd, maar er zijn evenveel goede en slechte mensen als vroeger. In crisistijden krijg je daardoor bijna te véél handen voor het beschikbare werk. Ik vind mezelf dus geen heldin. De verpleegkundigen, dokters en iedereen uit de zorgsector: zíj zijn helden.”

Malika Razzouki: ‘Ik geef het ook mee aan mijn kinderen: wie goed doet, zal goed ontmoeten.’ Beeld Wouter Van Vaerenbergh
Malika Razzouki: ‘Ik geef het ook mee aan mijn kinderen: wie goed doet, zal goed ontmoeten.’Beeld Wouter Van Vaerenbergh

Het zorgpersoneel strijdt tegen corona, jullie tegen het eenzaamheidsvirus.

Razzouki: “Twee weken geleden deed ik boodschappen voor een dame zonder familie. Ze is midden de 80 en woont alleen in een appartement. Als zij verkeerd valt en niet meer recht raakt... (stilte) Ik ben geschrokken van de situaties waarin sommige mensen leven. Ik neem dat mee naar huis. Gelukkig zet de stad Mechelen hard in op die mensen. Ik stel me soms voor dat mijn moeder haar kinderen niet had en in zo’n situatie zou terechtkomen. Die gedachte breekt mijn hart. Al gaat het niet alleen om de fysieke hulp die ik bied, maar ook om het babbeltje. Een ‘Hoe is het met u?’ en een gesprek van een kwartier doen wonderen.”

Lemmens: “Ik heb zélf veel last van eenzaamheid. In die zin is mijn vrijwilligerswerk egoïstisch (lachje). Ik woon alleen, de paasbrunch met de familie ging niet door, en hoewel ik soms familieleden zie in de tuin of tijdens een wandeling, is van knuffelen geen sprake. Tijdens de vakanties komen de jongste kleinkinderen al eens graag logeren, wat nu niet meer kan. Alle evenementen van onze wandelclub zijn weggevallen. Ik voel mij gewoonweg minder gelukkig dan anders.

“Tegelijk besef ik al te goed dat ik in een luxesituatie zit. Ik heb familie en goede buren. Mijn broer van 85 maakte de Tweede Wereldoorlog nog mee. ‘Mensen die zeggen dat deze periode even erg is als een oorlog, hebben een kort geheugen’, zegt hij. Wat niet betekent dat de situatie nu níét weegt. (Stilte) We zitten door corona allemaal in dezelfde storm, maar niet op dezelfde boot. Sommigen krijgen meer water binnen.”

Bent u bang voor het virus?

Lemmens: “Ik ken nogal wat mensen die zwaar ziek geworden zijn. Niet lang geleden overleed een man die ik goed kende. Maar ik ben niet echt bang, wel heel voorzichtig. Ik wil zelf naar de supermarkt blijven gaan, al voel ik mij er niet helemaal comfortabel bij. Ik ontsmet mijn handen drie tot vier keer tijdens het winkelen. Ik ben nog in een goede toestand: ik heb bijvoorbeeld heel sterke longen en wil dat zo houden. Ik denk er zelfs niet aan om naar het zwembad te gaan, ook niet wanneer het mocht.”

Is de dame van wie u buddy bent een vriendin geworden?

Lemmens: “Zeker. Je houdt het niet voor mogelijk, maar ze is áltijd goedgezind. Ondanks haar verlamming kon ze met een scootmobiel de baan op, tot ze enkele jaren geleden werd omvergereden. Sindsdien zit ze in een rolstoel. Ze vertelt zulke verhalen met een brede glimlach. ‘Zie mij hier nu zitten: wat een gelukzak!’ Niets krijgt haar klein. Dat is hartverwarmend en het maakt je door en door nederig. Ik zal haar na deze crisis blijven zien.”

Razzouki (knikt): “Ik ben ook verkocht. Dit vrijwilligerswerk heeft mij de ogen geopend. Ik haal er ook veel voldoening uit. Het besef dat je iemand uit de nood helpt met iets zo banaals als een uurtje van je tijd: dat bezorgt je een warm gevoel dat met weinig te vergelijken valt.”

DE STUDENT: ‘HELEMAAL LÉÉG’

Geen cantussen, geen stages, geen fuiven: de studententijd is kleurloos en eenzaam geworden. Als studente verpleegkunde jeukten de vingers van Ruth Vanhamel (21) te hard.

Ruth Vanhamel: ‘Naasten moesten soms door het raam toekijken hoe ik hun dood­ zieke familielid verzorgde.’ Beeld Wouter Van Vaerenbergh
Ruth Vanhamel: ‘Naasten moesten soms door het raam toekijken hoe ik hun dood­ zieke familielid verzorgde.’Beeld Wouter Van Vaerenbergh

Ruth Vanhamel: “Ik had niets kunnen doen, maar dat zou me nooit gelukt zijn. Ik zit boordevol energie. In april was de nood in de rusthuizen het hoogst, dus bood ik me daar aan. In het najaar liepen de hospitalen over, dus ging ik op intensieve zorg helpen in het Jessa Ziekenhuis in Hasselt. Als laatstejaarsstudent zie ik het als mijn plicht om me nuttig te maken.”

Een woon-zorgcentrum en de intensieve zorg: de plekken waarop de coronagolven bij uitstek inbeuken. Je leerde allicht meer bij dan in al je stages samen.

Vanhamel: “Tijdens een klassieke stage ben je actief bezig met bijleren. Het draait om jezelf en de competenties die je moet verwerven. Nu was er zoveel werk, alles kwam tegelijk op me af.

“Ik heb dit jaar beseft dat ik de juiste carrièrekeuze heb gemaakt. Het was vaak lastig, maar het werk gaf mij enorm veel voldoening. Op intensieve zorg is het geweldig om te zien hoe een patiënt dankzij de zorgen van de ploeg sterker wordt en uiteindelijk de dienst mag verlaten. Maar het zijn de kleinere dingen die me nog het meest met warmte vervulden: een dankbare blik, een klein gebaar, een glimlach nadat je gezwoegd hebt. In het ziekenhuis was die lichaamstaal des te belangrijker, omdat veel patiënten er Franstalig zijn, wat toch een beetje een barrière is.

“Ik heb ook veel geleerd over mijn veerkracht. Ik denk dat ik mentaal best sterk ben en schrijnende situaties goed kan loslaten. Maar soms lukte dat niet. Sommige verhalen nam ik mee naar huis.”

Wat trof je het meest?

Vanhamel: “De vele overlijdens in de woon-zorgcentra. Naasten moesten soms door het raam toekijken hoe ik hun doodzieke familielid verzorgde. Ik vond het ook zeer lastig dat ik door tijdgebrek niet lang genoeg kon stilstaan bij een bewoner, terwijl een korte babbel of het gevoel dat je de tijd kunt nemen voor hen zó kostbaar is.

“Op intensieve zorg waren er soms meerdere overlijdens in één shift. De werkdruk was enorm. Fysiek is het ook bijzonder lastig, omdat je volledig ingepakt bent en nooit rust kunt nemen. Zelfs eten, drinken of naar het toilet gaan was onmogelijk. Pas thuis kon ik echt stilstaan bij de dag. Op het moment zelf ging ik door op adrenaline, maar als ik in de zetel viel, besefte ik dat ik vollédig leeg was.

“Ik weet van mezelf dat ik veel heb aan ventileren, maar door de coronamaatregelen was contact met mijn vrienden veel moeilijker. Ik raakte er dikwijls bovenop dankzij kleine dingen: wat tijd met het gezin of een boswandeling.”

Schrok je van de kracht van het virus?

Vanhamel: “Die had ik onderschat. Relatief jonge mensen gaan van gezond naar doodziek in enkele dagen. Ik probeer mensen nu aan te raden om zich strikt aan de maatregelen te houden. Sommigen wanen zich onkwetsbaar, maar je kunt er veel slechter aan toe zijn dan je verwacht.”

Was je bang?

Vanhamel: “Natuurlijk, en ik ben ook besmet geraakt. Ik had het geluk dat het wel meeviel. Ik was een week ziek. Waar ik meer schrik voor had, was de tweede golf. Ik zag in de nazomer alle cijfers stijgen. Het besef dat het allemaal opnieuw zou beginnen, was loodzwaar. Hopelijk is de tweede golf de laatste.”

Maak je je boos op leeftijdsgenoten die de situatie relativeren?

Vanhamel: “Niet alleen mijn leeftijdsgenoten doen dat, hoor. Ik merk dat ik veel emotioneler ben over de maatregelen sinds mijn ervaring op intensieve zorg. Ik zag van heel dichtbij hoeveel leed het virus veroorzaakt en word furieus wanneer iemand doet alsof er niets aan de hand is.”

(*) Paul is een schuilnaam.

Mee de handen uit de mouwen steken? www.helpdehelpers.be

© Humo

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234