Maandag 01/06/2020

Missionarissen op sterk water

Een reportage in het Missiehuis van Scheut

Erik Raspoet / Foto's Tim Dirven

Ooit wemelde het in Scheut van de novicen, vandaag verblijven in het missiehuis nog achttien paters. Oude missionarissen zorgen voor stokoude missionarissen, de eens zo roemrijke congregatie loopt in Vlaanderen op haar laatste benen. Het Vaticaan bereidt een eresaluut voor. Walter Voordeckers, Ward Capiau, Serge Berten en Fons Stessels staan op de longlist van martelaren voor het geloof. Vermoord door paramilitairen in Guatemala, omgebracht door Chinese Boksers, geveld door tropische ziekten: het pad van de scheutisten liep niet altijd over rozen. Drieduizend portretten van missionarissen hangen in het museum van Scheut. Ze brachten onbekende streken in kaart, stelden talen op schrift, een enkeling liet een mandarijnenvlecht groeien. Het zijn straffe mannen die de residenten van Scheut aan het dromen brengen. Nog een keer op missie vertrekken, sommigen zouden er een rib voor opofferen. Want een missionaris is nooit sant in eigen land.

Pater Louis ontvangt me met een warme handdruk. Als rector domus van Scheut staat hij erop me persoonlijk aan zijn confraters voor te stellen. Het wordt een lichtelijk hilarische ervaring. Pater Louis introduceert me achtereenvolgens als Raspuit, Rapsuut en Raspé, ik waan me kapitein Haddock in het gezelschap van Bianca Castafiore. Raspoet, corrigeer ik voor de vijfde keer, Raspoet is de naam. Het mag niet baten, pater Louis blijkt hardleers. "Pater Leo", roept hij monter, "hier is die journalist, Erik Pasgoet."

Een tikje verstrooid, zeker, maar op het geheugen van Louis Mellebeek zit nog geen roest. Ik zou geld geven om hem anekdotes te doen ophalen. Hoe hij in 1958 naar de Filippijnen vertrok, via de haven van Marseille, waar hij als Kempenzoon voor het eerst de zee aanschouwde. Pas acht jaar later keerde hij terug, zijn eerste verlof. "Ik werd dringend verwacht", vertelt hij, "want ik moest de huwelijksmis van mijn broer opdragen. Om zeker op tijd te komen, scheepte ik twee maanden op voorhand in op een Nederlandse cargo. Het begon al goed: dat schip bleef maar liggen in de haven van Manila. Uiteindelijk zijn we dan toch vertrokken, maar bij iedere halte was het prijs. Singapore, Kuala Lumpur, Penang, lossen en laden, het ging ontzettend traag. Twee dagen voor de trouw lagen we voor anker in Akaba, we moesten nog helemaal door het Suezkanaal. Ik ben dan maar in een taxi gesprongen, 350 kilometer door de woestijn naar Amman. Daar had ik geluk, ik kon meteen het vliegtuig op. Ik weet het nog goed, ik ben 's avonds om halfnegen in Zaventem geland, 's anderendaags moest ik de mis doen. En het strafste van al: toen ik thuiskwam, bleek dat ik geen Vlaams meer kon spreken. Ik heb de helft van de mis in het Engels opgedragen."

Zoals veel Vlaamse jongens van katholieken huize kreeg Louis Mellebeek de microbe te pakken op het college. "Het gebeurde tijdens een lezing voor de retorica", zegt hij. "Die missionaris zei: 'Wat ik doe, dat kunt gij ook doen.' Wel, dat zinnetje heeft me over de streep getrokken. Als dat zo zit, dacht ik, dan word ik ook missionaris. Maar het had ook te maken met de figuur van Gandhi, naar wie we in die tijd hoog opkeken. Ik wilde doen zoals de Mahatma, opkomen voor de armen. En ja, de verre horizonten lokten. Ik bladerde vaak in Pro Apostolis, een missieblad met prachtige foto's. Vooral de berglandschappen van de Filippijnen maakten indruk. In gedachten zag ik mezelf ginder al wandelen, door berg en dal." Louis zette door, hij meldde zich als novice in Scheut, na zijn priesterwijding trok hij naar Ifugau, een bergprovincie op het Filippijnse eiland Luzon. "En of ik in de bergen heb gewandeld", zegt hij met een brede grijns. "Mijn eerste dorp lag op 56 kilometer van de dichtstbijzijnde autoweg."

Pater Louis is een buitenbeen in het Missiehuis van Scheut. Meestal smaken de sterke verhalen naar moambe en fufu. Op twee na hebben alle bewoners hun loopbaan in Centraal-Afrika gesleten, sommigen hebben de volledige cyclus Kongo-Zaïre-Kongo doorlopen. Nog achttien paters bevolken het moderne, zij het enigszins zielloze complex aan de Ninoofsesteenweg. 'Scheutveld ofte schietveld' heet deze wijk van Anderlecht, waar lang geleden de Franse generaal de Villeroy zijn kanonnen opstelde om de Brusselaars te bombarderen. In de topjaren liepen hier wel 250 novicen en missionarissen rond, het missiehuis had toen de allure van een abdij waarvan de kerk met haar twee spitse torens model stond voor de gebedshuizen die door nijvere zendelingen in alle hoeken van de wereld werden opgetrokken.

Scheut wordt door het grote publiek onwillekeurig geassocieerd met de kerstening van Kongo. Maar in feite werd de congregatie in 1862 gesticht om China te evangeliseren. Pas in 1888 vertrok de eerste scheutist richting evenaar. Het zou niet bij twee bestemmingen blijven. In 1907 werden de Belgische paters naar de Filippijnen gesommeerd als opvolgers voor de Spaanse missionarissen, die er na de onafhankelijkheid uit waren geknikkerd, nog eens dertig jaar later waagden ze de sprong naar Indonesië. Vandaag telt de orde 1.247 confraters in tweeëntwintig landen, verspreid over Afrika, Azië, Latijns-Amerika en Europa.

Scheut draagt nog altijd een Vlaams cachet. Nog zeshonderd Vlaamse paters, zowat de helft van alle effectieven - het zijn data die om een korrel zout schreeuwen, want ze verbergen een diepe malaise. Het gros van die Vlaamse scheutisten zijn missionarissen zonder missie die niet in de tropen of het Verre Oosten verblijven maar permanent in het nabije Vlaanderen vertoeven. Teruggeroepen wegens te oud of te ziek, de kwieksten fungeren als priester in een parochie of als aalmoezenier in een rusthuis. Zelf heeft de congregatie in Vlaanderen maar liefst zes rusthuizen waar tweehonderd stokoude missionarissen op hun ultieme zending wachten. Roepingen zijn er allang niet meer, nog minder dan bij diocesane priesters. Vier jaar geleden vertrok de nu 31-jarige Wim Holderbeek naar Hongkong, wellicht wordt hij de allerlaatste Vlaamse scheutist. Over de afbraak in 1982 van het majestueuze, oude missiehuis wordt hier dan ook niet sentimenteel gedaan. Bouwvallig, luidt het, en peperduur in het onderhoud. En daarbij: wat moesten we met een noviciaat zonder novicen?

Klokslag twaalf, het is verzamelen geblazen in de cafetaria voor het aperitief. In de wandel spreekt men ironisch van het contemplatief uurtje. Deelnemers kunnen putten uit een rijk assortiment bieren en sigaren. Marcel Mestdagh houdt het sober met een Spa bruis. Hij is met verlof bij zijn zus, dit is slechts een gelegenheidsbezoek. "Om de drie jaar mogen we naar België", zegt hij. "Dat is luxe, mijn eerste term duurde zeven jaar. Het is ongelooflijk hoe je dan je eigen land ziet veranderen. Toen ik in '59 vertrok, reden er veel fietsen en weinig auto's rond, in '66 was het precies andersom. Nu verbaas ik me vooral over de hoge vlucht van de communicatietechnologie. Iedereen heeft een gsm, iedereen surft op het internet. Ik zit in een dorp op 150 kilometer van Mbuji-Mayi, het zal nog lang duren voor ik daar e-mail kan ontvangen." Nog enkele weken kleumen in de Belgische winter, dan reist hij opnieuw naar zijn post in de Kongolese provincie Oost-Kasai. De geluksvogel, zie ik sommigen in de cafetaria denken.

Een laatste keer op missie vertrekken, voor de 69-jarige Paul Lissens is het een onbereikbare droom. Paul en Marcel zijn nochtans generatiegenoten, lichting '52-'53 van het noviciaat. "De gezondheid", foetert hij. "Vier jaar geleden kreeg ik een darmperforatie. Gelukkig was ik met verlof, want in Kananga had ik het nooit overleefd. De dokter was formeel: van Afrika kon geen sprake meer zijn. Al mijn spullen zijn ginder achtergebleven, ik heb van niemand afscheid kunnen nemen. Het kwam hard aan, na 35 jaar in de Kasai ben ik totaal vervreemd van België."

De pot schaft oer-Vlaamse kost. "Witte pensen zijn toch beter dan zwarte", probeert pater Leo zijn Kongolese disgenoot uit zijn tent te lokken. Sylvestre Mpia tuint er niet in en neemt nog een schep appelmoes. Zijn vloeiend Nederlands komt goed van pas als missionaris in Gent. Racisme in Vlaanderen? "Valt wel mee", vindt pater Sylvestre, "al maken ze wel eens een vuile opmerking in mijn gezicht. De mensen vermoeden niet dat je als zwarte ook Nederlands begrijpt." Hij had natuurlijk een andere bestemming kunnen kiezen. Zowel in de steppen van Mongolië als tussen de wolkenkrabbers van Tokio vind je tegenwoordig Kongolese scheutisten. Missionarissen zijn nooit sant in eigen land, het uitgestuurd worden behoort tot de essentie van de stiel. Nu de rekrutering steeds internationaler wordt, zijn alle combinaties denkbaar. Filippijnen in Kongo, Indonesiërs in Guatemala, Haïtianen in Singapore, de reisdienst van Scheut heeft de handen vol. Voor Sylvestre Mpia was de keuze snel gemaakt: hij wou per se naar België, naar Vlaanderen als het even kon. "Ik ben opgegroeid met de Vlamingen", verklaart hij zijn voorkeur. "Mijn parochie in de Bandundu werd door Vlaamse scheutisten gesticht." Sylvestre is een jonge dertiger, een bakvisje vergeleken met zijn Vlaamse confraters. Hij vormt het levende bewijs dat Scheut niet zozeer uitsterft dan wel van kleur verandert. Jaarlijks trekken de noviciaten van de Filippijnen, de Dominikaanse Republiek en Kameroen tussen de twintig en dertig aspiranten uit de wijde regio. Te weinig om de sterfte in Vlaanderen en Nederland te compenseren, voldoende om nog ambities te koesteren. Binnenkort start Scheut alvast met nieuwe missies in Mozambique en Cuba.

Het leven in Scheut verloopt volgens een geijkt patroon. De vanillecrème met rozijnen is opgelepeld, het dankgebed gepreveld, het is tijd voor de siësta. Pas om twee uur komt er weer leven in de brouwerij. Paul Lissens neemt ons op sleeptouw. Wenkbrauwen tieren welig boven een zwaar brilmontuur, pater Paul is gezegend met wat fotografen een karakterkop plegen te noemen. "Die baard heb ik te danken aan Scheut", zegt hij. "In mijn tijd hadden novicen geen keuze: de eerste drie weken verboden te scheren. Daarna kwam de novicemeester ons inspecteren. 'Laten staan, laten staan, afdoen want het wordt toch niks': een voor een werden we gekeurd, die man was een echte expert. De baard, dat was het prestige van de missionaris, daar werd niet mee gelachen."

Hij zet de alarminstallatie af, de weg is nu vrij om de schatten van Scheut te bezichtigen. Verzamelaars zouden zich in de handen wrijven bij het zien van deze collectie chinoiserie. Authenticiteit verzekerd, alle geëxposeerde stukken werden ter plekke verzameld door missionarissen van het huis.

Bijna een eeuw heeft het Chinese avontuur geduurd. Het begon met Theophile Verbist, een pastoor uit Mechelen die zo erg in de ban raakte van het gele continent dat hij een missiecongregatie stichtte om er de Blijde Boodschap te verkondigen. De missie kende een bewogen geschiedenis, zo blijkt uit vergeelde foto's en documenten. Neem nu de Bokseropstand in de zomer van 1900: pater Jozef Segers werd levend begraven, kerken werden platgebrand, Scheut verloor zeven zonen. Maar niet alle souvenirs zijn zo beladen. Pater Paul loodst ons naar een vitrinekast. De mantel van de dankbaarheid, die moeten we toch gezien hebben. "Komt uit de provincie Ningxia", zegt Paul. "Die heeft pater Van Melckebeke gekregen, als dank voor de hulp van de scheutisten na een grote overstroming." Het is een bont kledingstuk geworden, ieder lapje stof werd, van een opdracht voorzien, geschonken door een dankbare parochiaan. Volgens mij hebben de Chinezen hard gelachen toen de blanke pater zich in dit carnavalsplunje hijste, maar dat is interpretatie achteraf. "Van Melckebeke is ginder nog bisschop geworden", zegt Paul. "De communisten hebben hem in '49 buitengezet. Ik heb hem in Scheut nog gekend, hij was een echte Brusseleir. Volgens mij sprak Van Melckebeke zelfs Chinees met een Brussels accent."

De portrettengalerij slaat alles. Om en bij de drieduizend foto's van A4-formaat vormen samen het caleidoscopische gezicht van 135 jaar Scheut. Pater Paul mag trots zijn op zijn werk als conservator. Alle foto's werden geklasseerd volgens de lichting van het noviciaat en waar nodig van een sterfdatum voorzien. De galerij maakt een lus, zodat de oudste en de jongste lichtingen elkaar in de ogen kunnen kijken. Kleurenfoto's met lachende Afrikanen en Aziaten tegenover sepiaportretten van plechtstatige Belgen, het is duidelijk dat niet alleen het missiewerk maar ook de fotografie fel is geëvolueerd. De eerste nissen worden door China-pioniers gemonopoliseerd. "Zie je die drakenmotieven op hun habijt?", vraagt Paul. "De eerste scheutisten gingen gekleed zoals de lokale clerus, in zijde. Dat was een bewuste keuze, ze kopieerden de lokale gebruiken om beter aanvaard te worden. Je merkt het ook aan hun baarden, die getrimd zijn naar de Chinese mode. Er was zelfs een pater die een lange vlecht had laten groeien, net een mandarijn. Die vlecht hebben ze meteen afgeknipt toen hij naar Scheut terugkwam."

Pater Paul is in zijn sas, hij strooit met gulle hand wetenswaardigheden rond en wekt lang vervlogen confraters opnieuw tot leven. Mon Van Geneghten, een begenadigd kalligraaf die zelfs Chinese meesters het nakijken gaf. Prosper Denolf, een fameus etnoloog die menige Kongolese stam te boek heeft gesteld. En natuurlijk de gebroeders Maertens uit Ooigem, van wie enkelen nog in leven zijn. André, Joris, Michel, Frans, Noël en Willem, zes broers die zich tussen 1937 en 1946 in Scheut hebben aangemeld. "Er was nog een zevende broer", weet Paul. "Maar die heeft de overste teruggestuurd. Zes van één familie vond hij welletjes. Er moest toch iemand trouwen en kinderen krijgen."

Zelf zal Paul Lissens worden herinnerd als een uitmuntend linguïst die het Oude Testament in het Tshiluba heeft vertaald en een woordenboek op zijn palmares heeft. "Tshiluba-Frans", zegt hij. "Jaren op gezwoegd. Ik was al begonnen aan het tweede deel, Frans-Tshiluba. Maar ja, de gezondheid hé. Al mijn fiches zijn ginder gebleven, het zal niet meer voor mij zijn."

Lichting '53 is een mijlpaal. Is de galerij vóór dat jaartal egaal blank, vanaf '54 duiken mondjesmaat de Afrikanen op. Frédéric Etsou uit Lisala was een van de eerste inlandse scheutisten. Het is een mooi portret in zwart en wit, de littekens van de initiatieriten die hij als puber in zijn stam onderging, zijn duidelijk zichtbaar. De cultuurschok was groot, voor beide kleuren overigens. De eerste generaties scheutisten waren onverbeterlijke paternalisten. In hun ogen waren zwarten grote kinderen die slechts met veel geduld en harde hand konden worden opgevoed. Pas na de Tweede Wereldoorlog en onder toenemende druk van het autochtone bewustzijn wijzigde die racistische visie. 1953, het was rijkelijk laat om de zwarten als broeders in de arm te sluiten. Maar de scheutisten hadden de nieuwe wind alleszins sneller gevoeld dan de koloniale administratie, die anno '53 nog geloofde dat ze de eeuwigheid voor zich had. Maar dat Frédéric Etsou het tot kardinaal van Kinshasa zou schoppen, dat zullen zijn Belgische studiegenoten wel nooit hebben bevroed.

Het nieuws raakte onlangs bekend. Naar aanleiding van het jubeljaar 2000 is het Vaticaan op zoek naar martelaren van het geloof. Vier kandidaten hangen in deze galerij: Walter Voordeckers, Ward Capiau, Serge Berten en Fons Stessels werkten als missionaris in Guatemala. De eerste drie vielen in het begin van de jaren tachtig, Fons Stessels werd in 1994 vermoord. Schuldigen werden nooit gevonden, maar de verdenkingen gaan uit naar militairen en extreem-rechtse doodseskaders. De vermoorde paters waren adepten van de bevrijdingstheologie, er rotsvast van overtuigd dat evangelisatie en strijd voor sociale rechtvaardigheid hand in hand dienen te gaan. Als ze straks tot martelaren van de kerk worden gebombardeerd, mag Scheut terecht trots zijn. Alleen insiders zullen zich dan nog herinneren dat hun engagement voor de allerarmsten ook binnen de congregatie niet op unaniem applaus werd onthaald. Behalve jonge, progressieve missionarissen telde Guatemala destijds heel wat oudere confraters die in 1949 met onzachte hand uit China waren gezet. In de oren van die communistenvreters klonk ieder pleidooi voor sociale rechtvaardigheid als je reinste blasfemie.

De titel springt meteen in het oog. Le manifeste communiste van Karl Marx, ik ontdek het boek in het kantoor van pater Paul. "Documentatie voor het philosophicum van Kinshasa", zegt hij. "Boeken aankopen en verzenden, daar vul ik hier mijn dagen mee." Een nuttige bezigheid, daar niet van, maar mentaal vertoeft pater Paul nog steeds in de missie. Hij wijst de plek aan op de kaart van Kongo. Demba in de Kasai occidental, daar is hij jarenlang reispater geweest. "Een streek zo groot als Oost-Vlaanderen", zegt de geboren en getogen Aalstenaar. "Het duurde een paar maand om alle dorpen te bezoeken. Gewoonlijk arriveerde ik in een dorp tegen 's middags. Eerste werk: de school bezoeken, zodat de kinderen hun ouders 's avonds konden vertellen dat de pater op bezoek was. In de namiddag bezocht ik zieken en pasgeboren kinderen, 's avonds nam ik de biecht af en luisterde ik naar de palavers, nog altijd de beste methode om te weten wat er in zo'n dorp leeft. Dan kwamen ze ook raad vragen. 'En pater, wat denkt gij ervan?' Dat is het moment waarop je als missionaris je evangelische visie kunt aanbrengen. Veel treuzelen was er niet bij. 's Morgens deed ik de mis, ik nam nog een paar mensen de biecht af en dan was het opschieten naar het volgende dorp. Ik had een versleten bestelwagen, maar sommige dorpen waren alleen te voet bereikbaar. Kalunga, dat was 25 kilometer marcheren door jungle en moeras, alleen te bereiken tijdens het droog seizoen. Ik was de eerste pater die dat dorp bezocht, en ik geloof niet dat mijn opvolgers er nog een voet hebben gezet."

We halen er koffie bij, pater Paul zit op zijn praatstoel. 'Pater piloot' werd hij wel eens genoemd, omdat hij jarenlang met een Cessna boven de Kasai heeft gevlogen. "Om het geld van de onderwijzers rond te dragen", zegt hij. "Dat moest per vliegtuig, want de wegen waren onberijdbaar geworden. Jaja, ik heb de Kongo zien verloederen. Na de onafhankelijkheid vochten ze in de dorpen om voor de pater te mogen koken. Maar de laatste jaren deelde ik zelf conserven uit, de mensen hadden niks meer." Af en toe gooit hij er een citaat in het Tshiluba tussen. Dan vernauwen zijn ogen tot spleten en wijst hij met zijn vinger naar fictieve toehoorders. Naar de chefs van het dorp die in zijn bijzijn discussieerden over de inplanting van een protestantse school tegenover zijn katholiek instituut. De palaver dreigde voor Rome verkeerd af te lopen, tot pater Paul opstond en de gevleugelde woorden sprak: 'Geen twee hanen op één mesthoop.' "Ik hield altijd een paar lokale spreuken achter de hand", zegt hij. "Dat maakt in Kongo grote indruk. Ik zeg altijd: een goede missionaris moet drie zaken kennen. Hij moet de taal spreken, hij moet de cultuur leren kennen, en hij moet de mensen respecteren zoals ze zijn. We moeten vooral niet proberen de Afrikanen naar ons evenbeeld te kneden, dat lukt toch niet."

Tijd voor het avondeten. Overschotjes van 's middags, boterhammen, er wordt opvallend snel gebikt. "Slechte gewoonte van de missie", zegt een tafelgenoot. "Wij weten niet wat gezellig tafelen is, we hebben altijd in ons eentje gegeten." Bovendien wil niemand het avondjournaal missen. Er zijn drie televisielokalen, kwestie van pluralisme. Toch wordt er nauwelijks gekeken, al zal dat tijdens Euro 2000 wel anders zijn. Dan maar op bezoek bij Jef Matton, met zijn 49 jaar de benjamin van dienst. Drie jaar geleden kwam hij met verlof uit Kameroen, waar hij zich als een vis in het water voelde. Dat had hij niet moeten doen, want hij kreeg prompt een niet te weigeren aanbod om als econoom in het missiehuis te blijven. "Nuttig werk", zegt hij. "Maar ik zal toch blij zijn als mijn termijn over drie jaar om is. Ik ben nog jong, hopelijk mag ik terug naar Kameroen." Jef is in 1970 ingetreden, met vijf medeleerlingen van zijn college in Kortrijk. "Deze foto werd gemaakt tijdens een reünie", zegt hij. "Die man met zijn pij is abt van Westvleteren geworden, de andere vier zijn uitgetreden en getrouwd. Wist je dat Scheut ieder jaar een bijeenkomst voor gewezen missionarissen en hun familie organiseert? We hebben ons allang met dat fenomeen verzoend. Toen ik op het noviciaat zat, traden gemiddeld drie scheutisten per maand uit. Dat was vlak na het Tweede Vaticaans Concilie, van toen af ging het snel met de vergrijzing. We maakten er grapjes over: dat we zeven jaar theologie en filosofie moesten studeren om later de karretjes van onze bejaarde confraters te duwen."

Ward Van Haegenborgh mag dan bijna zeventig zijn, hij behoort nog tot de mobiele eenheden. Erg mobiel zelfs: als provinciaal overste maalt hij jaarlijks 50.000 kilometer af. Vanmorgen nam hij afscheid van twee zieltogende confraters in het rusthuis van Torhout, straks vertrekt hij naar het ziekenhuis van Halle, waar pater Jans op sterven ligt. Van ziekbed naar sterfbed, de provinciaal neemt het filosofisch op. "De Vlaamse scheutisten sterven uit", stelt hij nuchter vast. "We hebben het eens uitgerekend, in 2025 is het hier definitief gedaan. Jef Matton en Wim Holderbeek zijn de jongsten, zij mogen het licht uitdoen. Is dat een ramp? Een kloosterorde zoals de benedictijnen of norbertijnen die uitsterft, eeuwen van contemplatief leven die teloorgaan, dat is een ramp. Maar missiecongregaties werden niet opgericht voor de eeuwigheid. Een aantal van onze doelstellingen is gerealiseerd, en anderen staan klaar om de fakkel over te nemen. We hebben een mooie pagina geschreven in een lang verhaal, zo moet je het bekijken."

Het is een absurde vraag, maar Ward neemt ze sportief in overweging. Stel dat hij opnieuw jong was, zou hij dan nog missionaris worden? "Nee", zegt hij beslist. "Wellicht zou ik voor een ngo zoals Artsen zonder Grenzen gaan werken. Jongeren hebben vandaag veel meer mogelijkheden om zich in te zetten voor de derde wereld, dat is het verschil met vroeger. Maar ik heb geen spijt van mijn keuze. Soms ga ik mediteren in de portrettengalerij. Het hangt daar toch wel vol met straffe mannen. Pioniers van vreemde continenten, filologen die talen op schrift hebben gesteld... Op zo'n moment ben ik trots dat ik bij de club hoor."

Om halfacht begint de ochtendmis. Een halfuurtje maar, het zijn geen pilaarbijters. Voor en na het eten nog een dankgebedje, en so much voor het liturgische leven op een doordeweekse donderdag. Na het ontbijt rijden we naar het rusthuis van Zuun voor de epiloog. Het basketbalterrein dateert uit de tijd toen het kasteeldomein wemelde van de novicen, de huidige bewoners hebben andere hobby's. Zoals wandelen en tuinieren, want deze kranige bejaarden kunnen zichzelf nog aardig behelpen. Dit is een huis vol avondvullende levensverhalen, ik moet beslist terugkomen en heel veel papier en cassetten meebrengen.

Alleen al de biografie van de 90-jarige Pier Joos is een boek waard. Dertien jaar China, Japanse invasie, burgeroorlog, detentiekampen, hij kan er uren over vertellen, en dan moet hij de veertig jaar in Japan nog aansnijden.

Het is stralend weer, Piet Vanden Bosch maakt zijn dagelijkse wandeling. Hij leunt zwaar op zijn stok, ik moet op de rem staan om gelijke tred te houden. Kunstheupen, defecte nieren, de van ouderdom rood dooraderde neus - het is een lange, vermoeiende reis geweest. Pater Piet is een Kongo-veteraan, en hij is nog altijd boos op de dokter die hem in 1974 met een negatief attest aan België heeft gekluisterd. De sukkelgang leidt naar het sobere kerkhof, waar alles in gereedheid wordt gebracht voor de begrafenis van de stervende pater Jans. Zijn wandelstok wijst de gedenkstenen aan, allemaal confraters die Piet Vanden Bosch in de Kongo heeft gekend. Zesentwintig jaar is het geleden, maar het heimwee is gebleven. "Als ik foto's bekijk, schiet mijn gemoed vol", zegt hij. "Ik kan het soms niet geloven. Al die mensen van mijn missie, ze zijn ondertussen allemaal dood."

Erik Raspoet schrijft voor De Bijsluiter. Tim Dirven is fotograaf bij De Morgen.

Paul Lissens: 'In mijn tijd hadden novicen geen keuze: de eerste drie weken verboden te scheren. De baard, dat was het prestige van de missionaris, daar werd niet mee gelachen'Ward Van Haegenborgh: 'Soms ga ik mediteren in de portrettengalerij. Het hangt daar toch wel vol met straffe mannen. Pioniers van vreemde continenten, filologen die talen op schrift hebben gesteld... Op zo'n moment ben ik trots dat ik bij de club hoor'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234