Dinsdag 14/07/2020

Missie voor het leven

Edgard Declercq preekte en hernieuwde, Paul Van den Bosch bouwde en bestierde. Beiden jaren lang missionaris in Congo, nu heren op leeftijd in België, met het zwarte continent nog altijd in het hart en in het hoofd. In 'Nonkel Pater', vanaf dinsdag op Canvas, doen ze hun verhaal.

'Mijn hele leven heb ik gepreekt'

Edgard Declercq (87), witte pater

Misschien kunnen wij, 'nonkel paters', getuigen van een ander soort kerk. Geen kerk die verminkt is door de schandalen die zij zelf heeft gecreëerd en waar zij verkeerd op heeft gereageerd." Aan het eind van ons gesprek is het zijn laatste, vurige opmerking. Pater Edgard Declercq zegt de dingen graag zoals ze zijn.

We zitten in de statige ontvangstzaal van het klooster in Varsenare, een prachtig oud kasteel in een oase van groen. "Het voorgeborchte van de hemel", noemt hij zijn nieuwe stek. Ook al ligt zijn hart nog steeds in Congo. Tweeënveertig jaar lang trok hij er als reispater rond in zijn Land Rover ("tractie op de vier wielen, maar nog raakten we vaker dan ons lief was vast in de modder").

"Waarom ik missionaris wilde worden?" herhaalt hij mijn eerste vraag. Zijn ogen zien me nauwelijks - "die doen het al elf jaar niet meer zoals ze zouden moeten" - maar kijken me recht aan. "Ze zeggen vaak dat missionarissen zieltjes wilden winnen. Maar ik wilde vooral de Blijde Boodschap brengen. Want ik wist: wie iets met die boodschap doet, maakt de wereld beter.

"Ik was een romanticus. Dat heeft me de wijde wereld in gedreven. Ik was lid van de KSA. De laatste vier jaar heette je dan 'hernieuwer'. 'Vlaanderen hernieuwen in Christus' was een van de leuzen. Maar ik vond dat Vlaanderen al hernieuwd was. Laten we nu andere landen hernieuwen. In Afrika bijvoorbeeld."

"Ik was al 34 toen ik naar Congo vertrok. Ik werd benoemd in de missiepost van Kasongo, gesticht in 1903. Er was al een flinke christenheid. Mijn taak was: preken. Verkondigen. Mijn hele leven heb ik gepreekt. Als ik moet resumeren wat voor goeds ik in mijn leven gedaan heb, dan zeg ik: 'Ik heb gepreekt.' Ik heb de mensen willen doen opstaan. Onder de dictatuur van Mobutu vormden ze een kudde die te weinig reageerde tegen onrecht en uitbuiting.

"Na twee jaar Congo was de onafhankelijkheid er al. Die 30ste juni 1960 hebben wij samen met de Congolezen gevierd. Vele blanken bleven, maar stuurden wel vrouw en kinderen naar huis. Eerst dachten we dat het angst om niks was. Maar een paar dagen later al kwam het leger in opstand. Paracommando's uit België wilden het leger ontwapenen. Waarop onze bisschop ons beval onze post te verlaten. 'We moeten tonen dat we solidair zijn met de Congolezen', zei hij, 'en niet met die para's.' En we zijn gaan lopen, naar een missiepost honderd kilometer verderop in de brousse. Acht dagen later waren de para's weg en keerden we terug.

"Meteen stelden we vast dat er iets veranderd was. De Congolezen bekeken ons met andere ogen. In de kathedraal hield men een dienst voor drie gesneuvelde Congolezen, en het werd ons afgeraden te komen. We moesten onze houding veranderen, wilden we in Congo blijven. We moesten het roer uit handen geven. In 1963 al hadden we een zwarte bisschop."

Hij stopt me een map in handen. Erin: een brief die hij in 1985 schreef aan zijn familie en vrienden. Ik lees hoe de partijbonzen in de stad Kindu hem beschouwden als een "subversief element, opstoker en oproerkraaier", hem ter verantwoording riepen, uitlachten en beschimpten. "Ik heb vaak de indruk een vrijschutter te zijn, een zonderling, een donquichot die met evangelische lans militaire en administratieve windmolens te lijf gaat", schrijft hij.

"Ik ben zeven keer gaan lopen. Soms op bevel van de oversten, soms om het vege lijf te redden. Dertien van onze confraters zijn ginder vermoord. Een herder verlaat zijn kudde niet, zegt men. Ik moest wel. Maar zes keer ben ik ook teruggekeerd. De zevende keer was ik 75. Mijn tijd in Congo was voorbij.

"In de nacht van 16 op 17 februari 1961 vernamen we via de radio dat Lumumba vermoord was in Katanga. Op dat moment waren soldaten in Kasongo gestationeerd die op weg waren naar Katanga. Een commissaris van het territoire (deel van een district, ST) kwam dreigen. 'Nous déclarons la guerre mondiale à la Belgique' riep hij enigszins overdreven (lachje). Nog geen uur later hadden de soldaten onze missie bezet. Ze dreven ons naar buiten en dwongen ons op de knieën. Daarna gooiden ze ons als rijstzakken in een vrachtwagen. De soldaten bewerkten ons met de kolf van hun geweer."

Hier wil hij even stoppen, zegt hij. En hij vertelt hoe ze hem ooit vroegen te boek te stellen wat hij allemaal had meegemaakt. En hoe hij ermee is moeten ophouden. "Ik kreeg er nachtmerries van. Opeens kwam dat allemaal terug."

Toch gaat hij door met zijn verhaal. "Ze voerden ons naar de gevangenis van Kasongo en we moesten alles wat waarde had afstaan - onze schoenen, onze brillen, zelfs onze rozenkransen. Met drie of vier moesten we blootsvoets in een cel van twee vierkante meter. We dachten dat we op de dood wachtten, maar de volgende dag werden we vrijgelaten. We zijn toen even naar België teruggegaan. Later ben ik met zes anderen opnieuw teruggekeerd naar Congo. Ik hield te veel van de Congolezen. Het is een wonderlijk volk. Hun optimisme is formidabel. Ik bewonder dat. Het is allesbehalve oppervlakkige vreugde. Ze zijn zoveel beter dan hun reputatie doet geloven."

''Au fond zijn we broers',

zei Mobutu'

Paul Van den Bosch (90), scheutist

God zegene en beware u." Pater Paul heeft me stevig bij de schouders vastgenomen en geeft me een kruisje op het voorhoofd. Anderhalf uur lang heb ik in zijn kleine kamertje in het rusthuis van scheut in Zuun zitten luisteren naar zijn onwerkelijke verhaal.

"Ik wist al van in de humaniora dat ik missionaris wilde worden. Het avontuur lonkte en ik wilde de mensen helpen. Eerst zou ik naar China gaan. Om er de confraters te vervangen die er waren vermoord. Ik leerde Chinees, maar toen bleek dat Mao alle westerse paters buiten had gesmeten. Ik moest ergens anders naartoe. 'In Kinshasa zouden ze je goed kunnen gebruiken', zeiden mijn oversten, en dus werd het Congo. In 1949 ben ik vertrokken.

"Toen ik aankwam, sprak ik de taal niet. Chinees, dat wel (lacht), maar geen Lingala. De lokale pastoor stuurde me naar de lagere school. Ik kwam in het eerste leerjaar terecht, op het achterste bankje van de klas. Ik werd de 'nonkel' van die klein mannen, want ik leerde hen spelletjes als zakdoek leggen en jagerbal. Na zes weken sprak ik al een mondje Lingala, na drie maanden stond ik op de preekstoel. Ik begon ook een jeugdbeweging: de KAJ. Ik werd een van hen. 'Je mag alles weten van ons', zeiden ze me. 'Maar vertel het daarna niet door aan de andere paters' (lacht).

"Een spoorweg splijtte Kinshasa in twee: het noorden was van de blanken, het zuiden van de zwarten. Sommige blanken ergerden me wel: zij die er enkel voor het geld waren. Als ze weer eens een zwarte aan het afjakkeren waren, zei ik het hen wel. Je moet het beest niet uithangen, vind ik.

"In een sloppenwijk met vluchtelingen even buiten Kinshasa ging ik tussen de mensen wonen. Ik begon er een missiepost. Ik hielp hen huizen te bouwen, zij hielpen mij met de bouw van een kerk. Ik werd 'Paul de bouwer'.

"Op 30 juni 1960 stond ik in de massa te kijken naar onze jonge, bleke koning en te luisteren naar de legendarisch geworden speech van premier Lumumba. Niet te verteren! Hij heeft de mensen opgehitst met zijn woorden over de zogezegde Belgische verdrukking. Ik voelde het meteen: dat gaat hier scheef draaien."

Maar het was door Lumumba's privésecretaris en stafchef van het leger dat het leven van pater Paul pas echt verweven raakte met de Congolese geschiedenis. "In 1969 - ik was ondertussen mijn tiende missie aan het bouwen - komt er een volkswagen de werf op gereden. Het portier gaat open en Mobutu en twee van zijn hoogste generaals stappen uit. "'Ben jij pater Paul?" vroeg Mobutu. 'Ze hebben mij gezegd dat jij alle problemen van de zwarten oplost. Ik heb veel problemen met de zwarten. Wil jij niet voor mij werken?' Ik heb toen beleefd geweigerd."

"De volgende dag werd ik bij kardinaal Malula geroepen. Hij vertelde me dat Mobutu ermee gedreigd had hem het land uit te zetten. Drie weken had hij nog. 'Wat gaat er hier van de kerk nog overblijven?' En hij vertelde me dat als ik in dienst ging bij Mobutu, hij wel zou mogen blijven. Dus heb ik me gemeld bij het paleis van Mobutu. Om de kerk in Congo te redden.

"Ik werd 'Fonctionnaire de la Présidence'. Mobutu stuurde me naar de streek van zijn geboortedorp, Badolite, in het noorden van Congo. Ik moest er alle werken van de blanke compagnies controleren en de streek helpen ontwikkelen. Dat was nodig. De stamhoofden hadden er nog alle macht. En wie in opstand kwam, lag de volgende dag al onder de grond. Ik moest er de ogen en de oren van Mobutu zijn. Hij wist dat er van alles niet pluis was, maar niemand durfde dat tegen hem te zeggen. Hij had net een schoon privévliegerke gekregen van president Kennedy. Daarmee vloog ik naar Badolite."

Of hij daar geen morele problemen mee had? De rechterhand spelen van een dictator: het behoort toch niet meteen tot het takenpakket van een pater? "Mobutu was toen nog geen dictator. Ik geloof echt dat hij het toen nog goed meende met zijn land. 'Au fond nous sommes des frères', zei Mobutu me ooit. 'Jij bent een zwarte met een blank vel en ik een blanke met een zwart vel.'

"Een jaar of drie marcheerde alles goed. Ik zorgde ervoor dat iedereen doorwerkte en er niet gesjoemeld werd. In de mate van het mogelijke. Het is mis beginnen gaan toen Mobutu op bezoek ging bij de sjah van Iran. Hij zag zijn enorm paleis en hij moest hetzelfde hebben. 'Den boel gaat beginnen', dacht ik. En ik zei hem: 'Ik ben een pater. Paleizen bouwen voor presidenten is mijn stiel niet.' Ondertussen was hij ook bij Mao op bezoek geweest in China. En die had hem in zijn kop gestoken dat hij de Mao van Afrika moest worden. 'Père Paul, je vais tout nationaliser!', kwam hij terug. Ik heb het hem met alle mogelijke argumenten uit zijn hoofd proberen te praten. Helaas.

"Toen hij me vertelde dat hij alle stammen in Badolite gescheiden wilde doen leven, was voor mij de maat vol. 'Ik stap het af', zei ik. Mijn positie was onhoudbaar geworden. Ik moest vluchten. Gelukkig was ik chef van het vliegveld in Bado en kon ik mee met een piloot die naar Kinshasa vloog. Van daar uit kon ik naar België vliegen.

"Nog één keer heeft hij me gebeld, een paar jaar na mijn terugkeer. Of ik niet naar Congo wilde terugkomen om hem te helpen? Ik heb maar gezegd dat ik ziek was en niet mocht reizen. Ik had geen goesting meer in al die miserie."

Nonkel Pater, vanaf dinsdag 24 januari om 20.40 uur op Canvas.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234