Dinsdag 25/02/2020

'Misschien zullen toekomstige musea vooral donkere ruimtes nodig hebben'

De nieuwe musea voor hedendaagse kunst, die in de laatste decennia overal ter wereld werden gebouwd zijn haast niet te tellen. Architecten hebben er hun reputatie mee willen vestigen of bevestigen. Ze hebben zich uitgeput in het bedenken van nieuwe vormen, nieuwe structuren, nieuwe opvattingen. Maar ontstond daarmee het museum voor de komende eeuw? We vroegen het aan Paul Robbrecht van het architectenteam Robbrecht-Daem waar soms ook Marie-José Van Hee deel van uitmaakt. Zij werken aan uitbreiding van het Boymans-van Beuningen Museum in Rotterdam, ontwierpen mobiele paviljoens voor de Documenta 9 van Jan Hoet en bedachten een masterplan voor een eventueel onderkomen van het SMAK in de Sint-Pietersabdij in Gent.

Paul Robbrecht: "Het is waar dat vele nieuw gebouwde musea de architect op het voorplan hebben geplaatst. Misschien ligt het museum van Mönchengladbach van Hans Hollein aan het begin van die evolutie en is het museum van Steven Holl in Helsinki het actueelste binnen die trend. Voor architecten van onze tijd is het een soort kroonopgave om een museum voor 20ste-eeuwse kunst te ontwerpen. Het vertolkt een enorme ambitie en daardoor ontwikkelde zich heel sterk een auteursarchitectuur. Er worden nog altijd veel musea gebouwd, het idee museum blijkt nog helemaal niet dood te zijn en er worden daaromtrent veel verwachtingen gekoesterd. Ik denk dat die trend zich nog wel zal doorzetten maar dat de opvattingen zullen evolueren en dat het museum van de 21ste eeuw toch wel een ander museum zal worden.

"Je zou kunnen stellen dat de architectuur het kunstwerk zelf enigszins verdrongen heeft. Maar besef dat er altijd een grote spanning geweest is tussen de kunstenaar en het gebouw waarin hij zijn werken toont. Met die auteursgebouwen wordt die spanning natuurlijk gemaximaliseerd. Daar staat tegenover dat we een periode gekend hebben, in de jaren zeventig, toen een fabriekshal beschouwd werd als de plek voor moderne kunst, de complete neutraliteit en anonimiteit als kwaliteit. "Misschien werd zo'n soort ruimte beschouwd als de afspiegeling van het atelier van de kunstenaar, een ruimte waarin hij het beste z'n eigen nucleus voelt. Neem nu het museum Boymans-van Beuningen, waar ik nu werkzaam ben, waar destijds de zogenaamde Bodon-vleugel aan werd toegevoegd (genoemd naar de architect en in gebruik genomen in 1972, LB). Dat is een totaal anonieme, vrije ruimte van dertig op veertig meter. Dat verwachtte men toen omdat de kunst enorm grote werken voortbracht, die daar een plaats in moesten vinden. Dat was typisch voor de jaren zeventig, maar toch was er ook vraag naar musea die er als musea uitzien of naar een meer speciale ruimte met een soort van authenticiteit. Of de architecten daar nu in slagen, is nog de vraag. Ook vanuit de kunstwereld zelf wilde men terug naar iets dat authentiek is. Denk aan het inrichten van historische gebouwen zoals het Castello di Rivoli in Turijn, waar Rudi Fuchs tentoonstellingen heeft georganiseerd.

"De museumdirecteur als museumbouwer heeft een speciale rol: hij is degene die deels de meningen vertaalt, hij kiest een bepaalde architect in wie hij vertrouwen stelt of die een aantal verwachtingen zou kunnen inlossen. Uiteraard heeft die directeur ook een eigen programma waarin zijn ideeën over zijn museum vervat zijn. Het is jammer dat de dialogen tussen architect en museumdirecteur op heel korte termijn moeten worden gehouden, waardoor ook veel van die projecten doodgeboren kinderen blijven. Een museum of een overheid beslist om een museum te bouwen - ik in Mönchengladbach -, het gaat om een reputatie voor de stad, het museum wordt gebouwd en dan valt de boel stil. Indien men een museum voor de 21ste eeuw wil bouwen, moet men ook een verwachting en een programma voor de toekomst durven poneren. Zulke vragen zijn uiteraard niet eenvoudig te beantwoorden. Dat de actuele kunst sterk afwijkt van de traditionele patronen en dat die evolutie zich nog zal doorzetten en hoe de museumarchitectuur daarmee zal moeten omgaan is een delicaat punt. Op de jongste Biënnale van Venetië zag ik ontzettend veel videokunst en darkrooms. Ik denk dat een museale ruimte voor een groot deel een nachtelijke beleving zal worden in plaats van een palet van ruimtes waar lichtinval van enorm belang is. Misschien zullen de toekomstige musea vooral donkere ruimtes nodig hebben en zal dat een nieuwe trend worden. Maar er is ook nog iets anders, een soort mondialisering in de kunst, een soort internationale taal, zoals ik merkte bij de Chinese kunstenaars op de Biënnale, die snel leren de middelen en de taal van het Westen te hanteren.

"Er moet me daarbij toch iets van het hart, ook al hou ik erg van kunst. Het klinkt cru, maar er is bij mij een geweldige teleurstelling over de actuele kunst. Volgens mij wordt in de kunst helemaal geen debat gevoerd over de vraag waar de samenleving heen gaat op het eind van de 20ste eeuw, zeker niet in de visuele kunsten, of toch slechts fragmentair. Wel ervaart men die in de architectuur die daarin momenteel een voorname rol speelt. Dat denken over onze tijd vind je in filosofische geschriften waarin architectuur wordt aangesneden, maar het gaat dan niet over museumbouw. De uitdrukking van de essentie van onze tijd leeft in allerlei soorten projecten. Het museum zal zich in die ontwikkeling moeten inpassen; het gaat dan om ruimere urbane projecten die urbane stellingnames vertolken. Daar zal zich ergens de essentie van een nieuwe stroming afspelen, dat is mijn conclusie.

"In de actuele kunst zie ik dat niet. Wanneer je de Warhol-tentoonstelling in Brussel bezoekt merk je dat deze kunstenaar er in slaagde om zijn tijd zichtbaar te maken in zijn kunst, en dat was ook zo bij Picasso. Momenteel zien we een erg gefragmenteerde kunst en is er een discrepantie met wat zich afspeelt in de architectuur. Het is erg dat te moeten vaststellen. Maar dat wil niet zeggen dat museumarchitectuur of het museum als architecturale entiteit zal verdwijnen. Ze zal worden opgenomen in een ruimere context. Het museum als idee moet passen in een ruimere urbaniteit. Ikzelf ben bezig met de vraag hoe de wisselwerking moet verlopen tussen een heel brede urbaniteit en het idee van de museumlocatie. Dat komt tot uiting in bepaalde belangwekkende museumprojecten zoals de Kunsthalle in Bregenz, het uit zich ook in de vraag hoeveel van de buitenwereld men binnen laat in het museum en hoeveel van binnen er buiten het museum is te zien. Dat is thans een heel acute vraag voor een aantal architecten. Wanneer je dat vergelijkt met het klassieke museumgebouw, het traditionele patroon van zalen met witte muren en bovenlicht, dan is er wel iets aan de hand. Het zijn elementen die al misschien twintig jaar geleden aan de orde waren of misschien nog eerder, toen Ludwig Mies van der Rohe voor Berlijn de Neue Galerie ontwierp, een glazen doos waarvan men zich kon afvragen wat zo'n ding doet ten opzichte van de stad, wat is dat voor een soort plek waar kunst getoond wordt en welk soort relatie bestaat er tussen dat bouwwerk en de stad. Ik denk dat het opgaan in een ruimere urbaniteit één van de essentiële kenmerken zal worden en dat zich dat in toekomstige projecten zou kunnen manifesteren."

Ludo Bekkers

'Ik ben teleurgesteld over de actuele kunst: het debat over waar de samenleving heen gaat wordt niet gevoerd'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234