Woensdag 28/10/2020

‘Misschien woont er echt een zwarte in mijn blanke lijf’

Charlie Henault,

de blanke drummer van ‘Indépendance Cha Cha’

Charlie Henault (82) verzeilde toevallig in Congo, als muzikant in dienst van Sabena. Van het een kwam het ander. Hij werd gastmuzikant bij de Congolese superband African Jazz en verdiende een voetnoot in de geschiedenis van de dekolonisatie. De drummer van ‘Indépendance Cha Cha’, dat was Charlie. Met Lumumba dronk hij pinten aan de bar, voor Mobutu verzamelde hij later etnische kunst. Een avonturier op rust blikt terug op een grillige carrière in de tropen. door Erik Raspoet / foto’s SASKIA VANDERSTICHELE

ijftig jaar Congo, daar moest en zou een feestje van komen. Charlie Henault zal helaas schitteren door afwezigheid. Zin genoeg, maar de last der jaren weegt. 82 is in zijn geval een onderschatting. Hoe schat men de leeftijd van iemand die verschillende levens tegelijkertijd heeft geleid? Hij zit onderuitgezakt in een clubzetel, broos en versleten. De wandelstok ligt binnen handbereik, het is een raadsel hoe hij erin slaagt de steile trap naar zijn bureau op zolder te beklimmen. Zware overgordijnen dempen het zonlicht. Om de warmte buiten te houden, zegt hij, want daar trekken zijn Congolese maskers en fetisjen alleen maar krom van. Het zijn er een paar dozijn, de echte pronkstukken hangen aan de muur. Dit is beslist geen namaak, want Charlie Henault geldt als een absolute kenner. Ik vraag hem of hij het ook heeft gehoord. Vorige week werd in Kinshasa de tentoonstellingszaal ‘Joseph Cornet’ plechtig geopend. De expozaal, tot stand gekomen met geld en expertise van het Afrika Museum in Tervuren, mag als een vroeg verjaardagscadeau van België aan zijn voormalige kolonie worden beschouwd. Voor het eerst kunnen Congolezen zich vergapen aan de fabelachtige collectie etnische kunst die veertig jaar lang in de magazijnen van het Musée National lag opgestapeld.

Nee dus, het bericht heeft hem nog niet bereikt, maar hij spitst onmiddellijk de oren. Draagt de nieuwe expozaal echt de naam van Joseph Cornet, wil hij weten. Joseph Cornet, de Belgische broeder en kunsthistoricus die de verzameling etnografica in opdracht van Mobutu aanlegde? La récolte nationale heette dat prestigeproject. Medewerkers van Cornet werden naar alle uithoeken van Zaïre gestuurd, gewapend met een mandaat van le président-fondateur. Zoveel mogelijk kunstschatten van zoveel mogelijk verschillende stammen verzamelen, luidde de missie. Tijdens die wekenlange expedities zat aan het stuur van de Landrover vaak een magere, blanke man met een bril en een baardje. Dat was dus Charlie Henault, de rechterhand van Joseph Cornet.

Toch is zijn rol in la récolte nationale niet de voornaamste reden waarom hij bij de viering van 50 jaar Congo zal worden gemist. Vooraleer hij zich tot etnograaf omschoolde, leidde Charlie een ander leven. Hij speelde als enige blanke bij African Jazz, de legendarische Congolese band die het woelige jaar 1960 van een aanstekelijke muzikale score voorzag. Het zou een quizvraag kunnen zijn: wie speelde drums op ‘Indépendance Cha Cha’, een evergreen die dit jaar in geen enkel televisieprogramma over de Congolese onafhankelijkheid ontbreekt? Charlie Henault, zo luidt het winnende antwoord, hij was toen nog lenig als een octopus. Oké, zijn naam prijkt niet op het singeltje dat in Brussel werd geperst. Maar zijn foto staat wel in Rumba On the River, het standaardwerk van Gary Stewart over de levendige Congolese muziekscene van de jaren vijftig en zestig. Charlie aan zijn drumstel, in een wit pak, de haardos met brillantine in een modieuze golf gestold. De blanke parel van African Jazz wist wat cool betekende.

“Het liefst van al speelde ik echte jazz, maar daar hielden de mensen niet van. Op een keer werd het me toch te machtig. Ik speelde in de band van een gitarist, we hadden al de hele avond populaire deuntjes gebracht. Ik was me zo erg aan het vervelen dat ik samen met de pianist ben gaan swingen, zonder aankondiging, in het midden van een stukje variété. De andere muzikanten wisten niet waar ze het hadden, en het publiek reageerde boos. Ook de bandleider was kwaad, hij heeft die pianist op staande voet ontslagen. Ach ja, dat is de misère van vele muzikanten. Ze moeten muziek spelen die ze zelf niet graag horen.

Een kwartet bij Sabena

“Het was Jules Meus, een andere pianist met wie ik vaak optrad, die ermee op de proppen kwam. ‘Ik ga naar Congo’, zei hij op een dag. ‘Ga mee, ze zoeken nog een drummer’. Bleek dat ze bij Sabena een kwartet aan het samenstellen waren om ginder ’s avonds op te treden in hun hotels. Ik ben auditie gaan doen, in een club aan de Grote Markt van Brussel. Nick Maesen, de Antwerpse orkestleider die zelf klarinet en sax speelde, zag me direct zitten. Toch wilde ik eerst niet gaan, want mijn dochter stond op het punt haar eerste communie te doen. Maar zie, het leven hangt aan elkaar van de toevalligheden. Nick Maesen brak zijn been, waardoor het vertrek moest worden uitgesteld. Toen hij hersteld was, had mijn dochter haar communie al gedaan. En zo ben ik toch nog naar Congo vertrokken. Dat was in 1958.

“Het werk begon eigenlijk al op het vliegtuig. Het was een lange vlucht, met een tussenlanding in Caïro. Om de passagiers te verstrooien, speelde Nick Maesen in de cockpit populaire deuntjes op zijn klarinet. De microfoon van de piloot stond open, zodat iedereen kon meeluisteren. We deden een wedstrijd, om het eerst de titel raden. Sabena had in die tijd guesthouses in Kinshasa, Lubumbashi en Kisangani. Reizigers zaten er vaak dagenlang te wachten op een aansluitende vlucht naar een of andere broussepost. Onze taak was ’s avonds de verveling te verdrijven. We waren een soort jukebox. Rumba, mambo, chacha of tango, ze hadden het maar te vragen en we speelden het.

“Hoe ik bij African Jazz ben geraakt, dat is een verhaal apart. Ik was weer in België toen de rondetafelconferentie over de Congolese onafhankelijkheid werd gehouden (20 januari-20 februari 1960, ER). Kabasele was met zijn orkest meegereisd met de Congolese delegatie, ze logeerden met negen in een groot huis in Brussel. Het verzoek kwam eigenlijk van Thomas Kanza, een van Congolese delegatieleden. Of ik niet wilde meespelen met het orkest van ‘Le Grand Kallé’, want zo werd Kabasele genoemd. Daar had ik wel oren naar. Ik had verschillende contracten met Belgische bars die ik moest naleven, maar als ik me kon vrijmaken, trad ik als invité met African Jazz op. De muzikanten waren zonder uitzondering van grote klasse. Je had Tabu Ley Rochereau, de zanger die later zijn eigen succesband heeft gevormd. Je had Le Docteur Nico, een gitarist die werkelijk alles kon met zijn instrument. En natuurlijk was er Grand Kallé zelf. Die man kon zingen, had charisma te koop, en schudde de ene prachtsong na de andere uit zijn mouw. In Brussel schreef hij niet alleen ‘Indépendance Cha Cha’ maar ook ‘Table Ronde’, waarin zowat alle Belgische en Congolese deelnemers aan de conferentie werden opgesomd. Die nieuwe nummers speelden we in de feestzaal van Hotel Plaza aan de Anspachlaan, waar de meeste Congolese delegatieleden verbleven. ‘Indépendance Cha Cha’ sloeg in als een bom, maar dat had evenveel met het ritme en de melodie te maken als met de tekst. Er zijn er die beweren dat dit nummer de onafhankelijkheid heeft bespoedigd, maar dat is onzin. De Congolezen waren toen al doordrongen van de onafhankelijkheidsgedachte, Kabasele heeft dat gevoel enkel maar op muziek gezet. Op grandioze wijze, welteverstaan.

“Ook de Belgen waren nieuwsgierig naar de Congolese rumba, meer dan de Belgen in de kolonie. We gingen op tournee, één keer zijn we zelfs naar Parijs geweest. Ik herinner het me nog goed: dat concert werd op het laatste nippertje afgelast omdat Le Docteur Nico zijn vingers niet kon bewegen van de koude. Op 1 juli, één dag na de onafhankelijkheid, ben ik met African Jazz naar Kinshasa teruggevlogen. De ontvangst was onvergetelijk, we werden met een open wagen door de stad geparadeerd. En de mensen langs de kant van de weg maar roepen. “Indépendance Cha Cha!” Joseph Kabasele werd als een god aanbeden. Ik heb het vaak gezegd: was die man in de politiek gestapt, hij had president kunnen worden.

“Een paar dagen later is het spel begonnen. Burgeroorlog. Ik had het niet zien aankomen, met politiek hield ik me niet bezig. Maar ineens stonden de Belgische para’s daar aan mijn deur. ‘We komen u evacueren’, zeiden ze. ‘Doe geen moeite’, antwoordde ik, ‘ik blijf waar ik ben.’ Ik ken de jaartallen niet uit het hoofd, maar ik heb in Congo heel wat evacuaties gemist. Zelfs in ’91, toen alle blanken de stroom naar Brazzaville waren overgestoken, ben ik gebleven. Waarom moest ik gaan lopen? Ik voelde me thuis onder de Congolezen, ik had niks te vrezen. Het mag ook wel eens gezegd worden: er is van onze para’s geprofiteerd. Vooral Belgen die het niet breed hadden, waren blij met een evacuatie. Dan konden ze op kosten van het leger op familiebezoek in België.

“Op een keer kwam Lumumba, die ik in Brussel had leren kennen, in de bar waar African Jazz aan het optreden was. ‘Charlie’, riep hij oprecht verbaasd, ‘ben jij nog altijd in het land?’ ‘Zeker’, antwoordde ik, ‘en ik ben nog altijd even trots dat ik Belg ben.’ Hij moest daar smakelijk om lachen. Tijdens de pauze dronken we samen een glas aan de bar. ‘Weet je’, zei hij, ‘je moet die speeches van mij vooral niet persoonlijk nemen. Die zijn niet tegen de Belgen gericht, maar tegen de Belgische politici.’ Ik mocht Lumumba wel, c’était un brave type.

“Kinshasa was in die periode in twee kampen verdeeld. Je had de supporters van African Jazz, en je had de fans van Franco’s OK Jazz. De rivaliteit was enorm, erger dan tussen de Beatles en de Stones. Ik heb nochtans een paar keer opgetreden met het orkest van Franco. Die had meer blazers, er zat wat meer jazz in zijn sound. Kabasele zelf had er geen probleem mee, maar bij de fans had ik het verkorven. Overlopen werd niet getolereerd. Weet je dat Manu Dibango (beroemd Kameroenees jazzsaxofonist, ER) met ons heeft opgetreden? Ik had hem zelf uitgenodigd, we kenden elkaar omdat we nog samen in Brussel hadden gespeeld. ‘Ik weet waarom je mij erbij wilt’, zei hij. ‘Omdat ik een blanke ben zoals jij.’ Dat was niet eens ironisch bedoeld, Dibango meende dat. ‘Er is zwart Afrika’, zei hij, ‘en er is Congo.’ Volgens hem was dat land zo apart, dat het nergens mee te vergelijken viel.

“De vriendschap met Congolezen, die kun je alleszins nergens mee vergelijken. Na een concert trokken we vaak naar het huis van een van de muzikanten om na te kaarten. Het mocht een gat in de nacht zijn, ze maakten hun vrouw wakker om eten voor de gasten klaar te maken. Een huishouden in Congo is heel anders dan bij ons. De muzikanten gaven maar een stuk van hun gage af, genoeg voor hun vrouw om voor de kinderen te zorgen. Met de rest van hun geld gingen ze op zwier. Vrouwen maakten daar geen probleem van, ook niet als hun man er een deuxième bureau op nahield. Liefde en seks hebben in Congo niks met elkaar te maken, dat heb ik Joseph Cornet ook nog proberen uit te leggen toen ik voor hem werkte. Hij snapte niet waarom zijn Congolese medewerkers na hun expedities in de brousse zulke hoge onkostennota’s indienden. Dat kwam natuurlijk omdat ze op zo’n lange reis een vrouw moesten hebben, terwijl ze thuis ook nog een gezin te ondersteunen hadden. Die vrouwen waren overigens geen prostituees. Men noemde hen femmes libres: vrouwen met wie je een soort tijdelijk huwelijk afsloot.

“Ik ben wel nieuwsgierig naar die salle Cornet in Kinshasa. Was het niet wegens mijn gezondheid, ik zat morgen al op een vliegtuig. Het is nu twintig jaar dat ik terug ben, maar er gaat geen nacht voorbij of ik droom van Congo. Ik voelde me daar als een vis in het water, dat land was mij op het lijf geschreven. In mijn tijd bij het museum van Joseph Cornet was ik veel met de auto op weg. Ik nam altijd lifters mee, soms wel driehonderd kilometer ver. Ze konden nauwelijks geloven dat ik als blanke zoiets deed. Op een keer had een van mijn reisgezellen de verklaring gevonden. ‘Oké’, zei hij, ‘je ziet er als een blanke uit, je praat als een blanke, je vader en je moeder zijn blank.’ ‘Maar’, vervolgde hij, ‘dat betekent nog niet dat je ook een blanke bent. Volgens mij schuilt in je lichaam de geest van een zwarte die al lang gestorven is.’ Misschien had hij wel gelijk.”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234