Vrijdag 03/12/2021

AchtergrondInternaten voor inheemse kinderen

Misbruik en onverschilligheid in Canadese internaten voor inheemse kinderen

Inheemse kinderen en hun moeders aan de Regina Indian Industrial School, 1905. Hun eigen taal en cultuur moesten ze vergeten. Zo’n 150.000 kinderen werden tussen 1883 en 1996 bij hun ouders weggehaald.     Beeld EPA
Inheemse kinderen en hun moeders aan de Regina Indian Industrial School, 1905. Hun eigen taal en cultuur moesten ze vergeten. Zo’n 150.000 kinderen werden tussen 1883 en 1996 bij hun ouders weggehaald.Beeld EPA

De ontdekking van honderden anonieme kindergraven bij Canadese internaten haalt bij inheemse mensen trauma’s naar boven en confronteert Canada met de culturele genocide die is aangericht. ‘Hoe tellen we de doden zonder graf? Die zijn er ook.’

In de doucheruimte van het Lejac-internaat voor inheemse kinderen veranderde de gemeenste pestkop in een bang jongetje als de opzichter van de jongensslaapzaal binnenkwam. Dan koos de pedofiel zijn slachtoffer, vertelt Bruce Allan (60), die van 1967 tot 1974 leerling was op Lejac, in het westen van Canada. “Hij gooide emmers koud water over ons heen, terwijl hij ons bekeek. Een grote knul kroop bevend van angst weg in een hoekje. Kort daarna pleegde hij zelfmoord.”

De blik in de ogen van die jongen is Allan nooit vergeten. Net als de pijn wanneer een leraar keihard aan je bakkebaarden trok, of het geblaf van de waakhond die dagelijks op hem werd losgelaten. De herinneringen leven weer op, omdat eind mei 215 anonieme graven zijn gevonden bij een soortgelijk internaat. Daarop volgden meer ontdekkingen van ongemarkeerde graven: drie weken geleden 751 in een prairiegehucht. Eind vorige maand 182 in de bossen van Brits-Columbia.

Bruce Allan: ‘Op mijn school verbrandden de priesters en nonnen de zuigelingen die ze bij elkaar en de leerlingen hadden verwekt.’ Beeld RV
Bruce Allan: ‘Op mijn school verbrandden de priesters en nonnen de zuigelingen die ze bij elkaar en de leerlingen hadden verwekt.’Beeld RV

Terwijl het niet-inheemse deel van Canada zich geschokt afvraagt waarom­ kostscholen begraafplaatsen nodig hadden, is Allan vooral triest. “In 2007 stond ik bij de school van mijn vader, waar nu de 215 graven zijn gevonden. Toen al voelde ik de energie van de gestorven kinderen. Overlevenden wezen waar doden werden begraven. We hebben zo lang gewacht op bevestiging van wat we altijd al wisten. De vondst is vooral een klap voor diegenen die ons niet geloofden. Nu ze de graven met eigen ogen zien, kunnen ze er niet meer omheen.”

Toch, de ene ontdekking na de andere, de grote aantallen graven: dat slaat ook de inheemse gemeenschappen uit het lood, merkt Allan tijdens zijn vrijwilligerswerk bij een telefonische hulplijn. “Mensen die nooit hun verhaal hebben verteld, willen het nu kwijt. Die graven triggeren hun trauma.” We spreken Allan via Facetime in zijn huiskamer in Brits-Columbia. Het is een beer van een vent met pretoogjes, gehuld in een oranje shirt ter herdenking van de naar schatting zesduizend op internaten gestorven kinderen. “Op dit moment zijn alle gemeenschappen in de rouw.”

Katholieke priesters en leerlingen op de St. Michael’s Indian Residential School in Saskatchewan, 1900. Beeld EPA
Katholieke priesters en leerlingen op de St. Michael’s Indian Residential School in Saskatchewan, 1900.Beeld EPA

Klokkenluider

Allan hoort bij de Stellat’en, een van de 634 Canadese First Nations. Het woord indianen vinden deze volkeren een beledigend etiket, wegens de koloniale bijsmaak. Het klein miljoen mensen dat tot de First Nations behoort, is de grootste groep van inheemse volkeren, naast de Métis (voortgekomen uit gemengde Frans-First Nation-koppels) en de Inuit (ook eskimo is in Canada een beladen woord). Samen maken alle inheemse volkeren bijna 5 procent van de Canadese bevolking uit. Al hebben prairieprovincies als Manitoba en Saskatchewan de grootste concentratie, First Nations wonen in het hele land.

Van 1883 tot 1996 werden kinderen van inheemse volkeren op 139 Indian Residential Schools (IRS) met harde hand gedwongen zich als witte mensen te gedragen. Ze werden bekeerd tot het christendom, leerden het alfabet en werden als onbetaalde werkkrachten aan boerenbedrijven uitgeleend. Hun eigen taal en cultuur moesten ze vergeten. Zo’n 150.000 kinderen werden bij hun ouders weggehaald.

Het was al snel duidelijk dat op die scholen schrikbarend veel kinderen overleden. In 1903 sloeg een medicus van het Bureau Indiaanse Zaken alarm over de onhygiënische toestanden en besmettelijke ziekten, die voor absurd hoge sterftecijfers van soms 69 procent van de kinderen zorgden. De klokkenluider werd ontslagen en de sterfte werd goedgepraat met het racistische argument dat scholen er nu eenmaal niets aan konden doen dat die ‘zwakke inheemsen’ zo snel aan tuberculose en andere infectieziektes bezweken.

In het interbellum stelde de overheid vast dat het spartaanse schoolregime van lijfstraffen en ondervoeding inderdaad bar en boos was, maar er veranderde niets. Ook niet na een golf van morele verontwaardiging tijdens de Tweede Wereldoorlog, toen vooruitstrevende Canadezen inzagen dat hun ‘Indianenbeleid’ uit hetzelfde gedachtegoed voortkwam waarmee de nazi’s in Duitsland de Joden vernietigden. ‘Wij (...) kunnen niet toestaan dat onze eigen bestuurders zich onder onze neus als Hunnen tegen de indianen gedragen’, schreef dichter Wallace Robb in 1944 in de krant Globe and Mail.

null Beeld DM
Beeld DM

De cyclus van schokkende incidenten, bezorgdheid en excuses gevolgd door onverschilligheid, ging door na de sluiting van de laatste school in 1996. Toen kwamen overlevenden met verschrikkelijke getuigenissen over seksueel misbruik en mishandeling. Na een lawine aan publiciteit kwamen de argumenten om het ongemak weg te praten: niet alle inheemse kinderen zaten op internaten, waarschijnlijker was één op de zes, of één op de tien. Dus al waren de scholen mensonterend, de schade was beperkt, was de redenering. De Canadese regering kwam pas in 2008 met excuses. En al was de katholieke kerk verantwoordelijk voor bijna 75 procent van de internaten, de paus weigert tot dusver sorry te zeggen.

Nieuwe schok

Het patroon deprimeert historicus Jim Miller, die sinds de jaren 1980 over de Indian Residential Schools publiceert. “Historici vertellen al dertig jaar over die scholen, maar ons werk beklijft niet. Op 78-jarige leeftijd maak ik me geen illusies de grote omslag in de mentaliteit over het koloniaal verleden nog mee te maken.” Al voelt het deze keer anders. “Door die graven wordt wegkijken wel erg lastig. Het aantal alleen al. Dat treft mensen. Iedereen kan zich voorstellen hoe het is als je kind niet thuiskomt uit school.”

Met de excuses van 2008 is de Nationale Commissie voor Waarheid en Verzoening (NCTR) ingesteld om oplossingen te formuleren voor de huidige problemen van inheemse volkeren. Hogere zelfmoordcijfers, lagere levensverwachting, alcoholisme, huiselijk geweld, een disproportioneel aantal First Nations in pleeggezinnen en gevangenissen en achterstanden op alle fronten.

De NCTR kwam in 2015 met een snoeiharde conclusie: Canada heeft zich honderd jaar lang schuldig gemaakt aan culturele genocide, door kinderen van inheemse volkeren op internaten van hun eigen volk te vervreemden. Bij zijn aantreden in dat jaar beloofde premier Trudeau werk te maken van alle 94 aanbevelingen van de commissie. Hij trok 27 miljoen Canadese dollar (18 miljoen euro) uit voor onderzoek naar de begraafplaatsen.

Tijdens protesten naar aanleiding van de gruwelijke ontdekkingen moest het standbeeld van de Britse koningin Victoria (1819-1901) eraan geloven.
 Beeld REUTERS
Tijdens protesten naar aanleiding van de gruwelijke ontdekkingen moest het standbeeld van de Britse koningin Victoria (1819-1901) eraan geloven.Beeld REUTERS

Nu de bewijzen worden blootgelegd, wacht Canada een lange en ingrijpende confrontatie met het verleden. De vondsten van de afgelopen weken zijn pas het begin: op meer dan vijfhonderd plekken wordt nog gezocht. Scott Hamilton, archeoloog en hoofd van de faculteit antropologie van de Lakehead-Universiteit, verwacht nog veel meer vondsten. “Dat betekent om de paar maanden een nieuwe schok, waarbij de pers de wetenschap voorbijholt. Iedereen heeft de mond vol over 715 inheemse kinderlijkjes en denkt dat in één keer alles duidelijk is, terwijl specialistisch onderzoek nodig is om vast te stellen wat er is gevonden. Er kunnen priesters tussen liggen, soms werden twee scholieren in één graf geplaatst: we weten het niet.”

Het grote publiek is ongeduldig: dat heeft behoefte aan een oplossing voor dit ongemakkelijke probleem. Maar de inheemse gemeenschappen zijn daar nog niet aan toe. Dat uitgezocht moet worden wie waar ligt, en de graven netjes moeten worden gemarkeerd, daar zijn alle verschillende First Nations het over eens. Maar hoe dat moet gebeuren – opgravingen, DNA-onderzoek of de stoffelijke overschotten juist onberoerd laten rusten – en waar het geld vandaan moet komen? Op dit moment is de ontreddering te groot voor dat soort ingrijpende beslissingen.

Goedkope kerken

First Nations zijn geen homogene groep: elke stam heeft zijn eigen gebruiken. Maar op de IRS werden kinderen van verschillende First Nations door elkaar gegooid en waarschijnlijk ook zo begraven. Of een First Nation-gemeenschap onderling een besluit neemt, of met buitenstaanders tot overeenstemming komt: consensus is een belangrijke waarde in hun cultuur. Gemeenschappen nemen ruim de tijd om die te bereiken.

Dat proces vereist geduld, rust en respect, terwijl de buitenwereld haast heeft.

Historicus Miller noemt het verschil in tempo frustrerend voor alle betrokkenen. “Om het onderwerp op de agenda te houden moeten First Nation-leiders juist snel handelen. Dat vergt een enorme inspanning omdat er steeds nieuwe, grotere schandalen nodig zijn om aandacht van witte politici af te dwingen. Daar schuilt het gevaar dat de publieke opinie zich tegen de First Nations keert, omdat gedacht wordt dat ze overdrijven.”

De inheemse bevolking en de Franse en Britse kolonisten die aan het eind van de 15de eeuw in Canada aankwamen, stonden aanvankelijk niet vijandig tegenover elkaar. Ze vonden elkaar in de pelshandel. Toen de nieuwkomers zich vestigden, werd dat met de oorspronkelijke bewoners geregeld in verdragen. Pas toen de First Nations en andere inheemse volkeren economische ontwikkeling in de weg zaten – de West-Europeanen hadden bossen en prairies nodig als landbouwgrond – werd besloten tot assimilatie als ‘eindoplossing voor het indianenprobleem’.

Biddende jongens in de Bishop Horden Memorial School in Moose Factory, Ontario, 1950.  Beeld via REUTERS
Biddende jongens in de Bishop Horden Memorial School in Moose Factory, Ontario, 1950.Beeld via REUTERS

De taak werd uitbesteed aan de protestante, katholieke en anglicaanse kerken. Die deden dat heel goedkoop, omdat ze genoegen namen met de allerlaagste salarissen en kleine overheidsbijdragen voor de scholen. Zolang ze maar inheemse zieltjes konden winnen.

De First Nations zagen onderwijs als een kans om meer te weten te komen over de economie van de nieuwkomers, die hun omgeving zo ingrijpend veranderde. Die belangstelling verdween zodra hun kinderen niet thuiskwamen van school. Zelfs de lijkjes kregen ouders niet terug. De scholen hadden geen geld om de studenten naar behoren te voeden, laat staan om ontzielde lichamen te vervoeren. Rond de school begraven was niet alleen goedkoper, een christelijke begrafenis zou de bekeerde jeugd doordringen van hun nieuwe godsdienst.

Smartengeld

Op onrust in inheemse gemeenschappen over dode kinderen zat Canada ook niet te wachten. Het land feliciteerde zichzelf juist met de barmhartige assimilatiepolitiek, terwijl Amerikaanse kolonisten de inheemse bevolking domweg uitroeiden.

De mythe over de goedaardige kolonist, die met al zijn wijsheid simpele wilden een beter leven geeft, staat Canada volgens Miller nog steeds in de weg. De scholen worden gezien als “een zwarte bladzijde” in de geschiedenis. Dat impliceert dat er met de rest van het geschiedenisboek niet zoveel mis was, terwijl het zo langzamerhand tijd wordt dat Canadezen beseffen dat hun welvaart ten koste van de inheemse bevolking is verkregen. Met dat inzicht zou institutioneel racisme beter kunnen worden aangepakt, of het nu gaat om zelfbestuur, traumabehandeling of eerherstel van spirituele tradities.

Een First Nations-man met leerlingen van de Qu’Appelle Indian Industrial School, 1900.  Beeld EPA
Een First Nations-man met leerlingen van de Qu’Appelle Indian Industrial School, 1900.Beeld EPA

De noodzaak van deze radicale revisie van de Canadese geschiedenis sneeuwde echter steeds onder. Voor beleidsmakers en politici was het gemakkelijker om inheemse volkeren gewoon met initiatieven voor het verzoeningsproces te laten komen en die te financieren. Vanaf eind jaren 1990 kwamen daar projecten uit, vaak gerelateerd aan de internaten. Canada, dat zichzelf ziet als een kampioen mensenrechten, trok er gigantische bedragen voor uit om te laten zien dat het land begreep dat inheemse gemeenschappen meer nodig hadden dan excuses. Alles was bespreekbaar, behalve schadevergoedingen voor het verlies van inheemse taal en cultuur. In de praktijk werd die goede wil soms onhandig en dubbelhartig uitgevoerd.

Neem de strijd om smartengeld voor internaatskinderen, die speelde van 1998 tot 2005. Overheid en kerken benadrukten steeds het belang van ‘genezing’ van de nog verse wonden, maar stuurden overlevenden een bureaucratisch oerwoud in dat draaide om een puntensysteem om de hoogte van financiële compensatie te bepalen. Herhaaldelijke anale verkrachting leverde 45 tot 60 compensatiepunten op, terwijl gedwongen orale seks slechts 26 tot 35 punten scoorde. Elke afschuwelijke herinnering moest worden doorgevlooid om aan punten te komen.

Al kwam er later een minder traumatiserend compensatiesysteem, bij Allan overheerst een bittere nasmaak. “De overheid huurt altijd psychologen en advocaten in om onze getuigenissen in diskrediet te brengen.” Ook Trudeau zei dat zijn regering zich niet als “tegenstander” van de First Nations zou opstellen. Maar zijn regering besteedde in het eerste jaar meer geld dan zijn conservatieve voorganger aan juridische gevechten tegen First Nations die hun recht probeerden te halen.

De Canadese premier Justin Trudeau en Cadmus Delorme, leider van de First Nation Cowessess, bij de ondertekening van een wet over kinderbescherming op 6 juli 2021.
 Beeld AFP
De Canadese premier Justin Trudeau en Cadmus Delorme, leider van de First Nation Cowessess, bij de ondertekening van een wet over kinderbescherming op 6 juli 2021.Beeld AFP

De eeuwige vraag van wit Canada naar cijfertjes zit Allan ook dwars. “Ze eisen altijd dat we de kindersterfte kwantificeren, maar dat is onmogelijk. Hoe tellen we de doden zonder graf? Die zijn er ook.” Hij vertelt een sinister verhaal, dat ook regelmatig opdook in getuigenissen van overlevenden voor de Waarheids- en Verzoeningscommissie. “Op mijn school was een speelplek die kinderen de zwarte heuvels noemden. Daar vonden ze witte dingetjes. Het waren tandjes. Toen begrepen ze dat de zwarte heuvels uit as bestonden, as uit ovens waar de priesters en nonnen zuigelingen verbrandden, die ze bij elkaar en de leerlingen hadden verwekt. Ze vernietigden hun geheimen in de oven. Hoe moeten wij die crematies nu in aantallen weergeven, als de kerkelijke organisaties achter de scholen ons niet eens toegang tot hun archieven geven?”

Recht op genezing

“Ik kom net uit een vergadering en ze dragen deze week hun archieven over!” Raymond Frogner, hoofd archieven van de NCTR, klinkt opgetogen aan de telefoon. Eindelijk komt de katholieke orde die 48 van de meest beruchte internaten bestierde, waaronder de scholen waar graven zijn ontdekt, over de brug. Jarenlang blokkeerden ze zijn verzoeken om toegang, met een beroep op de privacy van het personeel van de scholen.

“Vijfduizend getuigenissen van overlevenden hebben we in ons archief, maar nauwelijks materiaal over mensen die op de scholen werkten”, zegt Frogner. “We hebben vijf miljoen stukken, die we doorzoeken naar informatie over verdwenen kinderen. Daar zijn de namen van 4.117 kinderen gevonden. Een archief is misschien niet zo spraakmakend als graven, maar ze horen bij elkaar. Archieven zijn van doorslaggevend belang om tot een nieuwe relatie tussen inheemse volkeren en andere Canadezen te komen. Bij recht op genezing en gerechtigheid hoort het recht op kennis van de geschiedenis.”

Naar de kapper in de Shingwauk Indian Residential School, jaren 1960.­­  Beeld via REUTERS
Naar de kapper in de Shingwauk Indian Residential School, jaren 1960.­­Beeld via REUTERS

De kennis kan loodzwaar zijn, ziet hij als overlevenden het archief bezoeken. “Als enige archief in Canada hebben we een eigen hulpdienst en spiritueel adviseurs. Mensen reageren heftig op archiefstukken over alledaagse dingen, zoals het afschuwelijke voedsel en het permanente hongergevoel.” Of het nu gaat om bedorven pap als ontbijt, of de grijpgrage handen van een pedofiele onderwijzer, elk trauma wordt generaties lang doorgegeven. Voor Allan begon het bij zijn grootmoeder. Zij zat op Lejac. Zijn vader moest er ook heen. Allan ook. “Thuis werd er nooit over gepraat, maar wat op school gebeurde was altijd aanwezig. Het zat in mijn vaders gedrag. Hij dronk bij wijze van zelfmedicatie en hij sloeg mijn moeder bijna dood.”

Vlak voordat Allan naar Lejac ging, waarschuwde zijn vader de opzichter van de jongensslaapzaal dat hij van zijn zoon moest afblijven. Al bleef die ene gruwel Allan bespaard, er bleef genoeg pijn over om mee om te leren gaan, zegt hij. “Ik doorbrak de cyclus van intergenerationele traumatisering door van de drank af te blijven. Mijn genezingsproces kwam in 2003 op gang met een vierdaags ritueel met een medicijnman in een zweethut. Toen zag ik in visioenen dat ik met andere overlevenden aan het werk zou gaan. Het verleden blijft niet eeuwig in de doofpot zitten, maar er waren 215 graven voor nodig om de wereld wakker te schudden.”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234