Woensdag 18/05/2022

Miljonair op blote voeten

Het leven van Chris Blackwell leest als een roman. De legendarische oprichter van Island Records ontdekte niet alleen Bob Marley, Traffic en U2, hij stampte ook een nieuwe, chique vorm van toerisme uit de grond met zijn hotels in Miami en Jamaica. Zijn koninkrijk runt hij vanuit een primitieve bungalow op het strand.

De avond is neergestreken in het exclusieve resort op Jamaica's noordkust. Koppels die romantisch aan het dineren zijn bij kaarslicht, kijken verbaasd op van hun gestoomde vis en jerk chicken wanneer een laatkomer op z'n dooie gemak het openluchtrestaurant binnenschuifelt. Zelfs volgens de relaxte eilandstandaard ziet hij er zwaar underdressed uit. Afgebleekt Trojan Records T-shirt, short, flip-flops, stoppelbaard van een paar dagen, zijn grijze lokken, of wat ervan overblijft, koppig onverzorgd. Hij leunt tegen de bar aan met een air alsof hij de eigenaar is van deze keet, tokkelt op zijn smartphone en negeert moeiteloos de blikken. In geen tijd schuift het barmeisje hem een cocktail toe die hij met een lome glimlach en een knikje in ontvangst neemt. En wanneer zijn vrienden arriveren, schuift hij zijn knieën onder de beste tafel van het restaurant. Want, zo blijkt, hij is hier effectief de baas.

Chris Blackwell, de visionaire oprichter van Island Records, slaagde erin reggae te transformeren van een nicheverschijnsel tot een volwaardig popgenre. Hij was het die Jimmy Cliff, Sly and Robbie en Lee 'Scratch' Perry een contract onder de neus schoof en die op geniale wijze de jonge singer-songwriter Robert Nesta Marley in de markt zette. Toen hij in 1971 The Wailers ontmoette, zag hij al heel snel in dat Bob Marley in staat zou zijn om een rockpubliek te laten zwichten voor reggae. "Iets in zijn houding maakte dat je meteen geïnteresseerd was", vertelde Blackwell over die ontmoeting. En, zo staat het te lezen in een Marley-biografie, Blackwell herkende zichzelf in de jonge artiest: 'Net als Marley vormde hij zijn eigen bizarre mix van culturen.'

Want hoewel Blackwells wiegje bij een van de rijkste Engelse families in Jamaica stond, smeet hij zich toch in de louche, halfcriminele subcultuur die de platenbusiness in die jaren nog was. En hij koestert nog steeds zijn reputatie van zachtste eitje onder de stinkend rijke ondernemers. Hij zwoor de klassieke bedrijfscultuur af decennia voor de tech kids uit Silicon Valley hoodies en sneakers verwelkomden in de ondernemingsraden. Voor de begrafenis van Jimmy Cliff een paar jaar geleden moest hij zelfs een kostuum lenen.

En tegelijk is het succes van Island Record te danken aan zijn meedogenloze onderhandelingsskills. Ahmet Ertegün, de oprichter van Atlantic Records en een soort mentor voor Blackwell, gaf hem zijn beroemde bijnaam: 'The Baby-faced Killer'.

Van Cat Stevens tot U2

Als de bijdrage van Blackwell beperkt was gebleven tot het ontdekken en groot maken van Bob Marley, was dat al straf geweest. Maar het rijk van Island Records is veel groter dan Kingston alleen. Cat Stevens, Roxy Music, Tom Waits, Marianne Faithfull, Nick Drake, Grace Jones, Brian Eno, The B-52s, U2: Blackwell verwelkomde ze allemaal in zijn stal. "We hadden nooit veel hits," zegt hij, "maar wel heel veel platen die het door de jaren heen goed blijven doen."

Eind jaren 80 verkocht Blackwell zijn aandelen in Island Records voor 300 miljoen dollar aan PolyGram, waarna hij in de hotelbusiness stapte. Hij bezit resorts in zowel Miami als Jamaica. Zo is er Strawberry Hill, een resort op een 18de-eeuwse koffieplantage in de Blue Mountains, met een magnifiek uitzicht over de hoofdstad Kingston. Hier revalideerde Bob Marley nadat hij door oververhitte tegenstanders neergeschoten werd in zijn huis in de stad. En ook Yoko Ono sliep er ooit, zij het amper één nachtje. "Ze dacht dat het er zo rustig zou zijn als in de Himalaya", verklapt Blackwell met een ondeugende glimlach, "maar je hoorde de hele nacht het gebonk van de soundsystems." Die mobiele feestjes werden overal op het eiland gehost door dj's met enorme boxen, vaak achter op een vrachtwagen.

Hotel GoldenEye, waar we te gast zijn, was ooit van Ian Fleming. Hij schreef hier al kettingrokend (tachtig sigaretten per dag was zijn gewoonte) alle James Bond-boeken, tussen de snorkeltripjes en de stiekeme amoureuze afspraakjes met Chris Blackwells moeder door. Die laatste is intussen 101, maar over hun relatie mag nog altijd met geen woord gerept worden. Blackwell kocht het domein in 1976, onder lichte dwang van zijn moeder. Voor hij er een resort van maakte, ontving hij hier vrienden als Sting (die 'Every Breath You Take' in een van de villa's schreef) en Steve Jobs. "Steve vierde, exact op deze plek, zijn 29ste verjaardag", vertelt Blackwell. Bono en zijn vrouw Ali trokken naar GoldenEye voor hun huwelijksreis, in 1982. Cadeautje van Chris, want in die tijd staken Bono en zijn band nog tot over hun oren in de schulden bij Island Records.

Lord of the manor

In GoldenEye arriveer je na een trip door Oracabessa: ooit een draaischijf in de bananenhandel, nu een slaperig stadje met een handvol winkels. Het is hier heerlijk rustig, in vergelijking met drukke toeristencentra als Montego Bay en Negril. De oude metalen poort, het stoffige zandweggetje door het miniatuurbos met mango- en vijgenbomen: niks bereidt je voor op het adembenemende uitzicht over de verborgen baai, net voorbij Flemings oude huis. Van daaruit leidt een voetgangersbruggetje naar de strandbar en een rij villa's.

Blackwell bezit overal in de wereld huizen, maar hier voelt hij zich het meest thuis. Hij slaapt graag vlak bij de oceaan, zwemt vaak en klimt geregeld op zijn jetski. Wonen doet hij in een bescheiden tweekamerhutje dat uitkijkt over een onwaarschijnlijk heldere lagune. Technisch gezien heeft hij eigenlijk maar één kamer en een overdekt terras. Van airco wil hij niet horen. "Want zweten is goed voor je. Dat soort dingen zorgt ervoor dat mensen kanker krijgen." Slechts schoorvoetend zwichtte hij voor de noden van het moderne toerisme en liet hij airconditioning installeren in de gastenverblijven. Aan de muren hangen uitvergrote, ingekaderde Rolling Stone-covers met Bob Marley en Bono. Overal staan en hangen foto's van zijn overleden vrouw, Mary Vinson, een mode- en interieurontwerpster die hij in de vroege 80 tachtig leerde kennen dankzij een gemeenschappelijke vriendin, Grace Jones. Mary stierf aan kanker in 2004.

Zijn hutje is bescheiden, maar daar staat tegenover dat Blackwell op het hele domein mag rondschrijden als een 'lord of the manor'. Wanneer hij aan een wandelingetje begint, duiken werknemers uit het niets op om hem de drankjes en snacks aan te dragen die hij wenst. Blackwells scherpe oog voor detail houdt iedereen bij de les. Tijdens de paar dagen dat we hier logeren, hoor ik hem opmerkingen maken over de peper die te fijn gemalen is en zijn rum punch die niet smaakt zoals het hoort.

Skrillex

Op sommige ochtenden daalt hij de stenen trappen bij zijn hutje af naar een privébar aan de lagune. Vijftien soorten rum heeft hij hier en slechts een handvol andere dranken. Als hij hier niet ontbijt, trekt hij naar de rustieke resortbar met uitzicht op het strand, waar gegeten wordt met de eurodisco-soundtrack van onlinezender Radio Nova ("De Franse, niet de Ierse, want daar draaien ze Bon Jovi: verschrikkelijk").

Na het ontbijt laat Blackwell me het domein zien. Vandaag draagt hij een kaki short en een oud T-shirt van U2's Achtung Baby-tour. Wanneer we over een paadje kuieren, rennen twee kinderen ons voorbij, een haan achterna. Een van hen, een mager jongetje van een jaar of twaalf met een bril, heeft iets weg van Harry Potter. Gezwind springt hij achter op een golfkarretje en terwijl hij uit beeld verdwijnt, roept hij: "Dahaag vader!" Ik vraag me af of ik getuige ben van een of ander vreemd paternalistisch ritueel waarbij de kinderen van werknemers hem aanspreken met 'vader'. Maar dan besef ik dat dit jongetje Chance is, de zoon van Blackwell en zijn nieuwe vriendin.

Ik vraag Blackwell of hij hem al liet kennismaken met jazz of klassieke muziek. Blackwell glimlacht. "Nee, hij probeert me dubstep te leren kennen. Skrillex." Hij zucht. "Ik probeer cool te zijn, maar..."

Hij wijst me op een leeg veldje en vertelt over zijn plannen om nog vijfentwintig hutten bij te bouwen. Het plan is om de hele kustlijn te ontwikkelen en de Ian Fleming-luchthaven, die er grotendeels kwam dankzij het lobbywerk van Blackwell, uit te breiden. "Het toerisme in Jamaica zet de lokale bevolking volledig buitenspel. Terwijl de Jamaicanen van nature ondernemers zijn, die het beste uit de slechtste omstandigheden halen. We moeten toeristen aanmoedigen om zich niet de hele vakantie in hun resort op te sluiten en ook eens naar een bar, restaurant of kruidenier te gaan. Zoals mensen doen als ze bijvoorbeeld in Frankrijk zijn."

Als we weer naar de bar trekken, passeren we een rotsig strookje strand dat met een hek afgesloten is van de rest van het domein. Blackwell bezit het strand, zegt hij, maar vissers mogen het gebruiken. Het restaurant van GoldenEye koopt dan ook zo veel mogelijk van de locals. Hoewel hij hen aanmoedigt om de lokale wateren niet leeg te vissen, luisteren ze niet: "Vissers zijn niet makkelijk om mee om te gaan. Ze hebben hun eigen boten, zijn onafhankelijk en als iets hen niet zint, zeggen ze gewoon 'fuck you'." Uit zijn toon spreekt een mengeling van respect en ergernis. "Bijna zoals muzikanten, eigenlijk!"

Uit de getto's van Kingston

De dynamiek van klasse en ras kun je onmogelijk negeren als het gaat over Jamaica in het algemeen en Chris Blackwell in het bijzonder. Zo zijn de werknemers van resorts als GoldenEye bijna uitsluitend zwarte Jamaicanen, terwijl de meeste gasten blank en geprivilegieerd zijn. Blackwell bracht de zwarte muziek uit de getto's van Kingston naar de hele wereld, maar zijn moeders familie behoort tot een eeuwenoude, blanke elite. Ze zijn afstammelingen van sefardische joden die in de 17de eeuw naar Jamaica kwamen en suikerriet- en bananenplantages begonnen. Later focusten ze op de productie van rum. Zijn vaders voorouders richtten dan weer het Britse voedingsbedrijf Crosse & Blackwell op.

Op z'n 18de kreeg Chris van zijn moeder een flinke som geld, waarmee hij kon gaan reizen. In New York trok hij drie maanden op met Miles Davis: hij ging naar alle shows en raakte bezeten van de band met John Coltrane en Cannonball Adderley. "Miles had mij graag. Raar eigenlijk, want over het algemeen had hij het niet zo voor blanken."

Intussen raakte het eiland in de ban van de sound systems. Blackwell had het geld om over en weer te reizen en Amerikaanse R&B-platen met flinke winst te verkopen aan de dj's. "Tegenwoordig kun je in geen tijd zowat alles vinden, maar toen hadden ze er veel geld voor over om iets exclusiefs in handen te krijgen." Ook de drieënzestig jukeboxes op het eiland voorzag hij van verse plaatjes.

In Londen verkocht Blackwell dan weer vinylplaten uit Jamaica aan immigranten in de Caribische getto's. Maar de bal ging pas echt aan het rollen toen hij besloot om een cross-oversingle te maken met Millie Small, een amper 15 jaar oud Jamaicaans zangeresje met een hoge, schriele stem. De (volgens velen extreem dubbelzinnige) R&B-song 'My Boy Lollipop' verkocht als zoete broodjes: zeven miljoen exemplaren wereldwijd. "Het ene moment verkocht ik plaatjes uit de koffer van mijn auto, het volgende maakte ik deel uit van de mainstream scene."

Morsige rockband uit Dublin

Van de late jaren zestig tot de vroege jaren 80 bracht Blackwell met Island Records een groot deel van de belangrijkste reggaeplaten uit. Hij geloofde dat een goede reggae-act een goudmijn kon zijn, als die werd gepromoot als een zwarte rockband bij een jong publiek in Engeland en de VS. Dus toen hij Bob Marley ontmoette en die 4.000 dollar vroeg om een plaat op te nemen, schreef Blackwell on the spot een check uit.

Hoewel Blackwell doorging met Island Records na Marleys dood in 1981, was het voor hem nooit meer hetzelfde. "Het was moeilijk om enthousiast te blijven, want werken met Bob Marley, hem zo groot zien worden, was het hoogtepunt van mijn carrière."

En dan was er natuurlijk ook die avond in 1979, toen Blackwell overtuigd werd om weg te glippen van een Marley-concert in Londen om een morsige rockband uit Dublin te ontdekken die optrad in een piepkleine punktent. "Chris' flip-flops maakten nog het meeste indruk", herinnert Bono zich. "Het was hartje winter. Hij straalde meer punk uit dan de meeste mensen in die club."

Blackwell was aanvankelijk niet enthousiast over hun muziek, maar er was iets wat hem aantrok in de band. Hij bleef in U2 geloven, zelfs nadat hun tweede album October flopte.

Maar in de jaren daarna had Blackwell moeite om zijn plek in de muziekindustrie, die hij zelf mee opgebouwd had, te vinden. Door de opkomst van MTV raakte hij ervan overtuigd dat muziekvideo's de toekomst waren en hij focuste op de filmafdeling van Island Records. Maar aan het eind van de eighties kreeg hij het gevoel dat Island uit zijn voegen gebarsten was. "Ik begon me af te vragen wat er zo speciaal was aan ons. Ik kreeg het gevoel dat we onze unique selling point verloren hadden. Het unieke dat we ooit hadden, waren we verloren."

Nadat hij Island verkocht aan PolyGram, bleef Blackwell nog een paar jaar aan het hoofd staan, maar uiteindelijk stapte hij eruit na een botsing met de nieuwe eigenaars.

De tijd zal het leren

Terug in de strandbar van GoldenEye bestelt Blackwell een rum punch voor zichzelf. Hij raadt me aan om hetzelfde te doen. "Ze smaken erg goed op dit moment van de dag", zegt hij. Het is middag.

En dan arriveert er een klein gezelschap om met hem te lunchen. Een van hen is een architectuurfotograaf uit New York die ingehuurd is om Blackwells hotels te fotograferen. Ook Blackwells vriendin is erbij, Joanna Saulter: een donkerharige vrouw die ongeveer drie decennia jonger is. Het slaatje dat Blackwell eet, spoelt hij door met drie glazen rosé. Wanneer die op zijn, nipt hij van Saulters halfvolle glas. Hij heeft het over een nieuw muzikaal project waar hij mee bezig is, een compilatie die mensen zou helpen om makkelijker in slaap te vallen. Zelf heeft hij daar weinig moeite mee, zegt hij: "Ik zou hier nu meteen in slaap kunnen vallen, in vijf minuutjes tijd." "Da's waar", reageert Saulter. "Heel frustrerend."

De volgende ochtend staat Blackwell vroeg op voor een hele reeks businessmeetings in zijn privébar. Vreemd om te zien hoe een 76 jaar oude miljonair, vriend van de rijken en machtigen der aarde, zich bezighoudt met de meest minutieuze details van zijn business. Deze ochtend gaat het bijvoorbeeld over de stofjes van de tafelkleden en de uniformen.

Vervolgens krijgt hij een preview te zien van de foto's. De fotograaf klapt zijn laptop open en toont een slideshow met extreem weelderige beelden vol tropische luxe, met als soundtrack een song van Bob Marley. Blackwells gezicht licht op: "Dat is mijn favoriet!" De fotograaf knikt vereerd en geeft toe dat hij getipt was. De song is 'Time Will Tell', uit 1978. Terwijl het ene magnifieke beeld na het andere over het scherm schuift, klinken de woorden: 'Time alone / Time will tell / Think you're in heaven / But you're living in hell'.

Als Blackwell een ander type kerel was, konden we hier eindigen, met deze vreemde paradox. Hij leeft echter niet in de hel, maar staat precies waar hij wil. Of dat benadrukt hij toch graag. Al toen hij eigendommen begon aan te kopen in de jaren 70 was hij van plan om ooit hotels te openen. Nu pendelt hij tussen New York, Londen en Jamaica, waar hij nog altijd met één teen in de muziekbusiness zit: hij werkt met een jonge, Jamaicaanse artiest die zichzelf Chronixx noemt, een vriend van Saulters broer. En daarnaast heeft hij zijn eigen merk van rum, een bedrijf dat hij runt met zijn oudste zoon, de 20-jarige Chris junior.

Als ik hem vraag wat hem het gelukkigst maakt tegenwoordig, antwoordt Blackwell: "Ik hou ervan om dingen gedaan te krijgen. Da's een talent van mij, het heeft me heel veel plezier verschaft."

En hoe hij herinnerd wil worden? "Als iemand die een impact had op de wereld. Geen vluchtige impact, maar iets blijvends. Dan zou mijn leven de moeite waard geweest zijn."

Uit de stal van Chris Blackwell

Nick Drake Tom Waits Grace Jones Lee 'Scratch' Perry Roxy Music Marianne Faithfull Cat Stevens

Bob Marley U2 Jimmy Cliff B-52s Brian Eno Millie Small

Bio

Geboren in Londen, in 1937

Groeit op in Jamaica in een rijke, blanke familie met roots in het koloniale verleden

Richt op zijn 22ste Island Records op

Ontdekker van o.a. Jimmy Cliff, Sly &

Robbie, Lee 'Scratch' Perry en Bob Marley

Gaat ook in zee met artiesten als Brian Eno, Marianne Faithfull, John Cale, Grace Jones en Tom Waits

Bezit een aantal luxeresorts in Jamaica en Miami

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234