Zaterdag 19/10/2019

Reportage De laatste zomer van België

‘Mijn vrouw zocht een goedkoop huis. Omdat Brussel te duur was, zijn we het wat verder gaan zoeken’

Op het treinenkerkhof achter het station van Treignes staan afgedankte locomotieven te roesten. Beeld Tim Dirven

Viroinval, een verloren uithoek op een boogscheut van de Franse grens, telt nog een handvol bewoners. Werk is er nauwelijks. Maar de natuur floreert er, net als de solidariteit tussen de achter­blijvers. ‘Het is hier afgelegen, maar ­niet eenzaam.’

Achter het station van Treignes ligt het indrukwekkendste olifantenkerkhof van de Belgische spoorwegen. Afgedankte locomotieven en wagons staan er bevallig te roesten in de regen. Sommige waren nog eigendom van de Chemins de Fer de l’Etat Belge, de 19de-eeuwse voorloper van de NMBS. In hoog opgeschoten gras, bij de ruïne van een waterhuis voor stoomtreinen, liggen uitgebroken bielsen, wissels en seinpalen. Een walhalla voor trainspotters is deze plek. Alles getuigt van de vergane glorietijd van België, toen het land een industriële gigant werd dankzij het dichtste spoorwegennet ter wereld. Niet de Brabançonne, maar het geluid van de wind op dit verlaten terrein is het ware volkslied van België.

Zelden leek België zo verscheurd als na de laatste verkiezingen. Beleven we de laatste zomer van het land? Pascal Verbeken keert voor de gelegenheid terug naar de bijzonderste haltes in zijn België-boeken. Wat is daar de voorbije jaren veranderd? Hoe kijkt men er naar de toekomst? Een zoektocht naar wat België was, is en had kunnen zijn. In aflevering 3: de Calestienne en de Ardennen.

Uitgerekend de streek rond Treignes, de Viroinvallei, was voorbestemd om een eldorado te worden. Er waren tientallen ijzer-, zink-, bariet- en loodmijnen, marmer- en leisteengroeven, steenkoolputten en hoogovens. ‘Belgisch Katanga’ werd het genoemd, een van de geologisch rijkste streken van Europa. Maar het grote fortuin kwam nooit. De exploitatie was te duur. De omgeving bleek te wild en te woest om er een netwerk van spoorwegen aan te leggen.

Vandaag zit de rijkdom van Viroinval waar de investeerders ze nooit verwacht hadden: in de natuurpracht en de stilte. Net de mislukking van hun grote plannen maakt de streek nu bijzonder.

“Dit is een unieke biotoop”, zegt natuurgids Olivier Rubbers van Bureau des Guides. “Viroinval ligt pal op de grens van de hooggelegen Ardennenbossen en de lage Calestienne, de streek van de kalkheuvels, kloven, grotten en canyons. Het Viroin-riviertje vormt de scheiding. De beste biologen komen van heinde en ver om de botsing van die twee habitats te bestuderen. Vooral de diversiteit van vlinders, sprinkhanen, krekels en orchideeën is hier uitzonderlijk. De kalkgraslanden zijn de rijkste biotoop voor insecten in de Europese gebieden met een gematigd klimaat.”

Achter de beboste heuvelkam stijgt een witte zuil damp op uit de kerncentrale van Chooz, net over de Franse grens. In de weiden dragen de koeien plastic oormerken met een barcode. En ergens ver in het dal van de Viroin klinkt het geloei van een kettingzaag. Maar verder lijken de dorpen van Viroinval buiten de tijd te staan. Edmond Dauchot of Leonard Misonne, de fotografen van de oude Belgische Ardennen, zouden vandaag nog plekken terugvinden die nooit veel veranderd zijn. Vanaf een afstand ziet het dorp Vierves er nog net zo uit als honderd jaar geleden.

Zicht op het dorpje Vierves-sur-Viroin. Deze streek lijkt onaangetast door de tijd. Beeld Tim Dirven

“De Ardennen hebben hun primitieve karakter nooit helemaal verloren”, vindt Olivier. “Dat komt ook omdat ze lang nauwelijks bereikbaar waren. Tot in de jaren 50 hadden maar weinig Ardennezen ooit een banaan gegeten. In mijn kindertijd gingen we kamperen bij een oom, diep in de Ardennen. Vanuit onze woonplaats Doornik was het een miserie om daar te geraken. De reis duurde bijna een hele dag, langs boerenwegen en nauwe dorpsstraatjes. Ik heb vrienden die me vertelden dat hun ouders leefden op een kleine boerderij met een paar beesten en een moestuin. Die keuterboertjes moesten vaak een tweede en derde job hebben om te overleven.”

In de Waalse media wordt Olivier wel eens ‘le Zorro des bois’ genoemd. Een geuzennaam die hij verdiende met een beruchte stunt: de herinvoering van de uitgeroeide bever in België. Vandaag zit de bever overal, tot voorbij Oudenaarde en Gent. En ook langs deze Viroin, waar op de oevers doorgeknaagde en ontschorste stammen liggen.

Bescheiden activist

De bever is een goddelijk dier: overal zie je de sporen van zijn aanwezigheid, maar zelf blijft hij onzichtbaar. Een goddelijke Belg, als het ware. Hij leeft om te bouwen en gaat daarbij op anarchistische wijze te werk. Olivier ziet nog meer overeenkomsten.

“De bever is een bescheiden werker. Hij houdt er niet van te pronken of zichzelf te laten gelden, zoals het hert. Bevers zijn discreet, onopvallend en relaxed. De familie is zeer belangrijk voor ze. Ook dat zit allemaal in de aard van de Belg.

“Geen enkel land heeft zo veel plaatsnamen die verwijzen naar de bever: Beverlo, Beveren, Strombeek-Bever, Beveren-Leie, Bever enzovoort. Niet toevallig zijn er zo veel Vlaamse namen, want eigenlijk is Vlaanderen meer geschikt als beverhabitat dan Wallonië, wegens de aanwezigheid van veel zacht hout als populieren, wilgen en berken, waar de bever dol op is. Maar ook in Wallonië trok hij een spoor in de dorpsnamen: Bièvre, Beauvechain, Bienne, Breuvanne. Denk ook aan al de families Debièvre en Vanbeveren. De Belgen die New York stichtten kozen als symbool de bever in hun zegel. Vijftien miljoen jaar heeft de bever in onze streken geleefd – daarbij vergeleken stelt de homo sapiens die hem bijna uitroeide niets voor.”

Het is augustus, maar het lijkt oktober. Tussen de treinsporen liggen pakken verdorde bladeren. Boomkruinen vertonen grote, okerbruine vlekken. De gevolgen van l’été meurtrier, 2019. In de streek hebben ze dit nooit eerder gezien.

“Toch zal de impact van de klimaatopwarming in deze streek nog meevallen”, voorspelt Olivier. “Er komt een verschuiving van zuiderse fauna en flora naar het noorden. De Provence is op komst, zeg maar. Maar dat betekent nog niet dat onze vlinders, krekels en sprinkhanen op de vlucht moeten slaan. Ongetwijfeld zal de boomgrens hoger opschuiven, waardoor veel bomen verdwijnen. Dat hoeft geen ramp te zijn. In de Ardennen staan veel sparrenbossen die alleen geplant worden om te exploiteren. Een vreselijke monocultuur. Voor de biodiversiteit zijn ze waardeloos. Erger is het verdwijnen van de bovengrondse waterlopen ten gevolge van droogte en hittegolven. In Zuid-Frankrijk heb je nu al rivieren die in de zomermaanden gewoon verdwijnen, zoals de Gars. Dat zou ook met de Viroin kunnen gebeuren.”

Misschien komt de redding van de bever?

Madame Leclercqz, de waardin van café-épicier Chez Mémène in het dorpje Le Mesnil. ‘Het lijkt hier wel een postkaart, maar het leven is altijd hard geweest.’ Beeld Tim Dirven

“Bevers zullen de opwarming van de aarde niet stoppen, maar ze bestrijden wel de gevolgen van grote droogte. Als er maandenlang nauwelijks regen valt, maken zij met hun dammen waterstocks in de zijriviertjes. Daarmee voorkomen ze de uitdroging van valleien. In de extreem droge zomer van 2003 gingen bevers zelfs dammen bouwen op redelijk diepe rivieren als de Semois en de Ourthe. Dat water is van levensbelang. Wist je dat er deze zomer bijna geen water meer uit de kraan kwam in Rochefort? Dramatisch.

“De bever is een watermanager die in staat is om alle waterlopen ecologisch te herstellen. Ook bij periodes van zware neerslag regelt hij de waterhuishouding. Hij wil alleen een lekker meertje waarin hij kan zwemmen, duiken en wegvluchten als er gevaar dreigt. Maar tegelijk is hij een natuuractivist. Elke beverdam is een biologisch waterzuiveringsstation. Het geloosde, witgrijze afwaswater wordt afgebroken door riet en lisdodde. Het water van het Chouffe-bier uit Achouffe bij Houffalize is gefilterd door vijftig beverdammen.”

La folie

Hoog boven het beverland van de Viroin liggen de Ardennenbossen. Hier zit geen kalk in de bodem, wel harde leisteen. Ardoise. Het is de steen die als niets anders de identiteit en het leven van de ­Ardennezen bepaalt. Ze maken er dakschaliën, ­robuuste buitenmuren en grafzerken van. In het woud rond Oignies liggen nog de ruïnes van de ardoisières, de leisteengroeven die de dorpelingen een inkomen gaven. In ruil leverden ze hun gezondheid in. De levensverwachting was 45 jaar, dodelijke ongevallen gebeurden regelmatig. Nog altijd wordt Oignies ‘le village des veuves’ genoemd, het dorp van de weduwen. Er waren er ooit zestig.

In een residentiële straat aan de rand van het dorp woont de jonge schepen van Bos en Landbouw, François Mathy. “Vleermuizen tellen is het enige wat er nog in de ardoisières gebeurt”, zegt hij. “En het bos geeft nog vier à vijf mensen werk.”

Hij wil vooral vooruitkijken, maar ook dat is makkelijker gezegd dan gedaan. “We kampen met dezelfde problemen als veel streken in de periferie. Er zijn weinig werkgevers, waardoor we weinig inkomsten uit belastingen halen. Jongeren verhuizen omdat ze dicht bij hun werk willen wonen. Ook als ze gaan studeren in Louvain-la-Neuve of Brussel, zien we ze vaak niet meer terug. Door die braindrain telt Viroinval weinig universitairen, we hebben ongeveer het laagste cijfer van Wallonië. Drie dokters, dat is het zowat. Misschien zal het telewerken de arbeid in deze dorpen veranderen.”

Een paar kilometer voorbij Oignies ligt Le Mesnil, een grensdorp van enkele straten en een kerk. Daar voorbij is er alleen nog La Folie, een gehucht van welgeteld twee huizen langs een karrenweg naar nergens. Als het ergens bestaat, dan is dit het einde van België.

De vooruitgang wist slechts moeizaam zijn weg hierheen te vinden. Pas kort voor de Tweede Wereldoorlog kwamen er elektriciteit en leidingwater. Nog altijd is het een van de meest geïsoleerde dorpen van het land. Le Mesnil bleef altijd de clairière, de open plek in het bos. Eén keer per week komt er een bus om de dorpelingen heen en weer naar de markt in Couvin te brengen.

Beeld Tim Dirven

Tegenover een boerenerf waar mannen aan oude Mercedessen sleutelen, staat een ruim uitgevallen, verlaten huis. Tot vorig jaar was dit het dorpsschooltje, zo oud als het dorp zelf. In september bleef het voor het eerst dicht omdat het quotum van tien leerlingen niet meer gehaald werd, zelfs al bestond de helft van de klas uit kinderen van het naburige asielcentrum van Oignies. Over twee weken begint het tweede schooljaar zonder kindergejoel op het koertje. De wonde blijft.

In de hoogdagen van de leisteenindustrie telde Le Mesnil een twintigtal dranklokalen. Daarvan blijft er nog één over: Chez Mémène, een café-épicerie die sinds 1911 nauwelijks een verandering onderging. Een streekmuseum, lijkt het. Rechts achter de voordeur zit de kruidenierswinkel die bestaat uit enkele schamele rekjes met conserven, rijst, deegwaren, bier, tabak en plastic dozen met zuurbollen. Links zit het café met een kleine zinc en enkele tafeltjes in rood formica. Aan de muur waakt een Christusbeeld naast een reclame van Chimay-trappist.

Dit is het rijk van madame Leclercqz, kleindochter van de stichters van het café. Elke dag opent ze van 9 uur ’s morgens tot 9 uur ’s avonds. Als het café even gesloten is, kan je haar aantreffen in de kerk, waar ze poetst en de bloemen verzorgt.

“Le Mesnil lijkt een postkaart, maar het leven is altijd hard geweest”, zegt ze. Van haar grootouders hoorde ze de verhalen van dorpelingen die in de zogenaamde belle époque lijsters moesten vangen om hun maag te vullen. Dat heeft de esprit du village gevormd: reken op jezelf, niet op anderen. “En doe wat je zelf goed lijkt. Ik heb nooit de café-épicerie vernieuwd. En nu is het de moeite niet meer, gezien mijn ouderdom.”

De Rue de Montigny is een straat achter de kerk die doodloopt in de velden. Ergens middenin woont Brusselaar Bob Spaenhoven in een ardoisiershuisje met groen geschilderd houtwerk. In de verwilderde voortuin slaapt een kat tegen een stapel leisteenschaliën. Naast de deur hangt een plaatje met de Belgische vlag, waarachter een indianenpluim geklemd zit. Een bel is er niet.

“Ik woon hier zesentwintig jaar en heb nog nooit mijn deur op slot gedaan”, zegt Bob. “Dikwijls staat ze gewoon open. Eén keer kreeg ik bezoek van inbrekers, jongeren uit de buurt. Ze hadden een cannabisplant en mijn autosleutels gepikt. Toen zijn ze gaan joyriden tot ze ergens tegenaan botsten. Ze hadden gerookt en gedronken, vertelden ze mij achteraf. Ik heb geen klacht ingediend. De hele procedure duurt jaren. Intussen leef je in spanning en onmin. Wat is dan de winst? Mijn deur blijft open.”

Bob gaat in de voorplaats zitten, aan een tafeltje bij de Leuvense stoof die bekend is van de briljante documentaire Ne me quitte pas (2014).

In dit epos van rum en wijn, gemaakt door Sabine Lubbe Bakker en Niels van Koevorden, gaat Bob samen met zijn onafscheidelijke drinkbroeder Marcel uit Le Mesnil een zekere ondergang tegemoet. Er wordt gevallen en opgestaan. Letterlijk. Maar de film gaat evenzeer over vriendschap en ouder worden en de belofte van het allerlaatste glas.

“Met Marcel heb ik nog altijd contact. Hij drinkt nog, net als ik. Dat is de stand van zaken. En ik hoop dat iedereen ook gezien heeft dat we ­ontzettend veel gelachen hebben met onze eigen miserie.”

Bob schenkt een eerste glas rum in en begint bij het begin. De ontdekking van Le Mesnil.

“Mijn vrouw zocht een goedkoop huis. Omdat Brussel te duur was, zijn we het wat verder gaan zoeken. Tijdens ons eerste bezoek reden we vast in de modder bij La Folie. Er kwam een tractor aan te pas om ons eruit te trekken. Na een glas bij Chez Mémène vonden we dit huis. Het stond te koop voor 1,3 miljoen Belgische frank. Een spotprijs.

Bob Spaenhoven, Vlaamse bewoner van Le Mesnil. ‘Wil Vlaanderen de onafhankelijkheid uitroepen? Men doet maar. Ik stel me alleen vragen bij het theater. Het verheerlijkte historische Vlaanderen heeft nooit bestaan.’ Beeld Tim Dirven

“De arbeid in de leisteengroeven is teloorgegaan door de concurrentie van goedkope, kankerverwekkende dakpannen in asbest. Daarbovenop kwam de sluiting van de ijzergieterijen, zoals Fonderie du Lion. Voor de Tweede Wereldoorlog telde Le Mesnil ongeveer vierhonderd inwoners. Door de problemen zakte de populatie tot vijfentachtig. Een dieptepunt. Mede daarom is het hier zo goedkoop.”

Geen vijandschap

De Ardennen en de Calestienne zijn flyover country. In Brussel weet men nauwelijks dat de streek bestaat. Maar uitgerekend hier bestaat België waarachtig, vindt Bob.

“Hier wonen 15 Vlamingen op 146 inwoners. Ze zijn aanvaard, zelfs geliefd. Taalproblemen zijn onbestaande. Le Mesnil, dat is de Belgische utopie in het klein. Leven en laten leven. Het verschil met het België dat we zien als we onze televisie aanzetten, kan niet groter zijn.

“In de politiek aanvaardt men geen compromis meer, dat is een probleem. Een compromis wordt altijd voorgesteld als een nederlaag of een kaakslag. Terwijl een eervol vergelijk juist zeer mooi is. Een land als België kan niet zonder. Het kleine Le Mesnil is een voorbeeld op dat vlak. Ook tussen katholieken en socialisten bestaat hier geen vijandschap. Ik ken vrijzinnige socialisten die meelopen in de dorpsprocessie. Uit respect voor familieleden die wel gelovig zijn.

“Eerlijk, de Belgische politiek laat me steenkoud. Wil Vlaanderen de onafhankelijkheid uitroepen? Men doet maar. Ik stel me alleen vragen bij het theater. Het verheerlijkte historische Vlaanderen heeft nooit bestaan. Er was het hertogdom Brabant en het graafschap Vlaanderen. Nog altijd hebben Limburgers en West-Vlamingen weinig gemeen, ze begrijpen elkaar zelfs nauwelijks. In de Guldensporenslag vochten de Namurois aan de zijde van de Vlamingen, terwijl de Brabanders de kant van de Fransen kozen. Het Vlaanderen van vandaag is pas gevormd in België.”

Aan de muur hangt een naambord van het Lemmensplein in Anderlecht, al tientallen jaren een van de meest beruchte drugspleinen in het Brussels Gewest. Het blijkt een souvenir uit een vroeger leven, toen Bob nog aan de slag was als straathoekwerker. Op zijn cv staat een hele lijst jobs in België en Kongo: barman, jeugdhuisverantwoordelijke, onderhoudsman van oliepersen, vrachtwagenchauffeur, leraar.

“Toen ik in Leuven maar wat rondzwalpte in linkse studentenkringen, zei mijn moeder: ‘Ge weet hoeveel ge kost, hè? Drieduizend frank per maand.’ Sindsdien heb ik altijd gewerkt.”

Vijftien jaar geleden ontmoette ik Bob bij toeval voor het eerst. Voor muziekcafé Le Nuton in het naburige Vierves stopte ’s avonds laat een bestelwagen. ‘Bob le fleuriste est là!’, gonsde het verwachtingsvol aan alle tafels. Waarop Bob onder applaus zijn blijde intrede maakte, toen al gekleed met cowboyhoed, mouwloze vest en vingerloze handschoenen.

“Ik reed elke dag de Ronde van België langs de Delhaize-supermarkten om verse bloemen te leveren en de oude weg te gooien. Maar bloemen zijn na drie dagen niet slecht. Dus gaf ik ze weg. Als ik ’s avonds op de terugweg Viroinval naderde, stopte ik aan elk café en deelde mijn lading gewoon uit. Zo word je populair, al was dat niet mijn bedoeling. Je moet gewoon genereus zijn in het leven. Geven. En als je niets terugkrijgt, is dat ook best.

“Ik was altijd een overtuigde linkse jongen. Noem een ‘aksie’ en ik was erbij, zoals de redding van De Morgen, waar ik veel energie in stak. Als militant van de trotskistische Revolutionaire Arbeidersliga betaalde ik maandelijks braaf mijn 14.000 frank contributie aan de partij, een bedrag dat gebaseerd was op mijn loon. Nooit spijt van gehad. Ik was toen vakbondssecretaris en verdiende goed. Dat geld kon ik missen. Hugo Claus kwam bij mij over de vloer. Ik was de verantwoordelijke uitgever van zijn pamflet over Vlaanderen, adres: Molenstraat 3 in Sint-Joost-ten-Node. Een plezante tijd. Soms jeukt het nog om de revolutie alsnog in gang te steken.”

Het mausoleum van de Heren van Vierves (1906), ingeplant in het prachtige landschap, herinnert aan een glorieus verleden. Beeld Tim Dirven

De grootste omwenteling in zijn leven was de ontdekking van deze uithoek. “Als Le Mesnil je te pakken heeft, ga je nooit meer weg. Het is een betovering. Zo ervaar ik dat. Ik ken jongeren die elke dag 250 kilometer heen en terug rijden naar hun werk in Brussel. ’s Avonds willen ze hier thuiskomen. Ook voor mij zit de aantrekkingskracht van het dorp in het isolement, de verlatenheid.

“En niet te vergeten: de ontdekking van de seizoenen. Ik heb lang op de Afrikaanse evenaar gewoond, waar seizoenen niet bestaan. Als Brusselse stadsjongen waren ze me ook nooit opgevallen. Maar wat een wonder zijn de jaargetijden, als je ze kan voelen en zien veranderen. Het is alsof de wereld plotseling kleur krijgt. Ik was al de vijftig voorbij en realiseerde me plots dat ik nooit had stilgestaan bij de sensatie van zon, regen en wind. Ik had nooit de natuur zien inslapen en ontdooien.

“Inmiddels heb ik een geoefend oor ontwikkeld voor de natuur. Ik herken zelfs het verschil tussen het gezoem van wespen, hommels, ‘imkerbijen’ en wilde bijen. Ik vermoed dat veel problemen met jongeren in de steden verergerd worden door het gemis van contact met de aarde en de lucht. Het enige wat ze kennen is beton en neonlicht.”

In Le Mesnil zijn de winters lang, koud en donker. Inwijkelingen zijn er niet altijd tegen gehard. Bob geeft toe dat hij even overwoog om te verhuizen.

“Ik wilde naar Mali. Met als enige gezelschap een container boeken en rum. Wat moet een mens meer hebben? Maar uiteindelijk won Le Mesnil het. Het dorp is afgelegen, maar je bent er niet eenzaam. Als je iemand op straat tegenkomt, een bekende of een onbekende, krijg je altijd een bonjour. Dat zal je in Brussel niet gauw overkomen.

“Als ik een uur op het terras bij Chez Mémène zit, heb ik met het halve dorp een praatje gemaakt. Hier heb ik Afrika teruggevonden. En net als in Afrika werkt de tamtamtrottoir uitstekend. Als er een probleem is, weet het dorp dat in geen tijd. Had ik al gezegd dat ook mijn computer eens gepikt is? Onmiddellijk kwamen buren me vertellen wie de dader was en waar hij de computer verkocht had. Ze gaven me zelfs een nieuwe pc. Ook toen heb ik geen klacht ingediend.

“Rurale, afgelegen streken als Viroinval worden samengehouden door minder zichtbare verbanden. Sinds er geen werk meer is, zijn dat de ziekenkas en de zorgsector. Iedereen heeft er mee te maken, naarmate je ouder wordt steeds meer. Mensen hebben dezelfde verpleegster of poetsvrouw en dat versterkt de band tussen buren. Er worden verhalen doorverteld en uitgewisseld.

“Le Mesnil hangt nog sterker aan elkaar dan de naburige dorpen. Wij zijn de ziel van Viroinval. Stel dat een horeca-inspecteur aan Chez Mémène zou raken, dan wordt hij door woedende dorpelingen in elkaar geslagen. Zeker nadat we ons schooltje kwijt zijn. En tegelijk is het dorp zeer gastvrij. Le Mesnil is een plek waar je opnieuw kan beginnen omdat niemand je kent. Hier wonen ook inwijkelingen uit Charleroi of Brussel met iets op hun kerfstok.”

Katangese priester

Terwijl Bobs derde glas rum de bodem nadert, begint de melancholie toe te slaan. Zesenzeventig is hij. Tijdens het gesprek doet hij vier keer de constatering.

“Ik heb nog tien jaar tegoed, maak ik mezelf wijs. Maar als ik kijk naar vrienden en familie… Ze vallen als bladeren. Dan ga je nadenken. Ik wil goed sterven. Eerst nog een feestje voor de dierbaren. Een laatste glas. En dan het bos inlopen, liefst bij zonlicht in de late namiddag. Enfin, zo stel ik me dat voor. Ik had lang een specifieke boom in gedachte waartegen ik uiteindelijk zou gaan neerzitten. Maar hij is inmiddels al gekapt. Hij is nog eerder vertrokken dan ik.

“Ook over mijn begrafenis heb ik nagedacht. We hebben hier een Katangese priester, Jules. Op een dag gaf hij me een lift. Ik zei: ‘Jules, ik wil later een schone begrafenisdienst in de kerk, maar zonder religieuze rituelen. Wil jij dat doen voor mij?’ ‘Vast en zeker’, zei hij. Kijk, dat is nu de mentaliteit van het dorp. Je laat de mensen in hun waarde. Of je katholiek, moslim of ongelovig bent, dat doet er niet toe. Het enige wat telt is de solidariteit met de andere dorpelingen.”

Als Bob nog iets wil doen, is het schrijven. Zijn leven gevat in korte verhalen. Of als dat niet lukt in een paar gedichten. Hij schreef er ooit een voor een oude geliefde, dat tegelijk een ode was aan Le Mesnil. Met een krop in de keel las hij het voor in Ne me quitte pas. De laatste regels luiden zo: ‘De haan blonk in de avondzon, en de fanfare, zij speelde voort.’

‘Die haan, dat is de kerkhaan”, legt hij uit. “En die fanfare stond opgesteld voor Chez Mémène. Ik heb de tijdloosheid van het dorp willen beschrijven. De onverstoorbare rust, ver weg van alle gekrakeel. Er zit een duurzaamheid in het dorp die men elders in België niet meer kent.

“Weet je, niet zo lang geleden waren de bomen nog van hout. Klinkt dat raar? Wel, vandaag weten kinderen niet meer wat echt hout is. Ze kennen alleen gelijmd nephout van Ikea. In de haard zie je het verschil. Vuur liegt niet. Echt hout brandt traag en lang, de vlammen moeten het hout veroveren. Echt hout geeft een andere, veel diepere warmte, het is een gloed die onder je huid kruipt. Zoals dit dorp.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234