Zaterdag 26/09/2020

Mijn vlakke land, mijn Vlaanderland

2 augustus 1914. Om zeven uur ’s avonds overhandigt de Duitse ambassadeur een brief aan de Belgische minister van Buitenlandse Zaken. De Duitsers zijn er vast van overtuigd dat de Fransen hen via Namen gaan aanvallen. Het Belgische leger is natuurlijk veel te klein om de Fransen tegen te houden en daarom willen de Duitsers graag komen helpen. Ja, zo zijn Duitsers nu eenmaal.

De vraag is dus of hun leger even door België mag om die Fransen buiten te kegelen. Ze staan eerlijk gezegd toch al klaar aan de grens. ’t Is maar een kleine moeite. Koning Albert wordt meteen van het Duitse ultimatum op de hoogte gebracht. Volgens sommige bronnen reageerde hij met de legendarische woorden: “Denkt den Duitser misschien dat ik een mossel ben!” Misschien dacht den Duitser dat inderdaad. En hoe doet een Duitser een mossel open? Inderdaad, hij klopt op de schelp en brult “Aufmachen, schnell!” Maar koning Albert maakt niks open. Een minister van Staat, Charles Woeste, pleit er nog voor dat het Belgische leger twee keer op de Duitsers zou schieten en zich dan zou terugtrekken in Antwerpen terwijl Duitsers en Fransen het onder mekaar zouden uitvechten. Want zo’n oorlog met die Kaiser gaat volgens hem veel miserie veroorzaken. De rest van de regering en de koning zien dat niet zitten. Ze verwerpen het ultimatum en op 4 augustus trekken de Duitsers België binnen. Charles Woeste krijgt gelijk. Die Duitsers brengen veel miserie mee.

Merkwaardige relicten

Het Belgisch legertje is geen partij voor de Duitse pletwals. Op enkele schaarse successen na, zijn onze jongens permanent aangewezen op de truc van de strategische terugtocht. Half oktober vallen de soldaten uitgeput neer achter de IJzer in de Westhoek. De Belgen hebben nog maar 48.000 geweren om een frontlinie van 40 kilometer te verdedigen. De toestand is hopeloos en zeer ernstig. Dan wordt het ultieme wapen ingezet: water. De IJzervlakte overstroomt, de Duitse opmars stokt. De volgende drie jaar zal de frontlinie in de Westhoek niet meer verschuiven.Ik rijd van Ieper naar Diksmuide. In de Westhoek is de oorlog overal aanwezig. Zoals in de vorm van een helm op een sokkel neergeplant door de Touring Club de Belgique met steun van de Credit Anversois in Noordschote. Het markeert de plek waar de ultieme Duitse doorbraak werd gestopt. Naast het monument een moderner bord met een gedicht van Hugo Claus. Iets verderop vind je een van de meest merkwaardige relicten van de oorlog, een huldeplaat voor de onbekende zoeaaf. In november 1914 werd deze plek verdedigd door zoeaven, een elite-eenheid van het Franse leger. Op 9 november ondernamen de Fransen een aanval op de Duitse voorpost. De aanval mislukte. Maar de Duitsers konden er niet mee lachen en lanceerden in de nacht van 11 op 12 november een tegenaanval. Volgens de legende duwden de Duitsers de gevangen genomen zoeaven van het vorige gevecht voor zich uit. Die waren voor hun collega’s duidelijk herkenbaar, want zoeaven hadden de gewoonte om ten strijde te trekken met op hun hoofd een rode fez. Een van de gegijzelde zoeaven zou in het duister geroepen hebben: “Tirez donc nom de Dieu, ce sont les Boches!” Daarop brak een salvo van de Fransen los dat zowel Duitsers als zoeaven neermaaide. De Fransen hadden gewonnen. Mag ook wel als je je eigen soldaten neerschiet. De onbekende zoeaaf die zichzelf opofferde, kreeg een herdenkingsplak in de gevel van café De Drie Grachten. Het moet zowat het enige oorlogsmonument zijn waarop een scheldwoord staat vermeld. In het Frans dan toch, in het Nederlands hielden ze het nog proper.Op weg naar Diksmuide passeer ik het etablissement ‘t Hoekske. Specialiteit: toplessbediening, paal- en tafeldansen. Ook alle privé-feestjes zijn op aanvraag mogelijk. De menukaart vermeldt niet door wie de toplessbediening en het tafeldansen worden uitgevoerd, man, vrouw, labrador. Maar toch, de stille Westhoek heeft duidelijk nog andere troeven dan Willem Vermandere en de trappist van Westvleteren. Een iets bekendere troef is de IJzertoren in Diksmuide, vredesmonument, herinnering aan de Vlaamse gesneuvelden en sinds 1986 ook memoriaal van de Vlaamse ontvoogding. Ik koop een kaartje. Aan de ingang van het domein staat de Pax-poort, met daarachter de ruïne van de eerste IJzertoren. Zoals een bordje tegen de muur vermeldt: “Op 16-3-1946 werd deze toren vakkundig, efficiënt, naamloos en toch gekend gedynamiteerd en neergehaald”. Ik ken het verhaal en begrijp wat ze bedoelen. Het Belgische gerecht en de politie had niet echt veel zin om de daders in te rekenen. Maar ik vraag me af hoe deze zinsnede overkomt op Nederlandse toeristen. Anderstaligen kunnen het (gelukkig) niet lezen. Een toren naamloos en toch gekend neerhalen, hoe doe je dat? Het museum van de IJzertoren is in hetzelfde bedje ziek. Je weet echt niet waar je terecht bent gekomen. Het begint met een panoramische uitbeelding van het front in 1914. De gemiddelde toerist denkt: mooi, ik zit in een oorlogsmuseum. Op de achtergrond klinkt Willem Vermandere en zelfs Le Plat Pays van Jacques Brel. Weliswaar in de Nederlandstalige versie. Franse liedjes zijn misschien nog net een brug te ver. Als je verder gaat, wordt Mijn Vlakke Land overstemd door enthousiast gezang van studentenliedjes en stuit je op de schoolbank van Albrecht Rodenbach. Albrecht Rodenbach! Een nietsvermoedende Japanner denkt dat hij in een biermuseum zit.

Bier van de maand

Twee zaaltjes verder breekt dan toch de Eerste Wereldoorlog uit. Er wordt met een onverholen valsigheid vermeld dat de Oostenrijkse aartshertog Ferdinand in Sarajevo vermoord is met een Belgisch pistool. Van FN, meneer. Verderop gaat het over de verfransing van de rand rond Brussel, de atoombom op Hiroshima komt voorbij, de processen van Nuremberg, er is enige aandacht voor de collaboratie tijdens de oorlog, maar daar wordt vooral zedig over gezwegen. We hebben de koningskwestie, de repressie, men probeert de Belgische staatshervormingen uit te te leggen en je ziet Filip Kowlier die op de IJzerweide de menigte een welgemeende fuck you toewenst. Alsjeblieft! O ja, er is ook nog een zeer mooi stuk waarbij levensecht het leven in de ondergrondse schuilkelders aan het front wordt gereconstrueerd. En een cafetaria met het bier van de maand. Dat hebben die arme toeristen wel verdiend. Zonder gids zijn ze hier helemaal verloren. Een Nederlandse mevrouw brult in haar gsm dat ze “nou ja, in één of ander monument zit”. Een andere dame is blij dat ze even kan gaan zitten en een fragment uit de film Daens kan meepikken. “Dat vond ik nou ‘s een mooie film”. Waarom Daens in een oorlogsmonument wordt vertoond, ze heeft geen idee. Dit museum is zoals de Vlaamse Beweging zelf: vaag, tegenstrijdig, rommelig, zeer idealistisch en ontroerend romantisch. En de mythes waarop de Beweging drijft worden in dit museum niet in de verf gezet, maar zeker ook niet weerlegd. In 1993 nog verantwoordt minister van Defensie Leo Delcroix in een vrije tribune in Le Soir zijn eis voor het gebruik van het Nederlands in het Eurocorps met de verwijzing naar de Eerste Wereldoorlog. Vlaamse boeren en arbeiders werden door officieren de dood ingejaagd omdat ze de Franse bevelen niet begrepen. Meer dan één ernstige historicus heeft die stelling onderzocht. Tijdens en net na de oorlog bestond het verhaal nog niet. Het dook de eerste keer op in Aan den Vlaamschen IJzer uit 1924. Maar dat is een roman, fictie dus, waarbin een soldaat sneuvelt. Maar als het beter uitkomt wordt fictie gewoon werkelijkheid. De Vlamingen hebben daar geen patent op, zoals blijkt uit de mythe van de Engelen van Bergen. Eind augustus 1914 werd de Britse cavalerie bij Bergen op miraculeuze wijze geholpen door geesten van boogschutters die in 1415 in de slag bij Agincourt voor de Engelse overwinning tegen de Fransen hadden gezorgd. Het verhaal werd op 29 september 1914 voor de eerste keer vermeld door de journalist Arthur Machen. Snel werd het bevestigd door tientallen militairen die het met hun eigen ogen hadden gezien. Anderen zagen engelen, een enkeling had Saint-George te paard de moffen aan zijn degen zien rijgen. By Jove! Machen verklapte al heel snel dat hij het hele verhaal maar verzonnen had, maar zo gemakkelijk kwam hij er niet van af. Zijn hele leven werd hij aangeklampt door soldaten die hem verzekerden dat ze er bij waren in Bergen en dat ze daar wel degelijk ‘iets’ hadden gezien.

Hollywoodfilm

Als ik richting uitgang loop, stuit ik in de sobere, indrukwekkende crypte op een andere mythe, de gebroeders Van Raemdonck. Hun verhaal leest als het scenario van een Hollywoodfilm. Beide broers vochten in de loopgraven als sergeant bij hetzelfde regiment. Na een nachtelijke aanval in de buurt van Steenstrate komt Frans niet meer terug. Tegen het verbod van zijn overste in besluit Edward zijn broer te zoeken in het niemandsland tussen de loopgraven, maar ook hij verdwijnt spoorloos. Achttien dagen later vindt men hun lijken, in elkaar gestrengeld. De twee broers zijn in elkaars armen gestorven. Hoe schoon. Dat is de mythe die meteen na hun dood de ronde doet, en die je nog steeds op Vlaams-nationalistische websites terugvindt. Maar wat blijkt al snel? Frans lag inderdaad in de armen van een man, maar dat bleek een Waal te zijn, korporaal Amé Fiévez. Het lijkt van Edward werd even verderop aangetroffen. Een brave Vlaamse katholieke jongen die in de armen van een smerige Waal ligt! Het is dan wel oorlog en de meisjes zijn ver weg, maar van zo’n vuiligheid daar zijn ze bij de Vlaamse Beweging natuurlijk niet gediend. Die Waal, die als vrijwilliger dienst had genomen omdat zijn zuster door de Duitsers was verkracht, wordt onder de mat gemoffeld. De resten van Févez en de gebroeders Van Raemdonck komen dan wel in een kist terecht, maar de Vlaams-nationalisten zwijgen over de Waal als vermoord. Op de IJzerbedevaart van 1932 wordt de kist met veel vertoon naar de IJzertoren overgebracht. Een grafsteen eert “al wie viel voor Vlaanderen”. Over Fiévez geen woord. Een jaar later staat de IJzerbedevaart helemaal in het teken van de gebroeders Van Raemdonck. Ze krijgen een standbeeld op de hoek van de IJzertoren en zijn intussen uitgegroeid tot een icoon van de Vlaamse Beweging. Hun neef Clemens De Landtsheer was tot 1960 secretaris van het IJzerbedevaartcomité. Familiebanden helpen altijd natuurlijk. Die had Fiévez blijkbaar niet. Pas in 1967, 50 jaar na zijn dood, wordt de familie van Amé uitgenodigd om een kop koffie te komen drinken op de IJzerbedevaart. Ondertussen is de naam van Amé op de zerk toegevoegd. Maar 90 jaar later krijgen radicale Vlaams-nationalisten zijn naam nog steeds niet over hun lippen. Zij organiseren op 23 augustus opnieuw hun eigen alternatieve IJzerwake in Steenstrate, op de plek waar de drie mannen de dood vonden, of zoals de organisatoren zeggen: “aan het monument van de gebroeders Van Raemdonck.” Nochtans staat op dat monument al jaren ook de naam Amé Fiévez, maar goed, hij is dan ook maar een smerige Waal en die passen zo moeilijk in de mythes van de Vlaamse Beweging. Misschien is het door die gezwollen romantiek dat hier niet de geladen sfeer heerst van een Last Post aan de Menenpoort in Ieper. Daar staan Britse schoolmeisjes roerloos naast oudere heren in tweed. Hier is de IJzerweide een goeie plek voor een loopwedstrijd voor de kindjes en voor de kreet: “Oooh kijk, hier liggen grafjes.” De herinnering slijt, de graven van jongens van 18 jaar verworden tot een attractie. Net zo bij het officiële Belgische monument dat wat verderop ligt, de Dodengang. Het is de meest noordelijke stelling van het front aan de IJzer. Je moet er geweest zijn om te weten hoe waanzinnig dicht de vijand hier wel lag. Vier jaar lang konden ze mekaars winden ruiken.

Vergane glorie

Ik kwam hier 35 jaar geleden voor het eerst en was toen stevig onder de indruk. Nu niet meer. De Dodengang is opgekuist, er liggen wandelpaden in bankirai en plantsoentjes met witte kiezel. Modder en plassen zijn verdwenen. De toegang, vroeger een groezelig betonnen kot is sinds 2004 een designgebouwtje met een klein museum. Ook de bevende oude mannetjes die 35 jaar geleden met wandelstok en waterige ogen een punt in de verte aanwezen, zijn er niet meer. De emotie is weg, de toeristenattractie is gebleven.Over enkele dagen, op 21 augustus komen duizenden deelnemers van de wandeltocht ‘De Vierdaagse van de IJzer’ door Diksmuide gestapt. Dat is organisatie van het Belgische ministerie van Defensie. Bij het uittekenen van het parcours slaagde de organisatie er in om uiteraard de Dodengang te bezoeken, maar de IJzertoren volledig te negeren. Dat zal wel toeval zijn zeker? Op de website van Defensie vind je ook geen enkele verwijzing naar de IJzertoren, het grootste vredesmonument van Europa. Dat zal ook wel toeval zijn. Straks krijgt een mens nog de indruk dat de strijd in de IJzervlakte nog altijd niet gestreden is.

Morgen in deel 4: Het fort van Breendonk

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234