Maandag 28/11/2022

InterviewKevin De Boevre

‘Mijn vader keek niet om naar mij, dus waarom zou ik naar hem omkijken?’: Kevin, pleegzoon van rector Herman Van Goethem

null Beeld Marco Mertens
Beeld Marco Mertens

‘Mijn moeder heeft beslist dat ik door iemand anders opgevoed zou worden. Ik kan haar alleen maar erg dankbaar zijn, en ook mijn pleegouders.’ Kevin De Boevre (22) heeft zijn Indiase vader nog nooit gezien: hij is opgegroeid in het gezin van Herman Van Goethem, rector van de Universiteit Antwerpen. De burgerlijk ingenieur in spe is razend ambitieus, heeft verstand van beleggen en is wandelende reclame voor de pleegzorg.

Hanne Van Tendeloo

Ten huize Van Goethem worden we begroet met babykreetjes. Nee, de rector runt geen crèche in bijberoep, zijn echtgenote past op één van de kleinkinderen. Kevin ploft neer in de fauteuil, moe maar voldaan na een dag werken.

Kevin De Boevre: “Ik heb net een maand stage gelopen bij Qpinch, een chemiebedrijf.”

Je vader vertelde dat het bedrijf warmte uit de lucht haalt. Dat moet je toch even uitleggen: we zijn nog op zoek naar alternatieve warmtebronnen voor komende winter en lucht hebben we genoeg in huis.

De Boevre (lacht): “Kort geschetst: bedrijven produceren veel restwarmte – denk aan de rookpluimen in de haven van Antwerpen. Ze zien er misschien schadelijk uit, maar het zijn onschuldige wolken waterdamp. Qpinch heeft een technologie ontworpen om die damp om te zetten in hoogwaardige energie, die als warmtebron gebruikt kan worden. De winst is dubbel: je produceert minder afvalstoffen én je hebt minder grondstoffen nodig. Het bedrijf is nog klein, maar het is aan het uitbreiden.

“Ik ben er nog niet uit welke job ik later wil doen, maar het wordt zeker iets in de chemische industrie. Ik heb nu mijn bachelordiploma industrieel ingenieur chemie behaald, en straks begin ik aan de master burgerlijk ingenieur chemie.”

Jij wilt je studententijd graag met nog twee jaar verlengen?

De Boevre: “Oók (lacht). Maar het is zeker geen bevlieging: ik droom al lang van die twee diploma’s. In het vijfde middelbaar las ik in een boek van de UAntwerpen: een ingenieur is iemand die zijn wetenschappelijke kennis gebruikt om praktische problemen op te lossen. Dat zinnetje heeft de doorslag gegeven. Ik heb een grote interesse voor wetenschap, maar ik zie mezelf geen onderzoek doen of exacte wetenschap bedrijven. Ik zet mijn wetenschappelijke kennis liever om in iets praktisch.”

Waarom de chemie? De sector had al een kwalijk imago, en sinds de problemen met 3M in Zwijndrecht lijkt het kalf helemaal verdronken.

De Boevre: “Dat plaatst de hele chemische industrie in een slecht daglicht, terwijl zoveel bedrijven in de pas lopen. De lozingsnormen zijn erg strikt.

“Natuurlijk houdt milieu me bezig. Veel studenten die ingenieur willen worden, kiezen daarvoor omdat ze in een duurzame toekomst geloven. Zeker in de chemie: door processen te verbeteren kun je veel bereiken. Ik heb dankzij het Erasmusprogramma zes maanden in Zweden gestudeerd, en daar heb ik het vak waste management gevolgd, over hoe je materialen kunt recycleren. De trend is tegenwoordig om alles in papier of karton te verpakken. Spa heeft onlangs bijvoorbeeld een ecopak in karton gelanceerd. De consument denkt: zodra iets in karton zit, is het goed voor de natuur. Maar die verpakking bevat bijna altijd laagjes plastic en is heel lastig te recycleren. Dan is puur plastic veel milieuvriendelijker, maar dat heeft een slechte naam. Over tien jaar zullen we zeggen: ‘Weet je nog, toen we in 2022 dachten dat plastic slecht was?’”

Met jouw ingenieurstalent ben je thuis het buitenbeentje.

De Boevre: “Iedereen hier in huis heeft iets met rechten, geschiedenis of het onderwijs – mijn pleegmoeder gaf tot deze zomer les aan de Thomas More Hogeschool in Mechelen. Aan tafel gaan de gesprekken gegarandeerd over politiek of onderwijs. Vroeger toch. Nu gaan ze vooral over baby’s (lacht).”

Jouw praktische inzicht komt wel van pas: je vader vertelde dat jij alle huishoudapparaten herstelt.

De Boevre: “Lief dat hij dat zegt, maar hij heeft ook niet bepaald twee linkerhanden, zelfs al is hij jurist en historicus. Bij mijn zus en mijn broers thuis heeft hij de lampen geïnstalleerd. Ik doe het alleen als hij geen tijd heeft.”

Je was 2 jaar toen je hier voor het eerst over de vloer kwam.

De Boevre: “Ik was nog te jong om me daar iets van te herinneren. Eerst waren ze een steungezin, de bedoeling was om mijn mama wat te ontlasten. Ik kwam hier vooral tijdens de weekends. Op een gegeven moment heeft mijn mama geopperd: ‘Dat gaat daar kennelijk goed, zou het iets permanents kunnen worden voor Kevin?’”

Waarom kon je mama niet voor jou zorgen?

De Boevre: “Daar weet ik zelf niet het fijne van. Ze heeft niet de makkelijkste jeugd gehad en wilde niet dat ik hetzelfde zou doormaken. Ze wist dat ze mij niet de kansen kon bieden die ik hier kon krijgen.

“Wat mijn mama heeft gedaan, is voor mij de grootst mogelijke daad van moederliefde. Ze heeft haar eigenbelang als moeder opzijgeschoven en beslist: mijn kind zal door iemand anders opgevoed worden. Hoe ouder ik word, des te meer bewondering ik voor die keuze heb. Mijn dankbaarheid valt niet in woorden uit te drukken. En dat geldt evenzeer voor mijn pleegouders.”

KLEINE DI RUPO

Hun beslissing om met pleegzorg te beginnen kwam voort uit een verlies: je oudste broer Joos was eigenlijk hun vierde kind. Ze hadden eerder een tweeling vlak vóór de geboorte verloren, en een prematuurtje, dat na 26 weken werd geboren.

De Boevre: “Dat is allemaal vóór mijn tijd gebeurd, maar ik kan me voorstellen dat dat iemand empathischer maakt. Ik ga niet beweren dat alle pleegouders filantropen zijn, maar zonder een flinke dosis naastenliefde begin je er niet aan. Zelf zeggen mijn ouders altijd: ‘Als je plaats hebt in je huis en in je hart, waarom zou je dan niet aan pleegzorg doen?’ Zelfs al doe je het maar voor korte tijd, die liefde en warmte kan een wereld van verschil maken voor een pleegkind.”

Toen jij kwam, hadden ze drie eigen kinderen die een stuk ouder waren dan jij.

De Boevre: “Mijn zus was 11 en mijn oudste broer 15 jaar. In mijn vroegste herinneringen speelden we samen op de trampoline in de tuin. Ik straalde.”

En toch had je het ook moeilijk. ‘De kleine dreumes verstopte zich in stilzwijgen’, vertelde je vader, ‘hij begreep ook geen vraag-antwoordstructuur.’

De Boevre: “Naar het schijnt heb ik maandenlang niet gepraat. Ik had het waarschijnlijk gewoon niet geleerd. Als iemand me een vraag stelde, dan herhaalde ik die. Ik heb geluk gehad dat ik zo jong was en snel kon bijbenen. Op die leeftijd is een kind nog heel kneedbaar.”

Misschien voelde je als peuter aan dat je biologische moeder aan het worstelen was en hield je je daarom liever stil?

De Boevre: “Zo had ik het nog niet bekeken, maar dat zou best kunnen. Van jongs af aan heb ik altijd hard met haar ingezeten. Ik herinner me nog een moment: ik was een jaar of 6 en we zaten samen aan de tramhalte. Mama zei: ‘Opstaan!’ Ik sprong op, maar in mijn kinderlijke enthousiasme iets te hevig, en ik raakte haar neus, die meteen begon te bloeden. Daar was ik het hart van in. En maar huilen, huilen, huilen. Ik heb me altijd heel beschermend opgesteld tegenover haar. Elk weekend ging ik naar haar toe en bleef ik slapen. Ik ga nog elke vrijdag bij haar eten. Die momenten koester ik. Onze verstandhouding is echt heel goed.

“In de pleegzorg beslist de biologische ouder in principe over alles, ook al verblijft het kind bij pleegouders. Wanneer mag het naar de kapper? Naar welke school gaat het? Eigenlijk moet een biologische ouder telkens schriftelijke toestemming geven, maar bij ons was dat niet nodig. Mijn pleegouders polsten wel altijd bij mijn mama of ze het goed vond, maar zij vertrouwde hen: ‘Als jij bij Lisbeth en Herman bent, dan ga ik me er niet mee bemoeien.’”

Volgens je vader was je een ernstig kind: je las liever encyclopedieën dan fictieverhalen, en je rangschikte je autootjes liever dan ermee te spelen.

De Boevre: “Ik was niet zo creatief als ik speelde. Dat zal wel met mijn analytische brein te maken hebben gehad. Ik dacht rechtdoorzee, met weinig fantasie.”

Jij dook nooit in de verkleedkoffer om er als ridder of cowboy weer uit te komen?

De Boevre: “Ik heb me één keer verkleed, in het zesde leerjaar: de anderen waren brandweerman of Mowgli, ik was Elio Di Rupo, met een strikje en een Frans accent. Dat zegt ook iets over de invloeden hier thuis (lacht).

“Ik ben snel volwassen geworden. In de klas voelde ik dat leeftijdsgenootjes met andere dingen bezig waren. Hier was ik de benjamin. Ik weet nog goed dat ik altijd mee wilde praten met de groten aan tafel. De moeilijke woorden die ik hoorde, absorbeerde ik als een spons. Ook bij de scouts was ik veel liever de jongste van de tak dan de oudste.”

Wat is je totem bij de scouts?

De Boevre: “Weetgrage beo. Weetgraag, omdat ik altijd het antwoord wist als iemand een vraag stelde. En een beo is een kleine, pratende vogel die zich overal thuis voelt, aanhankelijk en nieuwsgierig is, en een goeie imitator. Ik herken mezelf er wel in.”

Als kind had je last van verlatingsangst. Volgens je ouders kwam dat omdat je je als pleegkind ‘opzegbaar’ voelde.

De Boevre: “Ik heb lange tijd gedacht dat het een deel van mijn persoonlijkheid was. Als kind ging ik ’s avonds af en toe naar beneden, gewoon om te zien of mijn ouders er nog waren. Ik herinner me heel levendig de angst dat ik opeens alleen zou achterblijven, zo intens was die emotie. Nu ja, als dat de tol is die ik betaal voor mijn pleegsituatie, dan vind ik het goed meevallen.”

Heb je er nog last van?

De Boevre: “Ik denk nog altijd dat iedereen op elk moment kan wegvallen. Dat klinkt heel heftig, maar zo overheersend is die emotie niet meer. Ik hecht wel veel belang aan de mensen rond mij. Ik neem niks of niemand for granted.”

Het doet me denken aan wat één van de Chinese adoptiezussen uit We Are Family zei: ‘Ik heb vaak het gevoel dat ik het onderste uit de kan moet halen, zodat mijn ouders blij zijn dat ze mij geadopteerd hebben, en niet een ander Chinees meisje.’

De Boevre: “Dat is herkenbaar. Als pleegkind denk je soms toch: dit zijn niet mijn biologische ouders. Als ze morgen de pleegdienst bellen om te zeggen dat het genoeg is geweest is, dan kun je vertrekken. Die gedachte is altijd blijven spoken, hoe vaak ze thuis ook zeiden: ‘Jij bent één van ons.’

“Als 5-jarige jongen sprak ik het zelfs uit tegen mamio – zo noem ik mijn pleegmoeder. Als ik een ander kind zich zag misdragen op straat, dan zei ik: ‘Dat ga ik nooit doen, want dan mag ik niet bij jullie blijven.’ Zelfs als puber dacht ik dat nog. Als ik vrienden thuis tegen hun ouders hoorde uitvaren, was er altijd een stemmetje in mij dat zei: zo ga jij je nooit gedragen.”

Je moet een zeer meegaande puber zijn geweest.

De Boevre (lacht): “Ik denk niet dat mijn ouders veel last met mij hebben gehad.”

Heeft dat gevoel het opzegbare pleegkind te zijn een invloed op je relaties?

De Boevre: “Dat kan ik niet zeggen, ik heb nog geen lange relatie gehad. Misschien moet je over vijf jaar terugkomen en het me dan vragen.”

'Toen we door de regio in India trokken waar mijn biologische vader vandaan komt, zat ik in de trein naar buiten te kijken en kon ik alleen maar denken: laat me maar snel naar België terugkeren.' Beeld Marco Mertens
'Toen we door de regio in India trokken waar mijn biologische vader vandaan komt, zat ik in de trein naar buiten te kijken en kon ik alleen maar denken: laat me maar snel naar België terugkeren.'Beeld Marco Mertens

VLAAMS IN DE ETALAGE

Voor een kind moet het niet makkelijk zijn om in twee totaal verschillende werelden te leven. Zijn er twee Kevins?

De Boevre: “Dat denk ik wel. Als ik vroeger bij mijn biologische moeder was, bleven we altijd op haar appartement of gingen we naar de winkel bij haar in de buurt. Ik ging niet graag met haar naar het centrum van de stad, omdat ik niet wilde dat mijn vrienden me zouden zien. Dan zouden ze vragen: ‘Wie is dat?’ Dat vond ik te ingewikkeld. Voor mij was hier mijn thuis en al mijn vrienden wisten dat ik hier mijn ouders, mijn broers en mijn zus had. Mijn biologische mama plaatste ik in een andere wereld. Zo werkte het perfect in mijn hoofd, omdat die twee werelden elkaar niet overlapten.

“Daarom vond ik het ook zo moeilijk dat ik een andere huidskleur heb: dat was het enige wat niet klopte in het plaatje. Ik wilde dat iedereen dacht: hij hoort gewoon bij dat gezin.”

Die donkere huidskleur heb je van je biologische vader. Je hebt hem nooit gekend.

De Boevre: “Nee. Dat maakt het in zekere zin wel makkelijk: hij is er nooit geweest, dus hoef ik ook geen rekening met hem te houden.”

Nu praat je over hem als een quantité négligeable.

De Boevre: “Dat is hij ook. Hij heeft niet omgekeken naar mij, dus waarom zou ik naar hem omkijken?”

Hij blijft wel je vader.

De Boevre: “Een terechte opmerking. Ik heb me al vaak afgevraagd: heb ik iets met die man? Wil ik hem zien? Pleegzorg heeft ook altijd gezegd: ‘Als je ooit vraagt om hem te zien, kunnen we daarvoor zorgen.’ Als hij nog leeft, natuurlijk. Zelfs dat weet ik niet.

“Ik heb een deel van zijn DNA, misschien enkele van zijn karaktertrekken, en zeker iets van zijn huidskleur. Maar voor mij blijft hij een onbekende, omdat hij nooit de vaderrol heeft opgenomen. Ik heb aan den lijve ondervonden dat familie waanzinnig kostbaar is, maar ook dat een bloedband geen vereiste is. Ik heb exact dezelfde band met mijn familie als mijn vrienden met hun familie. Dat vind ik wel geruststellend, in deze samenleving vol nieuw samengestelde gezinnen.”

Voel je rancune tegenover je vader?

De Boevre: “Nee. Omdat ik hier in een ideale situatie zit. Ik heb alles wat ik me zou kunnen wensen. Het zou bizar zijn om dan kwaad te zijn.

“Als ik al boos zou zijn, dan alleen om wat hij mama heeft aangedaan: hij heeft haar veel pijn gedaan. Ik kan me niet inbeelden dat je een vrouw met een baby in de steek laat.”

Je zei daarnet dat je het vroeger moeilijk had met je huidskleur.

De Boevre: “Om één simpele reden: ik wilde niet dat mijn klasgenoten of vrienden vragen over mijn gezin zouden hebben.”

Maar die kwamen er wel.

De Boevre: “Dan verzon ik een verhaaltje om mijn kleur te verklaren. Ik zei dat ik te lang onder de zonnebank had gelegen of zo. Later kreeg ik door dat het geloofwaardiger was om te zeggen dat ik een opa uit een ver land had. Waarna ik er altijd aan toevoegde: ‘Maar ik ben wél helemaal Vlaams, hoor.’

“Dat is nog iets wat ik pas later heb beseft: veel van mijn gedrag is te verklaren door mijn drang om zo Vlaams mogelijk over te komen. Ik hecht veel waarde aan mooi taalgebruik en je zult me nooit in een jogging op straat zien. Ik heb altijd en overal in de pas willen lopen, ik deinsde terug als vrienden voorstelden om kattenkwaad uit te halen. Ik heb er nooit bij stilgestaan, maar eigenlijk deed ik dat omdat ik zo goed, zo perfect en zo Vlaams mogelijk wilde zijn. Om dat kleurtje weg te vagen.”

Je biologische vader komt uit India.

De Boevre: “Ik heb niks met India. Vroeger was mijn slagzin: mijn huidskleur is het enige wat ik van India heb. Dat zei ik wellicht vooral om me zoveel mogelijk van mijn biologische vader te distantiëren.”

Ben je er ooit geweest?

De Boevre: “Op mijn 18de heb ik er twee weken rondgereisd met mijn ouders. Toen we door de regio trokken waar mijn biologische vader vandaan komt, zat ik in de trein naar buiten te kijken en kon ik alleen denken: laat me maar snel naar België terugkeren.

“In het nature versus nurture-debat is het voor mij duidelijk: vooral nurture heeft z’n stempel op mij gedrukt. Ik heb misschien een ander kleurtje dan mijn vader of mijn broers, maar toch zeggen vrienden me vaak hoe hard ik op hen lijk. Kennelijk praten we op exact dezelfde manier. Het enige wat me wel is opgevallen: Indiërs zitten vaak gehurkt op de grond. Op oude foto’s zie je me als kleuter heel vaak in die houding zitten. Dat moet toch die nature zijn: het is me nooit aangeleerd om zo te zitten en ik heb het zeker niemand anders zien doen. Fascinerend, hè?”

Heb je ooit negatieve reacties op je huidskleur gekregen?

De Boevre: “Zelden, bijna nooit eigenlijk. Bij een eerste ontmoeting polsen mensen meestal voorzichtig: ‘Zeg, je huidskleur…’ Ik stel hen dan meteen gerust: ‘Ik ben een pleegkind.’ Ik vind het wel mooi dat ze zo omzichtig zijn. Ik beschouw het als een blijk van respect. Mensen die zelf een migratieachtergrond hebben, zijn meestal rechtuit: ‘Hé, vanwaar zijt gij?’ Als ik dan antwoord dat ik Belg ben, dringen ze aan: ‘Neenee, vanwaar zijt gij écht?’

“Ik vind dat ons land het best goed doet op het vlak van racisme, zeker in de verstedelijkte regio’s. In Zweden heb ik gezien hoe het níét moet: het is er prachtig en een droom om daar te wonen, maar ze hebben hun migranten in getto’s buiten de grote steden weggestopt. Ik hoef je geen tekeningetje te maken van het racisme daar. Hier heb ik dat gevoel nooit gehad, máár: dat komt ook omdat ik zelf veel doe om het racisme voor te zijn. Als ik nieuwe mensen ontmoet, zal ik mijn Vlaams-zijn bijna etaleren. Ik ben altijd vriendelijk en zwier meteen mijn hele Vlaamse woordenboek op tafel, zodat ze zeker denken: hij is één van ons. Ik loop ook graag rond met mijn scoutsdas. De scouts hebben een goed imago en wekken meteen vertrouwen. Zeker bij de oudere generatie, want die durft weleens te staren: wie fietst er nu door onze straat?”

Wil je niet liever gewoon jezelf zijn?

De Boevre: “Ik bén mezelf. Ik doe het al zo lang, het zit in me ingebakken. Het voelt niet als iets wat me beknot. Ik heb bijvoorbeeld vrienden die hun Marokkaanse identiteit erg omarmen. Daar heb ik alle respect voor, maar dat heeft al tot pittige discussies geleid. Ze verwijten me dan dat ik mijn cultuur afwijs: ‘Het is niet omdat je een hemdje draagt, dat je opeens een Vlaming bent.’ Of: ‘Doe niet schijnheilig, je zult nooit 100 procent Vlaming zijn.’ Dat kwam superhard aan, net omdat het zo gevoelig ligt. Ik begrijp dat mensen met een migratieachtergrond die racisme meemaken, hun eigen cultuur extra in de verf zetten, om te tonen hoe trots ze zijn. Maar voor mij geldt dat niet: ik héb geen andere cultuur.”

'Ik kan het iedereen aanraden om te beleggen. Het is altijd beter dan je geld op een bankrekening te laten staan. Als je tien jaar geleden 100 euro op je rekening had, heb je nu nog 79 euro.' Beeld Marco Mertens
'Ik kan het iedereen aanraden om te beleggen. Het is altijd beter dan je geld op een bankrekening te laten staan. Als je tien jaar geleden 100 euro op je rekening had, heb je nu nog 79 euro.'Beeld Marco Mertens

Het doet denken aan het brandje dat je vader laatst moest blussen, toen twee medewerkers van het departement biologie van de UA in een filmpje hun beklag deden over sommige minderheden.

De Boevre: “Het was een spijtige zaak.”

De vrouwen in die video klaagden over het taalgebruik van met name de Marokkaanse studenten.

De Boevre: “Ik heb nog nooit woorden als ‘drerrie’ of ‘wollah’ in de mond genomen. Veel vrienden doen dat wel. Taal is heel krachtig, vind ik. Nu, dat je soms jongerentaal gebruikt, wil nog niet zeggen dat je niet kunt volgen in de les of dat je geen AN beheerst. Ik denk dat die video beangstigend moet zijn overgekomen bij studenten met een migratieachtergrond: oei, en díé mensen moeten mij straks punten geven?”

Dus je vader deed er goed aan streng te reageren, met een schorsing?

De Boevre (lacht): “Daar ga ik nu eens géén uitspraak over doen.”

HIPPE BELEGGER

Straks begint het nieuwe academiejaar. Dat zal als vanouds gepaard gaan met schachtenverkopen en studentendopen. Je vader is geen fan. ‘Zo’n doopritueel is een vorm van groepsgeweld’, zegt hij, ‘met patronen die je ook terugziet bij genocides.’

De Boevre: “Ik begrijp wel wat hij bedoelt: in zo’n doopritueel wordt je identiteit even afgenomen. Je wordt een schacht en moet allerlei hindernissen overwinnen, waarna je in de groep wordt opgenomen. Voor hem mag een doop er zeker zijn – een welkomstritueel kan waardevol zijn – maar we hebben ook gezien waartoe het kan leiden.”

Jij moest thuis wellicht niet afkomen met: ‘Ik ga me laten dopen’?

De Boevre: “Ik bén gedoopt. Ik ben even lid geweest van de vereniging van mijn faculteit en heb me daar laten dopen. Het verliep allemaal volgens de regels van het doopcharter. Mijn ouders hadden er geen probleem mee. Een studentenclub kan heel nuttig zijn om een netwerk van vrienden op te bouwen, maar ik heb er niet echt behoefte aan. Ik heb het al druk genoeg met de scouts en de beleggersclub.”

Huh? Is beleggen tegenwoordig hip bij jongeren?

De Boevre: “Echt wel. Sinds corona zijn veel jongeren ermee begonnen. Samen met tien vrienden heb ik een beleggersclub. Ik heb geen economische achtergrond – dat is een lacune in mijn opleiding – maar ik heb al veel bijgeleerd. Niet alleen over het beurswezen, maar ook over hoe bedrijven werken. En we doen het in een toffe sfeer, met een pintje erbij.”

Beslissen jullie samen in welke aandelen jullie beleggen?

De Boevre: “Ja. Dat is strikt geregeld – het gaat tenslotte om geld. Iedereen maakt voor zichzelf uit hoeveel hij erin wil stoppen.

“Ik begrijp de koudwatervrees van mensen om te beleggen, maar ik kan het iedereen aanraden. Het is altijd beter dan je geld op een bankrekening te laten staan. Als je tien jaar geleden 100 euro op je rekening had, dan heb je nu nog 79 euro, hoor je weleens: dat klopt gewoon. Dan kun je beter je geld laten werken, zeker als je het de komende vijf tot tien jaar niet nodig hebt en je een gediversifieerde portefeuille aandelen samenstelt, verspreid over verschillende industrieën.”

Oké, we zijn bijna overtuigd. Heb je beleggingstips?

De Boevre (lacht): “Sorry, ik ga geen bedrijven noemen. En kom straks niet bij me aankloppen als het toch anders uitdraait.”

We begrijpen intussen waarom je vader zegt: ‘Wij zijn met ons gat in de boter gevallen met Kevin.’

De Boevre: “Het doet me wel iets als hij dat zegt. Ik wil hen trots maken. Mijn biologische mama zegt vaak: ‘Ik wil dat je ergens raakt in het leven.’ Dat heeft me altijd een drive gegeven: ik zal eens laten zien wat ik kan. Ik ga de moeilijkste richting kiezen die je kunt studeren.”

We willen de pret niet bederven, want je bent ontzettend goed bezig, maar zal het ooit genoeg zijn?

De Boevre: “Goeie vraag. (Denkt lang na) Ik denk het wel. Ik weet al sinds mijn 10de dat ik ooit kinderen en een gezin wil. Dan ga ik niet voor een job kiezen waardoor ik nooit thuis ben.”

Terwijl we je horen vertellen, moeten we aan Sanda Dia denken. Toen hij stierf bij zijn studentendoop, zat jij in je eerste jaar aan de universiteit.

De Boevre: “Er zijn ontegensprekelijk parallellen: allebei ingenieursstudent, allebei vol ambitie en met een kleurtje. Wat er met Sanda Dia is gebeurd, heeft me hard aangegrepen. Ik wil me vooral niet afvragen: had mij dat ook kunnen overkomen? (Diepe zucht) Misschien wel, als ik niet in dit gezin was terechtgekomen. Wie zal het zeggen? Ik kan alleen maar blij zijn dat mijn situatie is wat ze is.”

© Humo

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234