Zondag 03/07/2022

'Mijn redders zijn nu als broers voor mij'

De tweede bom op Zaventem kostte Walter Benjamin (47) zijn been. Maar uit de gruwel is een vriendschap voor het leven ontstaan tussen de Brusselse jood en zijn twee hulpverleners, Hassan Elouafi en Louis Tiri. 'Ik wilde niet wegvluchten.'

Walter Benjamin, een in België geboren jood die in Brussel een huwelijksbureau uitbaat, prijst zichzelf een gelukkig man. Ook al raakte hij door de tweede bomaanslag op Zaventem voor het leven verminkt: hij verloor zijn rechterbeen tot onder de knie, zijn linkerbeen raakte dermate zwaar gewond dat het nu nog altijd niet zeker is of het gespaard zal kunnen blijven. "En toch ben ik dankbaar", zegt hij in het Universitair Ziekenhuis Brussel in Jette, waar hij nog altijd revalideert. "Want temidden van de gruwel heb ik niet één engel dicht bij mij gehad, maar drie reddende engelen. Die mij zowel letterlijk als figuurlijk het leven hebben gered. Want ik dacht niet alleen dat ik in de luchthaven van Zaventem ter plekke sterven zou: zonder hen zou ik ook zijn gestorven."

En het mooie is: twee van die drie reddende engelen - brandweerman annex verpleger Louis Tiri (47) en Hassan Elouafi (41), een technieker die op de luchthaven werkt - zochten na de aanslagen opnieuw contact met Walter Benjamin. "Ik kan niet beschrijven hoe blij ik was toen ik hen opnieuw terugzag", zegt hij. "Het feit dat ze zijn teruggekeerd om te kijken wat er is geworden van het slachtoffer dat ze hebben bijgestaan, heeft mij vooral heel veel menselijkheid laten zien. Je om iemand bekommeren die in het ziekenhuis ligt, doet normaal alleen familie. Daarom beschouw ik Louis en Hassan ook als mijn broers. Naar mijn derde redder, de militair die het bloeden uit mijn beenwonde heeft gestelpt, zoek ik nog altijd. Zodat ik hem persoonlijk zal kunnen zeggen hoe dankbaar ik ben."

Wanneer Hassan en Louis in het UZ Brussel de kamer van Walter Benjamin binnenstappen en je ziet hoe spontaan en hartelijk ze hem begroeten, zou je echt denken dat ze elkaar al jaren kennen. "Maar zo voelt het ook echt aan", lacht Walter. "En zo heel verwonderlijk is dat eigenlijk niet. Hoe kan er nu geen sterke band ontstaan met de mensen die je hebben bijgestaan op het ogenblik dat je de dood recht in de ogen kijkt?"

Bij alle drie blijft, ruim twee weken na de aanslagen, de behoefte bestaan om het drama van zich af te praten. Tot in de details, hoe pijnlijk ook. Psychologen zullen er allicht een deel van het verwerkingsproces in zien. "Die fatale dinsdagochtend moet het kwart voor acht zijn geweest toen ik aan balie 4 van Brussels Airlines stond aan te schuiven voor de check-in van mijn vlucht naar Israël", blikt Walter terug. "Ik vergeet nooit de man die vlak achter mij in de rij stond. Bij de eerste ontploffing dacht ik eerst nog dat een gek vuurwerk had afgestoken. Maar dan zag ik mensen roepend en brullend wegrennen. En toen, toen realiseerde ik mij dat het om een explosie ging. Tegen de tijd dat ik mij achter de balie van Brussels Airlines had kunnen verschuilen, ging de tweede bom af. Op tien meter van mij."

"Het eerste wat ik zag toen ik ben rechtgekropen en ik mij strompelend heb neergezet - vraag me niet hoe - was het lichaam van de man die in de rij achter mij had gestaan", vervolgt Walter, de rillingen verbijtend. "Zijn lichaam had... geen hoofd meer. Op bijna hetzelfde ogenblik zag ik een vrouw voor haar leven wegrennen terwijl die grote ramen van het luchthavengebouw naar beneden stortten. Ik zag hoe ze stierf door het vallende glas. Toen heb ik mijn blik moeten afwenden. Ik kon het niet aanzien."

"En pas dan realiseerde ik mij wat er voor gruwelijks met mijzelf aan de hand was", gaat Walter verder. "Ik keek naar de grond, zag ter hoogte van mijn rechterknie immens veel bloed wegstromen, ik keek naast mij en zag daar... mijn rechteronderbeen liggen. Mijn linkerbeen was helemaal verhakkeld en naar rechts verdraaid. En ineens was daar die militair die het bloeden, het leegbloeden, deed stoppen. Hij moet erg snel bij mij zijn geweest. Hij was er op het moment dat ik zat te denken dat ik bezig was te sterven."

Brusselaar Hassan, een praktiserend moslim van Marokkaanse origine en papa van vier kinderen, neemt het woord over. "Toen ik Walter zag, in het pikzwarte donker door alle rook en roet, was ik nog altijd bang dat er opnieuw een bom ging ontploffen. Maar ik wilde niet wegvluchten toen ik hem zag en hoorde kermen van de pijn. Iedereen leek voor zijn leven te rennen, ik had het gevoel dat ik mij daar precies alleen tussen de doden en gewonden bevond. Ik sprak Walter moed in, zei dat de ambulances nu wel snel zouden komen. Terwijl ik tegen hem sprak, zag ik die man zonder hoofd liggen. Walter bleef vragen naar zijn telefoon. Maar die was er niet meer. Ik heb hem toen mijn gsm gegeven en op zijn vraag het nummer van zijn moeder in Israël ingetikt."

Zelfs psychologe in tranen

"De laatste krachten die me restten, wilde ik blijven behouden om nog dat ene telefoontje naar mijn moeder te doen", zegt Walter bedaard. "Hassan stopte me zijn telefoon in mijn handen, ik kreeg mijn moeder direct aan de lijn. En ik zei haar: 'Er is een aanslag gebeurd, ik ben heel ernstig gewond, bel mijn ex-vrouw op en zeg haar dat ze onze dochter beschermt en goed voor haar zorgt.' Dat is het enige wat ik heb gezegd. Mijn dochter Maurane (16) woont in Israël, mijn laatste bekommernis ging uit naar haar. En ik zeg bewust 'laatste' omdat ik dus echt geloofde dat ik na dat telefoontje zou bezwijken."

Walter wist dan nog niet dat hij nog een redder op overschot had: Louis Tiri uit Steenokkerzeel, die als vrijwillig brandweerman van de post in Anderlecht als een van de eerste hulpverleners ter plaatse was. "Het moment waarop Louis in die chaos voor het eerst opdook, was toen hij mij met zijn collega's op een brancard uit de vertrekhal wegbracht naar de vooruitgeschoven medische post", vertelt Walter. "Halverwege riep hij in de menigte dat ik veel te zwaar werd en dat iemand hen dringend moest komen helpen om de brancard mee omhoog te tillen. Een burger kwam meteen helpen. Het krioelde van de hulpverleners in die tot medische post omgebouwde hangar. Maar is maar één gezicht dat ik mij daar haarscherp kan herinneren: dat van Louis. Ik dreigde er constant het bewustzijn te verliezen en elke keer als ik even bijkwam, was het zijn gestalte die ik voor me zag. Louis was de geruststelling die mij verder in leven hield. Doordat ik zulke horribele omstandigheden in de ogen van een hulpverlener kon kijken, wist ik: ik zal in leven blijven. Ook dankzij Louis heb ik het gevoel dat ik levend in dit hospitaal ben aangekomen. Dat ik de kracht ben blijven hebben om vol te houden."

In de dagen na de aanslagen postten niet alleen slachtoffers op sociale media de wens om hun hulpverleners van het eerste uur terug te vinden, ook hulpverleners uitten het verlangen om "hun slachtoffers" terug te zien. Hassan Elouafi: "Die eerste week na de ramp kreeg ik Walter maar niet uit mijn hoofd. Ik vroeg mij aldoor af: 'Is hij nog in leven?' Naar mijn gevoel was hij zijn twee benen kwijtgeraakt, ik wist hoe erg hij er aan toe was. Ik had een ontzettend grote behoefte om hem terug te zien, ja. Omdat het nummer van zijn moeder nog in mijn telefoon zat, heb ik haar kunnen bellen. Ze nam niet meteen op. Maar toen ze wat later terugbelde en me vertelde dat haar zoon me ook graag wilde terugzien, ben ik beginnen te wenen. Ik weet nog dat ik bij de psychologe zat op dat moment. De emoties waren zo heftig dat ook de psychologe toen in tranen uitbarstte."

"Meteen na dat telefoontje ben ik hier naar het UZ gereden", vertelt Hassan verder. "En toen ik Walter dan voor het eerst terugzag, stroomden de tranen opnieuw over mijn wangen. Het had me zodanig geraakt dat ik hem hier levend en wel in zijn bed zag liggen, dat ik gewoon niet uit mijn woorden geraakte. Sindsdien bezoek ik Walter elke dag. Meer nog: we bellen ook dagelijks met elkaar, ik stuur hem elke dag berichtjes. Al was het maar om te vragen wat hij nodig heeft om te eten. Zo heeft mijn vrouw al couscous en een tajine voor hem gemaakt en Marokkaanse koekjes gebakken. Ik ben hier ook al met mijn vrouw en mijn kinderen op bezoek geweest. Het is alsof ik er met Walter een nieuwe vriend heb bij gekregen. Een vriend voor het leven." Walter knikt dat dat ook echt zo is.

Relativeringsvermogen

Ook Louis Tiri is al een keer of vijf bij Walter over de vloer geweest. "En niet alleen omdat dat praktisch is aangezien ik in dit ziekenhuis als verpleger werk", lacht hij. "Bij de briefings na de aanslagen kwam bij veel collega-brandweermannen één en dezelfde vraag terug: 'Hoe gaat het met het slachtoffer dat ik heb bijgestaan in die gruwel?' Dat is ook wat we allemaal het liefst zouden willen weten. Toen ik hoorde dat er hier in Jette acht slachtoffers van de aanslagen lagen, ben ik zelf op zoek gegaan of ik iemand van hen zou herkennen. Want ik voelde dat het me mentaal bij de verwerking van het drama zou helpen als ik een slachtoffer in eigen persoon zou terugzien. Ik wilde die geruststelling. Ik wilde weten of een slachtoffer het na mijn passage had gehaald."

"Bij mij is de herinnering aan Walter tijdens de hulpverlening vager dan bij hem", vervolgt Louis. "Dat is ergens ook logisch, want als hulpverlener zie je niet alleen enorm veel slachtoffers, maar ben je ook nog eens heel erg gefocust op het verzorgen van wonden. Voor mij zagen de slachtoffers van 22 maart er precies ook allemaal hetzelfde uit: bedekt met stof, onnoemelijk zwaar verwond. Ik zag grote opluchting in Walters ogen toen ik hier voor het eerst bij hem op de kamer stond. En hij bracht de herinnering aan onze momenten op die brancard zo goed als onmiddellijk bij me terug."

"Weet je waar Walter en ik ons over blijven verbazen? Over hoe luguber stil het was in die vooruitgeschoven medische post, over hoe opvallend weinig pijnstillers daar aan de slachtoffers zijn toegediend", zegt Louis. "Ook Walter was er ijzingwekkend kalm, ondanks de helse pijnen die hij doorstond. En die stilte was niet alleen te verklaren door de shock waarin veel slachtoffers verkeerden. Uitgerekend op zulke momenten van leed zag ik als hulpverlener dat slachtoffers, ook zwaargewonden, een enorm relativeringsvermogen aan de dag leggen. Hoe dikwijls heb ik er niet horen zeggen: 'Ik red het wel, ga jij maar naar iemand die nog zwaarder gewond is dan ik.' En dat ging dan vaak over mensen die zelf met enorm grote wondgaten zaten opgezadeld. Ik blijf dat iets onwaarschijnlijks vinden."

Louis denkt plots terug aan het drama in Pukkelpop, waarbij hij én toeschouwer én hulpverlener tegelijk was. Waarbij hij én letterlijk voor zijn leven moest rennen én nadien een zwaargewond slachtoffer bijstond. "Ik weet dat dat slachtoffer, een jongen met een dwarslaesie, maanden na het drama nog altijd op zoek was naar mij", zegt de brandweerman. "Ik ben er nooit op ingegaan om hem terug te zien, omdat je als hulpverlener niet naar alle slachtoffers kunt gaan. Je moet jezelf toch ook wat beschermen. Maar ik besef nu dat die jongen tot op vandaag geen gezicht heeft kunnen plakken op degene die hem toen geholpen heeft. En als ik nu zie hoe helend zo'n weerzien zowel voor de redder als voor het slachtoffer is, bedenk ik dat ik hem misschien maar eens moet gaan opzoeken, ja."

"Walter zal voor mij altijd het symbool blijven van alle slachtoffers van 22/03", besluit Louis. "Het is ongelooflijk hoe hij me op korte tijd heeft geleerd hoe belangrijk het is om positief en hoopvol te blijven. Zijn verdraagzaamheid is admirabel. Als je zoals hij een belangrijke imam én de president van de Moslimexecutieve in deze kamer bijeen kunt brengen, kun je alleen maar naar hem opkijken. Hij is als jood voor het leven getekend door moslimextremisten en toch spoort hij anderen aan om niet te haten. Faut le faire."

"99 procent van de moslims zijn fantastische mensen en daarvan is alleen al Hassan een bewijs", zegt Walter. "Hassan is over lichamen gestapt om mij te kunnen helpen, terwijl ook hij voor zijn leven had kunnen wegrennen. Dat is een enorm belangrijk gebaar voor mij geweest. Hij weet intussen dat ik joods ben, het maakt hem niets uit. En het maakt ook niet uit. We zijn allemaal in de plaats gewoon mensen. Hoe gruwelijk de aanslagen ook waren, we mogen niet alle moslims over dezelfde kam scheren. Ik weet niet hoe mijn leven er straks zal uitzien, ik weet niet hoelang ik dit drama mentaal zal meedragen, maar: ik weet wel dat ik positief en hoopvol zal blijven."

Kwaad op de politici

"En ja, ik ben kwaad op onze politici omdat een aanslag hier al zolang in de lucht hing en omdat onze veiligheid toch niet gegarandeerd bleek", besluit Walter. "Maar mijn reactie daarop is dat Vlamingen, Walen, moslims, joden en christenen al hun intelligentie moeten aanwenden om samen nee te zeggen tegen barbaren die een religie misbruiken om dood en verderf te zaaien. Laat ons samen de strijd voor het leven aangaan, opdat we samen in vrede kunnen leven in dat vlakke land dat het onze is. Al herdoop ik Brussel soms schertsend in Bronxelles, onze hoofdstad verbergt ook zoveel mooie dingen. Ik hou van Brussel, van België. Ik zou nergens anders willen wonen. Niet in Israël, niet in Parijs. Ik kan niet uitleggen waarom dat zo is, maar hier voel ik mij goed. Ben ik twee weken van huis, dan mis ik België al. Alleen: het wordt nu stilaan de hoogste tijd dat we dit land redden, opdat het niet nog verder implodeert. En dat doen we door samen sterk te staan."

Hassan Elouafi: "Al meteen na de aanslagen heeft Walter goede dingen over de moslimgemeenschap gezegd en dat zal ik nooit vergeten. Ik zal, nu ik hem ken, altijd aan zijn zijde staan. Voor mij is hij een man die mensen samenbrengt. Een man die heel pessimistisch zou kunnen zijn, maar die in deze omstandigheden toch de energie vindt om optimistisch te zijn. Hij heeft me al uitgenodigd om met hem mee op vakantie naar Israël te gaan, ik wil hem Marokko laten zien. Ik zal nooit kunnen vergeten wat ik daar op Zaventem heb gezien en meegemaakt. Maar als ik bij Walter ben, slaagt uitgerekend hij erin om mij de gruwel even te doen vergeten. Ik zei het al: hij is een vriend voor het leven geworden."

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234