Zaterdag 14/12/2019
Steph Raeymaekers, voorzitter van de Belgische stichting Donorkinderen.

Interview Steph Raeymaekers

‘Mijn ouders zijn medeplichtig aan de leugen’: donorkind pleit voor meer rechten

Steph Raeymaekers, voorzitter van de Belgische stichting Donorkinderen. Beeld Merlijn Doomernik

Steph Raeymaekers (40) is donorkind en één van een drieling. Ze ontdekte een paar jaar geleden dat ze is ­geboren uit een sperma­cocktail van twee donoren. Woensdag, bij de 30ste verjaardag van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind, gaf ze een lezing voor de VN in Genève. ‘Er is weinig begrip voor onze geestelijke marteling.’ 

Steph Raeymaekers: “Als ik naar de foto kijk van onze doop, zie je zo op de eerste rij de ouders, grootouders, peters en meters. Allemaal met een mooi kostuum aan, opgemaakt en gekapt. Iedereen op die eerste rij wist dat ik een donorkind was. Daar aan het altaar voor het oog van God beloofden ze in mijn belang en welzijn te zullen handelen, maar beslisten ze allemaal ons niet in te lichten. Ik hoorde het op mijn 25ste van een tante die zich versprak. Zelf beschouw ik het als hoogverraad dat ze me die informatie onthouden hebben.

“Mijn ouders zijn medeplichtig aan de leugen. Mijn moeder zegt mijn zoektocht naar mijn vader te begrijpen. Niet ieder donorkind zal op zoek gaan. Zo heeft mijn drielingbroer geen enkele behoefte om zijn biologische vader te vinden. Als mensen vragen naar mijn familiesituatie, zeg ik: ‘Het is ingewikkeld, heb je even?’ Als ik uitleg dat ik één ben van een drieling van twee verschillende vaders, zie je ze schrikken: ‘Dat kan toch niet?’ Ik zeg dan: ‘Het is een rariteit, maar het is míjn realiteit.’

“Als mijn eigen kinderen thuiskomen met de opdracht van school een stamboom te maken, blijf ik er maar takken bij tekenen. Ik voel een diepe onrust in me. Ik begrijp niet waarom onze maatschappij zo weinig begrip heeft voor de geestelijke martelingen waar donorkinderen doorheen gaan. Nog steeds is in België het donorschap anoniem. Het niet-weten is iets wat me constant bezighoudt. En zelfs als je als donorkind je biologische vader of je halfzus of -broer vindt, begint een volgende marteling. Wil hij of zij contact? Je houdt altijd rekening met een afwijzing. Slopend. Ik heb zeker hoop mijn vader nog te vinden.”

Steph Raeymaekers: ‘Ik ben iets waarvoor betaald moest worden, en wat vooral diende om mijn ouders gelukkig te maken.’

Een donorkind geeft nooit op, zegt Raeymaekers, en dat blijkt ook uit haar zoektocht. “Ik zat in het buitenland voor een lezing over kinderrechten en bekeek mijn e-mail. Ik checkte ook nog even een website waarop mijn DNA-matches binnenkomen. Toen rolde de match met mijn halfzus op het scherm. Ik zat daar helemaal alleen, terwijl mijn wereld op z’n grondvesten daverde. Ik belde mijn man, hij zette de telefoon op speaker en mijn kinderen luisterden mee toen ik ze vertelde dat ik nieuwe familieleden had gevonden. ‘Proficiat mama’, zeiden ze heel schattig, maar ik vond het surrealistisch.

“Al een paar jaar zoek ik mijn vader, ik heb hem helaas nog niet gevonden. Wel vond ik twee jaar geleden mijn halfbroer en onlangs dus die halfzus. We zijn allemaal veertig jaar. Mijn halfzus is twee maanden ouder dan ik. Met mijn halfbroer scheel ik maar twaalf dagen. (met spot) Ik vermoed dat we uit dezelfde kwak komen. Daar maken we harde grappen over.

“Ik denk dus dat ik me moet focussen op de jaren 1978-1979, de donorbaby’s die toen gefabriceerd zijn in de privépraktijk van een bekende fertiliteitsarts in Brussel. In dat jaar zijn waarschijnlijk nog meer halfbroers en -zussen verwekt. Ik hoop dat ik niet van een massa­productie­lijn afstam. Ik houd er ook rekening mee dat de arts mijn biologische vader is. Iedereen kan mijn vader zijn. Die arts heeft veel fertiliteits­artsen opgeleid, die kunnen gedoneerd hebben. Net als mensen uit het lab en studenten die bij hem stage liepen.

“Van een voormalig assistent van deze arts hoorde ik dat hij ook op straat mannen ronselde om sperma te doneren. En er bestaat het vermoeden dat hij zijn eigen zaad gebruikte. Hij is in 2016 overleden. Ik heb de dochter van de arts benaderd met de vraag of ze DNA wil afstaan, zodat we kunnen testen of we familie zijn. ‘No way’, zei ze. Duidelijk. Op zich begrijp ik haar wel. Aan de andere kant zal haar ‘nee’ geen enkel donorkind in diens zoektocht stoppen. Desnoods komt de rechter eraan te pas.”

Artsen niet te vertrouwen

“Van mijn gegevens klopt overigens niet veel. Tegen mijn ouders hadden ze gezegd dat ze enkel een donor met dezelfde bloedgroep en hetzelfde uiterlijk als mijn opvoed­vader zouden zoeken, maar dat was niet zo. Bij veel donorkinderen kloppen hun gegevens niet. En er was nog een leugen. Want na ons, de donor­drieling, werd mijn moeder natuurlijk zwanger van mijn opvoed­vader en kregen ze een eigen kind. Mijn opvoed­vader bleek dan tóch vruchtbaar, terwijl de fertiliteits­arts had beweerd dat bij mijn opvoed­vader ‘geen levende zaadcellen te bekennen waren’. Ik vertrouw geen arts meer.

“Ik zou zo graag van artsen, wensouders en donoren horen: ‘Sorry, we waren fout, wat kunnen we doen om het goed te maken?’ Dat ze erkennen dat dit anonieme donatie­systeem aanvankelijk misschien goed voor hén was, maar níét voor donorkinderen. Niemand is bereid op een eerlijke manier het gesprek aan te gaan. Het product mag niet klagen. Daar komt het eigenlijk op neer. Donorkinderen zijn louter en alleen de vervulling van een kinderwens.

“Men verspreidt het zaad van de donor, scheidt daarmee halfbroers en -zussen, laat ze allemaal onwetend in andere gezinnen opgroeien; hoe verknipt is dat? Hoe moet je je dan later tot elkaar verhouden? Het is een nieuw soort relatie dat je niet eigen is. Terwijl juist alles in onze maatschappij erop is geënt om broers en zussen bij elkaar te houden: bij adoptie, bij pleeggezinnen, vluchteling- en asielkinderen. Maar niet bij donorkinderen. Wij mogen niet weten wie onze biologische vader is en hoeveel halfbroers en -zussen we hebben. Ik ben iets wat er is gekomen, waarvoor betaald moest worden, en wat vooral diende om mijn ouders gelukkig te maken.”

Sleutel ligt bij DNA

“Het enige wat telt bij je zoektocht, zijn de feiten”, zegt Raeymaekers. “Ik ben verwekt in mei 1978, ik reken vanaf de conceptie. Locatie en tijd zijn cruciaal om gegevens te kunnen achterhalen. Ik geef ook lezingen voor geadopteerden, want onze zoektochten lijken op elkaar. De sleutel ligt in DNA, ook voor hen. Geadopteerden waren de eersten die de hand reikten naar donorkinderen. ‘We begrijpen wat je zoekt’, kreeg ik te horen. We vragen ook altijd aan elkaar: ‘Waar ben je terechtgekomen? Was het een goed of slecht gezin?’

“Er zijn veel kinderen die waarschijnlijk donorkinderen zijn, maar het niet weten. Ik zou weleens willen weten wat de psychologische impact is van een leven met een halve identiteit – dat je ouders je wel hebben ingelicht, maar je niet weet wie je biologische ouder is – of met een valse identiteit, als je van niks weet, maar een van je ouders je biologische ouder niet is. Toen ik zelf nog niet wist hoe het zat, dacht ik dat het aan mij lag dat ik zo’n slechte band had met mijn opvoed­vader en ik worstelde daar vreselijk mee. In België is er nog steeds anoniem donorschap, in Nederland zijn ze er in 2004 van teruggekomen.”

‘Gangster Jan Karbaat’

In Nederland zorgt de zaak-Jan Karbaat al jaren voor opschudding. De omstreden fertiliteits­arts, die twee jaar geleden overleed, verwekte met eigen zaad tientallen kinderen in zijn kliniek in Barendrecht. Raeymaekers: “Ik heb geregeld contact met Joey Hoofdman, een van de Karbaat-donorkinderen. Voor de lezing van 20 november bij de VN heeft hij een filmpje gemaakt. Joey zit nu al aan 75 halfbroers en -zussen, en het leeftijdsverschil tussen de oudste en jongste is veertig jaar. Kun je je voorstellen: een app­groep met 75 halfjes? Ik begrijp niet waarom de Nederlandse overheid geen psychologen en andere hulpverleners op de Karbaat-kinderen heeft gezet.

“Ik heb ooit contact met hem gehad over een vraag van een donorkind dat dacht van hem af te stammen. Hij weigerde pertinent om zijn DNA af te staan. ‘Ik vertrouw die DNA-databanken niet’, mailde hij terug. Ik begrijp nu wel waarom hij dat zei. Eén statement is: ‘Wat als je identiteit staatsgeheim is?’ Een ander: ‘Wat als je geen toegang hebt tot belangrijke medische informatie?’ We gaan opkomen voor ‘onze soort’, zo noem ik ons toch. We moeten dit doen, want niemand anders doet het.”

“Laatst voerde ik actie voor het Hilton Hotel waar de draagmoederbeurs in Brussel werd gehouden. Die beurs heb ik eerst twee keer als bezoeker bijgewoond; ik wilde zien wat ze in de aanbieding hadden. Als je daar bent, zie je de marketingstructuur erachter, heel geslepen allemaal, met een praktische website, workshops. Er wordt voortdurend benadrukt dat alles mogelijk is. Alle leveranciers zijn aanwezig, je kunt alles zó in gang zetten en meteen een contract tekenen.

“De derde keer heb ik daar geprotesteerd. Ik had flyers gemaakt met de tekst ‘Invulling kinderwens mag nooit ten koste van kind gaan’, en stond met een groepje donorkinderen, mijn man en mijn kinderen die flyers voor de deur uit te delen. Het was een vroege zondag­ochtend. Algauw gingen er mensen voor het raam van het hotel staan, begonnen ze ons uit te lachen en foto’s van ons te maken. Dat was al echt niet oké.

“Toen kwam er iemand van de organisatie een flyer halen. En kort erna kwamen er mensen van de Amerikaanse organisatie ‘Men Having Babies’ naar buiten, mannen die baby’s hebben. Ik noem ze ‘Men Selling Babies’, die baby’s verkopen. Hun doel is om iedereen die zich niet zelf kan voortplanten – door geaardheid, alleenstaanden, het ontbreken van een baarmoeder, onvruchtbaarheid – tegen fikse betaling toch van een baby te voorzien.

“De organisatie belde de politie, omdat wij hun deelnemers zouden ‘lastigvallen’. ‘Ik oefen mijn recht uit’, zei ik tegen de agent die me sommeerde weg te gaan. ‘Vinden jullie het normaal dat hier een beurs wordt gehouden voor commercieel draagmoederschap, terwijl dat in België niet is toegestaan? Vindt u het normaal dat een commercieel bedrijf hier baby’s aan het verkopen is? Ik heb het volste recht om hier te zijn,’ heb ik hem gezegd, ‘want ik verdedig mijn soort.’”

Steph Raeymaekers (Mechelen, 1979) is als donorkind voorzitter van de Belgische stichting Donorkinderen en medeoprichter van Donor Detectives, de organisatie die donorkinderen helpt bij het opsporen van hun biologische familie. In mei 2018 loofde Raeymaekers 417 euro uit voor de ultieme tip die naar haar biologische vader zou leiden, exact het bedrag dat haar ouders betaalden voor het donorsperma. Raeymaekers is management-assistent op het Instituut voor Tropische Geneeskunde in Antwerpen, is getrouwd en heeft twee kinderen. Haar blog: stephzoektfamilie.wordpress.com.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234