Maandag 27/01/2020

Column

Mijn ontmoeting met een Israëlische soldaat die geen David maar Goliath had moeten heten

Beeld Eric De Mildt

"Ik had niet zwart-wit willen denken, maar dat deden deze Amerikaanse Israëliërs wel. Iran was slecht, en Palestijnen waren slecht, en daarmee was de kous af", zegt schrijfster Ann De Craemer in een persoonlijk ooggetuigenverslag over Israël en Gaza.

Zijn naam was David en hij was zesentwintig jaar. Ik ontmoette hem toen ik twee jaar geleden met een vriendin naar Israël reisde. Vooraleer we naar Tel Aviv zouden gaan, verbleven we vier dagen in Jeruzalem. In ons hotel zat David 's morgens aan het ontbijt met zijn ouders. Meestal praatten ze Amerikaans Engels; soms Hebreeuws. David deed dat behoorlijk luid, waardoor hij sommige andere hotelgasten zichtbaar op de zenuwen werkte, maar zo ontwapenend bekommerd was hij om zijn oude en wat ziekelijk uitziende vader dat je niet anders kon dan hem zijn luidruchtige gedrag te vergeven.

Op onze voorlaatste dag in Jeruzalem gingen mijn vriendin en ik met de bus naar En Gedi, een oase in het Israëlische gedeelte van de Judeawoestijn, aan de westkust van de Dode Zee. Toen we naar het water wandelden - zoals iedereen wilden we natuurlijk ervaren hoe het voelt om daarop te drijven - zagen we David en zijn ouders. Zijn vader had schrik om in het water te gaan, maar zijn zoon sprak hem moed in en hielp de man met engelengeduld telkens een stapje dieper in zee. Op het moment dat ook mijn vriendin en ik lagen te drijven, sprak Davids moeder ons aan - of wij niet in hetzelfde hotel als zij verbleven?

We knikten, en nog geen vijf minuten later bood David ons een lift naar het hotel aan, zodat we een tweede lange busrit konden vermijden. We aarzelden, want deze mensen waren tenslotte wildvreemden, maar toch besloten we mee te gaan. Het werd het begin van een prachtige namiddag: David nam ons mee naar een kibboets en naar een adembenemend natuurreservaat, waar hij ons de schoonheid van de watervallen wilde laten zien. Zijn ouders hadden het lastig met de klim naar boven, en opnieuw voelde ik bewondering en respect voor de manier waarop David hen bijstond.

Omdat het broeierig heet was, werd er niet veel gepraat, maar David vertelde ons wel dat hij al een aantal jaar niet meer bij zijn ouders in de Verenigde Staten woonde. Hij had in Israël zijn dienstplicht gedaan en was er daarna blijven wonen. Meer nog: hij was nu soldaat bij het Israëlische leger.

Ik schrok van zijn mededeling: voor Israëlische soldaten had ik, om het zachtjes uit te drukken, nooit bepaald veel sympathie gehad. Niettemin vond ik dat die middag misschien het moment was aangebroken om mijn vooroordeel wat bij te sturen. Deze jongeman was vriendelijk en behulpzaam en correspondeerde niet met het beeld dat we in het Westen van zijn collega's krijgen.

Tegen zes uur reden we terug naar het hotel. De aangename sfeer sloeg voor het eerst om toen Davids moeder tijdens de terugweg vroeg wat voor boeken ik al had geschreven - ik had eerder verteld dat ik schrijfster was. Omdat de vrouw de hele tijd zo aardig was geweest, besloot ik gewoon eerlijk te zijn, en antwoordde ik dat mijn eerste boek over Iran ging. Meteen werd het stil in de auto. 'Iran, really?' vroeg ze. Ik zei dat mijn boek een verslag was van mijn treinreis door Iran tijdens de presidentsverkiezingen van 2009, waarbij ik de gewone mensen aan het woord liet, en ik in mijn boek zo kritisch over het regime van de ayatollahs was geweest dat ik niet langer een visum kreeg voor het land. Mijn uitleg veranderde niets aan de houding van Davids moeder: van een praatvaar veranderde ze in een sfinx. Ik was in Iran geweest en dus blijkbaar plots een vijand.

Bij het binnenrijden van Jeruzalem moesten we halt houden bij een checkpoint. David, die zelf ook nog amper tegen ons sprak, draaide het raampje open en wisselde in het Hebreeuws een paar woorden met zijn collega-soldaat. We mochten meteen doorrijden. David keek daarna in zijn achteruitkijkspiegel. "There are Palestinians in the car behind us", zei hij. "They will have to wait much longer." En, voegde hij er fijntjes aan toe: "Serves them right, those fucking bastards."

Nooit in mijn leven heb ik zo vurig gewenst ergens anders te zijn dan op dat moment op de achterbank van die auto. Ik had niet zwart-wit willen denken, maar dat deden David en zijn ouders wel. Iran was slecht, en Palestijnen waren slecht, en daarmee was de kous af. Terug in het hotel werden er nog wat beleefdheidszinnetjes uitgewisseld: Davids moeder wenste ons een goede verdere reis en vroeg wanneer we naar Tel Aviv zouden vertrekken.

De volgende ochtend namen we in de lobby van het hotel de lift naar boven om onze bagage te halen. Ook Davids moeder stond er te wachten. We zeiden 'hi' en 'how are you'. Ze deed alsof ze ons niet kende en stapte in een andere lift.

Ik was verbijsterd over zoveel kortzichtigheid en vijandigheid, en kon me voor het eerst in mijn leven voorstellen wat het betekent een Palestijn te zijn. Ik wil blijven proberen om niet zwart-wit te denken, dus nee, niet alle Israëlische soldaten zullen Palestijnen boudweg 'bastards' noemen - denk maar aan het initiatief van de Israëlische ngo Break The Silence, die (gewezen) militairen laat getuigen over de brutaliteiten van het Israëlische leger in de bezette Palestijnse gebieden. Maar wanneer ik dezer dagen lees over het grondoffensief van Israël in Gaza, denk ik dat zij die het Palestijnse volk als ongedierte behandelen de echte bastards zijn - en dat David uit Amerika zijn naam misschien beter in Goliath zou veranderen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234