Donderdag 23/09/2021

De reis van mijn levenDouglas De Coninck

‘Mijn nieuwe Albanese ‘broer’ troonde me mee langs bunkers, feestdissen en politiecontroles’

Douglas De Coninck in hoofdstad Tirana, 1992. Beeld Douglas De Coninck
Douglas De Coninck in hoofdstad Tirana, 1992.Beeld Douglas De Coninck

In ‘De reis van mijn leven’ blikken De Morgen-pennen terug op een trip die onder hun vel kroop en misschien wel hun leven veranderde. Journalist Douglas De Coninck raakte voor een artikel in 1992 zo begeesterd door Albanië dat hij ogenblikkelijk het vliegtuig nam. Daar troonde een nieuwe ‘broer’ hem mee langs bunkers, feestdissen, het graf van een dictator en politiecontroles.

Agron heeft geen rijbewijs. Wat hij wel heeft is een vijftien jaar oude Mercedes. We zullen meer dan een uur doen over de rit van de havenstad Durrës naar Tirana, waar Agron drie jaar geleden zijn vader achterliet. Eerst was overeengekomen dat ik zou rijden, maar op vaderlandse bodem is er iets onoverwinnelijks in Agron geslopen. Hij kan niet wachten. Hij wil weten wat zijn vader zal zeggen als hij hem ziet komen aanrijden in dat kleine straatje tussen de blokken met benepen arbeiderswoningen. Daar is nooit eerder een Mercedes gezien.

“Er is weinig of niks veranderd”, merkt Agron op, wijzend naar de boeren op hun ezelskarren langs de kant van de weg. “Alles is kapot in mijn land.”

Bij zijn vertrek uit Freiburg, waar hij installateur is van koelsystemen, heeft Agron de halve Aldi leeggekocht. Koffer en achterbank zijn tot zo hoog als mogelijk volgepropt met pakken koffie, kratten cola, koekjes, suiker, rijst, toiletpapier, shampoo en zeep – en daarbovenop nog eens de sloffen Marlboro die hij in de taksvrije shop op de Palladio heeft ingeslagen.

In de haven van Triëst bulkt het van de auto’s zonder nummerplaten, klaar voor inscheping richting het Albanese Durrës. Beeld Douglas De Coninck
In de haven van Triëst bulkt het van de auto’s zonder nummerplaten, klaar voor inscheping richting het Albanese Durrës.Beeld Douglas De Coninck

De Palladio is een ferry van de Italiaanse rederij Adriattica Lines die sinds juli, een maand geleden pas, twee nachten per week heen en weer vaart tussen Triëst en Durrës. In de haven van Triëst zag ik auto’s zonder nummerplaten, klaar voor inscheping. Op het dek was ik aan de praat geraakt met Agron, die meteen duidelijk gesteld wilde hebben dat hijzelf geen autodief was. En straks zijn eenendertigste verjaardag zou gaan vieren. We werden erg dronken. Ergens rond middernacht was Agron tot het besluit gekomen dat wij vanaf nu broers waren.

Nu is het middag en rijden we. Agron weet geen blijf met z’n euforie.

Tot hij de twee politieagenten opmerkt die gebaren dat hij moet stoppen. Hij vloekt. Zweetdruppels vormen zich op zijn voorhoofd, zijn pupillen zoeken contact met de hemel. Voor hij aan het hendeltje begint te draaien om het zijraampje te openen, prevelt hij inwendig een gebed.

“Dag agent.”

“Mag ik uw rijbewijs?”

Agron begint te scharrelen in de achter zijn zitje gestapelde plastic Aldi-zakken, alsof het onbestaande rijbewijs daar eventueel te vinden zou kunnen zijn. Na een minuut vruchteloos wriemelen houdt hij een stuk zeep in zijn linkerhand. Hij overhandigt het aan de agent.

Die monstert het stuk zeep, stopt het weg en zegt: “In orde.”

De Jalta-conferentie

In die tijd schreef ik voor de krant over treinen, bussen en trams. Bij de Brusselse vervoersmaatschappij MIVB moesten ze van een serie oude stadsbussen af. Van die iconische gele Brusselse bussen van Van Hool-Fiat. Bij de MIVB was er iemand met een hart voor het straatarme Albanië, en daar was een project van gekomen. MIVB-chauffeurs offerden een deel van hun zomerverlof op om oude stadsbussen op de goedkoopst mogelijke manier tot in Tirana te krijgen. Door er meer dan tweeduizend kilometer ver mee te jakkeren, tot in de haven van Triëst. “Wat spannend”, reageerde ik toen ik dit hoorde. “Mag ik mee?”

Een aanvankelijke ja werd een nee, maar intussen had ik over dat kleine Oostbloklandje zoveel opgezogen dat het me niet meer losliet. Een door God en iedereen vergeten landje in Europa waar de tijd een halve eeuw was blijven stilstaan en waar je sinds kort niet meer nodig had dan een paspoort. Dus: vliegticket naar Venetië, trein naar Triëst.

Op het achterdek van de Palladio vertelde Agron me wat zijn vader hem had bijgebracht over de Conferentie van Jalta: “Churchill, Roosevelt en Stalin zouden aan het eind van de oorlog Europa onder elkaar verdelen. Als een pizza die in drie stukken moest. Na dagenlang onderhandelen hadden ze een compromis.

Alle Europese landen waren keurig verdeeld onder geallieerden, Amerikanen en communisten, en iedereen kwam overeind om naar huis te gaan. Toen zei iemand: ‘Het kan zijn dat ik mij vergis, maar ik denk dat we nog een land zijn vergeten. Wil iemand Albanië?’ Waarop Jozef Stalin zei: ‘Ik neem Albanië.’ Dat, my brother, is het drama van mijn land.”

Latere verificatie zou me doen beseffen dat het Jalta-verhaal niet helemaal kon kloppen, maar de hele generatie van Agron was ermee opgegroeid en doordrongen van dezelfde weemoed en sarcastische berusting als in de boeken van Ismail Kadare, de in Parijs wonende schrijver.

Ontmoeting met Agron op de ferry Palladio.
 Beeld Douglas De Coninck
Ontmoeting met Agron op de ferry Palladio.Beeld Douglas De Coninck

In mijn rugzak heb ik De schemering der steppegoden zitten en De generaal van het dode leger. Ik besef het nog niet, maar in Tirana zullen er mensen vreugdedansjes maken als ze vernemen dat Kadare ook in het ‘Belgisch’ is vertaald. Als ik probeer duidelijk te maken dat er niet zoiets bestaat als een Belgische taal, is er niemand die nog luistert.

In 1992 is er geen booking.com. Je komt aan in een stad, en je vraagt aan de eerste die je ziet: “Is hier een hotel?” Niks hotel, heeft Agron besloten, broers slapen niet in hotels. Het is gruwelijk gênant. In het flatje van zijn vader begint hij zijn oude kamer te ontruimen. Hijzelf zal wel op de bank slapen. Vrienden van vroeger druppelen binnen om Agron te verwelkomen en te helpen uitladen. Er wordt omhelsd, gezoend. Iemand wordt extatisch van een pak koffie. In de ogen van zijn vrienden heeft Agron hun wildste dromen gerealiseerd.

Agron heeft een tolk voor me geregeld, zijn 17-jarige buurmeisje Anna. Zij excuseert zich voor haar slechte Engels, voor het niet meteen geregeld krijgen van een groot feestmaal en zegt dat Mergim iets wil zeggen. Mergim is een half tandloze veertiger, hij heeft er zijn hele leven over gepiekerd om ooit zoiets te verwezenlijken als Agron. Het is er nooit van gekomen.

Bunkers

Anna: “Mergim wil jou zeggen dat dit een bijzonder belangrijk moment is voor hem en een zeer grote eer. Hij wil jou zeggen dat jij de tweede niet-Albanees bent met wie hij in zijn leven ooit heeft gesproken. Mergim heeft achttien jaar in de gevangenis gezeten. Zijn laatste gesprek met een westerling was op het Skanderbegplein (het centrale plein van de hoofdstad Tirana, red.) en ging over een lucifer.”

Ik zeg dat ik het niet goed snap.

Anna: “Mergim zegt dat er een toeristische autocar was, met Amerikanen erin. Een van die toeristen vroeg een vuurtje, en de Sigurimi had het gezien. Mergim zegt dat hij wel wist dat hij niet mocht praten met de mensen van in de bus, maar hij wilde zo graag de stem van de vrijheid horen.”

De Sigurimi was de geheime politie van de in 1985 overleden dictator Enver Hoxha. Hij decreteerde een spreekverbod tussen Albanezen en niet-Albanezen. Hij riep Albanië uit tot eerste atheïstische land ter wereld en beloofde zijn volk 5,7 bunkers per vierkante kilometer. Andere naties bouwden in de jaren 60 en 80 een wegennet, Hoxha bouwde tweepersoonsbunkers.

Dictator Enver Hoxha werd uit zijn graf gelicht en herbegraven in een simpel graf.
 Beeld Douglas De Coninck
Dictator Enver Hoxha werd uit zijn graf gelicht en herbegraven in een simpel graf.Beeld Douglas De Coninck

Er zijn er in totaal 173.371 gebouwd. Je ziet ze overal, tot in het kleinste bergdorp, met alleen maar een schapenherder en z’n schapen. De bunkers lijken een beetje op pizzaovens. (Toen ik in 2016 terugkeerde naar Albanië bleken in enkele plaatsjes langs de Adriatische kust oude Hoxha-bunkers daadwerkelijk te zijn gerecycleerd tot pizza-ovens.)

Anna: “Hoxha maakte onze ouders wijs dat ze langs alle kanten zouden worden aangevallen. Door de Amerikanen, door de Russen, door de Italianen. Later pas zijn wij gaan inzien dat de bunkertjes nooit waren bedoeld om ons te beschermen. Ze moesten ons bang maken.”

Die avond zitten we met z’n vieren wereldpolitiek te bespreken, Agron, zijn vader, Anna en ik. “Na de oorlog zouden ze ons heropbouwen”, zegt Agrons vader. “Moskou stuurde oude stoomlocomotieven uit de tijd van de tsaren. En Hoxha zei: ‘Ga die maar eens poetsen.’ Het was geen kwestie van poetsen, het waren wrakken. Ik kwam uit voor mijn mening, en ik verloor mijn job. En weet u, die stoomlocomotieven staan nu nog altijd te verroesten in Durrës.

“Na de dood van Stalin kregen we de Chinezen. De enige vrienden die we nog hadden, waren Chinezen. Zij stuurden tractoren. Slechte tractoren. Ze reden niet, en dat is toch wel het belangrijkste dat een tractor moet kunnen. Het kwam eigenlijk hierop neer dat wij het autokerkhof van de wereld waren geworden.”

Ook afgedankte Brusselse Van Hool-Fiat-bussen vonden hun weg naar Albanië. Beeld Douglas De Coninck
Ook afgedankte Brusselse Van Hool-Fiat-bussen vonden hun weg naar Albanië.Beeld Douglas De Coninck

Ik durf niet te verklappen dat oude stadsbussen mij tot hier hebben gebracht. In Triëst heb ik me bevoorraad met dollars en lires, maar buiten wat ik op de Palladio omruilde voor Marlboro-sigaretten krijg ik er niks gespendeerd. Ik word dag na dag als een soort messias versleept van de ene familiale feesttafel naar de andere. Deze mensen leven in hongersnood, en toch brengt elke dag een nieuwe feestdis.

Hoxha’s rib

“Wil je het kerkhof zien?”

Ik durf ook nu weer geen nee zeggen. Vooraan in de geheelde Ford zitten Tony en Ylli. Twintigers. Ze hebben deelgenomen aan wat ze zelf als de Albanese revolutie benoemen. Van Hongarije en Oost-Duitsland tot Roemenië: communistische regimes waren eind 1989 als domino­stenen gevallen, met later ook nog de implosie van de hele Sovjet-Unie. De inschatting van buitenaf was dat Albanië niet echt een revolutie had gekend. Er was geen president geëxecuteerd en er was geen Muur gevallen.

Het enige wat we van Albanië te zien kregen, waren bootvluchtelingen. Honderdduizenden wanhopigen die op de een of andere manier aan boord waren geraakt van een schip met bestemming Bari. Talloos veel jongens als Agron zijn van het dek of de mast geduwd. Als ik Agron vraag hoe hij in Freiburg is geraakt, verandert hij van onderwerp.

“Er is wel degelijk een Albanese revolutie geweest”, zegt Ylli. “Alleen: Hoxha was al vijf jaar dood. Dus haalden we standbeelden neer. Van hem, van Stalin. Of we pakten stokken en we trokken naar de serres rond Durrës. We renden door die serres en tikten alle ruitjes uit de glazen plafonds.”

“Achteraf bekeken misschien niet ons allerbeste idee ooit”, zegt Tony.

Je kon van de communisten veel zeggen, maar ze hielden Albanië met die kilometers lange serres wel zelfvoorzienig op het gebied van voedsel. Groenten en brood komen nu per noodrantsoen uit de buik van de Palladio.

Een van de 173.371 bunkers die Hoxha liet bouwen om de mensen bang te maken.
 Beeld Hemis via AFP
Een van de 173.371 bunkers die Hoxha liet bouwen om de mensen bang te maken.Beeld Hemis via AFP

Op het kerkhof polst Ylli naar mijn interesse voor een rib van Enver Hoxha. Of een dijbeen, eventueel.

We staan voor het bescheiden graf van de dictator. “Er was eerst een gigantisch praalgraf, maar de nieuwe president heeft Hoxha’s knoken naar hier overgebracht”, legt Ylli uit. “Een nieuw graf, tussen de gewone mensen. Het was een mooi symbolisch compromis tussen de oude aanhangers van Hoxha en zij die verder willen met dit land. Maar ik weet van vrienden dat de botten zijn gestolen. En ik weet ook door wie.”

Als ik vraag hoe ik in Sarandë geraak, zeggen Agrons vrienden simultaan: “Niet.” Vanuit Sarandë gaat een kleine ferry naar Korfoe, en daar wacht mijn vliegtuig. Op een landkaart leek het vooraf allemaal erg evident, van noord naar zuid. Ik bestudeer andere opties, en dan komt Agron net binnen. Hij zegt: “Mijn broer wil naar Sarandë, wij zullen hem naar Sarandë brengen.”

Het is 250 kilometer, deels door de bergen. En iedereen wil mee. Op de achterbank zitten Mergim, Ylli, Tony en Ervina, die Anna heeft afgelost als tolk. De weg bestaat uit aangestampt grind. Er blijkt een brug ingestort, we staan voor een onaangekondigd ravijn en we moeten terug- en omrijden. “Als we maar in Vlorë geraken”, zegt Tony. “Dan komt het goed.”

We raken in Vlorë, vanaf daar is er asfalt. Even voorbij Vlorë krijgen we een Fiat Tipo met zwaailicht achter ons aan. Italië heeft het tegen 1992 helemaal gehad met de dan al meer dan 300.000 Albanese bootvluchtelingen en hoopt iets te bereiken met het sturen van medicijnen, melkpoeder en fonkelnieuwe Fiat Tipo’s voor de Albanese politie.

Agron moet stoppen. Hij zit door zijn voorraad Aldi-zeepjes heen, maar hij is niet meer zo bang als eerst.

Albanese vluchtelingen zwemmen zo snel mogelijk naar Italiaanse bodem.
 Beeld Rare Historical Photos
Albanese vluchtelingen zwemmen zo snel mogelijk naar Italiaanse bodem.Beeld Rare Historical Photos

“Dag agent.”

“Hebt u dat bord niet gezien?”

Het betreft een schoolbord, begrijpen we later, waar we zijn voorbijgereden. Het is een kinderlijk klein schoolbord, gepikt of geleend uit een kleuterschool. Volgens wat Agron en Ervina me erover vertellen, hebben de agenten er met krijt op geschreven: ‘Verboden hier voorbij te rijden.’ De boete is ik weet niet meer hoeveel lek. Agron rekent het bedrag om in Duitse Mark. Niet eens 1 Belgische frank.

Op de boot naar Korfoe zit een Amerikaans echtpaar van laat in de veertig, misschien eerder de vijftig al voorbij, een meisje van zes of zeven met zwarte haren haar eerste les Engels te geven. Ik wil misschien niet weten hoe ze met haar voorbij de douane zijn geraakt.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234