Dinsdag 12/11/2019

Kinderen van het verzet

‘Mijn moeder bloedde zo hevig dat omstanders flauwvielen, maar haar bewakers waren meedogenloos’

‘Mijn moeder moest poedelnaakt op een brits gaan liggen. Dan bracht de kampdokter een lange priem bij haar in, om haar onvruchtbaar te maken.’ Beeld Marco Mertens

Marcel Torfs (68) was nog niet geboren toen zijn vader en moeder in het verzet traden tegen de Duitse bezetter. Hij was nog altijd niet geboren toen een ver familielid hen verlinkte, en de Duitsers hen oppakten en wegvoerden naar de concentratiekampen, waar ze als beesten werden behandeld.

Torfs: “Toen de Duitsers op 10 mei 1940 het land binnenvielen, had mijn vader nog maar net zijn dienstplicht gedaan. Bij de algemene mobilisatie moest hij onder de wapens. Hij heeft niet lang gevochten: op 24 mei kwam zijn compagnie onder mortiervuur te liggen, vader heeft een stuk van een shrapnelgranaat in z’n schouder gekregen. Vanaf dan had hij nauwelijks nog gevoel in zijn rechterarm, hij was ook zijn wijsvinger kwijt. Doordat hij in het ziekenhuis was beland, is hij nooit krijgsgevangen genomen. (Neemt foto van tafel) Kijk, dat is mijn vader.”

U lijkt ongelooflijk hard op hem.

Torfs: “’t Schijnt. Soms vragen de kleinkinderen: hoe zag vake eruit? Dan knikt mijn vrouw naar mij: zo dus (lacht). Ik zeg het nu niet omdat ik op hem lijk, maar vader werd toen beschouwd als een schone man.

“Toen de oorlog begon, kenden mijn ouders elkaar al. Mijn vader was bevriend met de broer van mijn moeder, ze zaten samen in het leger. Mijn moeder, Clara, was toen 18: meer dan goeiedag zeggen zat er niet in. Mijn grootmoeder was streng katholiek en preuts op de koop toe. Maar mijn vader bleef zijn vriend bezoeken en kort na het begin van de oorlog zijn mijn ouders dan een koppeltje geworden. Het is te zeggen: ze mochten zelfs niet alleen in de tuin gaan wandelen, er moest altijd een tante bij zijn. Op een dag heeft mijn vader zijn moed bijeengeraapt en aan zijn schoonvader haar hand gevraagd. In september 1942 zijn ze getrouwd en zijn ze in Tongerlo ingetrokken bij de moeder van mijn vader. Mijn vader hield daar een fietsenwinkel open.

“Ik heb nooit geweten wanneer mijn vader in het verzet is gegaan, ik denk dat hij erin gerold is. Genre: ‘Gust, kunt ge ons niet helpen?’ Hij was in elk geval al weerstander voor ze trouwden, nadien is mijn moeder er mee ingestapt.”

Wat deden ze precies?

Torfs: “Samen met de gemeentesecretaris van Westerlo vervalsten ze identiteitsbewijzen. Ze hadden ook iemand leren kennen op de Werbestelle in Herentals, John De Schutter, waar mensen werden gerekruteerd voor de verplichte tewerkstelling in Duitsland. John gaf hun afgestempelde, ondertekende maar blanco vrijstellingen die mijn ouders invulden en verdeelden. Zo hebben ze tussen de driehonderd en driehonderdvijftig mensen geholpen. Ik ben gisteren in het Cegesoma, het archief voor ons oorlogsverleden, zijn dossier nog gaan inkijken: daar heb ik gelezen dat vader ook sluikpers verdeelde. Maar ze pikten ook rantsoenzegels. Want als mensen onderdoken, moesten ze eten hebben.”

Ze hielpen ook mensen onderduiken?

Torfs: (knikt) “Ontsnapte Russische krijgsgevangenen die door de Duitsers in erbarmelijke omstandigheden in de Limburgse mijnen werden tewerkgesteld. Af en toe kon er eentje ontsnappen: zij moesten die mensen opvangen en doorsluizen naar de Ardennen. Ooit hebben ze twee Franse krijgsgevangenen tien dagen opgevangen in de fietsenmakerij. Nu moet je weten: (wijst door het venster naar een huis aan de overkant van de straat) waar dat witte huis staat, niet verder, was de Kommandantur, waar de Duitse bevelhebber kantoor hield.”

Ze riskeerden lijf en leden?

Torfs: “Ja, en dan zwijg ik nog over de Feldwebels (Duitse onderofficieren, red.) die binnen en buiten liepen in het atelier om hun fietsen te laten repareren.

“Ze seinden ook militaire bewegingen van de Duitsers door naar Engeland. Vaak rukten vader en moeder uit om neergeschoten piloten op te pikken. Die bleven een paar dagen bij hen, tot ze werden doorgesluisd naar Spanje. Vader ging die piloten halen met een tandem. Hij voorop, de piloot vanachter. Dat is één keer bijna fout afgelopen. In april 1944 had hij een piloot opgepikt die was neergeschoten boven Geel. Onderweg passeerden ze een controle: ze moesten hun papieren tonen. Geen probleem, want ze hadden er valse gemaakt voor de piloot. Maar toen ze thuiskwamen, zag mijn vader dat die piloot zijn vliegeniersuniform nog aan had. Mijn vader was meteen op zijn hoede: hoe was hij in godsnaam door de controle geraakt? Hij dacht dat hij erbij was gelapt en trok zijn wapen. Hij vroeg de piloot zijn kompas te overhandigen – dat was gebruikelijk, als een soort controle. Mijn vader heeft later vaak verteld dat hij op het punt stond om eerst de piloot neer te schieten en dan zichzelf. Maar de piloot haalde net op tijd zijn kompas boven. Geoffrey Madgett en mijn vader zijn nadien goede vrienden gebleven. (Stem breekt) Mijn ouders wilden mijn jongste broer Geoffrey dopen, als eerbetoon, maar op het gemeentehuis wilden ze dat niet aanvaarden: het moest Jozef zijn. Mijn oudste broer heet John, naar John De Schutter. Mijn zus heet Agnes, omdat John dat graag hoorde. En ik ben vernoemd naar de jonggestorven broer van mijn vader.”

Zotte kuren

Hebben uw ouders u ooit verteld waarom ze in het verzet zijn gegaan?

Torfs: “Mijn moeder was een plichtsgetrouwe, volgzame vrouw. ‘In goede en kwade tijden’: ze nam dat heel letterlijk. Maar ze was ook opgevoed door echte patriotten, belgicisten, ze waren heel koningsgezind. Mijn vader ook, maar ik denk dat hij óók werd gelokt door het avontuur: mensen die hem kenden, zegden dat mijn vader tijdens zijn jeugd een pateeke was, een avonturier die zotte kuren uithaalde. Hij is ooit tijdens een voetbalmatch met de fiets het veld opgereden om de arbiter een klets om de oren te geven. Hij is nooit nog het stadion binnen gemogen (lacht).”

Uw ouders traden toe tot het Kempisch Legioen, een verzetsbeweging met een militaire structuur.

Torfs (klapt boek open): “Dit is het organigram van het legioen. Daar staat mijn vader: niet bij de absolute leiding, maar wel in de hogere echelons.”

Wat wij nu ‘het verzet’ noemen, was een bont gezelschap, dat verschillende organisaties en ideologieën omvatte.

Torfs: “Mijn ouders waren geen communisten. Ze kwamen allebei uit een oerkatholiek gezin. Na de oorlog is mijn vader liberaal geworden, en heeft hij zich tegen de katholieke volkspartij gekeerd. Hij was ervan overtuigd – terecht of onterecht – dat veel katholieke jeugdbewegingen tijdens de oorlog een rol hadden gespeeld in de collaboratie. Wij mochten bijvoorbeeld niet naar de Chiro.”

Hij had een wapen, zei u daarnet.

Torfs: “Een revolver.”

Heeft hij dat wapen dikwijls gebruikt?

Torfs: “Mijn moeder heeft het hem veel later gevraagd, hij beweerde van niet.”

Uw ouders zijn opgepakt in juni 1944, ze vlogen achter de tralies, samen met tientallen leden van het Legioen.

Torfs: “Mijn vader is verraden door een ver familielid. (Wikt en weegt) Bewust, misschien niet: we weten het niet. Die man had nazisympathieën, hij liep rond in een zwart uniform. Op een dag zei hij tegen mijn moeder: ‘Jullie zijn bij de Witte Brigade.’ Waarop mijn moeder: ‘Wat is dat nu weer?’ Daarop antwoordde hij: ‘Dat zult ge morgen wel zien.’ De volgende dag is mijn vader opgepakt. We weten niet of hij hem heeft verlinkt, maar hij wist in elk geval dat vader opgepakt zou worden.”

Hoe is die arrestatie verlopen?

Torfs: “Ineens stond de Sicherheitsdienst voor de winkel: ‘Herr Torfs, je moet enkele gestolen fietsen identificeren.’ Hij is meegegaan en niet teruggekeerd. In de Kommandantur van Herentals is de man die vader had verklikt de akte van inbeschuldigingstelling komen inkijken: ‘Als dat allemaal klopt, is zelfs de doodstraf niet streng genoeg.’”

Hoe praatte uw vader na de oorlog over de zwarten?

Torfs: “Met veel haat. Tongerlo was een schort groot: iedereen wist van iedereen of ze bij de witten of de zwarten hoorden. In het centrum stond een hotel dat overdekt was met reclameborden van een brouwerij: niet om reclame te maken, maar omdat de gevel bij de bevrijding beklad was met swastika’s.

“Toen mijn moeder op zoek ging naar mijn vader in Herentals, mocht ze hem niet zien: ‘En als hij schuldig is, ziet ge hem nooit meer terug.’ Andere verzetslui hebben toen voorgesteld enkele gewapende mannen in haar huis te zetten om haar te beschermen, maar moeder heeft dat geweigerd, ze wilde geen bloedbad. Op 11 juli zijn de Duitsers bij mijn moeder binnengevallen: ze hebben haar en de moeder van mijn vader meegepakt naar de gevangenis van Antwerpen. Daar was mijn vader intussen ook beland. Mijn moeder heeft lang gedacht dat ze mijn vader daar heeft horen schreeuwen van de pijn.”

‘Ze hebben vader met duimschroe­ven gemar­teld. Eerst zijn rechterhand, waarin hij geen gevoel had (lachje). Hij maakte groot theater, in de hoop dat ze het daarbij zouden laten. Maar dan begonnen ze aan zijn andere hand. Hij heeft afgezien.’ Beeld Rv

Is hij gemarteld?

Torfs: “Ja, ze heeft toen negen dagen na elkaar gebeden. Op de laatste dag hield het geschreeuw op: in haar verbeelding waren haar gebeden verhoord, maar achteraf bleek het niet om mijn vader te gaan. Hopelijk heeft moeder iemand anders geholpen.

“Ze hebben mijn vader met duimschroeven gemarteld. Ze zijn begonnen met zijn rechterhand, waarin hij geen gevoel had (lachje). Mijn vader maakte groot theater, in de hoop dat ze het daarbij zouden laten. Maar dan begonnen ze aan zijn andere hand: ‘Verdomme, het zal toch niet waar zijn.’ Hij heeft afgezien.

“Op 12 augustus zijn mijn vader en moeder op de trein naar Duitsland gezet. Ze zijn vertrokken op hetzelfde perron, maar hebben elkaar niet gezien: de vrouwen moesten in de passagierscompartimenten instappen, de mannen werden op veewagons gezet. Daar stond een ton met drinkwater, maar die werd ook gebruikt als mensen hun behoefte moesten doen. Bij een tussenstop werd de ton leeggekapt en weer gevuld, maar niet schoongemaakt. Mijn moeder kreeg géén eten of drinken, als straf omdat iemand langs het raampje van het toilet was ontsnapt.

“De reis heeft drie dagen geduurd. Op een gegeven moment werden de wagons van de mannen afgekoppeld, ze zijn dan naar Buchenwald gevoerd. Daar werden ze kaalgeschoren en ontsmet en moesten ze alles afgeven. Dan moesten ze gaan werken.

“Mijn moeder reisde door naar Ravensbrück. Toen ze daar uitstapte, zag ze alleen maar kale venten rondlopen. Maar in feite waren het kaalgeschoren vrouwen, een paar uur later liep ze er zelf zo bij. Ze kreeg een gevangenisplunje en een nummer.

“Op een dag moesten mijn moeder en de andere Belgische vrouwen zich uitkleden en aanschuiven voor een barak. Er liepen mannen in witte schorten rond, en... (Stokt, met bevende stem) Dit heeft mijn moeder pas verteld toen mijn vader al dood was, in de jaren 90. Ze moest op een brits gaan liggen, poedelnaakt. Dan kwam één van die dokters, met een lange priem in de handen. (Valt stil) Dan werd die priem ingebracht... De ene vrouw na de andere, alsof het bandwerk was, en de priemen werden niet ontsmet. Ze probeerden zo om die vrouwen onvruchtbaar te maken. Dat is duidelijk niet gelukt, anders had ik hier niet gezeten. Sommige vrouwen huilden, maar die werden dan murw geslagen. De dag erna hadden verschillende vrouwen ontstekingen in de schaamstreek en de buik. Geen van hen kreeg nog hun maandstonden.

“Na een tiental dagen in Ravensbrück werd een groep gevangenen, onder wie mijn moeder, overgebracht naar Außenkommando Belzig, een buitenkamp van het moederkamp Ravensbrück.”

‘Moeder was erg ziek toen ze weer thuiskwam, en ze kon niet meer in een bed slapen. Maandenlang heeft ze onder de keukentafel geslapen.’ Beeld RV

Uw moeder is op latere leeftijd beginnen te praten, maar uw vader bleef de rest van zijn leven zwijgen over zijn tijd in de concentratiekampen.

Torfs: “Wat ik weet, heb ik uit de dossiers die ik vond in archieven. Toen de Amerikanen en de Russen aan het einde van de oorlog langs weerszijden oprukten, is hij in Dachau beland. Daar hebben de Amerikanen hem bevrijd. Hij woog 40 kilo en was vergeven van de schurft. Die bevrijding verliep heel chaotisch: de Amerikanen kwamen met getrokken wapens binnen, op hun hoede. Er was euforie, maar tegelijk lagen mensen op de grond weg te rotten.

“Moeder zat dan nog opgesloten in Belzig. Daar waren de bewakers voor het grootste deel vrouwen, maar de commandant was een man. Die behandelde hen als beesten. Op een keer moesten ze als straf om vier uur ’s morgens buiten gaan staan, tot aan hun knieën in de sneeuw. Ze hebben daar tot twaalf uur ’s middags gestaan. Nadien konden ze door de kou niet meer stappen: mijn moeder is door de sneeuw naar haar barak gerold.

“Eerst werkte moeder in een munitiefabriek, maar toen de aanvoer stilviel, moest ze gebombardeerde spoorwegen herstellen. Met de blote hand moest ze bielzen, verwrongen staal en betonblokken verslepen. Ze werden vervoerd met open veewagons. Op een keer sprong ze niet rap genoeg op de grond, waarop een SS’er haar een stamp gaf: ze bleef met een vinger hangen in een metalen ring. De achterkant van haar vinger werd er helemaal afgerukt. Ze bloedde zo hevig dat omstanders flauwvielen, maar haar bewakers waren meedogenloos: ‘Du bist nur eine Gefangene.’ Een houtkrul rond haar vinger moest volstaan. De volgende dag was ze heel ziek, koortsachtig, haar buik was helemaal geïnfecteerd. Ze werd naar de ziekenboeg gebracht, maar daar werd je niet verzorgd: het was de plek waar je op de dood ging wachten. In de ziekenboeg lag ook een vriendin van haar: Maria Aerts. Maar de Amerikanen en Russen kwamen dichterbij: uiteindelijk werd Belzig ook ontruimd. De zieke gevangenen bleven alleen achter. Maria was heel ziek – tyfus. Ze is gestorven in de armen van mijn moeder. (Huilt) De kampcommandant keerde na drie dagen terug en heeft de overlevenden verplicht om een grote kuil te graven: daarin werden negen overleden vrouwen begraven. Een paar uur later zijn de Russen binnengevallen.

“Het was de voorhoede, niet het reguliere leger. De gevangenen wilden hun Russische bevrijders omhelzen: ‘We zijn bevrijd.’ Ze konden natuurlijk niet weten dat die Russen hun zinnen op iets anders hadden gezet. (Valt stil) Mijn moeder heeft nooit verteld – ik durfde het ook niet te vragen – of zij die dag is verkracht. Ze zijn van de Russen weggevlucht en hebben zich verschanst in een oude school, tot de rest van het Sovjetleger arriveerde. Een paar dagen later werd ze bij een ruil aan de Amerikanen overhandigd: ze had toen ook tyfus en woog nog 32 kilogram. Ze is via Wezet terug in België beland. De dokter die hen toen heeft onderzocht, zei: ‘U wordt nooit ouder dan 60.’ Moeder is 92 geworden.

“Toen ze op 31 mei 1945 weer in Zoerle-Parwijs was (bij Westerlo, red.) , klopte mijn moeder aan bij haar eigen moeder. De arme vrouw was intussen potdoof geworden, het duurde een eeuwigheid voor ze de deur opendeed, het halve dorp stond intussen mee op de stoep. Toen mijn grootmoeder haar dochter zag, dook ze van pure consternatie meteen weer de gang in, alsof ze een verschijning had gezien. Deze foto is die dag getrokken (zie foto boven).”

Wat een knappe vrouw, uw moeder. En kranig, gezien de gruwelen die ze had meegemaakt.

Torfs: “Onze moeder was een pronte, ja. De mensen hebben toen meteen een feest georganiseerd, maar mijn moeder kon niet echt vieren: mijn vader was nog altijd niet thuis. Ze wist zelfs niet of hij nog leefde. Het was een komen en gaan van bekenden: veel mensen waren op zoek naar familieleden, wilden weten of mijn moeder ze gezien had. Toen heeft onze moeder moeten vertellen dat Maria Aerts het niet had gehaald. Moeder was toen erg ziek, en ze kon niet meer in een bed slapen. Maandenlang heeft ze onder de keukentafel geslapen.

“Pas op 26 juni 1945, bijna een maand nadat zij was teruggekeerd, is ook mijn vader thuisgekomen.”

Hoe hebben je ouders de draad van hun leven weer opgepikt?

Torfs: “De eerste twee jaar kónden ze niet werken, ze waren gebroken. En de winkel en het atelier waren geplunderd: er bleef niks meer over. Ze hebben in het dorp een benefiet georganiseerd, dat heeft 50.000 frank opgeleverd, een fortuin in die tijd. Maar ze hebben toch lange tijd zwarte sneeuw gezien. 1950 was het keerpunt: toen is mijn vader veldwachter geworden, champetter. In december zijn we verhuisd naar het gemeentehuis, twee maanden later ben ik geboren.”

U zei het al zelf: het mag een wonder heten dat u bent geboren. Iedereen ging ervan uit dat uw moeder onvruchtbaar was na de gruwelijke experimenten die ze had ondergaan.

Torfs: “Ze is eerst in Leuven behandeld, maar daar dachten ze dat het niets zou worden. Dan is ze bij een Brusselse specialist beland, een mirakelman. Hij zei: ‘Proficiat, u bent zwanger. Als u de vrucht zes maanden kunt dragen, zult u een kind hebben. Zo niet, zult u nooit kinderen hebben.’ Na tien maanden zwangerschap is mijn zus geboren – op de natuurlijke manier, thuis. Bij veel lotgenoten van mijn moeder waren de baby’s zo groot dat ze bij de bevalling gestorven zijn.”

‘Toen ik vertrok om in een Duitse school te gaan werken, huilde mijn moeder onophoudelijk: het was alsof haar kind – vrijwillig – hetzelfde lot onderging als zij had ondergaan.’ Beeld Marco Mertens

Uw moeder was echt een ongelooflijk sterke vrouw.

Torfs: “De dokters hebben aangeraden om het bij één kind te houden, vanwege de inwendige verwondingen. Maar mijn ouders zeiden: ‘Eentje is geentje.’ Vier jaar later ben ik geboren, nog eens vier jaar later mijn oudste broer en nog eens vier jaar later mijn jongste broer. (Mijmerend) Ik heb een ongelooflijk gelukkige jeugd gehad. Die jaren in het gemeentehuis waren het aards paradijs.”

Nochtans werden mensen die in het verzet hadden gezeten in die periode niet naar waarde geschat en zelfs geridiculiseerd. De collaborateurs beheersten het publieke debat.

Torfs: “Mijn vader liep niet hoog op met flaminganten, de Volksunie was een doorn in zijn oog. (Glunderend) Als champetter was hij verantwoordelijk voor de drie vlaggen die aan de gevel van het gemeentehuis hingen. Links die van Tongerlo, in het midden de Belgische driekleur en rechts de Vlaamse Leeuw. Die laatste draaide hij strak rond de stok: (trots) de Vlaamse Leeuw heeft nooit in volle glorie gewapperd aan het gemeentehuis van Tongerlo. Dat heeft hij volgehouden tot de dag dat hij met pensioen is gegaan.”

Het is onbegrijpelijk, maar haast niemand had in die tijd oor naar de verhalen van de verzetshelden.

Torfs: “Velen dachten: ze overdrijven. En je weet ook dat Duitsland na de oorlog al snel weer een bondgenoot was. De teneur was: ‘Duitsland is niet slecht, alleen de nazi’s.’ En die waren verdreven: probleem opgelost. Ik weet nog dat ik in 1966 een spreekbeurt gaf over het nieuwe Duitsland en de oude nazi’s. De leraar vond mijn spreekbeurt goed, maar zei dat ik overdreef met dat gedoe van de nazi’s. Nog een illustratie: toen Tongerlo in 1961 een stedenband wilde aangaan, zijn ze uitgekomen bij het Duitse stadje Ottersweier. Mijn vader was in alle staten natuurlijk, maar het was beslist. Delegaties van de ene stad gingen naar de andere, Belgische gezinnen vingen Duitse kinderen op en andersom. Wij zijn nooit naar Ottersweier gegaan, nooit heeft één kind van Ottersweier bij ons één voet binnengezet. Mijn vader zwoer toen ook: ‘Als ik één gezicht herken, schiet ik hem dood.’ Hij heeft er gelukkig nooit één gezien.”

De haat tegen alles wat Duits is, zat diep. Ik leid af dat u die haat niet deelde.

Torfs: “’t Is te zeggen: ik was bezeten door dat oorlogsverleden, ik wilde ook heel graag Duits leren.

“Midden jaren 60 zijn we dan toch eens naar Duitsland op vakantie gegaan. Omdat wij maar bleven zeuren: ‘Iedereen gaat op vakantie en wij zitten altijd thuis.’ We zijn naar Beieren gereden, en toen we op de terugweg langs München passeerden, stelde ik voor om Dachau te gaan bezoeken. Mijn vader vond dat een goed idee, maar we hadden het beter niet gedaan (krijgt het opnieuw moeilijk): hij heeft van het begin tot het einde gehuild als een klein kind.”

Uw interesse voor Duitsland werd nog concreter toen u Germaanse ging studeren.

Torfs: “Omdat ik het goed deed op school, ging iedereen – ook ik – er altijd van uit dat ik geneeskunde zou gaan studeren. Ik ben ook aan die studie begonnen, maar nog voor het einde van het academiejaar heb ik mijn moeder gebeld: ‘Ik heb verkeerd gekozen, het hangt mijn strot uit.’ Toen ik zei dat ik Duits wilde studeren, zagen ze me niet graag komen. Ik weet dat ze het er echt moeilijk mee hadden, maar ze lieten me toch doen. Dat ik vier jaar later besloot om les te gaan geven in een Duitse school in Ibbenbüren, was een nog grotere klap. Bij mijn vertrek huilde mijn moeder onophoudelijk. Dat was emotioneel heel zwaar: het was alsof haar kind – vrijwillig – hetzelfde lot onderging als zij had ondergaan.

“Mijn ouders kwamen soms op bezoek. Ze pikten me dan op met de auto, en dan reden we naar een restaurant. Ik weet nog goed dat we een keer rakelings langs een fietser scheerden. ‘Pas op, Gust!’ zei mijn moeder. Mijn vader maakte dan een wegwerpgebaar: ‘’t Is toch maar een Duitser!?’

“Later ben ik verhuisd naar Soest, waar ik Duits ging geven aan het atheneum – een middelbare school voor de kinderen van Belgische militairen die in Duitsland gekazerneerd waren. Pas in 1985 zijn mijn vrouw en ik teruggekeerd naar België.”

Hoe verklaart u zelf dat u zo gefascineerd was door wat uw vader zo verfoeide?

Torfs: “Ik wilde het begrijpen. Hoe is dat mogelijk, dat mensen zich zo laten meeslepen en in staat zijn tot zo’n gruwel?”

En hebt u het ooit begrepen?

Torfs: “Het ging in de jaren 20 slecht in Duitsland. Dan komt daar ineens iemand op de proppen die de werkloosheid uitroeit, hij legde autosnelwegen aan, ineens kon iedereen op vakantie. En dan was er de eindeloze reeks militaire successen: daar moest God wel mee gemoeid zijn.”

Was dat oorlogsverleden bespreekbaar?

Torfs: “Ik heb er voor de klas nooit over gesproken. In Ibbenbüren deed een collega eens zijn beklag over zijn ouders, die op de vlucht waren gegaan voor de Russen. Ik wil dat allemaal geloven, maar ik kon het toch niet laten om te zeggen: ‘Mijn ouders hebben in de concentratiekampen gezeten.’ De conversatie was snel gedaan.”

Het thema was te aangebrand?

Torfs: “Veel Duitsers hebben nooit aan hun ouders durven te vragen wat ze hadden uitgevreten tijdens de oorlog, uit schrik voor een ongemakkelijke waarheid. Veel van mijn leerlingen hadden een Belgische militair als vader, maar een Duitse moeder. Zo kwam ik te weten dat er in heel wat Duitse families niet over werd gerept, het was taboe.

“Dat heeft me niet belet om op zoek te gaan. Onder meer in Arolsen, in het archief van het Rode Kruis, dat documenten en naamkaarten van slachtoffers van de nazi’s bijhield. Over mijn moeder vonden ze niets terug, de informatie over mijn vader heb ik met tien jaar vertraging gekregen.”

Hebt u dat dossier doorgespeeld aan uw vader?

Torfs: “Nee, hij was toen al dood. Ik heb wel een kopie aan mijn moeder gegeven, maar ik heb niet alles verteld. Ze stond ’s ochtends al vaak genoeg op: ‘Oef, ik ben weer in Duitsland geweest.’ Dan had ze nachtmerries gehad. Soms gebeurde er iets waardoor ze weer helemaal van haar melk was. Zo ging plots het gerucht dat Maria Aerts was teruggekeerd naar België. Daar was niks van aan, natuurlijk, onze moeder had haar mee begraven. Maar ze is er toch weken ziek van geweest. In 1994 zijn we op vraag van de ex-burgemeester van Belzig voor het eerst teruggekeerd naar ginder. Ze waren op zoek naar het massagraf waarin mijn moeder Maria Aerts had begraven. Dat was een onvoorstelbaar emotioneel moment. Ze kon die plek zonder de minste aarzeling aanwijzen, maar ze hebben geen menselijke resten gevonden: de Russen hadden die kort na de oorlog verwijderd.”

Uw moeder is 92 geworden, zei u daarnet.

Torfs: “Ja, maar er is haar werkelijk niets bespaard gebleven. In 1986 kreeg ze borstkanker: na de amputatie moest ze ook nog bestraald worden. Kort daarna is mijn vader zwaar ziek geworden. Prostaatkanker: de dokters hadden hem al vaak onderzocht, maar door de ontbering in Duitsland lagen zijn ingewanden niet meer op hun plaats. Als ze hem opereerden, vonden de dokters hun weg niet, van de scans werden ze niet wijs. Eind 1988 is mijn vader gestorven, helemaal weggekwijnd. Mijn moeder heeft in ’96 een infarct gehad, maar ze heeft nog tien jaar thuis gewoond. In 2006 ging ze plots snel achteruit, in 2012 is ze gestorven. Vlak voor ze stierf, zei ze: ‘Het is goed geweest, ik wil bij onze va zijn.”

Ultiem eerbetoon

Twee jaar geleden zond Canvas Kinderen van de collaboratie uit: ik neem aan dat u geen minuut hebt gemist.

Torfs: “Geen seconde. En wie zie ik tot mijn verbazing opduiken in de allereerste aflevering? Mijn collega Hein Van den Brempt.”

De ene helft van de tweeling Toon en Hein.

Torfs: “Hein was scheikundeleraar op het atheneum van Keerbergen, waar ik ook heb lesgegeven. Ik wist niks over zijn familieverleden, maar goed: er treft hem geen enkele schuld, Hein is op het einde van de oorlog geboren en heeft zich afgekeerd van het gedachtegoed van zijn vader.”

Het programma heeft wel wat reuring veroorzaakt: sommigen vonden het ongepast dat kinderen van collaborateurs een podium kregen. Wat Ledy Broeckx en Jan Tollenaere uitkraamden, tart alle verbeelding.

Torfs: “Soms dacht ik: moet je ze een forum geven? Maar anderzijds is het goed om weten dat zulke mensen bestaan, die twee zijn zeker niet de enigen. Ik vond wel dat ze de andere kant ook een forum moesten geven, en toen de makers op Radio 2 een oproep lanceerden, heb ik niet getwijfeld.”

Als ultiem eerbetoon aan uw ouders?

Torfs: “Zo zie ik dat toch, ja. Dat heb ik ook tegen mijn kinderen gezegd: ik doe het voor vake en moeke.”

Bij de persvoorstelling van Kinderen van het verzet speechte onder meer Bertje Ureel, dochter van een verzetsheld. Tijdens haar speech waarschuwde ze voor ‘zij die haat en verdeeldheid zaaien’.

Torfs: “Van iemand als Dries Van Langenhove heb ik schrik, dat geef ik toe. Hij ziet er goed uit, draagt een pak, heeft gestudeerd en praat vlot. Met alle respect voor de landbouwers, maar als een ‘domme boer’ zulke klap uitslaat, denk ik: je weet niet beter. Figuren als Van Langenhove: dat is andere koek.”

Hebt u het ook moeilijk met uitgesproken Vlaams-nationalisten zoals Theo Francken?

Torfs: “Mijn vader zou zich omdraaien in zijn graf als ik voor de N-VA of Vlaams Belang zou stemmen. Iemand als Theo Francken zegt soms zinnige dingen, maar hij gaat veel te ver, en zo plant je de zaadjes van de haat…”

Sommigen zien vandaag grote parallellen met de instabiele jaren 30. U ook?

Torfs: “Misschien wel. Er zijn ook weer veel vreemdelingen, en ik vind dat velen van hen meer hun best zouden mogen doen om te integreren. Maar dat betekent niet dat je die mensen moet opsluiten, laat staan dat je ze moet laten verdrinken als hun bootje zinkt. Als ik die rechtse leiders in Oostenrijk en Hongarije zie, lopen de rillingen over mijn rug. Dat doet denken aan vroeger, ja. De samenleving is onverdraagzaam, bevolkingsgroepen worden tegen elkaar opgezet: dan dreigen er slachtoffers te vallen.”

©Humo

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234