Zondag 19/09/2021

Mijn God! De dirigent is een vrouw

Ze gaf ons Nationaal Orkest deze week body en soul, toverde een klankkleur die zelfs de strafste critici van het orkest bekoorde. Marin Alsop, geschoold door de grote Leonard Bernstein en zelf intussen een grootheid in dirigentenland, is een witte raaf in dat gezelschap want... vrouw. Met de broek aan. Doortastend en grappig. ‘Mijn vader maakt mijn dirigeerstokjes en mijn zoon spreekt er, volledig in de ban van Harry Potter, spreuken mee uit over de mensheid.’ Maar echt toveren met dat stokje doet ze gewoon zelf, naast de solisten piano, tijdens de Elisabethwedstrijd.

Marin Alsop (53), wereldvermaarde gastdirigente van het Nationaal Orkest van België (NOB)

Als een droomtraject, zo leest het cv van Marin Alsop. Geboren in New York, daar opgeleid aan de Juilliard School of Performing Arts, afgestudeerd als violist en onder meer te zien in het orkest van Philip Glass. Na wat struikelen - ze werd geweigerd voor de zomercursus orkestdirectie wegens vrouw - ging ze toch verbeten voor het dirigeren. Bijna negen jaar leerde ze, werkte ze zich op en werd ze de witte raaf in de grote concertgebouwen. Vijftien jaar geleden schopte ze het tot chef-dirigent van het symfonieorkest van Bournemouth, daarna werd ze vaste gastdirigent van de London Sinfonia en stond ze als eerste vrouw ooit met de dirigeerstok te zwaaien in het Concertgebouw van Amsterdam en in de Scala van Milaan. Nu is ze muziekdirecteur van het Amerikaanse symfonieorkest van Baltimore.

Marin Alsop is een alerte en zeer flegmatische vrouw met vlotte babbel, steeds getuigend van een helder en borrelend intellect. Ze praat heel meeslepend én ze is grappig. Ze ontvangt ons ’s middags, na een ochtendrepetitie met solist en orkest, in haar loge in de Bozar, klein maar gezellig. “En hoe heet die krant van jullie? Niet dat het me iets zal zeggen, maar ik wil dat toch weten, hé. Ah, The Morning. En van progressieve strekking? I like that. Progressief is goed.” We vragen haar meteen wat ze toch aan het doen is met ons nationaal orkest. Ze schrikt op. “U bedoelt?”

Het is redelijk spectaculair wat u hier in die twee weken hebt verricht. U puurt uit dit orkest een sound, een bevlogenheid die niemand er ooit in vermoedde. De critici op de radio en tv en in de kranten zijn unisono laaiend enthousiast.

Marin Alsop: “Ah, mijn dank aan iedereen voor de complimenten. Weet je, werken met een orkest, dat is altijd een beetje reizen. Twee weken geleden ontmoette ik de muzikanten en van dan af aan begon onze tocht. Ik zag de opportuniteit in dit traject, zowel voor mij als voor dit orkest. Voor het NOB is er extra exposure, in de Verenigde Staten bijvoorbeeld. Ik hoor dat mijn Amerikaanse vrienden en kennissen alles volgen. De Elisabethwedstrijd is daar elke namiddag live te zien op internet. Mijn zoontje van zeven bekijkt mij ’s middags als hij thuiskomt van school. Hij hoeft maar de computer op te starten en ziet dat mama bezig is.

“Toen ik hier twee weken geleden aankwam, dacht ik meteen: ik ga proberen om deze groep muzikanten te helpen vervolmaken tot het beste wat ze kunnen. Dat betekent: samen krachten en zwakheden opsporen en daaraan werken. Dat het een wedstrijd betreft, geeft de job extra dimensies. Je moet veel verschillende werken uitvoeren, verschillende stijlen benaderen. En je moet de sound met de verschillende solisten laten meeklinken. Het is zowel fascinerend als uitdagend.”

Het NOB is altijd een beetje de kop van Jut geweest tijdens deze wedstrijd. Al jaren klinken er verzuurde opmerkingen als: ‘Het is log, moeilijk wendbaar, heeft last met de tempi, de verklanking.’ Op de vorige editie sprak men zelfs van ‘de fanfare NOB’.

“Ik merk vooral hoe hongerig dit orkest is. De honger om goed te spelen is zo groot, echt waar. Ik kon dat van bij het begin voelen. Niet vanaf het eerste uur natuurlijk. Het heeft de orkestleden toch een dag gekost voor ze zeiden: met die daar vooraan zal het misschien een beetje anders verlopen. Weet je, met orkestleden is het altijd een beetje zoals met kinderen. Ze willen zien waar de grenzen liggen, wat de balans is en wat de regels zijn van degene die leidt. Zonder autocratisch of onvriendelijk te zijn, maar toch gedecideerd zoek ik samen met het orkest die contouren op.”

Kinderen kunnen heel lastig zijn. Muzikanten ook?

“Een grote groep mensen tot één gemeenschappelijk doel brengen is niet per se makkelijk. Bovendien hebben muzikanten grote ego’s. Het belangrijkste is dat er een open sfeer is en dat er interesse is voor wie zij in wezen zijn. Zodra ze ondervinden dat ze meer zijn dan de back-upgroep die achtergrondmuziek zit te spelen bij een wedstrijd verandert de attitude. Ik hoor de spelers nu zeggen: ‘Heerlijk, we hebben elke avond een heus concert.’”

Een commentator zei op Canvas: ‘Op een bepaald moment voelde ik me afgeleid door de solist, omdat ik zo geconcentreerd naar het orkest zat te luisteren.’

“(lacht) Plezant. Pas op, het orkest mag ook niet te veel op de voorgrond staan, maar blijkbaar zijn er toch een paar correcties doorgevoerd in de goede richting. Dat verheugt me.”

U bent Amerikaans, vrouw, als dirigente...

“(onderbreekt) Dat weet ik natuurlijk al, maar ga gerust verder.”

Oeps, u voelt de clichévraag al aankomen, over vrouwelijke dirigenten en hun functie als witte raaf.

“Ik krijg die vraag inderdaad wel meer. Begrijpelijk, want we zijn er nog niet met die vrouwelijke dirigenten. Ik ben op dat vlak een uitzondering. Hier in België wonen een paar heel goede vrienden van mij. Ik ontmoette ze toen ik tien jaar geleden jullie radio-orkest kwam dirigeren. Die vrienden volgden nauwgezet alle voorbereidingen, de repetities. Tijdens een van de eerste uitvoeringen zat een man achter hen die ineens uitriep: ‘Mijn God, het is een vrouw!’ Uit de programmaboekjes kun je dat niet opmaken. Mijn voornaam klinkt niet per se vrouwelijk. Maar die man schrok zich dus een aap en met hem wellicht nog een groot deel van het publiek. Het overkomt me telkens weer, waar ik ook dirigeer. Voor de muzikanten maakt het niet zoveel uit. De eerste vijf minuten denken ze: ‘Hmm, interessant.’ Zodra je tot de job overgaat, is dat zo voorbij.”

Maakt een vrouw andere bewegingen bij het dirigeren?

“Onvermijdelijk heeft elk individu zijn eigen benadering. Ik geef les aan vrouwelijke dirigenten en een van de zaken waar ik het vaak met hen over heb, is dat je als vrouw over een extra kloof moet omdat dirigeren alles te maken heeft met body language. Je moet steeds nadenken over hoe je jezelf aanreikt. Er bestaat namelijk zoiets als een maatschappelijke interpretatie van handelingen. Als een man heel sterk uit de hoek komt en vastberaden is, zegt iedereen: ‘Wat een sterke man, zeg.’ Doet een vrouw hetzelfde, dan zegt men: ‘Oei, zo’n angstaanjagend mens.’ Van een man die heel gevoelig, met zachte golvende bewegingen zijn werk doet, wordt gezegd: ‘Wat een zachtaardige figuur.’ Doet een vrouw dat, dan is het al snel van: ‘Ai, zo’n lichtgewicht.’ Zulke uitspraken gebeuren niet altijd bewust, het gaat meer over de manier waarop we geconditioneerd zijn. Het maakt onze job hoe dan ook kwetsbaarder, net omdat bij ons de lichaamstaal vervlochten zit in wat we doen. Ikzelf hou van een brede sound, maar ik wil niet dat men dit vanuit mijn gender bekijkt, wel vanuit hoe ik als muzikant, als dirigent, als mens naar muziek kijk. Ik pleit ervoor dat ons werk ‘ontgenderd’ wordt.”

Is men voor orkestdirectie in de wieg gelegd?

“Mijn tien studenten, vrouwen en mannen, doen hetzelfde stuk met hetzelfde orkest elk totaal anders. Het is zoals iemand de hand schudden. Elk individu geeft een andere handdruk. Dat heeft niet zozeer met de grip te maken, als wel met het gevoel dat daarbij ontstaat. De een geeft een hand en dat gaat voorbij, de ander grijpt met die handdruk meteen je aandacht. Het valt eigenlijk niet uit te leggen.”

Het gaat over soul en vibes.

“En over chemie, over iets persoonlijks wat je van een aanraking bijblijft. Idem voor de persoon die voor een orkest staat en met zijn muzikanten een gevoel schildert. De toen stokoude dirigent Maurice Abravanel vertelde me bij het begin van mijn studies: ‘Je mag jezelf gelukkig prijzen, want je hebt een beat waarvoor het orkest wil spelen.’ Een beat, een vreemd woord misschien, maar bij sommigen zit zoiets blijkbaar ingebakken. Ik vond het een mooi gezegde en het deed mij nadenken. Ik heb het vaak over die beat met jonge dirigenten die volop aan het worstelen zijn. Sommigen kunnen het bij zichzelf naar buiten halen, anderen hebben het gewoon in zich. Ik heb een paar studenten die zo’n natuurlijk talent hebben. Ze raken het orkest aan en meteen komt er iets los. Je hoort dat onmiddellijk. Ook de orkestleden voelen dat meteen.”

U kreeg de kans om bij een van de allergrootsten in de leer te gaan, Leonard Bernstein. Hij was het die het dirigeertalent in u wakker maakte. Toen u hem bezig zag tijdens een concert dacht u: ‘Dit wil ik worden.’

“Het moet al in mij gezeten hebben, vermoed ik. Mijn ouders waren allebei professionele muzikanten. Muziek was dagelijkse kost bij ons thuis. Maar toen ik Bernstein zag dirigeren, dacht ik: ‘Waw!’ Het was alsof er in mijn hoofd een soort lichtbol aanging. Dat wilde ik dus ook, het hele pakket: contact leggen met muzikanten, muziek en publiek. Communicatie was de sleutel van alles, en enthousiasme. Oh, die Bernstein, wat hij aan enthousiasme voelde en doorgaf. Heel aanstekelijk was dat, en zo apart. Want, geef toe, klassieke muziek is soms zo stoffig en ongastvrij, het verwelkomt je zelden met open armen. Toen ik Bernstein zag, dacht ik: ‘This looks like fun. Die man amuseert zich, hij blaast het stof weg.’ Dat trok me aan.”

Wat steek je op van zo’n meester? Techniek of houden van?

“Techniek was niet meteen iets voor Bernstein, terwijl hij nochtans een heel heldere en competente dirigent was. Toch ging het bij hem meer over het concept muziek. Hij vertelde de hele tijd verhalen, hij was een geweldige verteller. Elk stuk muziek is een vertelling op zich, elke frase. Hij heeft me ook iets belangrijks geschonken: mijn vrijheid. Ik was zo hard bezig met de dingen juist doen, ik had voor hem bij nogal wat technische dirigenten gestudeerd. Bernstein zei: ‘Vergeet dat nu maar allemaal, wéés gewoon muziek.’”

Zoals hij in zijn favoriete citaat stelde: ‘Name the unnameable and communicate the unknowable.’

“Zo is dat. Hij zei ook: ‘Je hebt iets belangrijks te zeggen.’ Nu, als Bernstein dat tegen je zegt, denk je: ‘Misschien ben ik wel iets waard.’”

En wat vindt u, nu u op alle grote podia ter wereld hebt gestaan, dat u aan belangrijks te vertellen hebt?

“Het gaat niet over mij. Het gaat over de makers, de componisten. Door ouder, wijzer en ervarener te worden kan ik een betere vertegenwoordiger zijn van degene die de muziek bedacht en neergeschreven heeft. Het is nooit mijn muziek. Toch hoop ik dat ik bij de mensen een gevoel van toegankelijkheid en uitnodiging achterlaat. Ik wijd me daarom ook graag aan zaken die buiten het podium liggen. Ik introduceer graag jonge mensen in de muziek of volwassenen die de weg ernaar nog niet gevonden hebben. In Baltimore hebben we echt een pak mensen naar de concerthal kunnen lokken die er daarvoor nog nooit geweest waren. Dat kan me heel gelukkig maken.”

U hebt in Baltimore ook een school opgericht voor kinderen met weinig toekomstmogelijkheden.

“Tja, vooral Afro-Amerikaanse kinderen. Kijk naar de orkesten in Amerika en in Europa: ze zijn vooral bevolkt door blank personeel. Neem Baltimore, ik denk dat de stad voor 70 tot 80 procent zwart is, maar het orkest is 99 procent blank. Er zijn zo weinig entrees voor mensen van een andere etnische origine. De kinderen krijgen gewoon de kans niet. We zijn nu met een naschools programma gestart voor kinderen, vier dagen per week, drie uur lang. De kinderen bespelen al na een half jaar een instrument. De opleiding heeft minder met muziek op zich te maken dan met het leven. We trekken naar musea, naar sportevenementen, er is een sociaal programma. Toen we met die opleiding begonnen, zei 10 tot 15 procent van de kinderen dat ze later naar het hoger onderwijs wilden. Na een jaar was dat al gestegen naar 55 procent. Die kinderen uit een traditioneel achtergestelde omgeving zien nu in dat deze wereld misschien toch mogelijkheden heeft voor hen. Fantastisch, toch?”

U hebt de raad van uw nieuwe president opgevolgd, die bij zijn inauguratie elke Amerikaan opriep zijn verantwoordelijkheid op te nemen en vrijwillig de handen aan de ploeg te slaan.

“Dat lijkt me heel belangrijk in deze tijden.”

U bent progressief, zei u daarnet. Bent u tevreden over het nieuwe beleid in uw land en over uw nieuwe leider?

“Het is gewoon niet te vergelijken met het vorige beleid natuurlijk. Maar tegelijk blijven er vragen bestaan. De wereld is ook zo gecompliceerd geworden.”

Hebt u al wat ‘change’ gezien in uw omgeving?

“Die ‘change’, dat was even heel opwindend. Voor een minuut. Of nee, voor een paar maanden. Velen hadden hoop en, eerlijk gezegd, ik heb die nog altijd. Obama krijgt bepaalde zaken gedaan. Hij heeft de gezondheidszorg erdoor gekregen, er zitten nu twee vrouwen in de Supreme Court. Dat is een enorme evolutie voor ons. Maar de reactie is zo beangstigend, en het gaat dan niet alleen over die Republikeinen en Conservatieven. Obama is een complexe figuur. Soms doet hij ook een complex verhaal en Amerikanen houden niet van complexiteiten. Ze willen the bad and the good guy. De slechterik moet dood, de goede moet overwinnen. In dat soort zwart-wittaal wordt gedacht en wil men realisaties zien.”

De slogantaal van de Tea Party, dé conservatieve revolutie tegen Obama’s beleid, slaat dus meer aan.

“Inderdaad. Wij leven in een maatschappij waarin alles over the hook gaat, over welke headline je kunt bedenken om je verhaal aantrekkelijk te maken en te verkopen. Obama zit anders in elkaar. Het zijn vooral denkers die hem echt begrijpen en een kans geven. Het is zo duaal. We leven in een complexe wereld, maar we communiceren daar het liefst in de meest eenvoudige taal over. Moeilijk, heel moeilijk.”

Kan de klassieke muziek een extra taal zijn, zowel in haar eenvoud als complexiteit, haar lyriek als vormgedrevenheid?

“Kijk naar al die wrede tijden in de geschiedenis en zie wat muziek daar deed. In de concentratiekampen - je begrijpt niet hoe ze erin slaagden - werden er orkesten samengesteld. Je ziet hoe mensen in de vreselijkste omstandigheden muziek bleven schrijven en kunst maken. Kunst is altijd een toevlucht geweest, vertroosting. Bernstein zei altijd: ‘Muziek is een universele taal.’ Je hoeft die taal niet te spreken om ze toch te begrijpen. Je zit gewoon samen in één ruimte, zet je oren open en wordt ontroerd. Maar echt luisteren en kijken naar kunst is ook een gesofisticeerd proces. Je moet dat ontrollen. Het is zoals kijken naar de Mona Lisa, dat zie je ook niet meteen in zijn geheel maar in al zijn prachtige deelaspecten. Kunst is vanuit die beleving niet voor mensen die houden van zwart-wit. Het is net in de nuance en de evolutie dat de kunstbeleving zich schuilhoudt. Het is, tja, een reis. Alweer.”

Ondanks uw vrijdenken over kunst en cultuur zit u hier wel gewrongen in een strakke wedstrijd met puntentelling op het einde. Is dat geen contradictie?

“Ik ben in principe tegen wedstrijden, omdat ik denk: ‘Hoe kun je een competitie houden over kunst? Bestaan daar dan meetinstrumenten voor? Toch is deze Elisabethwedstrijd voor mij een uitzondering. Het is interessant qua mogelijkheden.”

Terwijl het toch heel gesloten is, en aan strakke regels gebonden. De solisten zitten een week opgesloten in een koninklijke villa.

“Ja, dat is inderdaad een beetje weird.”

Het heeft ook iets sprookjesachtigs, de traditie van koninginnen, prinsen en prinsessen in hun loges, voor wie je moet rechtstaan en in de handen klappen.

“Heel apart. Het refereert een beetje aan waar de muziek honderden jaren geleden vandaan kwam. Waar ik hier echter van opkijk, is de betrokkenheid van het publiek. De mensen voelen zich deel van het gebeuren, ze reageren zeer gevoelsmatig. Maar het belangrijkste is toch de kans die de jongelui krijgen die in deze competitie zitten. Ik ben nieuwsgierig naar iedere solist die langskomt en eigenlijk kan het mij niet schelen wie er wint. Trouwens, mijn mening verandert toch elke dag. (lacht)”

En dat overaanbod van Zuid-Koreanen, wat denkt u daarbij?

“Dat Azië het aan het overnemen is qua leider in dit soort wedstrijden. Na de Japanners. Ik vraag me dan alleen af waar de Chinezen blijven.”

Ze zijn onderweg, naar het schijnt.

“(lacht) Ja, ze komen eraan, met die algehele nieuwe wereldorde.”

Het thuisland van deze Koreanen leeft momenteel wel op voet van oorlog met Noord-Korea. Praten de solisten daarover?

“Ze zijn niet met politiek bezig, alleen met muziek. Ik maakte gisteren wel iets grappigs mee met een laureaat, na zijn concerto van Rachmaninov. Hij stond uit te puffen in de hall en op het moment dat ik dacht dat hij een relaas zou geven, zei hij: ‘Oef, nu krijg ik mijn mobiele telefoon terug.’ Het is toch wat extreem, zo afgesloten zijn van internet, telefoon, thuisland. Tegelijk worden de solisten een beetje gedwongen om te komen tot wat ze in wezen zijn: muzikant.”

Zou u het kunnen: in één ruimte verblijven met enkel muziek?

“Ik word gek. Zag u me daarnet met mijn iPhone bezig? Ik kan me ook geen wereld meer voorstellen zonder internet. Ik zou mijn zoon missen. Ik ontbijt elke dag met hem, via Skype. Of beter: hij ontbijt, ik doe maar alsof, want bij mij is het dan al 16 uur in de namiddag. Het is leuk hoor, want dan voel je even niet hoe ver je van elkaar verwijderd bent. Ik ben nu al een tijdje weg. Hier drie weken, daarvoor in Londen. Bijna zes weken zal ik weg zijn van huis.”

In welk land dirigeert u het liefste?

“Ik voelde me ooit bijna thuis in Groot-Brittannië. In Duitsland voel je heel andere processen, er heerst een totaal andere mentaliteit. Ga je naar Japan, dan is het weer helemaal anders. Ik probeer mijn werkstijl zoveel mogelijk in te passen in de sfeer en context van het land en zijn publiek.”

Geen enkel land of geen enkele orkestdirectie kan u tot een andere dresscode forceren. U hebt steeds een broek aan, geen jurk.

“Er zijn geen echte dresscodes meer. De mannelijke dirigenten dragen ook andere kostuums dan vroeger. Ik heb ze natuurlijk nog nooit jurken zien dragen, maar er is tegenwoordig toch wel wat meer variatie. Ik draag niet graag een rok of een jurk. Ik kies voor een pantalon en jas, maar voeg accenten toe. Kijk, hier is mijn kostuum (haalt haar galakostuum van de haak). Ik wilde het niet helemaal in het zwart. Dat is behoorlijk saai. Ik heb de kleermaker gevraagd om een bordeauxrood randje aan de mouwen toe te voegen. Mooi, hé. Misschien wordt het wel de mode binnenkort.”

Als u niet regisseert, wat doet u dan?

“Met mijn zoontje bezig zijn. Dat is pure fun. Hij heeft pas het laatste Harry Potterboek uit. Inderdaad, amper zeven is hij en hij heeft er die hele reeks al doorgejaagd. Je zou hem moeten zien zeulen met die boeken van achthonderd pagina’s dik. Als onze vrienden hem zo bezig zien, zeggen ze: ‘Tiens, wat is hij nu aan het lezen? Oorlog en vrede? Tolstoj?’ Mijn jongen houdt enorm van taal, van woorden. Hij zou ook graag Latijn leren.”

En muziek?

“Hmm, ik weet het niet goed. Hij heeft wel een ongelooflijk goed gehoor. Hij speelt viool.”

Heel voorspelbaar.

“Ik weet het, het is verschrikkelijk dat ik hem ‘mijn’ instrument heb aangereikt. Dat hebben mijn ouders ook ooit met mij gedaan. Ik had nochtans gezworen dat ik het mijn kind nooit zou aandoen. En zie. Maar ik zal hem niet pushen om muzikant te worden, hij heeft wellicht andere zaken te doen in het leven. Er is nog veel werk na Obama. Misschien kan mijn zoon iets moois uitrichten binnen deze complexe wereld.”

Een vreemde vraag misschien, maar mogen wij uw dirigeerstokje eens zien? Klopt het overigens dat uw vader...

“(onderbreekt) ...ze voor mij maakt? Jawel. (neemt een zwart met velours bekleed bakje, met drie fijne stokjes met gedraaide handgreep erin) Hier zijn ze. Kijk, deze is al een beetje krom. Wat wil je, ze zijn met de hand gemaakt. En dit stokje, dat zo mooi blinkt, durf ik bijna niet te gebruiken. Terwijl mijn vader er nochtans genoeg heeft gemaakt. Een paar jaar geleden vroeg hij: ‘Hoeveel stokken heb je nodig voor je hele carrière? Want stel dat ik binnenkort sterf.’ ‘Een twintigtal moet volstaan, papa’, antwoordde ik. ‘Oké’, zei hij en hij maakte er dertig. Hij is gelukkig nog altijd gezond en maakt af en toe nog een dirigeerstokje, just for fun. Zo’n vijftigtal moet ik er ondertussen hebben thuis.”

Overkomt het een dirigent nooit wat bij drummers soms gebeurt, dat hij of zij in volle geestdrift de stok kwijtraakt?

“Nee, dat overkomt me niet. Eén keer heb ik per ongeluk die fijne punt in mijn hand geduwd. En maar bloeden, het droop echt op de grond. Gelukkig gebeurde dat tijdens een repetitie. En weet je wat nu zo fijn is? Mijn zoon heeft een paar van opa’s stokken ingepikt en tot toverstok omgedoopt. Hij loopt ermee rond, spreekt allerlei spreuken uit over de mensheid en hoopt dat er iets verandert. Ik weet niet of het werkt, maar hij denkt van wel en dat lijkt me dan toch het belangrijkste.”

undefined

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234