Zaterdag 16/10/2021

Mijn glunderboek

De overheid houdt steeds meer rekening met de verzuchtingen van de burger. Waar vroeger alleen plichten telden, staan we tegenwoordig steeds meer op onze rechten. En dat is goed ook: wakkere burgers wilden we. Wel, we hébben ze nu. Maar we lopen wat hard van stapel en denken misschien nog iets te vaak alleen aan onszelf.

Luc Huyse

Luc Huyse is socioloog en hoogleraar aan de Katholieke Universiteit Leuven.

Om de vier weken schrijft hij op deze pagina's over nationale en internationale kwesties.

Uw pensioenaanvraag is goed aangekomen.' Dat laat Patrick Vandersteen, eerstaanwezend verificateur bij het ministerie van Financiën, mij per brief weten.Tegelijkertijd vertelt hij mij over de komende gang van zaken. Fase per fase wordt overlopen. Zo weet ik precies wat me in de eerstvolgende maanden te wachten staat. Trouwens, bij Martine De Schuyteneer kan ik terecht met al mijn vragen. Klachten stuur ik desgevallend naar Ghislaine Van Welde. Bovendien, schrijft Patrick Vandersteen, is er bij de Administratie der Pensioenen een ombudsdienst als laatste toevluchtsoord.

In dit bericht is er geen spoor meer van de onpersoonlijke aanpak waar de Belgische ambtenarij tot voor kort een patent op had. Je voelt bij het lezen de nieuwe wind die door nogal wat overheidsdiensten waait. Dat stemt mij gelukkig en zo zijn de eerste bladzijden van mijn glunderboek verwekt.

'Ons staatsapparaat is een logge machine, nauwelijks in beweging te brengen. En vaak nog levend op het ritme van de negentiende eeuw.' Zo wordt al generaties lang over 's lands bestuur gedacht. Niet toevallig, want dat negatieve imago vond geregeld bevestiging in de dagelijkse omgang met die overheid. Er waren de ziekten die elke bureaucratie in haar genen meedraagt: gebrek aan soepelheid in de interpretatie van regels en reglementen, vertraagde reactie op nieuwe uitdagingen, inteelt in het personeelsbeleid. Bovendien ontspoorde het mechanisme dat via continu overleg tussen regering en belangengroepen voor de lieve vrede moet zorgen. De sociale dynamiek raakte gevangen in de gouden kooi van pacten, akkoorden en arrangementen. Herhaaldelijk werd beterschap beloofd. Maar het wou maar niet lukken. In het begin van de jaren negentig is de ommekeer ingezet. De confrontatie met allerlei schandalen, affaires en fiasco's werkte als ontstekingsmechanisme. Sindsdien vallen een voor een de grendels weg.

Er is al een lange lijst van successen aan te leggen. (Nu ik dat zinnetje op papier zet, overvalt me een zekere huiver. Kun je dat wel doen, goede punten geven aan een leerling die zo lang al in de strafhoek staat? Lijkt zo'n lijstje niet al gauw op het product van een of andere public relations officer? Kortom, oogt het wel politiek correct? Toch maar doen, besluit ik.)

In de ambtenarij circuleren nu vrijelijk begrippen uit de moderne organisatieleer. Integrale kwaliteitszorg is er een van. Ook is, eigenlijk voor het eerst sinds zestig jaar, sleutelen aan het statuut van het personeel echt mogelijk geworden. Verhoogde mobiliteit, de mensen aan het werk zetten waar ze het meest nodig zijn, moet de productiviteit de hoogte in stuwen. Permanente bijscholing zal, zo is te verwachten, meer gemotiveerde werknemers opleveren. Er zijn de plannen om alle overheidstaken te heroverwegen: wat dient behouden te worden, wat komt voor afschaffing in aanmerking? Dood hout wegsnijden, heet dat. Tobback schreef het al in 1991: "Als je wilt dat de staat zijn rol goed speelt, moet hij scherp staan, geen grammetje vet te veel hebben." Van Belgacom, de Post en de NMBS maakte men autonome overheidsbedrijven, zodat innoveren daar nu iets gemakkelijker gaat. Of het politiek dienstbetoon van zijn kwalijke kantjes verlost is staat nog niet vast. Maar de komst, in het Vlaams parlement, van een gedragscode ter zake is niet zonder belang. En dit nog: in de communicatie met de bevolking is wat meer vriendelijkheid geslopen. Er wordt minder bevolen en meer geargumenteerd. Dat is ook te merken in de manier waarop lokale overheden met de burgers omgaan. Over het algemeen ligt de kwaliteit van hun berichtgeving stukken hoger dan pakweg vijftien jaar geleden.

Tot zover de intro van mijn lofzang.

Nieuwe politieke cultuur: de uitdrukking lokt steevast gegrinnik uit. Want het ongeloof is groot. Toch is op dat vlak, zeker in Vlaanderen, de toekomst al begonnen. Kijk naar de samenstelling van de kabinetten. Het komt nu voor dat een minister buiten zijn eigen partij rekruteert. Of neem de kwestie van de partijpolitieke benoemingen. Dat oud zeer is de wereld niet helemaal uit. Juist. Maar er zijn tekenen die een serieuze klimaatswijziging aankondigen. Bij mijn weten zijn de experts die de Lumumba-commissie zullen bijstaan niet op basis van hun politieke kleur aangetrokken. Is dat een weinig overtuigend, want futiel voorbeeld? De leden van de Hoge Raad voor de Justitie dan maar. Volgens een paar oppositiepartijen, de Volksunie op kop, ging het om een klassieke operatie: wat blauw, een streep rood en een dun groen randje. Nogal wat journalisten maakten eenzelfde tekening. Het valt niet te ontkennen dat enkele leden van die Raad in hun curriculum vitae een meer dan gemiddelde partijtrouw laten zien. Maar wat men van sommige anderen zei getuigt van kwade trouw. In België is met wat duw- en trekwerk op zowat iedereen een partijpolitieke label te plakken. Als je maar diep genoeg in een levensloop graaft kom je wel iets tegen dat voor dat soort mentale acrobatie bruikbaar is: het gezin van herkomst, waar iemand school gelopen heeft, bij welk ziekenfonds men aangesloten is. Zo wordt de werkelijkheid geweld aangedaan: de veelkleurigheid die momenteel velen in politiek opzicht kenmerkt blijft verborgen.

Het is nu wachten op signalen die de mogelijke twijfels over deze ontwikkelingen uit de wereld helpen. Misschien kunnen de mensen van het Rekenhof daar voor zorgen. Zij zijn het die allerlei overheden van dichtbij op de vingers kijken. Wat ze aan betwistbare beslissingen zien schrijven ze op in hun jaarlijkse verslagen aan de parlementen. Die rapporten hebben een wat vreemde roepnaam gekregen: de pers noemt ze blunderboeken. Als alles goed gaat zou de omvang van deze documenten in de toekomst moeten afnemen.

Een staat die zijn 'machinepark' moderniseert, politici die verder kijken dan de partijgrenzen, publieke financiën die stilaan hun gezondheid herwinnen, nieuwe overheidsgebouwen die gezien mogen worden, stads- en dorpskernen waarvan de renovatie geslaagd te noemen is. En toch overheersen bij de bevolking de klaagzangen. Hoe komt dat?

Het valt niet mee om de pijncode van de burger te ontcijferen. Al zijn er enkele aanwijzingen.

Er loopt nog veel verkeerd en dus zijn er redenen te over om te klagen. Wat een halve eeuw lang verwaarloosd is, valt niet in een handomdraai te saneren. In enkele gevallen is het dieptepunt zelfs nog niet eens bereikt. In de magistratuur zal het effect van de voorzichtige depolitisering pas binnen vijftien, twintig jaar te voelen zijn. Eerst dan zullen de nieuw benoemden van vandaag hoog genoeg in de hiërarchie opgeklommen zijn om hun stempel op het beleid te drukken. Daar en elders is er bovendien de negatieve invloed van al die mensen die geïnvesteerd hebben in partijpolitieke slaafsheid en alleen in de oude politieke cultuur wat rendement kunnen halen. Zij zijn het die op de rem gaan staan zodra vernieuwing op de agenda verschijnt.

Er is ook een misverstand in het spel. Nogal wat burgers verwachten van de overheid voorzieningen die op hun individuele maat gesneden zijn. Dat is het effect van een in de belendende percelen opgedane gewenning. De particuliere dienstensector heeft zijn aanbod zo gediversifieerd dat aan persoonlijke wensen in grote mate tegemoet gekomen wordt. Waarom zou dat anders moeten zijn in de verhouding tussen burger en overheid, denkt men dan. Maar zo eenvoudig is het ook weer niet. Noodgedwongen werkt de ambtenarij meestal met bureaucratische, dat wil zeggen voor iedereen geldende regels. Haar plooibaarheid in de richting van klantvriendelijkheid, van een geïndividualiseerd aanbod, is derhalve beperkt. De overheid zal trouwens altijd een ronde achterlopen. Op het moment dat zij haar werking wat heeft vervriendelijkt is in de private sector de klant alweer wat meer koning geworden.

Dan is er die andere ijzeren wetmatigheid: fiasco's hebben een veel grotere zichtbaarheid dan successen. Wat goed loopt lokt geen commentaar uit. Dat behoort tot de orde van de vanzelfsprekendheden. Het zijn de misgrepen, de fouten, de tekortkomingen die de aandacht trekken. Of via uitvergroting met de pen, de micro en de camera aandacht krijgen.

Over kinderen wordt soms waarschuwend gezegd: pas op, je geeft ze een vinger en morgen vragen ze je hele arm. Sociologen kennen dat verschijnsel. Ze noemen dat graag rising expectations. Zien dat verbetering mogelijk is scherpt de honger aan, laat nieuwe eisen ontstaan. Vermoedelijk speelt dat mee in de hardnekkigheid van de klachten over overheid en politiek. Daarmee verbonden is er de komst van wat als een claimcultuur wordt bestempeld. In het hoofd en het hart van velen is een verschuiving opgetreden van plichten naar rechten. Daar hoort ongetwijfeld handgeklap bij. Maar tegelijkertijd ontstaat vraaginflatie: de bevolking confronteert de bewindslui met te veel en te ingewikkelde eisen. Geen wonder dat die ontwikkeling een tegenstroom in beweging heeft gezet. Een van de merkwaardigste reacties is te vinden in een door Hans Küng (theoloog met naam) en Helmut Schmidt (gewezen Duits bondskanselier) in 1998 uitgegeven bundel: A Global Ethic and Global Responsibilities. Daarin wordt, in de marge van de viering van vijftig jaar Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, onomwonden gepleit voor een even Universele Verklaring voor de Plichten van de Mens. Dat deed Leo de Haes schrijven: "We koesteren een onhoudbare paradox: volledige individuele vrijheid gekoppeld aan een vadertje Staat dat voor ons allen zorgt en ook voor alles opdraait. Dat is niet alleen een onhoudbaar, maar ook een achterhaald maatschappijmodel. Geen leuke vrije markt zonder vrijheid, maar ook geen vrijheid zonder persoonlijke verantwoordelijkheid." (De Standaard, 2 oktober 1999)

Ik neem een wat lange aanloop om mijn verhaal af te ronden. Een kleine veertig jaar heb ik met studenten gewerkt. Eerst als assistent, vanaf 1968 als docent. Die tijd valt uiteen in drie episodes. Tot een stuk in de jaren zeventig waren de studenten danig lastig. Dan brak een periode van relatieve gezagsgetrouwheid aan. Rond 1990 is dat weer gekanteld. De assertiviteit is terug. Toch is het verschil met de lichtingen van tijdens en kort na mei 1968 levensgroot. Toen hadden de eisen hoofdzakelijk met groepsbelangen te maken: inspraak, studiebeurzen, sociale voorzieningen. Ze werden gedragen door organisaties, door bewegingen. Nu is de weerbaarheid overwegend van strikt persoonlijke aard. Het zijn individuele studenten die met een even individuele claim komen. De universiteit provoceert dat zelfs wat. Over examens debatteer je niet of nauwelijks via je vertegenwoordigers in de Academische Raad of in de Permanente Onderwijscommissies. Neen, je gaat in je eentje naar een ombudsman of -vrouw die je persoonlijk dossier behartigt. Of beter nog, je gaat zelf of met assistentie van je ouders rechtstreeks naar de vice-rector voor studentenzaken. De kans is groot dat je daar een gewillig oor vindt. Want nu de universiteiten elkaar studenten proberen af te snoepen ben je als academische overheid best zo vriendelijk mogelijk.

In een democratie kunnen assertiviteit, kritiek en scepticisme niet krachtig genoeg zijn. Op voorwaarde althans dat ze een gemeenschappelijke dimensie hebben, dat ze het eigenbelang wat overstijgen. Dat ontbreekt nu vaak. Maar misschien hebben we het wel aan onszelf te danken. We wilden wakkere burgers. Wel, we hebben ze nu. Alleen zijn we vergeten die collectieve dimensie te cultiveren. Misschien ligt hier wel de belangrijkste reden waarom een overheid die haar leven betert toch geen applaus krijgt.

'De overheid zal altijd een ronde achterlopen. Op het moment dat zij haar werking wat heeft vervriendelijkt, is in de privé-sector de klant alweer wat meer koning geworden''In een democratie kunnen assertiviteit, kritiek en scepticisme niet krachtig genoeg zijn, op voorwaarde dat ze het eigenbelang wat overstijgen. Dat is nu vaak niet zo'

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234