Donderdag 28/10/2021

'Mijn enige echte bekommernis was: zal ik nog kunnen schrijven?'

Hugo Camps is verrezen. Na drie maanden tussen kamer en intensieve zorg, hoop en wanhoop, leven en dood. De uitgestoken hand van die laatste heeft hij geweigerd. In de plaats greep hij die van zijn vrouw Martine. Hij vocht. Voor haar en voor zijn column: 'Ik wil kreupel zijn, hardhorig, halvelings blind, maar als mijn hersenen niet meer werken, dan hoeft het niet meer.'

Voortaan zal in het offensieve van mijn stukjes ook het defensieve van de dood zitten."

"Ben je er dan zo dichtbij geweest?"

Hij kijkt me streng aan. Zijn ogen branden. "Zo dicht als ik komen mensen zelden bij de dood."

Het is zondagavond, 12 mei, rond halfnegen. Terwijl de rest van Vlaanderen televisie kijkt vieren Hugo Camps en ik zijn verjaardag op eenheid 1 van de afdeling intensieve zorg van het UZ in Gent. Hugo is vandaag 70 geworden, maar dat heeft hij alleen kunnen vieren tijdens de officiële bezoekuren. Van drie tot vier uur 's middags, toen zijn dochter en Guy Verhofstadt langskwamen, en van acht tot negen, wanneer ik met hem over zijn gezondheid en die van De Morgen kom praten. Rond en naast Hugo hangen baxters en monitoren waarop je zijn bloedwaarden en hartslag kunt lezen. Zijn zeventigste verjaardag zouden we helemaal anders vieren. Rond nieuwjaar hadden we afgesproken dat er een boek zou komen, met al zijn beste columns en interviews uit De Morgen. We zouden een volledige Zeno aan hem wijden. En we zouden goed gaan eten, met al zijn vrienden rond één tafel. In de plaats daarvan zeg ik dat het wel goed komt, en dat hij binnenkort weer in de krant zal staan. Op de voorpagina. Elke dag. "Dat is het perspectief. Daar leef ik naartoe. Alleen dat houdt mij recht", zegt hij.

GRANDEUR

Voor de oorzaak waarom hij daar lag moeten we terugkeren naar dinsdag 5 maart, de dag waarop Hugo 's morgens voor een routine-ingreep naar het ziekenhuis van Knokke gaat. Een goedaardig poliepje in zijn darm moet worden verwijderd. Meteen daarna kan hij weer naar huis. Maar de operatie is niet goed uitgevoerd, zo zal later blijken. Het gevolg is een darmperforatie. De scheurtjes in de darm zorgen ervoor dat zijn vitale organen ontstoken raken.

De middag na de operatie schrijft hij een column voor de voorpagina en werkt hij een interview met Guy Verhofstadt voor DM Magazine af. Hugo schrijft in wondermooie zinnen, maar met helse pijn in de buik. Om 11 uur 's avonds, een uur nadat hij het interview heeft doorgemaild, verschijnt een onbekend nummer op mijn gsm. Het is Martine, de vrouw van Hugo:

'Hugo is opgenomen op de spoedafdeling in Knokke.'

Meer weten we op dat moment nog niet.

'Maar hou er rekening mee dat hij morgen misschien geen stukje zal kunnen schrijven.'

'Heeft hij nog ergens eentje op overschot zitten?'

'Ik denk het niet.'

De volgende middag krijg ik hem zelf aan de lijn: "Maak je geen zorgen, straks krijg je een stukje van mij." Hij zegt het terwijl hij vastgebonden op een bed ligt, draden uit zijn neus, een mondmasker op, overal doorzichtige zakjes met astronautenvoeding... Dat zie ik wanneer ik een paar dagen later naast hem sta, op de dienst intensieve zorg in Knokke. Zijn twee dochters zijn er ook. De oudste woont in Duitsland en Martine heeft de verplegers wijsgemaakt dat ik zijn dochters echtgenoot ben. Want enkel familie mag hem bezoeken. Ik hang met mijn oor aan zijn lippen, hou zijn hand vast en hoor hem weer brabbelen: "Ik zal snel weer in de krant staan. Misschien zaterdag al."

Martine vreest dat hij het niet haalt. De volgende dag laat ze hem naar het UZ Gent brengen. Haar buikgevoel is het enige juiste. Hugo komt in de handen van Piet Pattyn, professor gastro-intestinale heelkunde, over wie hij later verschillende keren zal herhalen dat die man en zijn team zijn leven hebben gered. Hij blijft nog een week op intensieve zorg, en mag dan naar een kamer. Bij elk bezoek ziet hij er beter uit dan bij het vorige. Met trots toont hij de nieuwe, flinterdunne laptop die hij cadeau kreeg van Martine, zodat ze samen, als hij is genezen, overal naartoe kunnen en hij toch columns kan blijven schrijven. Maar om de zoveel dagen is er iets: een nieuw abces, de koorts die niet zakt, een rib die breekt van het vele hoesten...

Op vrijdag 19 april belt Martine, de tanden op haar lip, tranen in de ogen. Hugo is geopereerd. Opnieuw.

Hij ligt op intensieve zorg. Opnieuw.

Ze weet niet zeker of het deze keer nog goed komt.

Ze trekt zich op aan de woorden van professor Pattyn: "We moeten één grote stap achteruit zetten om er tien vooruit te zetten."

De eerste dagen op intensieve, na toch al anderhalve maand ziekenhuis, is Hugo kwaad. Op de hele wereld. "Als je ijlt dan worden de mensen die het dichtst bij je staan, en die je het meest dierbaar zijn, ook het meest kwetsbaar", zal hij later vertellen. "Want het is eigenlijk nooit genoeg, denk je dan. Dat vond ik wel jammer van mezelf, dat ik op dat moment niet de grandeur had om dat onderscheid te maken."

De aanmoedigingen van Martine halen hem er bovenop. De dag na zijn verjaardag mag hij opnieuw naar een kamer. Van dan af gaat het goed vooruit. Zodra alle bloedwaarden in orde zijn kan hij naar huis.

BUITEN DE WERELD

Hugo Camps is een week thuis wanneer tussen ons een bandrecorder ligt. Hij praat helder, rustig en in mooie zinnen. Zelfs als hij het heeft over die ene arts uit Knokke, die de routineoperatie had uitgevoerd. "'s Avonds belde Martine hem. Ze zei dat ik verschrikkelijk veel pijn had. Daarop zei die man: 'Geef hem maar een Dafalgan'. Dat was zijn oplossing. Terwijl hij waarschijnlijk van een Chablis nipte."

Wat herinner je je nog van die eerste twee weken op intensieve zorg?

"In één keer werd ik overvallen door het verlangen om te doden. Ik ontstak in een waanzinnige, ongetemde razernij. In mijn ijlkoorts, natuurlijk. Die chirurg was nog één keer langs mijn bed gelopen en hij deed zo (steekt zijn duim op). Een bouwvakkersduim, met aftrek van de elegantie van een bouwvakker. Toen ben ik ziedend geworden. Maak de balans: een medische fout kan iedereen maken, maar een gebrek aan nazorg, nonchalance bij het opvolgen van een 'operatietje', dat is onvergeeflijk. Ondertussen zijn we drie maanden verder, heb ik drie maanden alleen een ziekenhuis gezien, ben ik drie maanden drooggelegd, heb ik niets kunnen schrijven en ben ik eigenlijk buiten de wereld geplaatst. Door die ene man."

Hoe voelt dat: buiten de wereld geplaatst zijn?

"Je krijgt maar ontferming als je ontferming geeft. Als je buiten de wereld bent geplaatst, geef je niets meer. Het gevoel van uitsluiting woog bij mij erg zwaar. Juist omdat ik dacht dat ik nog wel iets te vertellen had. Maar ik kon niet. Ik lag daar maar, te staren naar het plafond. Ik voelde de geestelijke drooglegging, omdat ik geen zin meer had in een onderschrift bij een foto van de krant. Ik las enkel nog de headlines. Als je niets kan doen met de actualiteit, met de wereld om je heen, dan denk je: stop maar, ik wil eraf.

"Ik had het gevoel dat mijn leven voorbij was. Tien jaar lang heb ik elke dag naar het hoogtepunt van mijn column geleefd. In het ziekenhuis was mijn enige echte bekommernis: wanneer kan ik opnieuw schrijven, en zal ik nog kunnen schrijven? En natuurlijk werd het steeds erger, want naarmate ik steeds meer in de actualiteit dook, zag ik de dingen die me irriteerden, de mensen die ik helemaal niet meer vertrouwde, de leugen, het populisme, natuurlijk. En het ergste van al: ik zag bijvoorbeeld in die hele Vlaamse regering geen minister die de hand uitstak. Dat is de cultuur van De Wever. Hij heeft nog nooit een hand uitgestoken en zal dat ook niet doen. Dat vind ik gruwelijk, zeker wanneer je burgemeester bent."

Doet het pijn als je dat ziet en daar niets mee kunt doen?

"Ja. Ik had zo graag een stukje geschreven over de kleding van De Wever. Om de andere dag heeft hij een kostuum aan. Krijtstreep. Genre 19de eeuw, New York. Er ontbreekt alleen nog een borsalino. Ik wantrouw sowieso mensen die permanent van uiterlijk wisselen. Daar klopt niets van. Maar in één keer dat gestreken zijn. Terwijl ik mij hem nog herinner als een sloddervos met een hemd dat niet eens wit wou zien. En nu dat ingeblikte. Dan denk ik: man, jij bent alleen nog kunstmatig bezig. Dat had ik willen schrijven."

Had je het gevoel dat je de lezers van De Morgen ontgoochelde toen je dat niet kon opschrijven?

"Dat gevoel heb ik gekregen door de vele reacties van mensen die zeiden: 'We hopen dat je terugkomt'. Tot mijn grote verbazing."

Waarom tot je verbazing?

"Ik heb nooit meegedaan aan een competitie in populariteit en ik heb de dingen niet altijd even fijnzinnig opgeschreven. Maar in één keer kreeg ik briefjes. Nota bene van Jan Peumans. Handgeschreven. Nog een les: je wordt ontroerd door een handgeschreven briefje. Je bent gewoon aan mails, en dan valt er een handgeschreven brief binnen. Dat geeft een ander soort ontroering. De briefjes die ik kreeg, die koester ik. En ik heb me ook voorgenomen om zelf weer wat meer brieven te schrijven.

"Ik voelde ook dat veel lezers in mij een soort van mening zagen. En dat ze een krant willen met een mening. Niet de klassieke mening van het hoofdartikel, dat veel belangrijker is dan mijn gedoe. Maar wel een mening die out of the blue komt, die én het hart én het verstand beroert. De identificatie van een hinkende mens die toch zegt: nu steek ik mijn nek uit en dit deugt niet en dat deugt wel. Die duidelijkheid. Ik denk dat mensen daar gevoelig voor zijn.

"Bovendien werken de media in een soort gemeenzaamheid. Zeventig procent van de krant is inwisselbaar: De Morgen, de Standaard, Het Laatste Nieuws zelfs. Je zit met een marge van twintig, dertig procent. Daarin zit de identiteit. Omdat ik daarin kon bijdragen vond ik mijn werk nuttig, en zijn het de mooiste jaren van mijn journalistieke leven geworden."

Ik heb ook het begrip collega herontdekt. Wij opportunisten van het moment, die met onszelf en ons stukje bezig zijn, ervaren de collega's als een soort behang, als een muziekje op de achtergrond. Je weet dat ze er zijn, maar de grote emoties komen met een enkeling. Door de reacties kreeg het begrip collega inhoud. Het gevoel dat je toch tot een gemeenschapje behoort en dat mensen willen weten wat er met jou gebeurt. Dat neemt veel kilte weg."

Hoe voelt het om zo dicht bij de dood te zijn ?

"Er is de woede. Je denkt: haal me dan in godsnaam in één keer weg. De angst voor het slepende. Dat voelde ik wel. Ik had er mij mee kunnen verzoenen, maar mijn trots stond in de weg. Ergens in mijn achterhoofd was er een stem die zei: 'Je accepteert de dood niet uit handen van een klungelaar, daar zorg je zelf voor.' Ik vond de prijs iets te hoog om na een blunder, een arrogante nonchalance, over mijn leven te laten beslissen."

Wil je dan zelf beslissen wanneer het gedaan is?

"Dat niet. Dat kon ik ook niet, daarvoor was ik al te ver weg. Ik was aan het ijlen. Ik had geen controle meer over mijn verbeelding, of over mijn gedachten. Maar ik weet wel nog de woede die er was, en de gedachte: aan een klungel gun ik mijn sterven niet. En dan was er de uitgestoken hand van Martine, die me niet meer losgelaten heeft. Anders was het wel gedaan geweest. Drie keer ben ik kritiek geweest. Dat is zeker twee keer te veel."

Weet je nog met welk gevoel je wakker werd toen je na een maand op een kamer weer op intensive care wakker werd?

"Onverschilligheid, maar wel met een beetje hoop dat het goed zou komen. En dat kwam omdat de meesterlijke hand van Piet Pattyn mij de tweede keer geopereerd heeft. Die heeft al het knoeiwerk opgelost. Hij heeft me gered. Nadien had ik een gesprekje met hem, en ik was meteen weer over mijn column begonnen. Waarop hij zei: 'Rustig aan.' En toen vroeg ik: 'Maar hebt u dan geen passie?' Hij zei: 'Ik heb een passie voor alles wat groeit, dus voor mijn tuin, en ik heb een passie voor klarinet.'

"Toen zag ik die man met wereldfaam in Merelbeke 's avonds als hij uit het ziekenhuis komt klarinet spelen. Dat vond ik ontroerend. Ik dacht: als je daarmee gelukkig kunt zijn, dan zit er voor mij misschien ook nog iets in. Met die gedachte doe je verder. Maar een bewuste keuze was dat niet, het speelde zich meer in mijn onderbewustzijn af."

Als dit interview verschijnt, verschijnt ook je eerste column in drie maanden. Ben je daar zenuwachtig voor ?

"Jawel. In dit interview vertel ik hoe ik mij voel, welke steun ik gehad heb en hoe diep mij dat geraakt heeft, dus daar zal ik in mijn column niet meer op terugkomen, al zal ik op het einde de lezers en de krant bedanken voor het vertrouwen. Ik kan niet blijven mekkeren over het ongeluk en wat mij is overkomen. Dus ben ik van plan meteen met de nagel op de kop terug te keren. Loopt De Wever in achterlijke sandalen, oké, hij krijgt ze naar zijn hoofd. Dus zal ik doen alsof er niets gebeurd is, weliswaar met een dankwoordje.

"Ik heb erover nagedacht of ik anders zou schrijven, maar dat zou dan betekenen dat ik ook andere onderwerpen zou nemen. Er zijn columnisten die de huiselijkheid beschrijven: kat, boom, vrouwtje, keukenprinses... Dat is mij te weinig. Ik wil toch ook iets wat hout snijdt, en iets wat met de samenleving te maken heeft. Mensen verkijken zich daar soms op. Ik word wel eens de rooie Camps genoemd. Maar ik heb geen enkele affiniteit met eender welke partij. Ik ben politiek verweesd en dakloos. Mijn allerlaatste ideologische omhelzing met een politicus was met Karel Van Miert. En toen was het voorbij."

Vroeger was je ook al zenuwachtig. Elke dag. Voor elk stukje. Hoe komt dat?

"Op het moment dat ik mijn column verstuur, ga ik een beetje dood. Ik denk dat dat genetisch is. Mijn vader heeft me altijd voorgehouden: wij waren niks, wij zijn niks, en we zullen nooit iets zijn. Die zin heb ik 150 miljoen keer gehoord. Op den duur krijg je dat mee. Zit het erin. Als een soort van zweer die niet meer weggaat. Er was ook de vernedering van het internaat, toen ik daar op mijn negende binnenstapte. Het klassegevoel. Om de zes weken mochten we naar huis. Bij mij duurde het soms wat langer. De prefect ging dan mee naar buiten, waar de Chevrolets en de Buicks stonden te wachten. Mijn vader kwam in zijn kleine Opel Kadett achteraan in de rij, en hij heeft nooit een hand gekregen van de prefect. Waar hij stond, hield de begroeting op. Dat zijn dingen die je niet vergeet.

"Elke dag als ik schrijf en ik lever mijn stukje in, dan word ik bang en onzeker, en zit ik te wachten op een telefoontje. Want het is toch een vorm van intimiteit die je afstaat. En het schrijven is ook voor een stuk een gok. Mijn stelling is: wanneer je op tien columns zes behoorlijke kunt maken, dan heb je het goed gedaan. Dus ik sta me het recht op falen toe, maar ook weer niet zo dat het gênant wordt.

"En soms twijfel je: wanneer ga je te ver?, wanneer ben je baldadig bezig? Dat is iets wat ik niet wil. Ik wil scherp zijn, en ongezouten, al wat je wil. Maar ik wil nooit iemand gebruiken om eender welke frustratie te ventileren. Als ik boos ben, dan ben ik oprecht boos. En niet omdat ik een nacht slecht geslapen heb. Ik ben authentiek in mijn emotie. Maar ik moet er wel voor waken dat ik ook niet doorschiet. Dat is al wel eens gebeurd en dan heb ik spijt."

Gebeurt dat vaak?

"Er zijn dagen geweest waarop ik de krant niet wou bekijken. Ik was al op voorhand beschaamd voor wat ik geschreven had. Een column is voor mij toch een soort van testament. Als ik niet geloof dat het eeuwigheidswaarde heeft, dan hoeft het niet. En ik weet natuurlijk dat het dat niet heeft, maar je moet het jezelf wél wijsmaken. Als je dat niet doet, dan is een columnpje zo gepiept."

Je laatste ideologische omhelzing met een politicus was met Karel Van Miert, zei je. Maar toen je op je verjaardag op intensieve zorg lag stond Guy Verhofstadt naast jou.

"Guy Verhofstadt is een persoonlijke vriend. Ik heb nooit voor hem gestemd. Ik heb ook nooit voor de liberalen gestemd, altijd voor de sp.a. Maar Verhofstadt stond daar niet omdat ik met hem politiek verkeer heb, of omdat ik me aangesproken zou voelen door het liberalisme. Verhofstadt stond daar omdat wij vrienden zijn. Regelmatig hadden wij een etentje: Erwin Mortier, Veerle Claus, Verhofstadt, Martine en ik... Om de drie maanden. En dan ging het zelden over politiek, maar over het leven en over kunst."

Wat is voor jou een vriend?

"Iemand zonder verraad. En iemand die genereus kan zijn. Ik kan mij niet voorstellen dat ik vrienden zou hebben die mij achter een glaasje water zouden zetten als ik op bezoek ga. Dat zal hier ook nooit gebeuren. Kijk, ik heb Verhofstadt al eens aangevallen in de krant. Dat moet natuurlijk kunnen. Boven alles ben ik journalist. Daar zijn alle vriendschappen aan ondergeschikt. Daar is zelfs de liefde aan ondergeschikt. Al moet ik zeggen, dat is ook een les, zonder Martine, mijn vrouw, was ik er niet doorgekomen. Echt waar niet. Zonder haar had ik het opgegeven."

Had je verwacht dat ze zoveel voor jou zou doen?

"Neen. Omdat ik het bijna onmenselijk vond. Maar dat is het wonder van een vrouw: dat zij zich zo, zonder enige terughoudendheid, kan inleven en geven aan de liefde. Ik kan dat niet. Ik neem mezelf dat kwalijk, en ik probeer dat goed te maken, met een restaurantje, of bloemen, of een reisje naar Saint-Tropez. "

Hoe voelde het fysiek om drie maanden aan een stuk niet uit je bed te kunnen?

"Ik lag in mijn bed te kijken naar de Giro. Je ziet de jongetjes pedaleren. De truitjes zien er mooi uit. Op een bepaald moment snakte ik naar buiten, naar wind. Ik wou gestreeld worden door de wind. Het is een gevecht, en op een bepaald moment geef je het op. Dan zeg je: oké, ik kan toch niet opstaan, dus moet ik maar proberen om er goed bij te liggen, een goed kussentje onder mijn hoofd, proberen recht te liggen als het kan. Nu is het anders. Ik ben weer aan het stappen, volgens de kinesist loop ik volgende week gewoon buiten, zonder hulp. Dat is nu mijn grote perspectief, naast mijn column."

Ben je bang geweest dat je er mentaal wat aan zou overhouden ?

"Toen ik hoorde dat ik een paar keer beademd ben geweest, dan heb je het toch over een comateuze toestand. Als dat was gebeurd, dan had ik het opgegeven. En ik zeg dat met het grootste respect voor de mensen die wel de kracht hebben om dat te doorstaan."

Je zou hetzelfde doen als Hugo Claus?

"Ja. En daar heb ik goed over nagedacht. Ik wil kreupel zijn, hardhorig, halvelings blind, maar als dit (wijst naar zijn hersenen) niet meer werkt, dan moet het niet meer. Dat heeft ook te maken met een soort van misschien misplaatste trots, maar het is niet anders. Ik heb toch geprobeerd, in al die jaren, om intellectueel een beetje mee te kunnen, om een stemmetje te hebben in het debat. Als ook dat je wordt ontnomen, dan blijft er niets meer over. Ik kan geen bodybuilder of voetballer worden. Ik moet mijn troost zoeken in een beetje intellectuele oefeningen. En als dat niet meer kan, als je in je hoofd niet eens meer een mooie zin kunt vormen... Als de taalgevoeligheid wegvalt, ben je geamputeerd. Taal is het wezen zelf. Ik kan me ook niet anders voorstellen dan dat ik in taal leef."

STEAK BEARNAISE

Wanneer besefte je dat in de journalistiek - in de column en het interview - je grootste talent lag? Waarom ben je geen romancier geworden?

"De voorstellen waren er wel, maar ik dacht: er zijn al genoeg schrijvers, ik ga me met die heren niet meten. Ik blijf op mijn eigen terrein, als een soort sprintertje. En verder kom ik niet. Op een bepaald moment heb ik me voorgenomen: ik schrijf alleen nog over de mens. Ideologie interesseert me niet, politiek ook niet, achtergrond ook niet. Sterker nog, ik ging het liefst praten met een mijnwerker op café. Dat was mijn vriend. Als je dat soort gesprekken voert, voel je langzamerhand dat er een mooi stuk in zit.

"Bij Elsevier ben ik dan overgeschakeld op dat wekelijkse interview. Dat werd ook een soort passie. In een restaurant zitten met iemand en je afvragen: wie durft het het langst stil laten zijn. Dat soort trucjes bedenken. En toch iemand kunnen overhalen om zonder al te gortig voyeurisme buiten zichzelf te treden met emoties en gedachten. Dat vind ik een uitdaging. Ook al is dat een B-actrice, of een sporter, of Kris Peeters. Een röntgenfoto op papier maken. En je weet: in dit interview gaat hij of zij een stapje verder dan hij of zij ooit eerder is geweest."

Hoe doe je dat?

"Door heel nederig te zijn. Door iemand het gevoel te geven dat er een sfeer van vertrouwen is. En je zet ook wat in van jezelf, je vertelt ook over jouw tegenslag. Als je aan iemand vraagt om open te zijn, moet je zelf ook open zijn. Je geeft een beetje om te nemen. En dan: timing. De juiste vraag op het juiste moment. Als je dat dan vijfentwintig jaar doet, dan heb je het vaktechnisch wel in je. En natuurlijk is het ook belangrijk dat je inlevingsvermogen hebt. Dat je kunt voelen wat het is als iemand zegt: ik heb een kind verloren. Ik heb dikwijls met tranen in mijn ogen bij een interview gezeten. Dat had ik vooral wanneer er van de andere kant een mooie zin kwam. Als iemand zegt dat hij een kind heeft verloren, daar kan ik wel tegen. Maar de manier waarop je dat zegt, de manier waarop je over verlies praat, dat is eigenlijk nog meer ontroerend dan het verlies zelf.

"Daarom heb ik ook een hekel aan tv-journalistiek. Het jagen op de quote. De hijgerigheid. Mensen niet meer laten uitspreken. Een soort van autoritair optreden, zoals in Terzake. Ik vind Terzake niet meer te pruimen."

Vind je wat je doet minder dan wat Hugo Claus deed, of dan wat Erwin Mortier doet?

"Ik heb geen keuze. Ik ben van dat sprintvolk: korte adem, maar wel intens. Misschien een pistier. Literair is het minder, zeker, daar kun je niet omheen. Maar of het zoveel minder voor de samenleving betekent ? Ik ben altijd dolgelukkig als ik op een terrasje iemand De Morgen zie lezen. En tot mijn verbazing zie je dan mensen, van wie het uiterlijk meer lijkt op iemand die het vuilnis ophaalt, in de cultuurpagina's dwarrelen. Dat vind ik fantastisch. Ik weet, zie en hoor dat de krant nog altijd geesten ontsluit en mensen confronteert met nieuwe horizonten. Dat kun je niet minderwaardig noemen."

Was schrijven voor De Morgen voor jou een vorm van thuiskomen?

"Zonder twijfel. Ik heb de groei van de krant gezien, maar ook de crisis. Het is mijn bloedgroep. De Morgen is nog altijd de meest avontuurlijke krant, die het minst langs afgebakende paden wandelt en eigen standpunten durft in te nemen. Al denk ik soms dat we nog te veel strijkplank zijn. Het zou wat meer mogen, en wat feller ook. Maar het is een verademing als je dat vergelijkt met andere kranten. In Parijs zei Hubert Beuve-Méry, de stichter van Le Monde mij ooit: 'Een krant die niet alleen durft te staan heeft geen legitimiteit.' Daar ben ik het grondig mee eens. En ik ben blij dat De Morgen in die hysterische hype rond De Wever en de N-VA nog alleen durft te staan."

Vind je niet dat er vandaag te weinig vakmensen in de krantenjournalistiek zijn?

"Er is alleszins te veel kantoorjournalistiek gekomen. Van de eerste dag specialiseert iedereen zich. Een krant heeft generalisten nodig. Ik weet wel: de wereld is ingewikkelder geworden. Ik ben niet in staat om een economisch stuk te maken, ik kan niet eens een begroting lezen. Natuurlijk heb je mensen nodig die dat wel kunnen, maar het is een teloorgang dat er nog zo weinig echt grote generalisten zijn.

"Mensen die in de journalistiek willen gaan moeten gepassioneerd zijn. Je kunt niet van negen tot vijf journalist zijn. Onmogelijk. Als de krant belt en je hebt net een steak bearnaise besteld dan reken je af en ga je naar de krant."

Heb je gulzig geleefd?

"Ik heb heel gulzig geleefd. Omdat de wereld mij in één keer overkwam. Ik had geen culturele achtergrond. Een dorp. Aan de universiteit wat kleinkunst, dat muffe gedoe van Miel Cools en anderen. Toen ik in de journalistiek kwam ging er een wereld voor me open. Ik moest naar andere mensen gaan. Terwijl ik eigenlijk altijd, zo lang als ik mij herinner, verplicht geweest ben om een drempel over te gaan om andere mensen aan te spreken. Ik ben fundamenteel verlegen. En ik heb dikwijls als ik ging spreken eerst een drankje moeten nemen om mij wat op mijn gemak te voelen."

Ben je een andere mens geworden door de voorbije drie maanden?

"Een ander mens durf ik niet te zeggen. Ik heb me ook afgevraagd of ik nu milder ben. Dat ben ik zeker, maar eigenlijk was ik dat al, het werd alleen niet helemaal gezien. En ik weet zeker dat ik iets zorgzamer zal zijn met mijn persoonlijke relaties. Tot nu was het: de krant roept, en dan bleef de deur dicht, wie er ook op de stoep stond, zelfs al was het mijn dochter. Dat zal ik wat versoepelen. Maar verder? Ik blijf wonen in taal, ik blijf denken in zinnen, ik blijf zoeken naar een enkel nieuw woord."

Je bent niet, door alles wat je nu is overkomen, gelovig geworden?

"Integendeel. Als een bevoegd en gediplomeerd chirurg het lichaam van een buitenstaander zo kan verkloten, dan deugt die God ook niet."

Je hebt nog niet gedacht: nu ga ik met pensioen?

"Neen. Als ik dat formuleer, dan hoeft voor mij niets meer. Het is mijn grootste angst geweest: dat mijn column zou stoppen en dat ik dan hier naar die haag zou zitten kijken, en een soort ersatz-romannetje zou zitten schrijven."

Ga je ooit met pensioen?

"Ik denk het niet. Als De Morgen vindt dat het genoeg was, dan probeer ik wel bij het parochieblad (lacht)."

Een column is voor mij toch een soort van testament. Als ik niet geloof dat het eeuwigheidswaarde heeft, dan hoeft het niet. En ik weet natuurlijk dat het dat niet heeft, maar je moet het jezelf wél wijsmaken

Ik heb toch geprobeerd, in al die jaren, om intellectueel een beetje mee te kunnen, om een stemmetje te hebben in het debat. Als ook dat je wordt ontnomen, dan blijft er niets meer over. Taal is het wezen zelf. Ik kan me ook niet anders voorstellen dan dat ik in taal leef

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234