Dinsdag 21/01/2020

Migratie als uitdaging, niet als schrikbeeld

'Inburgering geeft de migranten, vooral ook de vrouwen, de kans om beter gewapend aan het sociale verkeer deel te nemen. Ik zie niet goed in hoe je iemand belemmert in zijn culturele eigenheid wanneer hij of zij een nieuwe taal leert of de basisbeginselen van onze democratische samenleving uitgelegd krijgt''Ik geloof dat het cultuurrelativisme zijn grenzen heeft. Het is niet omdat je respect opbrengt voor andere culturen dat je de basisbeginselen van menselijke waardigheid en democratie terzijde moet schuiven op grond van cultuurverschillen''Het argument dat de islam op zich geen discriminerende houding aanneemt tegenover vrouwen, dat je dat niet kunt terugvinden in de koran, klopt voor het grootste deel. Maar het heeft weinig te maken met de dagelijkse realiteit'

Karel De Gucht / Foto Joost van den Broek / HH

Het migrantenprobleem, de inburgering, de veiligheid, het brede maatschappelijke onbehagen, het zijn allemaal terreinen waarop de VLD als volwassen, democratische partij richting moet geven, zeker als ze de ambitie heeft om uit te groeien tot een brede, open volkspartij, stelt voorzitter Karel De Gucht in zijn binnenkort te verschijnen boek De toekomst is vrij. Een exclusieve voorpublicatie.

Antwerpen lag er stralend bij op 4 april 2002. Lentezon, paasvakantie, tijd voor een bolleke op een terrasje. Tot een harde kern van jongeren in de marge van een niet-aangevraagde protestbetoging tegen het Israëlische optreden in de Palestijnse gebieden door de buurt rond de Ommeganckstraat raasde. Wat op korte tijd vernield kon worden, moest eraan geloven. Je zag op televisie opgehitste jonge allochtonen met wapperende Palestijnse sjaals hun vernielzucht botvieren. Het was zover: de intifada had onze achtertuin bereikt. Een bedremmelde burgemeester Leona Detiège kwam uitleggen dat de politie op de efficiëntst mogelijke manier had gereageerd. Want de Antwerpse agenten, zoals steeds alert en goed georganiseerd, hadden kunnen verhinderen dat de betogers de joodse wijk binnentrokken. Er waren al gevallen bekend van agressie tegen joden op straat. Wat zou er niet gebeurd zijn als honderden ontketende heethoofden de synagogen in het vizier hadden gekregen?

Woordvoerders van de allochtone gemeenschap veroordeelden de rellen met zeer veel nadruk en hadden het over losgeslagen herrieschoppers. Ze beseften dat het effect van de stenengooierij alleen maar negatief kon zijn voor hun gemeenschap en voor de perceptie van het Palestijnse probleem hier te lande. En dat het nu uitgerekend weer in Antwerpen moest gebeuren, het bolwerk van het Vlaams Blok. Ook die bedenking kon je in de ogen lezen van de hogelijk verontruste allochtone woordvoerders.

De media hadden het met het gebruikelijke gevoel voor relativering over het trauma van Antwerpen. Na de beproevingen van Ramallah, Nabloes en Bethlehem was het nu de beurt aan deze Noord-Europese havenstad. Antwerpen als strijdtoneel van de onvermijdelijke botsing van de beschavingen? Krijgt de Amerikaanse professor Samuel Huntington gelijk wanneer hij de komende jaren afschildert als het tijdperk van de islamitische oorlogen, met alles wat dat betekent voor de kansen op integratie van een migrantenbevolking die voor een groot deel uit moslims bestaat? Is het onvermijdelijk zo dat de tegenstellingen de komende jaren alleen maar zullen toenemen en was het zo fel bediscussieerde gemeentelijk stemrecht voor migranten een van de laatste kansen om die trend te stuiten? Is de reactie op de problemen met de migratie, de opkomst van uiterst rechts, een wetmatigheid waar weinig aan te doen valt? En kun je vermijden dat de integratieproblemen groeien door de inwijking van nieuwe migranten te beperken tot verwaarloosbare aantallen?

Laten we bij het laatste beginnen. Nogal wat mensen geloven dat België en Europa de migratie zo drastisch mogelijk moeten terugdringen. België huldigt net als de meeste andere Europese landen al geruime tijd, sinds 1974 om precies te zijn, een officiële migratiestop. Destijds kwam die er omdat de regering vond dat de arbeidsmarkt verzadigd was. Dezer dagen hoor je meer en meer het argument dat de migratiestop noodzakelijk is om het sociale draagvlak niet te sterk onder druk te zetten.

Vanzelfsprekend zijn er nog uitzonderingen mogelijk, zoals in het geval van gezinshereniging. Maar ook daar stijgt de druk, want er zijn indicaties dat gezinshereniging niet alleen dient om echtparen en gezinnen bij elkaar te brengen, maar vooral door de verdere familieleden wordt gebruikt om de immigratieregels te omzeilen. In elk geval is het duidelijk dat de economische migratie in grote mate wordt belemmerd. Door die migratiestop nemen grote groepen potentiële migranten hun toevlucht tot de enige andere mogelijkheid om naar Europa te komen: het systeem van het politiek asiel. In 2000 alleen vroegen 450.000 mensen asiel aan in Europa, met alle problemen van dien. Een oneigenlijk gebruik van dat systeem, zoveel is duidelijk.

Het resultaat is genoegzaam bekend: ellenlange wachtlijsten, administratieve complicaties, overbelaste OCMW's, opvangcentra, met als uiteindelijk resultaat dat velen worden teruggestuurd terwijl anderen in het Europese netwerk van de illegaliteit verdwijnen.

Je kunt er niet omheen, het probleem zal niet verdwijnen. Reizen zijn de jongste decennia een stuk goedkoper geworden. We stappen tegenwoordig op een vliegtuig zoals onze grootouders de trein namen. De media laten overal in de wereld de weldaden van het rijke Westen zien. Amerikaanse soaps zoals The bold and the beautiful, - met hun, op zijn zachtst gezegd, nogal vertekend beeld van het Westen - behoren in menig ontwikkelingsland tot de meest bekeken televisieprogramma's.

Tegelijkertijd krijgen steeds meer mensen in de derde wereld en in de voormalige Oostbloklanden een opleiding die hen, althans theoretisch, uitzicht moet geven op een behoorlijke baan. Maar dat wil niet altijd lukken. Een verwachtingspatroon dat in de loop der jaren werd opgebouwd, eindigt in frustratie en het besef dat de kansen in het thuisland niet vergelijkbaar zijn met die in het Westen. Net zoals miljoenen Europeanen in de negentiende eeuw hun verstarde continent met zijn klassenmaatschappij achter zich lieten om hun toekomst op te bouwen in Amerika, staan er nu honderdduizenden klaar om hetzelfde te doen in Europa en de andere rijke landen.

Dat zijn lang niet diegenen die met de hongerdood worden bedreigd. Het zijn niet de berooide en uitgemergelde mensen uit het zuiden van Soedan die in grote groepen naar Brussel of Antwerpen trekken om te overleven. De Chinezen die in een Nederlandse vrachtwagen in Dover werden gevonden, gestikt tijdens het lange transport, waren niet op de loop voor levensbedreigende honger. Ze waren op zoek naar een baan, naar mogelijkheden voor zichzelf en hun familie om het economisch een beetje beter te hebben, naar kansen om wat perspectief in hun leven te brengen.

In een wereld waarin ideeën geen grenzen meer kennen, waar de handel in toenemende mate vrij wordt en leidt tot een aantoonbare stijging van de welvaart, ook in derdewereldlanden, is het onmogelijk voor Europa, en a fortiori voor België, om zich terug te trekken in een ondoordringbaar fort, afgesloten van elke migratiedruk. Ik vind het, zeker vanuit liberaal standpunt, ook onverdedigbaar. Zo'n isolationisme in de vorm van een absolute migratiestop is niet alleen irrealistisch maar evenmin wenselijk.

Daarbij gaat het niet alleen om de menselijke kost van strak gesloten grenzen in de vorm van bijvoorbeeld de aanspoelende lijken op de Spaanse zuidkust, maar ook om het besef dat Europa het zichzelf moeilijk maakt wanneer het zich terugtrekt in een splendid isolation.

Europa kampt met een versnellend vergrijzingsprobleem. Het aantal zestigplussers maakt op dit ogenblik ongeveer 30 procent van de bevolking uit en dat percentage stijgt voortdurend. Als het aantal geboortes op het huidige peil blijft - de trend is nog steeds eerder dalend -, zal de bevolking in Europa de volgende vijftig jaar met veertig miljoen mensen afnemen. De Verenigde Naties pleiten daarom in het geval van Europa voor wat ze 'vervangingsmigratie' noemen.

Bovendien toont de geschiedenis dat de economische balans van migratie vrij positief is. Landen met een uitgesproken migratiegeschiedenis, zoals de VS, Canada of Australië, konden vaststellen dat migratie leidt tot een verhoging van de economische groei. Wil dat zeggen dat een min of meer gecontroleerde migratie een probleemloze aangelegenheid is? Allerminst. Volledig open grenzen zouden tot een overrompeling leiden die de absorptiecapaciteit ver overtreft, de sociale zekerheid ontwricht en het sociaal weefsel bijzonder zwaar belast. Geen enkel westers land staat daarom onbegrensde immigratie toe. Wel bestaat er in nogal wat 'jonge' landen, zoals Canada en de VS, een quotasysteem waarbij jaarlijks een bepaald aantal migranten wordt toegelaten. Maar zelfs al zouden de Europese landen een quotaregeling voor migratie invoeren, vergelijkbaar met wat al jaren gangbaar is in de VS, dan nog zouden een heleboel mensen proberen om buiten dat wettelijke kader de grenzen over te steken. De VS worden af en toe afgeschilderd als model van een geslaagd migratiebeleid, maar enorme inspanningen aan de grens met Mexico, compleet met een sensorennetwerk, speciale politiediensten en helikopters, vertellen een ander verhaal. Want om je in de VS te kunnen vestigen, moet je aan een aantal criteria voldoen en er bijvoorbeeld in slagen om de beruchte green card, een soort van arbeidsvergunning, te krijgen.

De migratie naar Vlaanderen kwam pas in de jaren zestig goed op gang, eerst in het Limburgse mijngebied. Wallonië had zonder noemenswaardige problemen de komst van Vlaamse, Italiaanse en Spaanse migranten in de Borinage en rond Luik verwerkt, niemand zag enig probleem opdoemen wanneer Vlaanderen zich aan een vergelijkbare onderneming zou wagen.

Maar na verloop van tijd bleken er verschillen te zijn. De nieuwe migranten kwamen niet meer in hoofdzaak uit Zuid-Europa, maar van net iets verder, uit Noord-Afrika en uit Turkije, en dat veranderde de hele socio-culturele achtergrond. De Mezzogiorno in Zuid-Italië is, wat de Noord-Italianen ook mogen beweren, niet echt te vergelijken met het Marokkaanse Rif-gebergte of met Anatolië. Als je daaraan toevoegt dat deze nieuwe migratiegolf in hoge mate was samengesteld uit moslims, is het evident dat integratie een stuk moeilijker was.

Anderzijds bleek het in Vlaanderen niet helemaal duidelijk wat men, eerst met de gastarbeiders en nadien met de nieuwe migranten, wilde doen. In Wallonië vond daarover nooit veel discussie plaats. De kennis van de taal en de integratie in de lokale gemeenschap werden stilzwijgend en algemeen verondersteld. Een taalsituatie die erg verschilt met die in Antwerpen of in Gent, waar vreemdelingen meestal wel terechtkunnen in het Frans of het Engels. Assimilatie is in Franstalig België het enige alternatief en dat heeft, zo blijkt, het grote voordeel van de duidelijkheid.

Vlaanderen stelde zich dubbelzinniger op. Voor een deel uit argwaan, misschien zelfs uit angst. Moesten die gastarbeiders hier blijven? Was het niet de bedoeling dat ze op termijn terug zouden keren naar hun land van herkomst? Was het niet beter niet te veel integratie-inspanningen te organiseren zodat ze naderhand gemakkelijker zouden kunnen vertrekken? De onwennigheid met inwijking was hier ongetwijfeld een van de oorzaken. Het was een compleet nieuw fenomeen waarvan niemand goed wist waartoe het zou leiden.

Bovendien twijfelden nogal wat mensen in Vlaanderen aan de ethica van een integratiebeleid. Integratie doet afbreuk aan de culturele identiteit van de migranten, zo vinden sommigen, want de oude identiteit dreigt verdrukt te worden door de nieuwe. Het zou betekenen dat het westerse beschavingsmodel zijn eigen superioriteit oplegt en de andere cultuur uit alle macht verdringt. Het zou de negatie zijn van de na te streven multiculturele samenleving, waar naast elkaar leven in verscheidenheid het doel is, en niet het samenleven gesteund op dezelfde basiswaarden.

Terwijl Wallonië dat, wellicht terecht, nooit een discussie waard vond, leidde het in een getormenteerd Vlaanderen, worstelend met de eigen identiteit, tot nog meer twijfels. Wat mogen we, in eer en geweten, vragen aan migranten? Wat betekent het zo gekoesterde respect voor hun cultuur? Betekent dat ook het respect voor de soms uitgesproken discriminatie van vrouwen? Moeten we dan, in naam van de culturele verscheidenheid, tolereren wat we van iemand anders hoogst verwerpelijk vinden? Vlaanderen raakte er niet uit en verslikte zich in zijn twijfels. Het Vlaams Blok kreeg een open terrein voor de voeten, een platgewalst voetbalveld waar de bal met een kleine tik alle richtingen op kan.

Omdat Vlaanderen zo naïef en zo weifelend reageerde op de nieuwe migratiegolf en er zo aarzelend over durfde te spreken, werd de hele problematiek ervan zonder veel omhaal bezet door uiterst rechts. Differentiëren tussen migranten en migrantengemeenschappen was uit den boze, de problemen aanduiden en plaatsen zodat je ze beter kon aanpakken was eenvoudigweg not done.

Toen minister van Justitie Marc Verwilghen een onderzoek bestelde bij de gespecialiseerde criminologe Marion Van San naar de verspreiding van het criminele gedrag in de verschillende migrantengemeenschappen, kreeg hij een storm van protest over zich heen. Nochtans lag precies zo'n onderzoek in Nederland aan de basis van een veel gerichter en efficiënter overheidsoptreden, ook met preventie, tegenover crimineel gedrag in de verschillende migrantengemeenschappen en in samenwerking ermee. Als er een probleem is in, bij wijze van voorbeeld, de Marokkaanse bevolkingsgroep, is het toch niet meer dan logisch dat daar gericht naartoe wordt gewerkt met preventie en met een versterking van de sociale structuren van die gemeenschap.

De jongeren die op 4 april door Antwerpen raasden, werden door Marokkaanse verantwoordelijken hooligans genoemd, jongelui die zich, zeker in groep, niet meer gebonden voelen door het traditionele gezag. Dat is een maatschappelijk probleem dat trouwens lang niet alleen te vinden is in migrantengemeenschappen. Maar die generatiekloof snijdt in veel gevallen zo mogelijk nog scherper door migrantengezinnen en belangt hen daarom rechtstreeks aan. Een beleid dat daarmee geen rekening houdt en die gezinnen, die gemeenschappen, niet bij de zaak betrekt, verliest aan impact.

Een vlotte, begeleide integratie is dus in de eerste plaats in het voordeel van de migranten, die zich dan sneller een gerespecteerde plaats in de samenleving kunnen verwerven. Crimineel gedrag is trouwens allerminst een exclusiviteit van deze of gene bevolkingsgroep.

Net na de val van de Muur kwamen veel Oost-Europeanen naar het Westen om hun geluk te beproeven. Ze hadden niet allemaal eerlijke bedoelingen. Heute gestolen, morgen in Polen, werd in Duitsland gezegd in het begin van de jaren negentig. Het weerhield Duitsland er niet van om met grote vasthoudendheid de toetreding van Polen en de andere Centraal-Europese landen tot de Europese Unie te bepleiten. Een stabilisering van de samenlevingen aldaar is de beste remedie tegen grensoverschrijdend banditisme.

Polen beleeft de jongste jaren een forse economische groei. De migratie uit dat land is sterk verminderd, de criminaliteit die zich vanuit Poznan, Warschau en Krakow over de rest van Europa uitbreidde, wordt van jaar tot jaar meer en meer ingedijkt. Het komt dus wel goed.

Ligt hetzelfde scenario klaar voor landen als bijvoorbeeld Marokko en Turkije? Ten dele wel. Ook in die landen zorgt de economische ontwikkeling voor meer welvaart en voor een toenemende druk van een opkomende middenklasse om het politieke systeem te democratiseren, maar ook op dat gebied kun je een land als Turkije niet volledig op dezelfde lijn plaatsen als de meeste landen uit de Arabische wereld.

Democratisering is allerminst een vanzelfsprekendheid in landen die in hun geschiedenis geen traditie ter zake hebben opgebouwd. Terwijl Polen en de andere Centraal-Europese landen een verbluffend snelle evolutie doormaakten naar een volwassen democratie, een markteconomie en binnenkort het lidmaatschap van de Europese Unie, kondigt zich dat niet op een gelijkaardige manier aan in Noord-Afrika.

Het ontbreken van een referentie aan een democratische traditie speelt ongetwijfeld een rol, maar het wordt alsmaar duidelijker dat ook de invloed van de islam op een welbepaald manier meespeelt. Een absoluut essentieel onderdeel van de pluralistische, westerse democratie is de scheiding tussen kerk en staat, zoals die werd geïntroduceerd bij de Franse Revolutie van 1789. Het politieke gezag is niet afkomstig van God, maar van het volk. De wetten hebben geen religieuze basis, maar komen tot stand in de politieke besluitvorming van een staatsbestel dat de scheiding der machten huldigt.

In de moslimwereld staat men daar in de meeste gevallen nog ver van af. De trend gaat zelfs de andere richting uit. De druk om de sharia, de religieuze wetten, onverkort in te voeren, groeit in nogal wat landen. Die religieuze wetten worden in veel gevallen precies gebruikt in een politieke machtsstrijd, in pogingen om emancipatiebewegingen en democratisering de pas af te snijden. Het zogenaamde islamitisch bankieren, waarbij geen rente mag worden gevraagd, maakt steeds meer opgang. In veel moslimlanden, van Marokko tot Indonesië en Maleisië, neemt het aantal gesluierde vrouwen in het straatbeeld toe.

Een recent VN-rapport over de toestand in de Arabische wereld probeert de achterstand in kaart te brengen. Het document kwam er op initiatief van Arabische intellectuelen. Ze vroegen zich in de nasleep van 11 september af hoe het gesteld is met de Arabische wereld, in een poging om de opkomst van terrorisme en fundamentalisme te verklaren. De drie belangrijkste elementen die volgens hen ontbreken in de Arabische wereld - en bij uitbreiding in de islamwereld - zijn vrijheid, kennis en de volledige gelijkberechtiging van de vrouw.

Democratie is er een uitzonderlijk fenomeen en op zijn best onvolkomen, stellen de Arabische intellectuelen. De achterstand in kennis is ronduit dramatisch. Het onderwijs laat het afweten, 65 miljoen Arabieren zijn ongeletterd. Slechts 1,2 procent van de Arabische bevolking heeft een computer, het internetgebruik bedraagt 0,6 procent en is dus feitelijk onbestaande. In de jongste duizend jaar zijn er voor een bevolking van 280 miljoen mensen evenveel boeken naar het Arabisch vertaald als er elk jaar worden vertaald naar het Spaans. De participatiegraad van vrouwen in het politieke en sociaal-economische leven is veruit de laagste van de wereld. Over vrouwen waren er bovendien in zes Arabische landen geen statistieken wegens gebrek aan belangstelling.

Het is een evolutie die nogal wat intellectuelen in de moslimlanden grote zorgen baart. Zij zijn bang van een agressieve, intolerante vorm van islam die de burgerlijke vrijheden, nog meer dan nu, onderuithaalt. Zo reageren Egyptische intellectuelen hoogst verbaasd wanneer ze vernemen dat de imams in Europese moskeeën totaal vrij zijn om te zeggen wat ze willen. In Egypte is dat uitgesloten. Want, zeggen ze, veel mensen in die moskeeën geloven onvoorwaardelijk wat daar wordt gezegd. Het is voor hen soms de enige serieuze bron van informatie. Dat betekent dat manipulatie vanuit de moskee uitermate gemakkelijk is.

De positie van de vrouw in de islamitische cultuur zorgt voor ergernis in Europa. In het Afghanistan van de Taliban werd alle onderwijs voor vrouwen verboden. Dat is natuurlijk een uitwas en wordt ook als dusdanig ervaren door veel moslims, maar het regime werd tot op het laatst gesteund door Pakistan en Saoedi-Arabië. Veel meer wijdverspreid is het gebruik van de gedwongen huwelijken. Een integratieproces wordt bruusk afgebroken wanneer een meisje dat hier is opgegroeid tegen haar wil wordt uitgehuwelijkt aan een man met de culturele en religieuze achtergrond van het platteland in Noord-Afrika of Klein-Azië. De overheid kan wellicht proberen deze praktijken te ontmoedigen, maar je stuit daarbij al vrij snel op het terechte argument dat de overheid zich niet heeft in te laten met de privé-sfeer en zeker niet met de keuze van een huwelijkspartner. Zoals meer en meer jonge migranten aangeven, moet het antwoord komen vanuit de migrantengemeenschap zelf. Als de jongeren duidelijk maken dat ze deze praktijk niet meer aanvaarden, als de geestelijke leiders van die gemeenschappen onderstrepen dat dit ten nadele is van de gemeenschap en van het individuele geluk, zal het fenomeen geleidelijk aan verdwijnen.

Het argument dat de islam op zich geen discriminerende houding aanneemt tegenover vrouwen, dat je dat niet kunt terugvinden in de koran, klopt voor het grootste deel. Maar het heeft, zoals het rapport van de Arabische intellectuelen cijfermatig probeert te illustreren, weinig te maken met de dagelijkse realiteit.

Want zoals dikwijls het geval is, bestaat er nogal wat verschil tussen tekst en interpretatie. De Palestijnse zelfmoordcommando's in Israël, soms haast kinderen, beroepen zich allemaal op de koran, die het paradijs belooft aan al degenen die zich offeren voor de islam. Met datzelfde, bevreemdende geloof boorden de kapers van Al-Qaeda op 11 september twee vliegtuigen in het New Yorkse WTC.

Net na de aanslagen van 11 september haastten de meeste westerse bewindslui zich om te beklemtonen dat de strijd tegen het terrorisme geen strijd tegen de islam is. Dat klopt natuurlijk. Het is niet omdat een fanatieke groepering zich beroept op de islam dat alle moslims terroristen zijn.

Maar een paar dagen later schreef de beroemde auteur Salman Rushdie, zelf met een moslimachtergrond, een opmerkelijk artikel in de Britse krant The Guardian. Inderdaad, zo stelde hij, je mag islam en terrorisme niet gelijkstellen. Anderzijds vond hij het terrorisme wel een heel duidelijk probleem van de islam. Als enkele van de belangrijkste en talrijkste terreurgroepen in de wereld zich beroepen op de islam, als er in nogal wat landen sympathie ontstaat voor die groepen, als de islamitische leiders zich niet allemaal krachtig afzetten tegen de terreur maar die in sommige gevallen met religieuze argumenten ondersteunen, ontstaat er wel een probleem. Stel je even voor dat dergelijke fenomenen zich op vergelijkbare grote schaal zouden voordoen in de ons welbekende roomse kerk. Zou er iemand durven te beweren dat het katholicisme in voorkomend geval niet met een probleem zat opgezadeld?

Het debat gaat veel verder en is veel ingrijpender dan velen hier denken. De publieke opinie in grote moslimlanden als Egypte, Pakistan en Saoedi-Arabië sympathiseert in grote mate met Al-Qaeda en Osama bin Laden. De dadels van goede kwaliteit kregen dit jaar in Egypte de naam Bin Laden, die van slechte kwaliteit werden Bush genoemd.

Dichter bij huis zegt Dyab Abou Jahjah, de organisator van de betoging die op 4 april in Antwerpen leidde tot aanvallen op joodse winkels en heftige rellen, in een interview met het weekblad Knack dat hij de aanslagen van 11 september absoluut geen tragedie kan noemen. Hij had liever gezien dat het Pentagon en het Witte Huis compleet vernietigd werden, dan waren er volgens hem wat minder onschuldige slachtoffers gevallen. Maar het kernpunt is voor hem dat het mogelijk blijkt om Amerika op eigen bodem te treffen. De onderliggende redenering is duidelijk: 11 september is een grensverleggende en vooral na te volgen stunt. Hoe meer, hoe liever.

Diezelfde Jahjah houdt de eis achter de hand om het Arabisch tot vierde landstaal te maken. Zoiets staat compleet haaks op elk inburgeringsproject. Homo's vindt hij abnormale mensen met een afwijking die ingaat tegen de wil van God. Een mening die wijdverspreid is in bepaalde moslimmilieus. Een imam in Rotterdam noemde homo's een paar maanden terug nog varkens. Jahjah verdedigt wat hij noemt 'een conservatieve visie op het gezin en de vrouw'. Hij gelooft niet in de ongelijkheid van man en vrouw, maar wel in de verschillen. Wat als een vrouw het verbod krijgt van haar man om nog contact te hebben met andere mannen of effectief wordt opgesloten? Dat vindt Jahjah een privé-aangelegenheid waarmee de samenleving zich niet mag bemoeien. De westerse samenleving heeft volgens Jahjah het recht niet om haar normen en waarden op te leggen aan burgers van een andere cultuur. Dat is niets minder dan een conflictmodel en totaal onaanvaardbaar.

Het fundamentalisme is dus geen exotisch verschijnsel. Het groeit volgens een recent verslag van de staatsveiligheid gestaag in de moslimgemeenschappen in de steden, aangewakkerd door imams die ongehinderd in de moskeeën de westerse samenleving kunnen voorstellen als verdorven en compleet verwerpelijk. De staatsveiligheid schat dat 10 procent van de Belgische moskeeën haarden van fundamentalisme zijn.

Dergelijke ontsporingen vergen een onmiddellijke reactie van de democratische rechtsstaat. De vernietigende conflictstrategie van lui zoals Jahjah moet consequent aan de kaak worden gesteld. Jahjah wil geen integratie, hij wil de uitbouw van een islamitisch machtscentrum dat de basiswaarden van de westerse democratie niet aanvaardt maar die waarden precies gebruikt als wapens in de strijd tegen tolerantie, gelijkberechtiging en pluralisme.

Dan beland je bij de vraag of de westerse democratie de gestructureerde intolerantie moet tolereren. Waar liggen de grenzen? De Duitse groene minister van Buitenlandse Zaken Joschka Fisher, niet meteen een uiterst rechtse fascist, zei onlangs dat men zich wel degelijk de vraag moet stellen of de uitgangspunten van de courante interpretaties van de islam wel verenigbaar zijn met de waarden van de westerse pluralistische democratie. Bestaat er zoiets als een universeel geldende lekenmoraal? Of is dat een uitvinding van westerse imperialisten die hun samenlevingsmodel willen opdringen aan de rest van de wereld?

Ik geloof dat het cultuurrelativisme zijn grenzen heeft. Het is niet omdat je respect opbrengt voor andere culturen dat je de basisbeginselen van menselijke waardigheid en democratie terzijde moet schuiven op grond van cultuurverschillen.

Basisbeginselen als de gelijkheid van man en vrouw, de vrije meningsuiting, de scheiding van kerk en staat, de gelijkwaardigheid van mensen los van ras, geslacht, godsdienst of seksuele geaardheid zijn fundamentele waarden die niet zomaar met een relativerend gebaar terzijde kunnen worden geschoven. In de strijd voor die waarden mogen we niet selectief zijn.

Feit blijft dat grote groepen migranten islamitisch zijn en zullen blijven. Op zich is dat geen enkel probleem, want net als in de meeste godsdiensten bestaan er zeer verschillende invullingen van wat de islam in de praktijk precies betekent.

Evenmin kan het de bedoeling zijn dat de overheid zich inlaat met de religieuze beleving van de burgers. De vrijheid op dat vlak is voor ons cruciaal. Dit is geen land waar één godsdienst of één filosofische overtuiging het monopolie heeft en het mag het ook niet worden. Dat is in de rest van de wereld niet altijd even vanzelfsprekend. In Saoedi-Arabië bijvoorbeeld is elke niet-islamitische godsdienstbeleving verboden. Maar wij hechten bijzonder sterk aan de vrijheid van de burgers op dat gebied en aan het onderling respect voor elkaars overtuiging.

Dat samenlevingsmodel is niet waardenvrij, niet vrijblijvend. Maar het is een verworvenheid die ons zeer nauw aan het hart ligt. Ik vind dat je van migranten die kiezen om hier te komen wonen perfect kunt vragen dat ze die waarden aanvaarden. Het gaat niet op om hier te lande bijvoorbeeld op de schrijnendste manier discriminerend op te treden tegenover vrouwen, waarbij dan ter verantwoording de religieuze en socio-culturele achtergrond wordt gemobiliseerd.

Evenmin is het houdbaar om de godsdienstbeleving en het godsdienstonderricht in handen te geven van imams die een paar maanden eerder hier zijn gearriveerd, in een aantal gevallen zelfs omdat ze hun land moesten ontvluchten wegens een te radicaal islamistische opstelling. Mij lijkt het beter dat de leraars die de islam onderwijzen ook hier zijn opgeleid, hier hun diploma hebben behaald en daardoor de socio-culturele context waarin ze optreden perfect kennen. Het onderwijs in de islam kan dan in de scholen worden aangeboden, zoals dat nu gebeurt met godsdienst en zedenleer. Maar dan moet dat ook in alle scholen het geval zijn, en niet alleen in de gemeenschapsscholen.

Langzamerhand groeit er een consensus over de noodzaak van een goed georganiseerd inburgeringsbeleid zoals dat in andere Europese landen bestaat. Het probleem is dan wel dat je het behoorlijk moet doen. Het heeft geen zin van migranten te vragen dat ze Nederlands leren wanneer er geen plaats is in de cursussen Nederlands. De Vlaamse regering verhoogde al twee keer de budgetten voor dergelijke cursussen, telkens met 12,4 miljoen euro, en nog blijft de vraag overweldigend.

Het onvoldoende aanbod aan cursussen is echter lang niet de enige reden voor een slecht werkend integratieproces. Veel migranten komen zich inschrijven maar haken na een paar lessen af. Soms proberen ze opnieuw en herhaalt het verhaal zich. Het vergt vaak mateloos veel geduld en zelfbeheersing van de organisatoren om zich steeds maar aan te passen en vervolgens te zien dat het zo weinig oplevert.

De vaststelling blijft echter dat de vraag groter is dan het aanbod en dat een te groot aantal migranten Nederlands wil leren maar er gewoon de kans niet toe krijgt. Je kunt, meer algemeen, dus niet beweren dat de migranten totaal ongeïnteresseerd zouden zijn of niet bereid blijken om zich te integreren. Het is alleen niet meer dan logisch dat wanneer we hen vragen om zich te integreren, ze ook alle kansen krijgen om dat te doen. Als die kansen er eenmaal zijn en er voldoende cursussen worden aangeboden - dat moet in 2004 zo zijn - moet de inburgering een verplichting worden voor nieuwe migranten en voor diegenen die een beroep willen doen op de sociale zekerheid. Het heeft geen zin om als werkzoekende in de registers te staan als je niet de bereidheid hebt om je meer te integreren.

Inburgering is dus geen dwangbuis die de culturele achtergrond van de migranten moet doen verdwijnen. Het geeft de migranten, vooral ook de vrouwen, de kans om beter gewapend aan het sociale verkeer deel te nemen. Ik zie niet goed in hoe je iemand belemmert in zijn culturele eigenheid wanneer hij of zij een nieuwe taal leert of de basisbeginselen van onze democratische samenleving uitgelegd krijgt.

We moeten er eerlijk in zijn: het politieke milieu heeft het migrantenprobleem in zijn beginfase zwaar onderschat. Er gebeurde jarenlang niets aan de inburgering, aan onderwijsbegeleiding, aan opvang allerhande. Wijken verloederden, mensen voelden zich verlaten. Ik kan me best voorstellen dat een oudere, alleenstaande vrouw in een volkswijk die radicaal van samenstelling is veranderd zich bedreigd voelt wanneer ze dagelijks langs groepjes uitdagende migrantenjongeren moet. Net zoals het agressieve of nonchalante gedrag van nogal wat migranten in het verkeer veel mensen irriteert. Een politieke klasse die deze realiteit bij voorkeur ontkent, kan er niet op een doeltreffende manier op reageren en laat het terrein over aan populisme of uiterst rechts.

Op deze realiteit, op de gevoelens van angst en onveiligheid, ent zich het Vlaams Blok. Ik heb de leiders van het Blok een paar keer mestkevers genoemd omdat ze doelbewust gebruikmaken van bepaalde maatschappelijke problemen, ze uitvergroten en waar ze kunnen zoveel mogelijk nog verergeren, om op die manier hun politieke macht uit te breiden. Dat is een maatschappelijk negatieve kracht die niets bijbrengt tot de oplossing van de samenlevingsproblemen maar ze precies zoveel mogelijk uitbuit. Het Vlaams Blok, oorspronkelijk een rechts-radicale afsplitsing van de toenmalige Volksunie, had vele jaren maar één verkozene in het parlement: de bejaarde Karel Dillen. Pas naderhand ontdekte de jongere generatie met Philip Dewinter de migrantenproblematiek. Ze konden beschikken over een kleine, maar relatief goed georganiseerde partij om deze 'electorale goudader', zoals Patrick Dewael het noemde, aan te boren. Vanaf dat ogenblik begon de opmars van het Blok, met als eerste hoogtepunt de gemeenteraadsverkiezingen van 1988 in Antwerpen.

Over het fenomeen van het Vlaams Blok is intussen al erg veel gezegd en geschreven. Het migrantenprobleem, sociale achterstelling, de veiligheidsproblematiek, de profielvervaging van de politieke partijen en sinds kort de verzuring van de samenleving worden als redenen voor het succes opgegeven. Het gaat dus om meer dan de migranten, het gaat om een - al dan niet gecultiveerde - malaise. Tegen zoiets wordt het moeilijker vechten, want rationele argumenten schampen te dikwijls af op schouderophalen.

Blijft het feit dat het Vlaams Blok gaandeweg is opgeklommen tot de derde partij in Vlaanderen en de grootste partij in Antwerpen. Hoe je de opkomst van uiterst rechts moet tegengaan wordt na elke verkiezing een prangender probleem.

Ik wil hier pleiten voor een ongecomplexeerde benadering. Geen maatschappelijk thema dat door het Vlaams Blok met veel lawaai wordt geclaimd, laten we zonder meer inpalmen. Integendeel. Het migrantenprobleem, de inburgering, de veiligheid, het brede maatschappelijke onbehagen, het zijn allemaal terreinen waarop de VLD als volwassen, democratische partij richting moet geven, zeker als we de ambitie hebben om uit te groeien tot een brede, open volkspartij. We gaan geen probleem uit de weg.

We gaan ook het debat niet uit de weg. Ik ben zelf publiek in debat getreden met de leiders van het Vlaams Blok, meer bepaald met Philip Dewinter. Je kunt het bestaan van het Blok niet ontkennen, en daarom heeft het volgens mij ook geen zin om het debat met hen in alle omstandigheden te weigeren.

Iets heel anders is de vraag of wij coalities aangaan met die partij. Daarop is het antwoord een categoriek neen. Het programma van het Vlaams Blok staat haaks op de democratische principes van respect en individuele vrijheid die de VLD huldigt. Het Blok is een racistische partij, geleid door mensen die een uiterst rechts, dikwijls zelfs neonazistisch gedachtegoed aanhangen. Wij willen geen onderscheid maken op basis van ras of afkomst. We voelen niets voor een terugkeer naar een ethisch conservatisme zoals het Blok dat voorstaat en dat het streven van mensen naar geluk afremt. Daarom vinden we elke coalitie met het Blok onaanvaardbaar.

Angst is een slechte raadgever, in de politiek en ook bij de aanpak van maatschappelijke problemen. Onze samenleving maakt grote veranderingen door. Het leven versnelt, de normen wijzigen, het straatbeeld is in een paar jaar tijd ingrijpend veranderd. Angst voor verandering, voor toenemende vrijheid, voor onzekerheid, is soms begrijpelijk. Maar het is absoluut zeker dat angstreflexen niet de beste reactie zijn op maatschappelijke evoluties die sowieso op ons afkomen. Angst belet ons om de vele kansen te zien die zich aandienen. Zich terugplooien op een ideaalbeeld van een Vlaamse plattelandssamenleving van vijftig jaar geleden heeft geen enkele zin.

De Vlaamse samenleving zal er over dertig jaar een flink stuk gekleurder uitzien dan vandaag. Vlaanderen zal niet verdwijnen, onze cultuur evenmin, maar de diversiteit zal drastisch toenemen. Neen, de gewelddadige botsing van de culturen is niet onvermijdelijk. Maar een cultureel en maatschappelijk veranderingsproces zonder weerga is volop bezig. Een klein gebiedje in West-Europa daarvoor afsluiten heeft geen enkele zin. Het hele proces zo goed mogelijk begeleiden, beheersbaar houden en in goede banen leiden des te meer. Daar is meer kracht voor nodig dan het lijkt, kracht en geloof in de mensen, in hun emancipatie, in hun capaciteit om verantwoordelijkheid te nemen. Als we in deze onderneming slagen, hebben Frank Vanhecke, Philip Dewinter en de andere kopstukken van het Vlaams Blok geen toekomst meer. Want dan zal de angst verdwenen zijn.

Het boek 'De Toekomst is vrij' van Karel De Gucht verschijnt rond 10 november bij uitgeverij Houtekiet.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234