Maandag 17/06/2019

De vragen van Proust

Mia Doornaert: "Toen hij zijn hand op mijn knie legde, dacht ik dat ik stierf"

Beeld Stefaan Temmerman

De Franse schrijver Marcel Proust beantwoordde ze ooit in een vriendenboekje, nu geeft De Morgen er een eigenzinnige draai aan. Dertig directe vragen, evenzoveel openhartige antwoorden. Vandaag: columniste Mia Doornaert (72). Wie is zij in het diepst van haar gedachten?

1. Hoe oud voelt u zich?

“Ik ben 72. Dat klinkt vreselijk oud, maar ik voel mij eigenlijk nog altijd mezelf. Ik ben jarig op 31 december en toen ik 70 werd en op 1 januari in de spiegel keek, dacht ik: er is niets veranderd, behalve dat ik een lichte kater had. (lacht) Maar ik schrik wel van dat getal, eigenlijk past het niet bij mij. Ik herinner me dat ik als kind met mijn mama in Kortrijk aan het wandelen was. Zij was een mooie, dynamische vrouw, heel kunstzinnig ook, die er altijd veel jonger uitzag dan ze was. Plots zagen we een jurk in de etalage en mijn mama zei: ‘Wel, dat is nu voor een madam van 50.’ En ineens stond ze stil en zei: ‘Ja maar, ik ben 50.’ (lacht) Dus voilà. Nu, toen ik klein was, was 50 het equivalent van wat nu 60 of 70 is. Dat vind ik toch leuk aan deze tijd: ‘50 is the new 40.’ Dus enfin, ik voel me een stuk jonger dan ik ben.”

2. Wat vindt u een belangrijke eigenschap van uzelf?

(denkt na) “Dat ik probeer – destijds als journalist en nu als columnist, in een tijd waarin emoties zo’n grote rol spelen en waarin je op sociale media gelyncht wordt voor één zinnetje dat uit zijn verband is gerukt – met de rede te denken en in nuances. En geen kreten slaak, maar uitleg waarom ik bepaalde ideeën heb. Zo heb ik onlangs een column geschreven: ‘Ik ben niet wit, ik ben blank en ik blijf het.’ Wie gaat er ineens decreteren dat je wit moet zeggen in plaats van blank? En wat verandert dat eigenlijk aan de wijze waarop je denkt? Iemand die ‘blank’ hanteert, zou reactionair zijn, iemand die ‘wit’ gebruikt, progressief. Waar slaat dat op? Ik hou niet van dat woordenfetisjisme. Wat telt, is wat je denkt.”

3. Wat is uw passie?

“Lezen, om te weten, te begrijpen, inzicht te krijgen. Als je bijvoorbeeld als journalist over Poetin wilt schrijven, en je hebt je niet verdiept in het verleden van Rusland en je hebt de Russische schrijvers niet gelezen, dan kun je die figuur niet inschatten, dan snap je niet waarom hij zo populair is in Rusland.

“Ook poëzie is voor mij enorm belangrijk. Mijn man is in december twaalf jaar geleden gestorven. Na 33 jaar gelukkig samenleven. Op die dag heb ik het werk van Charles Péguy in de Pléiade-reeks uitgehaald en die prachtige verzen, die zo majestatisch resoneren, gewoon luidop voor mezelf voorgelezen. Zonder boeken zou ik echt niet kunnen leven.”

4. Waarvoor wilt u vechten?

“Voor de erkenning dat er geen ‘witte’ of ‘westerse’ waarden bestaan, geen ‘witte’ manier van denken, dat iedereen geboren wordt met een universele aanspraak op menselijke waardigheid. Voor de erkenning van de ideeën van de verlichting dus. Voor het recht van iedereen om rechtopstaand te leven en niet op de knieën.”

5. Wat beschouwt u als uw grootste prestatie?

“Ik ben geen hitparadepersoon, maar ben wel heel blij met mijn boek over Frankrijk. Ik vond het een uitdaging om Vlamingen en Nederlanders uit te leggen waarom de Fransen denken zoals ze denken, waarom Frankrijk is zoals het is. Het boek heeft wekenlang op één gestaan bij de non-fictie in Vlaanderen. Als je de kookboeken wegdenkt, natuurlijk. (lacht)

“Toen ik nog een kind was, trokken wij met de tent of caravan voor weken op reis naar Frankrijk. Ik herinner mij de kathedraal van Amiens, die van Reims, de kleuren van de wisselende landschappen, de blauwe luchten, de Middellandse Zee, de geur van meloenen en kersen. Ik heb het gevoel dat ik nooit nog zulke lekkere kersen ga eten die zo in je mond uiteenspatten als toen.

“Ik ben afkomstig van Harelbeke en in die tijd konden we via een doorzendtoren in Rijsel ook de Franse televisie capteren. Op dinsdagavond keken we bijvoorbeeld naar Au théatre ce soir, als het niet te aangebrand was. (lacht) Mijn moeder was regentes Frans en vertaalde voor ons wat we niet begrepen. Zo is mijn liefde voor Frankrijk wel begonnen. En in de Franse literatuur heb je prachtige teksten, hè. Denk maar aan Racine of Corneille. Ik kocht in Rijsel al mijn livres de poche: La peste en L’étranger van Albert Camus, Qui j’ose aimer van Hervé Bazin, Pierre Benoit enzovoort. Het Frans is zo’n mooie taal. En het politieke leven is er ook wel interessant. Ze hebben toch meer boeiende, kleurrijke figuren dan in België. (lacht) En daarom ben ik het land ook altijd blijven volgen als journalist.”

6. Wat wilde u worden als kind?

“Ik dacht daar niet over na. Ik las, ik speelde, ik droomde. Ik was goed in alle vakken. In de jaren 60 dacht je niet: wat ga later ik worden? Wij hadden tijd om jong te zijn. Wij groeiden op in een zeer optimistische periode. Het leven werd almaar welvarender. Iedereen die een diploma had, vond een job. Ik heb klassieke filologie gestudeerd. Eigenlijk heb ik nooit een levensplan gehad. Mijn man zei dikwijls dat ik hem deed denken aan een champagnekurk die vrolijk dobbert op een stroompje, en hier en daar eens binnendrijft. En zo is het ook.”

7. Wat was voor u een moment van groot geluk?

“Ja, kijk, die eerste jeugdliefde. Ik was absoluut niet précoce zoals men dat noemt, hè. Ik was toch al 15, 16 toen ik met een jongen naar de film ging. Toen hij zijn hand op mijn knie legde, dacht ik dat ik stierf. Wow. (lacht, wuift warmte weg) Dat maak je maar één keer mee, hè.

“Maar mijn grootste geluk was mijn man, die van mij hield zoals ik ben. Hij had graag een vrouw met eigen ideeën. Voor hij stierf, had hij mij een gedicht getoond van Pablo Neruda, dat als volgt gaat en dat ik op zijn doodsbericht heb gezet: ‘Als jij, mijn liefste, bent gestorven, zal het regenen dag en nacht, over mijn ziel, en sneeuw zal mijn hart verzengen. (...) Maar ik zal leven, want jij hebt bovenal gewild dat ik ontembaar was.’ Ik was daar dankbaar voor, want dat is niet zo evident. Zelfs vandaag niet, als je hoort wat vrouwen zich soms laten welgevallen van een autoritaire partner.”

8. Welke kleine, alledaagse gebeurtenis kan u blij maken?

“Vriendelijke gezichten tegenkomen op straat, iemand die je een handje toesteekt als je een zware tas moet tillen, gewoon menselijke warmte. Het kost niets om iemand een glimlach te geven.”

9. Wat is uw zwakte?

“Ik ben weinig gedisciplineerd, schuif dingen voor me uit, waardoor ik allerlei onaangenaamheden en boetes oploop.”

10. Waar hebt u spijt van?

“Goh, weet je, ik had twee tantes die niet gehuwd waren en vaak op zondagmiddag bij ons thuis koffie kwamen drinken. Ze zagen hun twee neven en nichtjes heel graag en wij mochten ook vaak bij hen gaan logeren. Maar dan ga je naar de universiteit en je begint te werken en achteraf denk je: enfin, waarom ben ik niet eens vaker bij hen op bezoek gegaan, waarom heb ik geen tijd voor hen gemaakt? Als je jong bent, kun je zo onnadenkend zijn. Wat de oudere generatie je geeft, vind je gewoon vanzelfsprekend. Zo ga je er ook van uit dat je altijd opnieuw thuis kunt aankomen. Je hoeft zelfs geen afspraak te maken. Omgekeerd bellen ouders wel of het past dat zij langskomen.”

11. Wat is uw grootste angst?

“Verlamd te zijn, terwijl mijn hoofd nog helder is. Maak me dan alsjeblieft af, maak er dan een einde aan.”

12. Wanneer hebt u voor het laatst gehuild?

“Het verdriet om het verlies van je man slijt, en gelukkig maar, maar enkele maanden geleden kwam ik weer op een plek waar ik heel goede herinneringen aan heb van toen we samen waren. Ik dacht aan het plezier om met twee te zijn, om dingen te delen, aan hoe we samen codewoordjes hadden en grapjes maakten. En ineens kreeg ik in dat park een huilbui en stond ik daar te snikken en te snikken achter een paar bomen. Gelukkig was het winter en was er niet veel volk. Af en toe komt dat verdriet dus weer naar boven. En als het opkomt, moet je het laten komen.”

13. Wat kan u plots uit uw humeur halen?

(denkt na) “Domme opmerkingen. Racistische opmerkingen. Of uitspraken als: ‘Die politici zijn allemaal zakkenvullers.’ Kortzichtigheid, onverdraagzaamheid, stomme clichés. En ook: gierigheid. Dat is wellicht de hoofdzonde die me het meest ergert.”

14. Bent u ooit door het lint gegaan?

“Ik ben er eens dichtbij geweest. Ik moest in Athene een NAVO-ministerconferentie volgen. Samen met Steven Dierckx van de VRT kwam ik aan de ingangspoort. Twee soldaten zeiden dat we niet binnen konden zonder onze accreditatie. Wij zeiden: onze accreditatie wacht binnen op ons in het perscentrum. Toen we ongeveer voor de tiende keer gehoord hadden dat we niet binnen mochten zonder accreditatie en wij voor de tiende keer gezegd hadden dat dit niet kon omdat we pas binnen onze accreditatie konden krijgen, flipte iets in mij. Ik pakte mijn koffer op, liep de soldaten voorbij en zei: ‘You can shoot me if you want, but I go in.’ De soldaat riep woedend dat dit niet kon, maar heeft toch niet geschoten. Steven zei achteraf: en wat had ik moeten doen als die man wel aangelegd had? Dit is iets wat mij tot woede kan drijven, bureaucratische stompzinnigheid.”

Beeld Stefaan Temmerman

15. Wat is het decadentste dat u ooit hebt meegemaakt?

“Bij decadent denk ik aan het laat-Romeinse rijk waar ze uren aan tafel lagen, zich volvraten en hun vingers in de keel staken om te braken en weer verder te kunnen eten.”

16. Welke kunstvorm beroert u het meest?

“Literatuur en muziek. Mijn mama was heel muzikaal en kon heel goed pianospelen. Haar lievelingscomponist was Schubert. ‘s Avonds speelde ze vaak terwijl mijn twee broers en ik in onze kleine kinderbedjes in één grote kamer lagen. Ze liet dan de deuren van het salon en onze kamer open en dan hoorden we die muziek. Er is niets wat zozeer dat gevoel van geborgenheid en veiligheid terugbrengt, als piano horen. In mijn kinderlijke verbeelding waren die noten als gouden zeepbellen die aan de trap naar boven kringelden en dan als klanken uiteenspatten.”

17. Hebt u ooit een religieuze ervaring gehad?

“In de zin van een godsaanwezigheid voelen, neen. Maar ik ben wel gelovig, katholiek. François Mitterrand, die geobsedeerd was door de vraag of er leven is na de dood, en vond dat alles zinloos is als de dood het einde is van alles, vroeg de katholieke filosoof Jean Guitton ooit hem daar een boek over te schrijven. De teneur van dat mooie boekje is: ‘Entre le néant et le mystère, je préfère le mystère’. Dat geldt ook voor mij. Niemand kan bewijzen dat er een God of een scheppend beginsel bestaat, maar niemand kan ook het omgekeerde bewijzen. Voor mij bestaat er geen enkele tegenstelling tussen de rede gebruiken en geloven dat de schepping een mysterie is.

“Wat gebeurt er na de dood (houdt de armen in de lucht)? Eeuwigheid op zich kan ik me goed voorstellen. Want was is tijd? Tijd is de aanhoudende spanning tussen wat we najagen en de vervulling ervan, de permanente hunkering naar wat nog niet is, maar ook nooit kan zijn omdat niets op aarde ooit volmaakt is. Maar wanneer ik na de dood in het aanschijn kom van de volmaakte schoonheid, de volmaakte goedheid, de volmaaktheid tout court, dan valt elke onvervulde hunkering weg, dan valt dus de tijd weg, en verlies ik mij in de aanschouwing van de stralende Volmaaktheid. Het probleem is niet het me voor te stellen, wel erin te geloven.”

18. Hoe voelt u zich in uw lichaam?

“Dat gaat wel. (lacht) Ik bedoel, ik heb er geen last van. Touchons du bois. Bij mijn laatste check-up zei mijn dokter: ‘Mevrouw Doornaert, u bent een jonge vrouw.’ Bon, je wordt wat minder soepel en kwiek, maar ik ga naar een fitnessclub om in vorm te blijven.

“Kleren vind ik belangrijk. Ik vind het een vorm van beschaving om je een beetje te kleden naar de gelegenheid. In die zin ben ik het nogal eens met Coco Chanel, die zei: ‘Mode gaat voorbij, maar stijl blijft.’ In je jeans en T-shirt naar de opera gaan, is niet verboden, maar ik vind het niet gepast.”

19. Wat vindt u erotisch?

“Euh. (denkt na) De suggestie. Erotiek houdt voor mij ook altijd tederheid in. Wanneer iemand je in de ogen kijkt en fantastische dingen over jezelf zegt, is dat ook een soort van voorspel.”

20. Wat is uw goorste fantasie?

(zucht) “Eerlijk gezegd, als ik slechte fantasmen heb, gaat het meer over iemand als Marc Dutroux. Wat mij betreft sluiten ze hem op in een donker hol en gooien ze de sleutel weg. Zo kan hij ook maar eens meemaken wat die kinderen hebben meegemaakt. Maar goed, we leven in een rechtsstaat, zo werkt het niet bij ons. Maar je mag het wel denken.”

21. Welk dier zou u willen zijn?

“Ik zou zeggen: een vlinder.” (lacht)

22. Hoe is/was de relatie met uw ouders?

“Wezenlijk goed. Maar weet je, de perfecte opvoeding bestaat niet. Elk kind heeft weleens een gevoel van brandende verontwaardiging. In de ontroerende film Hope Floats zegt Sandra Bullock tegen haar dochtertje: ‘Childhood is the time you spend the rest of your life getting over with.’ Maar als je ouders je graag zien, je geborgenheid geven, dan krijg je een soort fundamentele zekerheid mee voor de rest van je leven.”

23. Hoe definieert u liefde?

“De liefde tussen man en vrouw zie ik als een soort van compliciteit. Twee mensen die achter elkaar staan, gelijkgestemd zijn: ‘idem velle atque idem nolle.’”

24. Hoe wilt u bemind worden?

“Mijn man en ik zijn 33 jaar samen geweest. Ik heb ooit eens gelezen dat het goed is om verschillende temperamenten te hebben, maar wel gelijkaardige smaken. En daar klopt wel iets van. Ik ben meer een babbelaar, extravert, mijn man was iets rustiger, introvert. Maar we hadden allebei gelijkaardige smaken; we hielden van lezen, muziek, mooie steden bezoeken, tentoonstellingen.

“Mijn man was twaalf jaar ouder dan ik, mijn vader was veertien jaar ouder dan mijn moeder en heel erg trots op haar omdat ze zo artistiek begaafd was. Misschien herhaal je onbewust dat patroon, zoek je ook een beschermende liefde. Ik zou nooit hebben kunnen leven met een man die zich op een of andere manier bedreigd voelde omdat ik een brein en ideeën heb. Mijn man hield van mij zoals ik ben.”

25. Hoe zou u willen sterven?

“Plots en pijnloos. Maar voor de nabestaanden is dat erg. Ik heb het geluk gehad dat ik van mijn man afscheid heb kunnen nemen.”

26. Welke maatschappelijk probleem raakt u?

“Misbruik van kinderen. Als je in je kindertijd mishandeld bent, genees je daar nooit meer van. Sommige mensen zouden beter geen kinderen krijgen, maar als je dat zegt krijg je een krijsende meute over je heen. Zoals die jeugdrechter die dat eens gezegd had in een interview op de VRT.

“In de VS was er een koppel dat hun elf kinderen thuis vastgebonden hield. Ze mochten een keer per dag naar de wc gaan. Ze waren totaal ondervoed, de oudste dochter van 31 woog nog geen 40 kilo. Pure wreedheid. Sadisme. En dan zou je niet mogen zeggen dat die mensen beter geen kinderen hadden gehad? Dat vind ik heel, heel erg. Ik kan er niet bij dat je een weerloos kind iets aandoet.”

27. Hebt u zichzelf ooit betrapt op racistische gevoelens?

“Neen, echt waar. Tegen bepaalde ideeën zijn is niet hetzelfde als racist zijn. Ik heb dat al vaak geschreven. Godsdienstkritiek is een recht van vrije meningsuiting. Als je tegen de tsjeven mag fulmineren, mag je ook de islam bekritiseren.”

28. Wat betekent geld voor u?

“Jean d’Ormesson (Frans schrijver en filosoof, red.) heeft ooit gezegd: ‘Contrairement à ce que croient les riches l’argent fait le bonheur des pauvres, mais contrairement à ce que croient les pauvres l’argent fait pas le bonheur des riches.’ Dat is heel goed gezegd. Er zijn mensen met veel geld die ongelukkig zijn, maar er is een minimum nodig om onbezorgd te kunnen leven. Statussymbolen laten mij koud. Ik koop graag kleren, omdat ik dat nu belangrijk vind, maar dat ik geen dure auto, geen diamanten of geen jas van sabelbont heb, zal me worst wezen.”

29. Wat zoekt u op reis?

“Ontdekkingen, vooral van schoonheid, kunst. Ik ben niet echt een natuurmens. Met mijn man hebben we talloze cultuursteden bezocht, op een terrasje bij een koele drank genoten van de mooie stenen van palazzi, van beelden en fonteinen. Toen ik alleen viel, dacht ik: hoe kan ik nu met vakantie gaan? En toen had ik het grote geluk dat het Davidsfonds mij op een dag vroeg om Mark Eyskens als conferencier te vervangen op een cultuurcruise in Azië. Het experiment viel beide partijen mee, en zo heb ik sindsdien tal van kleinere en grote tochten kunnen maken, bijvoorbeeld tweemaal door het Panama-kanaal, in aangename gezelschappen waaraan ik nieuwe vrienden heb overgehouden. Ik ben geen huisduif. Zonder reizen kan ik niet.”

30. Hoe werkt u mee aan een betere wereld?

“Goh, ik hoop wel een beetje met wat ik schrijf, en de waarden die ik help uitdragen. En op zondag speel ik chauffeur voor mensen die een verwant hebben in een kliniek die voor hen moeilijk te bereiken is. Ik geef ook geld aan organisaties waarin ik geloof. En probeer gewoon rondom mij waar ik kan een beetje warmte en minzaamheid te bieden.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden