Donderdag 24/06/2021

METER SENSUALITEIT

'Het eerste wat ik vingerde was een berg.' Het zou het veelbelovende begin kunnen zijn van deerniswekkende intieme memoires. Maar Dimitri Verhulst bedoelt iets anders. Hij schreef een verhaal over het wezen van het klimmen. Over wanden, spleten, kloven, sneeën. Over 'klimmassieven die mij tientallen meters tastzin kunnen bieden'. Over hoe het voelt de liefde te bedrijven met een berg. Centimeter per centimeter.

Van de Ardense rotsen heb ik het voelen geleerd. Traag met mijn handen het gesteente aftastend, op zoek naar een greep, een spleet, een kleine snee, die mij houvast moest bieden. Voelen werd het tegendeel van vallen, zolang ik dat voelen tenminste naar behoren deed. De rotsen hebben van mij een sensueler mens gemaakt, omdat ze mijn volgende stap in brailletekens op hun gladde wanden hebben neergeschreven. Rotsklimmers, heb ik altijd stilletjes gedacht, gehoopt, hebben alles om een uitstekend minnaar te zijn.

2002 was officieel Het Jaar Van De Berg, al lag geen enkele berg daar wakker van. Naar aanleiding van dat jaar is er een lawine bergboeken op de markt geploft. In 2003 is het dan weer vijftig jaar geleden dat Edmund Hillary en alcoholicus Tenzing op de top van de Mount Everest een vlagje plantten als betrof de berg een stukje kaas, en ook dat moet worden herdacht met publicaties bij de vleet. Over de bergsport is al een indrukwekkende bibliotheek volgeschreven, niet het minst door lieden die uitstekend kunnen klimmen maar die geen degelijke zin op papier krijgen. Persoonlijk ken ik heel wat auteurs die ooit de roem dachten te zullen vinden in de wielersport en van wielrennen wordt dan ook regelmatig beweerd dat het van alle sporten de meest literaire is. De kans is echter zeer groot dat er geen enkele sport bestaat die zoveel pennen deed vloeien dan de klimmerij. Er bestaat zelfs een literatuurprijs voor bergsportboeken, de Boardman Tasker Award, en als ik eerlijk ben durf ik er weleens stilletjes naar te verlangen ooit nog met een bescheiden epos deze oscar voor de klimliteratuur op zak te steken. Te kloppen man is Jon Krakauer, zijn naam is ongeveer synoniem gaan staan voor bergsportliteratuur. Al doet een Joe Simpson het met zijn sensationele gruwelverhalen ook niet slecht aan de kassa. In de Nederlandse letterkunde heet Bart Vos de beste klimmer-schrijver te zijn en dat is een predikaat dat werkelijk nergens op slaat. Het dekt zoveel lading als had er op de flap van mijn debuut gestaan dat het werd geschreven door de beste pizzakoerier-schrijver in de Nederlandse letterkunde. Wat zeg ik, de beste pizzakoerier-schrijver uit de hele wereldliteratuur, en het is jammer dat ik ondertussen geen pizza's meer aan huis lever, want wat moet mijn uitgever nu gaan zetten op mijn achterflappen? Maar afgaande op wat dat genre klimboeken te bieden heeft, heb ik het recht niet nog maar aan een openingsregel voor mijn bergepos te denken. Ik heb namelijk nog nooit een kadaver op een gletsjer achtergelaten, zag mijn touwgenoot niet te pletter storten, en hoefde alsnog niet, afgesneden van de wereld en met blauwe tenen op een dieet van dode klimvriend op een reddingshelikopter te wachten. Het gros van deze klimboeken ontleent zijn reden van bestaan aan de triestige afloop, al is een happy end zelden thuis in eender welk genre literatuur. Maar dat maakt wel dat de leek de bergsporter voor een suïcidaal houdt, omdat de auteurs in kwestie zelden een manuscript afleveren dat niet samen met een lijkzak op de luchtpost kan. Misschien moet dát mijn motief zijn om zelfs al aan een slotzin voor dat bergepos te denken: het benadrukken van het aangename aan deze sport, het zintuiglijke karakter ervan, het ontspannende, het gezellige. Tini op de rotsen. Maar als ik het zou aandurven om dat bergepos neer te pennen dan zou de kritiek zeker luiden dat ik een beter schrijver dan een klimmer ben, waarmee niet eens zou zijn gezegd dat ik mijn naam kan spellen. Voor de kenners, de hoogste moeilijkheidsgraad die ik tot op heden afdwong was een 7a, op een klimmuur in een veel te warme sporthal. Voor de leek, dat betekent dat ik de muren van uw herenhuis opklauter als de voegen tussen uw stenen door een sukkelaar zijn dichtgemetseld. Ik maak daar weinig indruk mee, vooral omdat ik er sinds mijn veertiende reeds van bezeten ben de zwaartekracht te tarten en nog altijd wekelijks met mijn vrienden in de touwen hang. Ik ken jongens die luttele maanden na een korte kennismaking met dit tijdverdrijf ondersteboven hingen, aan twee vingers, soms onvoldoende of zelfs helemaal niet beveiligd, om dan met het gemak van een gekko hun kop in de wolken te steken. Talent dat ik niet heb, ik niet wil hebben. Mijn vrouw is toevallig ook mijn geliefde, mijn dagelijks broodje, ik zou daar nog een poos van willen genieten, dat is één. Niet iedereen wil dood. En ten tweede heb ik er als onbezonnen adolescent na een wel bijzonder vrije val van negen meter in het operatiekwartier rustig over kunnen nadenken dat je veilig moet klimmen als je ooit nog die bergsportliteratuurprijs wilt winnen. Negen meter, ik heb het bewezen, wordt trouwens afgelegd in net iets minder dan één seconde. Wat genoeg is om nog even terug te blikken op alle mooie momenten die je hebt beleefd. Ruimschoots. Voor wie had gedacht dat ik me na mijn smak, en na het wondere overleven ervan, zou toeleggen op iets anders, bijvoorbeeld de honderd meter rolstoel, kan ik alleen maar hopen dat hij niet te veel geld op zijn pronostiek had ingezet: ik bleef lid van de Vlaamse Bergsportfederatie, en ben dat nog steeds.

Vlaamse Bergsportfederatie, dat klinkt al even onwezenlijk als Egyptische Langlaufbond, maar je kunt niet om de eigenaardige vaststelling heen dat zowel in vlak Vlaanderen als in plat Nederland het alpinisme waanzinnig populair is. Met Muriel Sarkany beschikt België zowaar over de beste klimster aller tijden (ze klimt 9a, wat zoveel is als een plafond plamuren zonder op een stelling te staan, er zijn slechts veertien mensen in de wereld die haar dat nadoen). Het kind werd vier keer op een rij wereldkampioen hagedis en kreeg trofee voor sportvrouw van het jaar noch lintje van koning Albert.

In Nederland woelden de mollen zowaar nog kleinere hopen maar de plaatselijke alpinisten wisten zich daar met het nodige 'madurodamisme' te redden door te Zoetermeer de laatste 35 meter van de Matterhorn na te bouwen. De bewoners van de Lage Landen zijn wild van de bergsport en met Ronald Naar mag ook Holland er prat op gaan zelfs een van de allerbeste moderne berggeiten ter wereld te hebben voortgebracht. En zij hebben het onnozelste Everest-schandaal op hun naam sinds een peperdure expeditie op een meter, 1 meter dus, onder de top bleef steken en zij toch beweerden helemaal tot boven te zijn geweest. Niet op het dak, maar op de zolder van de wereld. Hollandse alpinisten die wat onderwerpen betreft zijn uitgeput, blijven daarover kissebissen. Maar het heeft de berggekte boven de Moerdijk geen knauw gegeven, op zonnige zondagen worden de rotsen aan de oevers van de Belgische Maas met Nederlanders behangen. 'Voorjaarsvrijage in België', noemen ze het, want zo'n Belgische rots telt voor iemand die onder het zeeniveau woont en haast nooit een waterpas nodig heeft, uiteraard niet als volwaardig, het geldt als opwarmertje voor een steviger beklimming, voor een najaarsvrijage in de Himalaya. Maar dat weerhield hen er niet van een berghut, ja een berghut, op te trekken aan de oevers van de Ourthe. Een Nederlandse berghut aan de voet van een Belgische rots heet een 'tukhut', je hebt de neiging daar net iets te hard mee te gaan lachen.

Tukhut... Kom daar mee aankloppen bij de redactie van Van Dale.

De Benelux is een Ardens dorp waar de rotsen geëquipeerd werden door een Vlaams team en de camping door een Hollander wordt uitgebaat, en waar men na de geleverde prestaties een Waals streekbier drinkt. De Europese eenmaking is begonnen op een wand.

Bij die Vlaamse Bergsportfederatie sta ik geregistreerd als lid nummer 20583, ik vraag me af of er hier zelfs zoveel mensen in clubverband een fietsframe tussen hun benen hebben. En daarmee zit ik in mijn portefeuille met een lidkaart te pronken van een federatie die zich heeft geassocieerd met het Verband Alpiner Vereine Österreichs, zodat het lijkt alsof ik regelmatig irgendwo in Tirol jodelend naar een bergtop-met-kruisbeeld wandel. Wat, ik zeg dit met klem, echt niet waar is.

Hoe het zover is kunnen komen dat ik mijn vader niet opvolgde als een voortreffelijk tapbiljarter, of niet in de sporen van een voorouder trad als wipschieter, maar zo nodig een sport moest beoefenen waarvoor ik mij telkens vele kilometers verplaatsen moest, is een geheim van de natuur. Psychologen, belast met de taak de menselijke natuur haar koppigste geheimen te ontfutselen en immer op zoek naar een vermakelijk thema voor een doctoraat, zijn tot de conclusie gekomen dat klimmers een door en door rotte binding met hun moeder hebben. Helaas ontbreken mij de bewijzen om dit te weerleggen, maar ik houd het toch maar liever hierop dat de vonk op mij tijdens de sneeuwklassen in Maloja moet zijn overgesprongen. Het waren de eerste bergen die ik zag en ze toonden zich meteen in hun bergachtigheid: een bepaalde leerling had zich sneller het skiën dan de remtechnieken eigen gemaakt waardoor we tien dagen later terug op het treinperron van Aalst stonden met een doodskist, en wij nog een week later onze eerste begrafenis meemaakten; onze ogen, vanuit de vleeswitte skibril die de zon op onze kop had gestempeld, de kost gevend. Toch herinner ik mij van Maloja vooral dit: dat ik er thee met melk leerde drinken en dat ik een berg het schoonste vond wat ik tot dan toe had gezien, op een gedeelde eerste plaats met mijn nichtje Gina. Skiën daarentegen zei me niet zoveel en ik heb het nadien maar één keer meer gedaan, in de Yorkshire Dales, putje zomer, op iets wat op sneeuw geleek maar waarmee ik mij tweedagelijks scheer, en met pijnlijke schaafwonden aan het eind van de roetsj.

Nu, een beetje rottigheid met mijn moeder is toch aan de neus van een jeugdrechter gekomen zodat ik op mijn veertiende in een pleeggezin werd geplaatst. Ik woonde er boven een keldertje wijnen, kreeg naar mijn zin al eens een ganzenlever te veel op mijn bord, en bracht met hen mijn vakanties door in de bergen. Met mij is het nooit meer helemaal goed gekomen.

Het eerste wat ik vingerde was een berg. Met die zin zou ik dat epos overigens willen, maar niet durven te beginnen, bang dat de lezer dit voor een studentikoze dubbelzinnigheid zou nemen. Maar ik bedoel het wel degelijk zo: dat vingeren en betasten van het gesteente, het met mijn hele lijf er tegenaan liggen om in evenwicht te blijven is nog altijd mijn lang leven, en het zou mij verdrieten indien dit schoons met mijn moeder te maken had. Een mensje, een berg. En het mensje dat die berg bevingert, van voet tot top, een centimeter per keer. Zo was het, in de Pyreneeën, nadat ik de geijkte paden had verlaten, wat een puber hoort te doen, en ik me handtastelijk een weg baande naar boven, naar de grootst mogelijke afstand tussen mezelf en de dichtstbijzijnde mens. De naam van die berg kan ik niet meer achterhalen, dat het onverantwoord was hem te beklimmen, herinner ik me wel. Een zomer later reed ik de Franse grens over met een klimgordel, de kennis van een paar essentiële knopen, en technieken die ik inmiddels van ervaren klimmers in de Ardennen had aangeleerd. Wat ik had opgelopen bleek viraal, en het zou nooit meer overgaan.

Ik heb nu de leeftijd waarop ik vaker rochelend wakker wordt, overweeg definitief met roken te stoppen en daar dagelijks mijn naasten mee lastigval, en waarop ik kan zeggen dat ik al meer dan de helft van mijn leven ben bezeten van de klimsport. Maar aan bergen, Bergen, heb ik me amper vergrepen. Het gaat niet goed met de bergen.

Neem nu de Mount Everest... Het is en blijft voor velen een streefdoel het grootste uitsteeksel van de wereld op hun palmares te zetten. Wat onbegrijpelijk is, het is een lelijke berg, om te beginnen. De Schepper zat in zijn arte povera-periode toen hij de Moeder (de moeder?) van alle bergen op de globe zette. Bovendien is het poepsimpel om tot boven te raken. Wie daar ooit ijspegels piste zal waarschijnlijk steigeren van deze woorden, maar het blijft moeilijk volhouden dat het beklimmen van de Mount Everest niet een fluitje van een cent is. Het stapeltje boeken dat sinds vijftig jaar over de Everest is geschreven, beklimmen, solo en zonder zuurstofmasker, dát is pas een uitdaging. In Kathmandu opereren gidsen die u garanderen dat u tegen betaling van een paar honderdduizenden dollars de top zult halen, ook al was een trapladdertje uw puikste beklimming ooit. De meerderheid van de klanten haalt wel degelijk de top, en de meerderheid van de klanten die de top haalden raakt wel degelijk weer levend beneden. Voor dit najaar plant een Nieuw-Zeelander een aanval op de 8.848 meter. Als hij boven raakt zal hij de eerste mens met twee geamputeerde benen zijn (dus eigenlijk zonder) die de Everest bedwong. Is dat dan nog moeilijk te noemen, als je er de Parolympics kunt organiseren op de zuidflank? De Nieuw-Zeelander (dezelfde nationaliteit als Edmund Hillary) past perfect in de reeks idioten die zich langs de zuidoostgraat onsterfelijk willen maken. Je had de eerste mens op de Everest, daarna de eerste vrouw. Dan de eerste neger, gevolgd door de eerste dit en de eerste dat, zoals Hollanders en Belgen. Nu is het tijd voor de eerste gehandicapte. Het is de verdienste van deze berg dat hij de mens zijn fascistoïde idee van hiërarchie uitmuntend weergeeft. Ik ben gelukkig niet de ambitie te hebben de eerste Dimitri Verhulst te willen zijn die daar zijn vlagje in de sneeuw stampt. Mocht u daarentegen nu gezellig met z'n tweetjes zijn en de wens koesteren om het eerste koppel in de geschiedenis te worden dat op de Mount Everest heeft geneukt, dan moet ik u ontgoochelen; ook dat is al gebeurd en beschreven. Als ik mij niet vergis was het zonder zuurstofmasker.

Waarom de gletsjers daar zijn veranderd in een vuilnisbak en een kerkhof, als die berg dan toch zo poepsimpel is? Omdat hij poepsimpel is! In combinatie met een sneeuwstorm is poepsimpelheid bijzonder dodelijk.

Waarom mag iedereen die op de top van de Mount Everest heeft gestaan daar zomaar een boekje over publiceren? Leg je soms een proeve van schrijfkunst af als je boven raakt? En wie kijkt er eigenlijk nog uit naar het relaas van de vijfhonderdste beklimming die een kopie is van de achtentachtigste beklimming die uiteraard ook te boek staat?

Het personage Qvigstad in Nooit meer slapen van W.F. Hermans: "De krantenlezer krijgt over dit soort expedities alleen te horen als het naar de Mount Everest is. De mensen hebben geen idee hoeveel onderzoekers terzelfdertijd op pad zijn, zonder dat het in de krant komt, anoniem, in minder spectaculaire streken en soms veel gevaarlijker." Qvigstad liep dan ook door Lapland, op zoek naar een heel klein steentje.

Wellicht ben ik een verwerpelijke bergsporter, het zal dat zijn. Mijn bedevaart naar de Himalaya heb ik nog steeds niet ondernomen. Te duur. En te gevaarlijk; de rebellen met hun Belgische machinegeweren eerder dan de bergen. Een berg, een Berg, die me wel kan bekoren is de Kilimanjaro. Kili voor de vrienden. Het is de hoogste eenzame berg ter wereld, uren in de geburen is er geen knobbel te bespeuren. Waardoor hij een echtere berg is, zoals kinderen hem tekenen, met een mutsje van sneeuw erop. Ik heb er wa, wa, wa, waanzinnig van gedroomd de zonsopgang in Afrika vanaf de Kilimanjaro te mogen aanschouwen en het heeft niet veel gescheeld of ik zou het daadwerkelijk hebben meegemaakt. Tot ik de voorbereidingen voor de beklimming trof. Blijkt dat die berg is overboekt!!! Ook al tel je minstens US$ 450 neer om aan de trek te mogen beginnen, toch sta je voortdurend in de file als je de Marangu-route neemt. Zeven dagen langs een pad dat is ondergescheten door ettelijke toeristen met een voor grotere hoogten (en bij gebrek aan vier tabletten Lomotil) vrij normale diarree. Voor de top, volg de drollen. Ook de Kili heet poepsimpel te zijn, hij is wat alpinisten nogal neerbuigend noemen 'een wandelberg'. Ze slepen er dan ook jaarlijks gemiddeld zeven skeletten naar beneden.

Er zijn te veel mensen en te weinig bergen. En tegenwoordig kruip je een berg op om eens onder het volk te zijn. Op de Mont Blanc kun je tuinfeestjes geven. Dat heeft nog weinig te maken met het ventje dat naar de grootst mogelijke afstand tussen hemzelf en de dichtstbijzijnde soortgenoot klom. Ik doe dan ook niet langer graag aan bergsport. Maar aan bergjessport, als dat even zou mogen bestaan.

De bergsport, laat u vooral niets wijsmaken, ís zeer gevaarlijk. Wie zichzelf daarvan wil vergewissen moet gewoon eens een nacht in een berghut doorbrengen. Een tukhut is ook goed. Hopelijk kan hij slapen. Hopelijk verdraagt hij het lawaai van een horde straalbezopen sportievelingen die, nu eens in Tiroler kniebroek, dan weer poedelnaakt, hun schnaps richting ravijn uitkotsen. De echo van de braakgeluiden krijgt hij er vijf minuten lang bovenop. Ik heb ooit eens in verkeerd gezelschap in de witte woestenij van Zakopane de lof der wodka bezongen; het spul was dermate goed dat ik mijn langzame bevriezing niet eens in het snotje had. En zweten dat ik deed! Geloof me, bergsporters houden er een liederlijk leven op na. K2 is behalve de kille naam voor 's werelds tweede grootste steenpuist ook een sigarettenmerk, wat geforceerd toeval is. Er wordt wat afgepaft in deze rangen. Uit angst voor het dodelijke longoedeem dat kettingrokers op grote hoogten makkelijk oplopen, verlaten de klimmers met vervelende ontwenningsverschijnselen en afkickhumeurtjes het basiskamp. In Chamonix, het Europese mekka van de verticalist, hebben de avonturiers voldoende op hun bankrekening staan om zich te laten repatriëren indien ze lazarus op een wand zouden vastzitten, dat scheelt.

Bij Herman de Coninck las ik dat dichter Pierre Kemp ooit heeft gezegd dat hij vooral van kleine vrouwen houdt, omdat bij hen alles zo dicht bij elkaar ligt. Ik zou dat als motto kunnen gebruiken in mijn pleidooi voor bergjessport. Liefhebbers van zulke hottentotjes zakken af naar het Franse Fontainebleau, een woud waar manshoge zwerfkeien als meteoren lijken neergeploft. Het gaat hem daar om twee, hooguit drie pasjes die moeten worden overwonnen. Dat is geen klimmen, dat heet boulderen, een woord waar de spellingchecker van mijn computer moeilijk over doet. Boulderen is best eens prettig als tussendoortje, maar wat mijzelf betreft heb ik de vrouwen liever een tikkeltje groter, zodat ik iets langer met mijn handen op de tast kan. Zo'n meter of vijfenveertig. En ze mogen gerust makkelijker zijn dan ze laten uitschijnen, want dat soort mannelijk masochisme ligt gelukkig achter mij. Waar de Maas mooier la Meuse is, en waar de Ourthe zich vertakt, heb je een aantal klimmassieven die mij tientallen meters tastzin kunnen bieden. Sommige daarvan hebben hun idylle aan de grote massa al verpatst, en bieden misantroop noch solipsist een stek. Van de andere locaties werd het een sport hun plaatsbepaling aan niemands neus te hangen. Je kunt het geen dorp noemen maar er is een kerk. Er zijn nog een paar everzwijnen en ze hangen in het dichtstbijzijnde café omhoog als jachttrofee. Daar dus. Daar dus ergens. Daar dus ergens ongeveer. Daar klim ik het liefst. Het kunnen de Ardennen, het kan de Condroz zijn. Spectaculaire klimboeken worden daar niet over geschreven. Je hoort er het zachtjes kletteren van de musketons tegen de rotsen, het vieren van het touw in de handen van iemand die jou zekert, en die je vertrouwt. Je voelt er niet alleen het verschil tussen leisteen en arduin, je ruikt het ook.

"Hebt gij ooit gehoord, dat iemand zijn hockeystick of tennisracket besnuffelde en dat die geur hem gelukkig maakte?" (uit het ledenblaadje van de Nederlandse alpinisten, 1937)

Als ik thuis mijn klimzak openmaak, ruik ik de rotsen, Ardense schilfersteen. De geur zit helemaal in het klimtouw. Aan een hockeystick zul je mij nooit zien ruiken, ik ben immers geheel normaal of doe de laatste tijd toch heel hard mijn best.

Met boten en lelijke villa's hebben klimroutes gemeen dat ze een naam krijgen. Mijn allereerste officiële klimroute heette 'Linde', het eerste wat ik voorklom was 'Eikel'. Te Mozet was dat, een dorpje dat werd opgenomen in de lijst met de mooiste plaatsjes van Wallonië maar waar geen kroeg is naast de kerk, op een scholingsmassief waar er ondertussen al zovelen hun eerste passen omhoog zetten dat de rotsen er bruine zeep werden.

De eer van naamgever is altijd weggelegd aan haar of hem die de route geopend heeft. Klimmers zijn of oversekst, of hebben het moeilijk om uit te komen voor hun intelligentie, dat is het minste wat je kunt afleiden uit de namen van vele klimroutes: 'De Scheet', 'Oktoberfest', 'Tirez a la tirette', 'Old Fuck', 'Symphonie d'urinoir', en zo kan ik u nog wel een paar avonden onderhouden. Te Beez, het dorp dat koning Albert I vredig onder hem zag liggen indien hij naar rechts keek toen hij zijn dood tegemoet viel, moet een volledig massief het met songtitels van Pink Floyd stellen. Je beklimt er 'The wall', en 'The dark side of the moon'. Wat rest zijn routes die hun naam ontlenen aan de fauna en flora van een indrukwekkender gebergte, of meisjes. 'La belle Hélène'. Zeker ben ik daar niet van, maar er is een grond van vermoeden en het zou passen in de logica van de berg dat u nog altijd als eerste homoseksueel op de top van de Mount Everest kunt staan.

Welke naam ik aan mijn route zou geven?

Toen ik nog heel erg ongelukkig was en daar ter compensatie een som geld uit wou kloppen, schreef ik een boek, dat in feite nauwelijks verkocht, en dat ik de titel Niets, niemand en redelijk stil meegaf. Eigenlijk had ik die titel al een hele poos in mijn hoofd, ik had hem bedacht als de benaming voor een klimroute die ik op een prachtige dag had willen ontsluiten. Maar gezien dat frequentere gerochel in de ochtend, en gezien het tanende geloof in mijn mogelijkheden als explorateur, gaf ik de naam maar aan een boek. Een stommiteit, een stuk berg benoemen is tenslotte toch een naam mogen schenken aan een zweem van eeuwigheid. Maar het had een mooie route geweest, dat geloof ik graag. Eén met veel tastwerk. Helemaal iets naar de smaak van de bergjessporter. Die na de klim nog even met zijn touwkompanen de maten van de vallende avond neemt vanachter een trappist. Die, wanneer hij even later in de struiken pist, denkt: dit is hoe de Maas met meer geduld dit landschap heeft gemaakt tot wat het is. En als hij dan 's nachts in het prachtige design van het periglaciaal zijn tent dichtritst, in feite een tikkeltje te moe is, om nog een uitstekend minnaar te kunnen zijn.

Dimitri Verhulst Ledeberg, 8 meter boven de zeespiegel, Mei, 2003

Er bestaat een literatuurprijs voor bergsportboeken,

de Boardman Tasker Award, en als ik eerlijk ben

durf ik er weleens naar te verlangen ooit met een bescheiden epos deze oscar voor de klimliteratuur

op zak te stekenHet gaat niet goed met de bergen. Neem nu de Mount Everest... Het is en blijft voor velen een streefdoel het grootste uitsteeksel van de wereld op hun palmares te zetten. Wat onbegrijpelijk is, het is een lelijke bergBij Herman de Coninck las ik dat dichter Pierre Kemp ooit heeft gezegd

dat hij vooral van kleine vrouwen houdt, omdat bij hen alles zo dicht bij elkaar ligt. Ik zou dat als motto kunnen gebruiken in mijn pleidooi

voor bergjessportEen berg die me wel kan bekoren is de Kilimanjaro. Kili voor de vrienden. De hoogste eenzame berg ter wereld, uren in de geburen is er geen knobbel te bespeuren. Het heeft niet veel

gescheeld of ik zou het daadwerkelijk hebben meegemaakt. Tot ik de voorbereidingen voor de beklimming trof. Blijkt dat die berg is overboekt!!!

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234