Woensdag 20/10/2021

Met zicht op zee

Stephan Moens

Regelmatige luisteraars van deze rubriek zullen al weten dat ik geen groot liefhebber ben van de piano. Ik voel mij eerder afgestoten door dat grote zwarte monster en zeker door het gild dat van het bespelen ervan een godsdienst heeft gemaakt: de pianisten, de toetsenruiters. De enigen van dat soort die ik in mijn hart heb gesloten zijn degenen die mij kunnen doen vergeten dat er tussen hun gedachten en mijn oor een ingewikkelde machinerie van vingers, hefbomen, hamertjes, echappementen, met tonnenzware krachten opgespannen snaren en massief ijzeren kaders is geplaatst. Dat zijn er niet veel.

Het zal u dus ook niet verwonderen dat ik zielsblij ben dat ik deze week niet elke avond in het Paleis voor Schone Kunsten hoef te zitten om er met toenemende verveling en stijgende ergernis de twaalf finalisten van het Elisabethconcours te beluisteren. U vindt mij misschien een onuitstaanbare snob, want u zou zelf niet liever willen dan daar te zitten, maar dat is dan maar zo. Met al mijn sympathie voor jonge, talentvolle musici, maar ik word tamelijk misselijk bij de gedachte dat je ze tegen elkaar uitspeelt in steeds weer dezelfde concerten van Beethoven, Brahms, Rachmaninov en Prokofiev.

Ik ga u dus verder niets over die paardenkoers vertellen maar om u niet helemaal uit de sfeer te halen, wil ik wel even wat voortmijmeren over de piano. Toen ik zaterdagmiddag in het publiek zat bij een extra uitzending van De Kunstberg in Oostende, stonden er voor mij op het podium twee piano's, die echter geen van beide op dat ogenblik bespeeld werden. Stomme, ingeslapen zwarte monsters leken het wel. In het groepje dat de muzikale intermezzo's verzorgde, was er wel een blinde zigeuner die verzaligd glimlachend een draaiorgel bediende, de boeken met de gaatjesmuziek oplegde en aan het wiel draaide. Ik weet niet hoe het komt, maar door de combinatie van die piano's met die blinde muzikant werd ik plots herinnerd aan een scène uit mijn kindertijd, die, als ik er nu weer aan denk, bijna een droom lijkt, maar die toch, voorzover een herinnering ooit reëel is, echt gebeurd is. Ik bevond mij in de balzaal van een Zwitsers grand hotel, dat uiteraard Palace heette. Vooraan stond een Bechstein-vleugel en voor de rest was de parketvloer kriskras bezaaid met stoelen en canapés in allerlei stijlen en soorten. Aan het beschilderde plafond hingen kristallen luchters en voor de ramen hingen zware, ingestofte draperieën. Tussen de ramen in waren spiegels aangebracht. In een van die spiegels zag ik de grote dubbele toegangsdeur op een kier opengaan en twee mensen binnenschuifelen. Het bleken een blinde en zijn begeleider. Zonder naar mij om te zien gingen zij naar de piano en namen beiden plaats: de blinde op de pianokruk, de andere man een beetje verderop in een hoge leunstoel. De blinde zette zijn voeten op de pedalen, legde zijn vingers op de toetsen, mat even de breedte van het klavier om het juiste octaaf te vinden en begon te spelen: Chopin, als ik het mij goed herinner, een van de mazurka's, en daarna nog impromptu's van Schubert en stukken uit de Kinderszenen van Schumann. Het betere salonwerk, als het ware. Buiten scheen de zon en in de zaal was ondanks de wat muffe geur van de vergane glorie ook iets merkbaar van de prikkelende, zuivere berglucht. Het deed de noten vanzelf wat meer parelen dan de pianist met zijn techniek kon klaarspelen. Dat was mijn kinderervaring van Der Zauberberg van Thomas Mann, lang voordat ik dat boek had gelezen.

Dat beeld en zelfs die geur kwamen opnieuw voor mijn innerlijke zintuigen toen ik daar in dat Oostendse hotel zat, dat - hoe kon het anders - ook het woord Palace in zijn naam droeg. En wat het mooiste was, ik hoorde geen piano, maar ik kon alle geluid uit mijn hoofd verbannen, gewoon door naar buiten te kijken. Want terwijl het draaiorgeltje Poulenc speelde, werd daar, achter de grote ramen die uitkeken op de zee, een hoogst eigenaardig ballet opgevoerd. Kleurige vliegers hingen aan draadjes die in het niets verdwenen, uit dat niets vloog soms een rode bal de lucht in, en nu en dan wandelden de torso en het hoofd van een toerist voorbij. Dat alles voor een helderblauwe lucht, te blauw om echt te zijn, de infini van een surrealistisch theaterdecor. Een grijze streep onderaan suggereerde de zee. Je wist dat bij dat alles geluiden hoorden, stappen, het ruisen van de zee, het klepperen van de vliegers. Maar het was een volstrekt geruisloos ballet. Pas toen ik mij heel hard concentreerde, hoorde ik, nee, niet Chopin en zelfs niet Poulenc, maar heel stil en rustig gespeeld op een imaginaire piano, de koele akkoorden van een gymnopédie.

Deze wekelijkse column is ook elke donderdag te horen in het programma De Kunstberg op Radio 3.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234