Maandag 18/10/2021

ReportageDe reis van mijn leven

Met Walter van den Broeck naar Mexico: piramides, tequila en koffertjes vol papiergeld

Walter met zijn zonen en broer Jules voor de piramide van de Maan.   Beeld Archief
Walter met zijn zonen en broer Jules voor de piramide van de Maan.Beeld Archief

In ‘De reis van mijn leven’ blikken De Morgen-pennen van toen en nu terug op een trip die onder hun vel kroop en misschien wel hun leven veranderde. Deze week: Walter van den Broeck bracht veertig jaar geleden met zijn gezin een heuglijk bezoek aan zijn broer in Mexico. Op de ring van Mexico-stad: ‘Heb je dat gezien? Die ene man hield een pistool tegen het hoofd van de andere!’

In 1950 vertrok, na een ongelukkige liefde, mijn oudere broer Jules op uitnodiging van mijn grootvader naar de States.

Het zou zestien jaar duren voor hij eindelijk geld genoeg had om zijn familie in Olen te komen bezoeken. Intussen had hij wel tijd genoeg gehad om te trouwen, twee dochters te verwekken en naar Mexico-stad te verkassen.

Ik was 9 toen hij vertrok en 25 toen hij zwaaiend met een sombrero in Zaventem uit het vliegtuig stapte. Sindsdien kwam hij zowat elk jaar op bezoek.

Telkens wanneer hij naar België kwam, werden wij met sterkere aandrang verzocht ook eens over te komen. Toen mijn zonen Karl en Stefan 14 waren – de ene was in januari jarig, de andere in december – achtte ik de tijd rijp. Kleuters herinneren zich weinig of niets van zo’n reis, hun ouders vooral de ongemakken. Pubers daarentegen blijken sponsen in hun oogkassen te hebben.

Ademnood

Alvorens we opstijgen nog gauw een paar bekentenissen. Ik heb een hekel aan reizen. Ik ben wel graag elders in de wereld maar ik haat het gedoe in stations en luchthavens, het eeuwige stilzitten in coupés en vliegtuigen. En van nauwe liften raak ik in ademnood.

‘Ik reis in mijn hoofd’ mag dan al een boutade zijn, wat mij betreft is ze een waarheid. In dat hoofd van mij wordt voortdurend geschreven. Op reis gaan heeft dus geen zin, want ik neem het boek of stuk waaraan ik werk mee in mijn hoofd. Dan kun je net zo goed thuisblijven, toch?

Maar na de zoveelste bede van mijn broer bleek het juiste moment aangebroken te zijn. Ik was klaar met een toneelstuk dat in het najaar zou worden opgevoerd en ik was nog niet aan iets nieuws begonnen.

Op 11 juli 1981 bracht mijn schoonvader ons naar Antwerpen, van waaruit wij met een Cityhopper van KLM naar Schiphol vlogen. Onze luchtdoop in een vliegtuigje met schroeven, aangedreven door Rolls Royce-motoren! Dat laatste stelde me gerust. Het tuigje vloog niet erg hoog, zodat we een prachtig zicht hadden op de begane grond.

Broer Jules was vele jaren eerder vertrokken naar Mexico.   Beeld Archief
Broer Jules was vele jaren eerder vertrokken naar Mexico.Beeld Archief

Waarom we met KLM vlogen? Omdat Sabena zijn lijn naar Mexico had opgedoekt.

In Schiphol stegen we op met een 747. Wij zaten met zijn vieren in het midden.

Aanvankelijk was er enige verstrooiing. Stewardessen boden gratis drankjes en hapjes aan, twee onder hen voerden een ballet op. Het bleek een reddingsoefening te zijn voor het geval we in de oceaan terecht zouden komen.

Toen de verveling intrad, zakte vooraan een scherm en begon Death on the Nile met Peter Ustinov als Hercule Poirot. Na afloop begonnen stewardessen kussens en dekens uit te delen.

Oogjes dicht en snaveltjes toe nu maar.

Daar hadden de vier robuuste Zweden of Noren die voor ons zaten niet op gewacht. Die hadden zich in een mum van tijd lam gezopen, en lagen over elkaar heen gevouwen tot in Houston.

Veertien lange uren zouden we in het vliegtuig blijven zitten. We vlogen zoveel mogelijk boven land. Van Schiphol naar Schotland, van Schotland naar Canada, van Canada langs de oostkust van de VS naar Houston. Iedereen mocht het vliegtuig verlaten, behalve wij.

Het schoonmaakpersoneel had niet meer dan 45 minuten nodig om het toestel weer schoon te maken. Anderhalf uur later landden we in Mexico.

De hele familie van broer Jules verwelkomde ons. Verdoofd van het lange zitten en het geronk van de motoren werden we naar Jules’ ‘Pacer’ geleid. Oef, eindelijk thuis, dacht ik. Maar dat viel nog wel even tegen. Afstanden bleken hier al meteen het veelvoud van de onze te zijn. Heel even dacht ik dat we opnieuw aan het opstijgen waren. Hadden we iets vergeten in Turnhout?

Kippensoep

Het was al laat toen wij in de Calle Parque Malinche 29 aankwamen. Hoe de reis geweest was, vroegen mijn nichten. Lang. En een paar keer de billen dichtgeknepen door heftige turbulentie.

Schoonzus Olga verstrekte kippensoep. Daarna gingen we naar bed en verzonken in een diepe slaap. Na het ontbijt de volgende ochtend stelde mijn broer voor met de auto een toertje te maken. We zouden naar Cuicuilco rijden, dat was om de hoek. Om de hoek bleek minstens 50 kilometer te betekenen. ’t Was even wennen.

Broer Jules en schoonzus Olga. Beeld Archief
Broer Jules en schoonzus Olga.Beeld Archief

Het ‘Mexicaanse dal’ was eertijds versnipperd, tot de verre voorvaderen van de moderne warlords elkaar hadden uitgemoord en er nog twee grote steden overbleven, Teotihuacán in het oosten en Cuicuilco in het westen. Ook die voerden constant strijd, maar rond 100 na Christus maakte de natuur daar een eind aan. Een enorme uitbarsting van de vulkaan Xitle bedekte de hele stad onder een meters dikke laag lava. De homp die van een piramide was overgebleven leek op de berg slakken, waarmee in Olen na een hevige regenbui de diepe putten in het wegdek werden gedempt.

“Kijk hier eens”, riep een van de jongens. Met de tip van zijn rechterschoen had hij een paar terracottascherven opgedolven. Broer Jules glimlachte. Even later stonden we allemaal te delven.

Na het avondeten stelde Jules voor ‘om de hoek’ een glas te gaan drinken. Een uur later stonden we aan een parkeerterrein aan te schuiven. De ingang werd aan weerszijden bewaakt door twee geüniformeerde en zwaarbewapende wachters.

De drankgelegenheid waar broer Jules ons naartoe leidde barstte van het lawaaivolk. ’t Is daar dat ik voor het eerst met Corona in contact kwam, nee niet die ellendige kwaal, maar de enige Mexicaanse pils die drinkbaar was, en die intussen al jaren ook in België te koop is.

Rook uit de motor

Het naar huis rijden ging vlotter. Tot de motor plotseling begon te roken. Broer Jules gooide de kap open en zag dat de rubberslang van de radiator was gescheurd. Geen paniek. Hij parkeerde de auto aan de rand van de weg en we gingen op zoek naar een telefoon om een taxi te bellen. De gsm zou pas twee jaar later op de markt komen.

Ambiance op de rondvaartboot. Beeld Archief
Ambiance op de rondvaartboot.Beeld Archief

Ik merkte dat mijn broer evengoed zijn weg vond in de wereldstad als eertijds in zijn geboortedorp. Via de Tolstoistraat bereikten we het felverlichte, gigantische hotel El Camino Real.

Vreemd genoeg stonden daar geen gewapende wachters, zodat we vlot de enorme hal probleemloos konden betreden. De glans van de marmeren vloer deed pijn aan de ogen.

De jongens zochten de toiletten, terwijl grote broer een taxi belde en mijn vrouw en ik ons stonden te vergapen aan een reusachtige affiche van een Liberace-concert van de dag ervoor.

“Goh!” zeiden de jongens toen ze terugkwamen. In de toiletten betrapten ze ongewild een paar ongure types die een koffertje vol papiergeld stonden te ruilen tegen een koffertje met onbestemde inhoud. Doordat ze snel naar de urinoirs liepen werden ze niet vermoord.

Wat later zaten we in een VW-kever en reden naar huis. Broer maakte een afspraak met de chauffeur voor morgenochtend. Zijn auto moest op tijd weggehaald worden, anders zou hij weggesleept worden.

Toen hij de volgende ochtend uit de taxi sprong, waren de agenten net zijn nummerplaat aan het noteren. “Goeie gasten”, zei hij, en keerde na wat onderhandelen met dezelfde taxi terug naar huis. Een paar uur later zou de Pacer door de politie worden thuisgebracht. Of het dezelfde ‘goeie gasten’ waren die later op de dag de opgepoetste en gerepareerde wagen voor de poort parkeerden, weet ik niet.

“Ik denk nochtans dat nu iemand anders met een gescheurde waterslang in de buurt van de Tolstoistraat staat te stomen”, lachte broer. “Maar ’t zijn toch goeie gasten”, voegde hij eraan toe.

“En ze verdienen al zo weinig”, zei ik.

Donkere kuil

Na het middageten vertrokken we naar Cuernavaca, de stad van de eeuwige lente, zo’n 80 kilometer van Mexico City. Olga sloeg een kruis. Dat vond ik ietwat overdreven. “Kijk daar eens”, zei broer en wees naar links. Pas nu zag ik bij klaarlichte dag de Mexicaanse vallei: een immense, donkere kuil. Dat bleek Mexico City te zijn, bedekt met verstikkende smog.

Toen we eindelijk in broers prachtvilla aankwamen barstte een hevig onweer los. “Dat is maar voor even”, zei broer. “Tja, dat heb je met het regenseizoen. Eén uur per dag rotweer en daarna opnieuw lenteweer.”

De volgende dag bezochten we het paleis van Cortez, groot, ruim maar niet bepaald fijnzinnig. Er hing nog steeds een middeleeuwse militaire sfeer. Alsof elk ogenblik het wapentuig van muren gerukt kon worden om de orde te handhaven.

“Kijk even in die put”, zei broer. Beneden lagen ongegeneerde geraamtes, sommige met een helm, andere met een ontbrekende arm. “Waarschijnlijk stout geweest”, zei ik in een poging geestig te zijn. Maar het beeld van die geraamtes kan ik tot op vandaag tevoorschijn halen.

Na het bezoek gingen we wat drinken op een terras. Van daar af leek het plein bevolkt met breugeliaanse figuren. Eén is mij altijd bijgebleven. Hij droeg een piratenmuts en kleren die slechts door het vuil werden samengehouden. Hij had geen benen en verplaatste zich op een wagentje met kleine wielen dat op het onderstel van een kinderwagen leek. Vinnig hield hij het autoverkeer in de gaten. Plots greep hij het achterste spatbord van een VW en reed het plein af.

Om de haverklap werden we lastiggevallen door bedelaars. Nu ja, échte bedelaars waren het niet. Ze boden kleine prullaria te koop aan, die een peso of twee, drie kosten. Eén heel oude, gerimpelde vrouw had gezien dat ik een sigaret opstak. Ze slofte naar me toe, keek me glimlachend in de ogen en stak toen één vinger op. Ze had niets te koop aan te bieden en deed dus een beroep op mijn goedertierenheid. Daar kon ik niet aan weerstaan. Ik gaf haar een Zemir en stak hem voor haar op. Ze haalde diep in, blies een enorme rookkegel uit. “Gracias”, zei ze, en draaide het hoofd als een vogel die op zoek is naar voedsel.

Aandringen deden de bedelaars niet. Ze bleven beleefd alsof ze begrepen dat de aangesprokene het ook moeilijk had. Bij een ‘no deal’ begaven ze zich waardig naar het volgende tafeltje

Het viel me op dat ze ondanks hun armoe allemaal goed doorvoed waren. “Dat komt doordat de regering heeft vastgelegd dat één broodje niet meer dan één peso mag kosten”, zei broer.

Op een plein in Cuernavaca zag ik een man die mij altijd is bijgebleven, schrijft Walter van den Broeck. Hij droeg een piratenmuts, had geen benen en verplaatste zich op een wagentje met kleine wielen dat op het onderstel van een kinderwagen leek. Plots greep hij het achterste spatbord van een VW en reed het plein af. Beeld Archief
Op een plein in Cuernavaca zag ik een man die mij altijd is bijgebleven, schrijft Walter van den Broeck. Hij droeg een piratenmuts, had geen benen en verplaatste zich op een wagentje met kleine wielen dat op het onderstel van een kinderwagen leek. Plots greep hij het achterste spatbord van een VW en reed het plein af.Beeld Archief

Op de terugweg naar de villa overviel mij een diepe schaamte. “Toerisme is vies”, borrelde spontaan in me op. “Toerisme is een soort schaamteloos leedvermaak.”

Gelukkig konden we schuilen voor het zoveelste onweer in een reusachtig warenhuis, een filiaal van de Mexicaanse Liverpool-keten. Hier voelden we ons op vertrouwd terrein. In de boekenafdeling vond ik een pocketuitgave van The Third Wave, van Alvin Toffler, van wie ik een paar jaar daarvoor The Future Shock had gelezen. Ik heb soms de indruk dat The Third Wave nog door geen enkele West-Europese politicus is gelezen, hoewel het boek in vele talen werd vertaald, zelfs in het Nederlands. Maar soit.

De volgende dag gingen we tickets bestellen voor Acapulco. Het was de eerste keer dat ik de Periferico bij klaarlichte dag zag. Van de 89 kilometer lange ringweg om de stad was een flink deel dubbeldeks met 4x3 rijstroken en talloze op- en afritten. Doordat de benzine spotgoedkoop en van een autokeuring nog geen sprake was, kon vrijwel iedereen zich een auto permitteren. En dat deed iedereen dan ook.

Ik zat verstijfd voor me uit te kijken. Zag hoe gloednieuwe bolides en aftandse vehikels ons links en rechts passeerden. Mocht mijn aars tanden hebben, dan zouden er nu al diepe bijtsporen in mijn zetel zitten.

null Beeld Archief
Beeld Archief

Van links werden we ingehaald door een kleine blauwe driewieler met open laadbak die volgepakt was met kleuters die met een fopspeen in de mond en de handjes om de randen geklemd geïnteresseerd het gewemel op de weg gadesloegen. Van rechts passeerde een oude Chevrolet met dikke touwen rond de motorkap.

Vlak achter hem dook een wagen op die ook zijn beste tijd had gehad, volgestouwd met mannen. Op de achterbank zaten er drie. De rechter hield een pistool tegen het hoofd van de middelste. Ik slikte nog net een gil in. Was ik aan het hallucineren geslagen? Even verder verliet de wagen de Periferico.

“Had je dat gezien?” vroeg mijn broer.

“Wat?”

“Die ene hield een pistool tegen het hoofd van die andere.”

“Euh… neen.”

Toen viel het verkeer stil. “Dit kan even duren”, zei mijn broer. Een legertje knapen kwam van overal tevoorschijn. De ene verkocht kranten met reusachtige titels. De andere bood Coca-Cola aan.

Ik vroeg me af of zij de verstopping niet zelf hadden georganiseerd.

Voordat we naar Acapulco vlogen, hadden we ook nog het uitzonderlijke Nationaal Museum bezocht. Tot op heden staat mij een maquette van het oude Mexico voor ogen waarop centraal de twee beroemdste piramides: die van de Zon en die van de Maan. De maquette toonde dat er vast nog een twintigtal andere, geheel overgroeide piramides te vinden waren. Het geld om ze voor de wetenschap en het toerisme toegankelijk te maken ontbrak vooralsnog.

Onderweg brak weer een onweer los met hagel als biljartballen. Gelukkig bleven we gespaard van deuken in het koetswerk omdat we een tunnel in reden. “Oef”, zei broer toen we hem weer uitreden. “Hoezo, oef?” Het hagelde nog steeds.

Een tijdje geleden ontstond in zo’n tunnel een verkeersopstopping. De hagel rolde de tunnel in, stapelde zich op en bedolf alle stilstaande wagens onder het ijs.

“Er zijn toen een paar mensen doodgevroren.”

Een klap van de hitte

Aan de kleine luchthaven van Acapulco, toen nog de beroemdste badplaats ter wereld, kregen we bij het uitstappen al meteen een klap van de hitte. Bij de uitgang stond een VW-combi ons op te wachten. Broer begon meteen de chauffeur uit te schelden, en vervolgens iemand aan het andere eind van de wandtelefoon.

Een kwartier later stopte een glanzende Dodge. Een chauffeur in zwart uniform laadde onze bagage in en opende de portieren voor ons. Broer nam plaats achter het stuur, en de chauffeur stapte samen met zijn collega in de VW-combi. “Verkeerd doorgegeven, de klootzakken.”

Op het strand van Acapulco, met een Mexicaans nichtje. Beeld Archief
Op het strand van Acapulco, met een Mexicaans nichtje.Beeld Archief

Wij stopten voor een ruime villa, die deel uitmaakte van hotel Princess, een piramidevormige constructie op spuugafstand van de Stille Oceaan. In de villa hing een vochtige stank, te vergelijken met die van een aardappelkelder. Niet bepaald een vakantiegeurtje.

Broer ontstak wederom in een bijbelse woede. We reden naar het Princess, en terwijl wij op het terras iets dronken, begaf broer zich naar de directie. Een half uur later kwam hij glimlachend bij ons zitten en dronk een tequila of twee.

“En?”

“Ik zei dat er een gaslucht in de villa hing en dat we een andere woonruimte wilden.”

De onderdirecteur had eerst wat uit de hoogte gedaan. Toen had broer gezegd: “Ik vraag me af wat de lezers van El Financiero over het Princess zullen denken als ze morgen lezen dat er een gevaarlijke gaslucht in de kamers van het hotel hangt…”

“Meneer is journalist?”

“Freelance.”

“Wat zei hij toen?”

Hij had zich naar de grote baas gehaast. Die kwam hem in persoon zijn excuus aanbieden en bood hem DRIE ruime appartementen aan.

Op 21 juli 1981 werden wij samen met ‘De Belgen in Mexico’, een club waarvan broer stichter en voorzitter was, op de ambassade uitgenodigd. Ambassadeur Watteeuw en zijn dame excuseerden zich omdat ze niet konden staan om ons te begroeten. Ze zaten naast elkaar op een sofa, allebei met beide benen in het gips. “Auto-ongeval.”

Uit het vakantiealbum. Beeld Archief
Uit het vakantiealbum.Beeld Archief

Er werd wat gedronken, en vooral veel gebabbeld. Schoonzus stelde mij aan iedereen voor als de beste schrijver van België, wat niet eens overdreven was, maar waarop ik mij nooit heb laten voorstaan. Ik werd meteen omringd door een vlucht vrouwen die alles van me wilden weten. Schoonzus hield ze me van het lijf. Ik zag dat ze spijt had dat ze me had voorgesteld.

Wat ik van die middag heb onthouden? De neerslachtige pakken van de Belgen. Wat me ook is bijgebleven: het geklaag van de Belgen. Het merendeel was van plan naar België terug te keren. Door het steeds toenemende verkeer werd zakendoen steeds moeilijker. Een uur afspreken was onmogelijk geworden. Je kon alleen nog zeggen dat je ’s ochtends zou komen of ’s middags.

Protserig

De volgende dag reden we naar Tepotzotlán, een stadje met een kleine veertigduizend inwoners bekend om zijn Nationale Museum van het Vice-Koninkrijk, gewijd aan de koloniale periode en gevestigd in een jezuïetencollege. Als je de Periferico verlaat kom je terecht op een gewone zandweg met enorme geulen die alle schokbrekers danig op de proef stellen.

“Dit moet je gezien hebben”, zei broer. Dus slikte ik mijn klachten maar in. Plots stonden we voor een kerk met één toren in protserige jezuïetenbarok, de kerk van San Francisco Xavier.

Once upon a time in Mexico. Beeld Archief
Once upon a time in Mexico.Beeld Archief

Het interieur was zo mogelijk nog protseriger maar getuigde van buitengewoon vakmanschap. De ontelbare fiorituren en afbeeldingen van heiligen waren van boven tot onder bedekt met bladgoud. Iemand was bezig met een stofzuiger de figuurtjes stofvrij te maken.

Aan de buitenkant van de toren was een zuilengalerij. Op de muur bevond zich een schildering van Diego Rivera. Veel kwaad en discuterend volk.

“Siqueiros’ concurrent”, zei broer. “Siqueiros is overigens een oom van Olgita.” (David Alfaro Siqueiros was een beeldend kunstenaar die in 1940 betrokken was bij een mislukte aanslag op Trotski, die toen in Mexico verbleef, red.). We sloten ons bezoek aan Mexico af met een bezoek aan de piramides. Ik herinner mij dat de lucht er nogal ijl was, en we allemaal, behalve broer, onze gids, de pas vertraagden om niet buiten adem te raken.

Vrouw en kinderen beklommen de piramide van de Zon. Boven stonden ze te zwaaien naar broer en mij. Wij zwaaiden terug. Ook de piramide van de Maan werd beklommen, maar ik was eerder geboeid door de overblijfselen van de stad op de begane grond.

De reispapieren. Beeld Archief
De reispapieren.Beeld Archief

Yvette belde dat er een aardbeving was geweest en dat een vliegtuig van Aéromexico was neergestort. Onze adamsappels gingen geluidloos op en neer.

De volgende dag gaf broer een afscheidsfeestje in Mexico-stad. Zowat de hele Mexicaanse familie was aanwezig. De vrouwen keken op de buis naar het huwelijk van prins Charles en lady Diana. De mannen stonden aan de bar te drinken en te roken tot ze scheelzagen, de jongens dronken cola tot ze dreigden op te stijgen van het koolzuur.

Om halfdrie namen we afscheid. Gelukkig was het belangrijkste al gepakt.

De volgende avond reden we naar de luchthaven. Iedereen was zwijgzaam en dacht aan het vliegtuig dat een paar dagen geleden was neergestort.

We namen elkaar allemaal nog een keer stevig in de tang. Andere passagiers meenden dat het ging om een partijtje groepsworstelen.

“Tot spoedig!”

We zouden elkaar nog vaak zien.

Een paar dagen na onze thuiskomst ging ik bij de bank het overschot van mijn reischeques omwisselen. Tot mijn blijde verwondering stelde ik vast dat door het spel van inflaties onze reis helemaal niets had gekost.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234