Donderdag 06/05/2021

Met een Tiny in de hand door het Vlaamsche land

Tiny mocht alles en kon alles: paardrijden, ballet, zeilen, skiën... En in alles was ze de beste. Ze was slim, mooi en goed. En wat Tiny kon, zouden wij ook wel kunnen, als we maar hard genoeg ons best deden. Gerda Dendooven over het Dallas van het Vlaamse kinderboek.

k ga u iets vertellen, het is echt gebeurd en het gaat over mij. Ik lig in de zetel, ik ben acht jaar oud en mijn moeder is een dagje weg. Ik lig in de zetel want ik ben ziek, aan de longen, en ik lig liever daar, beneden, bij het raam, dan in mijn bed. Naast mij, op de vloer, een zakdoek vol snot en drie stapels boeken: 'Suske en Wiske', 'Jommeke' (maar dat zijn er niet zoveel, ik lees dat niet zo graag) en 'Tiny's'. Veel 'Tiny's'.

Want zolang ik leef, en dat is zolang ik me herinner, mag ik ieder jaar ofwel naar de kermis - een vis vangen of op de molentjes - ofwel een boek kopen. Maar een boek, zegt moeder, kun je volgende maand nog eens lezen, en volgend jaar nog eens. Terwijl de molen in een keer gedaan is en die vis eigenlijk, feitelijk ook.

Wij, mijn zussen en ikzelf, kiezen dus altijd een boek. Een 'Suske en Wiske' of een 'Tiny', iets anders kennen we niet.

Maar bon, ik lig in de zetel, de zon schijnt, het stof danst in het licht en ziek zijn is altijd een beetje vakantie. Want: Met een 'Tiny' in de hand reis je door het hele land.

Ik neem het bovenste boek van de stapel en lees hardop (stillezen lukt nog niet zo goed): Tiny gaat op reis.

Tiny kon niet lezen, niet schrijven, niet rekenen. Ze hield ervan te schommelen en met haar vriendin Cacao de vlinders achterna te lopen.

Cacao was een bijzondere pop: ze praatte, danste en ze liep zonder te vallen. Ze was net zo groot als Tiny, maar ze was nog dommer; ze kende zelfs haar naam niet, die toch niet zo moeilijk te onthouden was.

Maar Tiny's eerste avontuur loopt niet goed af. De kinderen verdwalen toch wel zeker, omdat ze niet kunnen lezen. Enfin, ze vinden de weg terug, met de hulp van Moeder Konijn, en onze blanke heldin besluit toch maar te leren lezen. Cacao zal proberen om op zijn minst haar naam te onthouden. Bravo voor Cacao. Tiny gaat op reis is een verhaal vol fantasie, stichtende moraal en welgemeend racisme. Het is 1954, Kongo heeft veel zwartjes en die mogen toch ook eens meespelen, ja?

Zou het kunnen dat de schrijver al van bij het eerste verhaal op de vingers is getikt? Want vanaf het tweede boek (Tiny op de boerderij) wordt de moraliserende toon subtiel vervangen door: "... wat fijn om een flink kind te zijn. En mooi, het leven is mooi..."

Enfin, Cacao mag dus nog één keer meedoen, in Tiny op de boerderij, ook uit 1954 - al weet niemand precies welke van de twee titels het eerst verschenen is. Daarna wordt ze vervangen door een hond.

Ik bekijk de prentjes, en ik weet het zeker: daar wil ik zijn: alles ademt harmonie, orde en veiligheid. En het ruikt er naar... Ja, naar wat? Nooit naar iets, maar stinken doet het er ook niet. Er hangt geen stront aan de biggen hun kont en het stro is vacuüm verpakt. Uit Tiny op de boerderij:

"Wie heeft gezegd dat Biggetje een vuil beestje is. Wat heeft het een mooie frisse kleur! Zijn pootjes zijn wel kort. Maar dat is geen bezwaar. Biggetje is al heel tevreden."

Niets stinkt bij Tiny. Zelfs als ze ziek is, dan nog stinkt haar asem niet.

Die van mij wel. Alles stinkt bij mij.

Mijn moeder heeft een thermos met citroenwater naast de zetel gezet. En er staat ook een donkerblauw glazen bord met siroop. Gemaakt van ajuinen en kandijsuiker. Tiny krijgt echte siroop en echte pillen om te genezen. De ouders van Tiny zijn mee met hun tijd.

Ik lig in de zetel en ik verlang naar de zomer: naar een echte Tiny-vakantie.

Maar zoals ieder jaar zullen we weer met z'n zessen in ons kleine VW'tje naar 't zeetje van Bredene tuffen. Vakantie aan zee is gelijk aan samenhokken in een minuscuul campinghuisje en bidden voor mooi weer.

Mijn moeder heeft al een bikini gehaakt. De eerste keer dat ik er mee in het water ga, rekt de broek tot aan mijn knieën.

Het badpak van Tiny is spannend koket, hupsch en wupsch. Rood met witte stippen, en watervast. Maar Tiny gaat niet elk jaar naar zee, nee, ze vliegt ook naar Rome en vaart zelfs met een nanny op een schip naar New York. Wat een leven.

Zelfs al zijn haar mama en papa vaak weg - waarschijnlijk om alle luxe te verdienen - toch leeft Tiny een gelukkig leven. Elke dag feest, elke dag een nieuw avontuur waarin ze weer eens bewijst wat ze waard is.

Tiny mag alles en Tiny kan alles: paardrijden, ballet, zeilen, skiën... en in alles is ze de beste. En ik, ik kan veel meer niet dan wel, dus ik droom weg in een wereld van papier.

Over enkele weken begint de zomervakantie en dan spelen mijn zussen en ik weer Tiny speelt toneel naar het gelijknamige boek. Niet op zolder, zoals Tiny, dat mogen we niet, er staat daar trouwens een bronzen Christusbeeld waar ik bang van ben, dus we doen het in het timmerkot van mijn vader, waar moeder ook de was kookt. In het kot liggen ajuinen te drogen. Het stinkt er. En er zitten miljoenen spinnen.

Wij hebben geen klavecimbel of een hobbelpaard. We hebben alleen planken en een draaibank. Al hangen we slingers en roze gordijnen aan de balken, het timmerkot zal nooit een paleis worden zoals bij Tiny.

We spelen dus toneeltje. Mijn zus is Tiny. Altijd. Mijn andere zus is het kamermeisje. Ook met een mooi kleed aan. En ik, ik ben dat manneke hier. Het knechtje.

Toch schattig, roepen mijn zussen: je mag in de ijzeren ketel slapen waar moeder de was in kookt. En ik mag pas uit de ketel komen als ze mij roepen.

Op het einde van het verhaal dus.

Dan moet ik weer een ander schildknaapje spelen. Eentje met een bruin gezicht. Mijn zussen maken me bruin met wat ça-va-seul.

We spelen wel elke zomer een keer of drie Tiny speelt toneel. En ik ben altijd het knechtje.

Ik heb er echt waar iets van opgelopen van die Tiny, en ik ben ervan bezeten. Ik kan er niet over zwijgen. Over dat stuk collectief geheugen, over dat Dallas van het Vlaamse kinderboek.

In al die jaren heb ik de volledige collectie opnieuw aangelegd. Ik heb eerste drukken en verschillende versies van dezelfde titels verzameld.

De oudste zijn de mooiste. Met wonderlijke schutbladeren en de beer die de kip verslindt. Een vreemd en wreed symbool van de beroemde Rinkelbel-reeks. En in die beroemde Rinkelbel-reeks zijn alle 'Tiny'-albums ondergebracht.

Ik begin dus een studie over dit misdadig perfecte kind dat me de ondraaglijke lichtheid van het bestaan heeft leren smaken. En ik ontdek vreselijke dingen.

De oude scenario's zijn in de heruitgaven soms aangepast: Prins Vrolijk (uit Tiny speelt toneel) verdwijnt zelfs helemaal van het toneel in een verbeterde versie.

Tiny is van oorsprong Franstalig, want ze is in Wallonië geboren. Eigenlijk heet ze Martine, en ze leeft nog steeds. Ze wordt dit jaar zelfs vijftig. Even oud als Jip en Janneke. En tien jaar jonger dan Pippi Langkous, die in 1942 werd geboren.

De 'Tiny'-boeken zijn in meer dan vijftig landen uitgegeven en Tiny wordt ook wel Anita of Debbie of Mary genoemd.

Van de 53 titels, dit jaar verschijnt nummer 54, zijn er 45 miljoen exemplaren in het Frans verkocht. En 80 miljoen over de gehele wereld. Per titel dus ongeveer anderhalf miljoen exemplaren. En de verkoop gaat nog steeds door: wie doet haar dat na?

En ik ontdek nog meer vreselijks. De verhalen zijn geschreven door een Waalse dichter, Gilbert Delahaye, die zijn naam in het Vlaams vertaalt naar Gijs Haag. Ik heb de helft van mijn leven gedacht dat Gijs Haag een Nederlander was. Maar in Nederland kent niemand Tiny. De opstand tegen het ouderlijke gezag was daar allang uitgebroken. Nederland had geen zin in volgzame kinders.

Enfin, mijnheer Delahaye was dus letterzetter bij Casterman, in Doornik, en de man kon ook wat schrijven en dichten en zo bedacht hij Martine, petite fille modèle, de eerste vrouwelijke heldin in een serie. Een pluim op de hoed van Gijs Haag.

Wij werden met Tiny grootgebracht. Tiny was de norm, ze was een progressief rolmodel. Ze was het perfecte kind: ze maakte nooit ruzie, ze was slim, mooi en goed. Tiny kon alles, en wat Tiny kon, zouden wij ook wel kunnen, als we maar hard genoeg ons best deden.

Helaas. Tiny kon alles, want Tiny had ook alles. Zo is het niet moeilijk. Ze had bijvoorbeeld een deux-pièceke, geheel volgens de mode en passend bij de bungalow waarin ze woonde.

Mijn grijze plissérokjes pasten ook bij ons huis en zelfs bij mijn luchtige onderbroeken.

Tiny droeg slipjes waarvan de elastiek nog niet was uitgerekt, kwaliteitslingerie van Petit Bateau. Duur en een bewijs van goede smaak. Ik vond dat schoon. Ik tel alle slipjes en stipjes in de boeken die ik heb. Ik tel er 33 en meer.

Tiny is perfect. Maar expressieloos. Een Botox-kopje, geen mimiek.

Tiny is zo onpersoonlijk dat ze elk kind kan zijn. En als je eventjes niet goed oplet, is Tiny ook elk ander kind in het boek. Ze lijken allemaal op elkaar en op Tiny. Misschien was het wel de bedoeling van de auteurs om de identificatie zo groot mogelijk te maken.

De verhalen zijn eigenlijk ook geen verhalen: er is geen plot, er is alleen een 'probleemstelling'. Bijvoorbeeld:

Tiny heeft nog nooit op een paard gezeten en kijk, op het einde van Tiny leert paardrijden behaalt ze toch wel een beker in de jumping zeker.

Maar wat weten we over haar emoties, over haar afkomst? We kennen zelfs haar familienaam niet. En wat doet Tiny als ze verdriet heeft? Heeft ze ooit verdriet? En bakt ze dan een cake?

Vindt ze het eigenlijk wel fijn om zoveel verantwoordelijkheid te moeten nemen: met hond en broertje Jan grote boodschappen te gaan doen, een dag op broertje Hans te moeten passen, het huishouden te doen...?

Tiny is een moeder in wording maar dan een die ook de luxueuze kanten van het leven kan smaken. Komt Tiny nooit in opstand? Spreekt ze nooit een keertje tegen? Zegt ze nooit beuzak tegen haar pa? Of trut tegen haar moeder? Heeft Tiny wel vrienden?

Heel veel en geen één want Tiny is overal de beste en van concurrentie is zelfs geen sprake. Ze heeft de natuurlijke verantwoordelijkheid en het natuurlijk gezag over de mensen, de dingen en de dieren.

Tiny staat voor de maakbaarheid van elk kind. Ze is de wensdroom van iedere ouder.

Arme Tiny.

De enige waar wat leven in zit, het enige kind eigenlijk, feitelijk is Poeffie, de hond. Die doet en denkt als een echt kind en dus krijgt hij ook af en toe een standje. Waarom is Poeffie toch zo wild en waarom stelt hij zulke domme vragen? Ach, beter een hond dan een zwarte Cacao.

Eerst heet Poeffie nog Robbie (Tiny aan zee, 1956), daarna Kiki (Tiny in het cirkus, 1956) of Dikkie (Tiny op school, 1957), en uiteindelijk dus Poeffie.

En de schrijver is een echte poëet want in Tiny op de boot uit 1961 is Poeffie op de ene pagina Fikkie en op de volgende pagina stort hij neer en is hij plots weer Poeffie geworden. Wat een wondere wereld.

Ook heel wonderlijk zijn de vele broertjes van Tiny: er is Jantje, Flipje, Leo en Hansje en ze zijn allemaal even oud. Behalve Hansje, het kleine broertje waar Tiny als een toekomstige moeder op mag oefenen.

De papa van Tiny is vaak afwezig, maar bepaalt de norm. En zoals het een dochter past in die dagen zal Tiny proberen om papa blij te stemmen. Papa zorgt ook altijd voor verrassingen want hij denkt aan Tiny, ook al is hij er niet. Uit Tiny is jarig:

"... de verrassing, waar de Papa (met hoofdletter) van Tiny in het geheim voor gezorgd heeft. Het is een klein vuurwerk..."

Haar mama kookt noch strijkt - dat doet Tiny wel in haar plaats - ze is altijd koket gekleed en gecoiffeerd. Ze stinkt niet en ze heeft geen problemen met wildgroei op haar bovenlip of wildgroei bij haar kinders. Het is een Barbie met Franse cup.

Het simplisme van de verhalen is tergend. De fantasie bijna onbestaande, de moraal verstikkend en het positivisme deprimerend.

De oudste boeken zijn de meest poëtische: Tiny gaat op reis, Tiny in het cirkus, Tiny krijgt een kalender. Daarna gaan de avonturen lijnrecht van punt b naar punt b en de vertalingen zijn soms nog krommer dan het origineel bijvoorbeeld: Tiny gaat ziek verkleden.

In 1997 sterft de scenarist en neemt de zoon van de tekenaar, Jean-Louis Marlier, de fakkel over (Tiny leert tekenen is zijn eerste scenario). De verhalen krijgen iets meer psychologie, maar zijn nog even rechtlijnig. En de naam van Gijs Haag blijft op het omslag staan.

Maar Tiny is vooral de verdienste van de tekenaar. Hij heeft dromen geschilderd. Marcel Marlier heet hij, en hij leeft nog. In elk nieuw boek woont Tiny in een ander huis, elk boek is een staalkaart van de mode, het design en de lingerie uit die dagen.

En het is precies daar dat de aantrekkingskracht ligt van de reeks: elk kind wil daar zijn. De prenten ademen rust, schoonheid en harmonie. Ze zijn herkenbaar, nooit bedreigend en altijd hoopvol. Zo ziet het leven er niet uit maar zo kun je wel eventjes verder als de realiteit te zwaar gaat wegen.

Dank u, monsieur Marlier. Het moet een soort god zijn, denk ik.

Op een dag, lang geleden, ben ik hem gaan opzoeken. In Doornik, waar hij woont.

Het is avond, het is winter. We rijden het tuinpad op, het huis ligt in een bosje, en aan de kant van het tuinpad flitsten een voor een, floep floep floep, de lampjes aan. Zoals een snoer kerstlichtjes. Wat een idylle denk ik.

Marcel Marlier doet de voordeur open van zijn charmante huis uit de jaren vijftig. Het is een saaie, ergerlijke en bekrompen man. Ik zie dat direct.

Hij toont me zijn atelier. Het is een deel van de living, achter een gordijn, zoals bij Magritte, met zicht op de keuken, waar hij zijn vrouw in de gaten kan houden. Of omgekeerd: "Marcel, que fais-tu?" "Rien chérie, je dessine une petite culotte", of zoiets.

Hij laat me veel originele prenten zien. Ze zijn wonderlijk, ik wil er meteen een kopen. Maar Marlier verkoopt geen platen, hij signeert ze als kunstwerken en zijn collectie is intact. Hij bewaart ze in stapels op een tussenverdieping.

Ik vraag hem veel over techniek, decors, of hij met foto's werkt. Nee, alles uit het hoofd, zegt hij. Maar hij schetst ook veel. Hij bestudeert zijn onderwerpen. Grondig. En dat zie je, je kunt bijna in de prent binnengaan.

Ik vraag hem ook over de slipjes. Nu wordt hij kwaad. "On a fait des études sur ce sujet là, à l'université. On m'a insulté, à propos des culottes et je dois vous dire: je ne suis pas comme ça. J'ai dessiné la mode."

Hij pleit onschuldig: het was mode. Hoewel... in Tiny op ballet tel ik 33 en meer tere venusheuveltjes. Hij heeft zijn onderwerp goed bestudeerd.

Hij is zielig, mijn held.

Ik vertrek en denk: beter een dode held dan een levende. Maar bon, de afrekening kan beginnen.

Ik lig in de zetel. En ik peins: Tiny wordt vijftig.

Ze leeft en overleeft, ze heeft zelfs een standbeeld in Doornik.

Maar Tiny is een gecultiveerde vijver in een kortgemaaide pelouse waar haar hond af en toe in komt kakken. Tiny is een mooie verpakking vol Prozac. Fuck Tiny.

In oktober wordt Tiny helemaal gevierd. Nu loopt er in Verviers een tentoonstelling van de prenten uit de albums in het Centre Touristique, Rue de la Chapelle 30,van maandag tot zondag van 10 tot 18 uur.

Eind oktober gaat De fijnste dagen van het jaar in première in HETPALEIS, een voorstelling die vrijelijk geïnspireerd is op Tiny en gecreëerd wordt door vzw Jenny en HetPaleis.

We spelen wel elke zomer een keer of drie 'Tiny speelt toneel'. Mijn zus is altijd Tiny. En ik ben altijd het knechtjeTiny droeg slipjes waarvan de elastiek nog niet was uitgerekt, kwaliteitslingerie van Petit Bateau.

Ik tel alle slipjes en stipjes in de boeken die ik heb. Ik tel er 33 en meer

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234