Woensdag 23/10/2019

Met de dood van een schrijver werd een generatie gedoopt

Afgelopen zaterdag werd Thomas Blondeau (°1978) gecremeerd en begraven in zijn geboorteplaats Poperinge, vlakbij de Franse grens. Schrijver Daan Heerma van Voss (°1986) staat stil bij de massale reacties die zijn dood teweegbracht bij de jonge generatie.

De Bezige Bij, uitgever van Blondeau, had een bus gecharterd, die om zes uur 's ochtends begon aan de vier uur durende reis naar Poperinge. De traditionele katholieke mis zou plaatsvinden in de kerk waar Blondeau ooit was gedoopt. Rond de vijftig vrienden, bekenden, bijna allemaal schrijvers of anderszins in de literaire wereld werkzame figuren, in één bus, zwart, Royal Beuk. Het was de eerste dubbeldekker-lijkwagen die ik ooit had gezien. Een laatste groet en een eerste bedevaart ineen.

In zijn laatste boek, Hoogteverschillen, schrijft Julian Barnes dat de wereld voor iedereen die haar bevolkt, grofweg drie keer wordt verdeeld. Eerst 'in hen die seksueel actief zijn geweest en hen die dat niet zijn geweest. Later in hen die liefde hebben ervaren, en hen die haar niet hebben ervaren. Nog weer later [...] in hen die verdriet hebben gekend en hen die dat niet hebben gekend. Die scheidslijnen zijn absoluut; het zijn keerkringen die we passeren.'

Deze woorden hebben me afgelopen week, de week van de dood van Thomas Blondeau, herhaaldelijk overvallen. De vele getuigenissen van rouw, niet alleen maar wel grotendeels afkomstig uit de jongste generatie schrijvers, maken ons iets duidelijk, en niet alleen maar dat de literaire wereld geschokt is door zijn plotselinge dood. Want rouw bestaat nooit uit rouw alleen. De jongste generatie schrijvers heeft, op zoek naar iets om zichzelf mee te definiëren, behoefte gehad zich te laten raken, om elkaar in verlies te vinden.

Geen onderwerp is zo precair als de analyse van rouw. Dat realiseer ik me terdege. Dit artikel is geen recensie van de oprechtheid van andermans leed. Een dergelijk stuk, zou het geschreven kunnen worden, dan in ieder geval niet door mij, deel van de groep die ik beschrijf, en bovendien een bekende van Thomas Blondeau. Ik geloof, wil geloven, dat geen van de gelaten tranen onoprecht is geweest.

Het verdriet over zijn dood legt existentiële angsten en behoeftes bloot. De grootste angst: dat om het even wie zomaar kan sterven, van de ene op de andere dag, een scheur in een nooit geziene ader, meer is er niet voor nodig. Iedereen kan gaan slapen en niet meer wakker worden. Dit is een universele, tijdloze angst, alleen draaglijk omdat we de waarheid ervan op dagelijkse basis negeren.

De tweede angst, belangrijker voor schrijvers dan voor anderen: de angst voor het gebroken oeuvre. Het oeuvre van Thomas Blondeau, bestaande uit vele artikelen, enkele bloemlezingen en drie romans, waarvan niemand wist welke lengte en diepte het zou bereiken, zal definitief incompleet zijn, een paradox die het angstbeeld betekent voor iedere schrijver. Hoe waanzinnig de illusie van eeuwigheid ook is, ze speelt een belangrijke rol voor iedereen die schrijft of zich anderszins met kunst bezighoudt. Het idee dat bij een plotselinge dood niet alleen het leven voorbij is, maar ook het werk dat het leven voor een groot deel in beslag heeft genomen, is ondraaglijk. Columniste Simone van Saarloos (1990) schreef voor Tirade over de dood van Blondeau in algemene zin: 'Het overlijden van de schrijver mag niet tot een donkere schaduw uitdijen waardoor het werk zijn kleurschakeringen kwijtraakt.' Een nauwgezetter verbeelding van de doodsangst van de schrijver heb ik niet gevonden. Schrijver Yannick Dangre (1987) schreef in De Morgen: 'In de eerste plaats bedank ik je voor je mooie boeken. Die hebben we voor altijd, geen herinnering of ironische opmerking verslijt ze.' De tragiek is natuurlijk dat in een tijd waarin Reve, Hermans en Mulisch voor het overgrote deel van de bevolking al niet meer zijn dan verglijdende namen, terwijl de aan die namen verbonden boeken aan steeds fragieler draad blijken te hangen, de kans op vergetelheid in het geval van Blondeau natuurlijk vele male groter is dan die op eeuwigheid. Dat is geen schande, het zegt ook niet veel over de kwaliteit van het werk, hooguit over de onbarmhartigheid van het collectieve geheugen.

Verderop in het stuk van Van Saarloos: 'Het was hem zo gegund, verdomme, verdomme! Het was hem zo gegund: die liefde, geluk, een volgende (en daarop volgende) roman.' Uiteraard gunnen we hen die wij goed gezind zijn het beste. Maar vanwaar de openbaarheid van dergelijke cris de coeur?

Omdat de scheidslijn van zijn dood, onze scheidslijn in het leven is gebleken. Een manier om te laten zien dat deze generatie schrijvers de diepte van lijden kent, dat de in columns en romans vaak verheerlijkte en even vaak verguisde oppervlakkigheid van de onbezorgde oorlogsloze jeugd, definitief voorbij is. Schrijver Jamal Ouariachi (1978), over de avond na de bekendmaking van Blondeaus dood, bijeengekomen met enkele vrienden en bekenden van Blondeau. 'We lachen veel, zenuwachtig omdat elke tekst die we bedenken voor de rouwadvertentie absurd lijkt. Omdat wij, jonge mensen, dit niet horen te doen voor een leeftijdgenoot. We drinken, we lachen.' Niets bestendigt de sociale verbondenheid meer dan het gezamenlijk benadrukken wat de groep in kwestie wel en niet zou mogen of moeten doen. Ineens blijkt er een gemeenschap te bestaan. Wanneer deze precies is ontstaan, is onduidelijk, onbelangrijk ook. Hij is er. En vanaf dat moment komt de dynamiek op gang dat mensen hun identiteit deels ontlenen aan het al dan niet behoren tot deze groep. Het navrante is dan ook dat weldoorvoelde rouw een tweede doel gaat dienen. De getuigenissen ervan zijn bewijsstukken geworden dat het toebehoren tot de groep in het geval van de eigenaar van het bewijsstuk legitiem is, in simpeler bewoording: dat hij de dode goed genoeg kende, om tot de groep der diep getroffenen te behoren. De scheidslijn van Thomas' dood is van buitenaf opgedrongen, maar van binnenuit omarmd.

Het is belangrijk te beseffen dat het geen wilsbesluit is, hoe te reageren op iemands dood, hoe te rouwen. Het is geen bewuste handeling. Het is 'ons' overkomen, de dood zelf, de vervolgens ontstane dynamiek ook. Voor het eerst hebben we te maken met het besef van een groepsgevoel, pas ontstaan nadat een van de leden van een groep die voorheen niet bestond, is weggenomen.

Ook ik ontsnapte niet aan deze problematiek. Maandag werd ik gebeld door het NOS-radiojournaal. Eerst verwees ik hen door naar Thomas' beste vriend, Arjen van Veelen (ik kende Thomas goed genoeg om te weten wie zijn beste vrienden waren). Die was begrijpelijkerwijs te zeer getroffen om journalisten te woord te kunnen staan. Meer mensen bedankten voor de eer. De NOS kwam opnieuw bij mij. Ik dacht: het is beter dat ik het doe, dan niemand anders. Zo heeft het kunnen gebeuren dat iedereen die maandag om kwart voor zes 's avonds naar Radio 1 luisterde, mijn stem hoorde, pratend over het werk van de zojuist overleden Thomas Blondeau. Ik kwam in de problemen bij de laatste vraag, of heel Nederland nu zijn boeken moest lezen om te weten te komen wie hij echt was. De sentimentaliteit van die vraag, het angstbeeld te moeten optreden als zegsman voor een oeuvre waarvan ik lang niet alles heb gelezen, deed me antwoorden dat mensen nooit een boek moeten lezen om de schrijver ervan te leren kennen. En alsnog ontkwam ik er na het ophangen van de telefoon niet aan mijzelf af te vragen of ik het juiste had gedaan, of ik mijzelf met dit openbare optreden - als mensen zouden zoeken naar fragmenten over zijn dood zouden ze onherroepelijk ook bij mij uitkomen - geen legitimatie probeerde te verschaffen die ik niet verdiende. En nu schrijf ik dit artikel. De vraag of ik hiermee niet hetzelfde doe als hen die ik beschrijf is relevant, maar niet door mij te beantwoorden.

Een uitzondering op deze trend was de reactie van schrijver Henk van Straten (1980), die op zijn website schreef: 'Blondeau en ik waren niet dol op elkaar. Ik kan natuurlijk niet weten wat hij dacht, maar toch, ik heb het vermoeden dat ik ook namens hem spreek. We hebben, volgens mij, nooit met elkaar gesproken, en toch mocht ik hem niet. Ik zag hem als de archetype auteur. Colbertje aan, hoogdravend doen over literatuur. Een hautain mannetje. En ik wist ook hoe hij mij zag. Ik was een boertje uit Eindhoven. Zonder dat we elkaar hadden gesproken, zonder dat ik het in de gaten had gehad, was ik hem gaan zien als een vijand.' Afgezien van de schaamteloosheid en de lompheid van de eerlijkheid waarop Van Straten zo prat gaat, en het feit dat het stuk, zoals het merendeel van zijn journalistieke werk, is doordesemd van een nergens op gebaseerde, puberaal aandoende klassenwroeging, is ook zijn commentaar een nadrukkelijke poging van een (betrekkelijk) jonge schrijver tot herijking na de dood van Blondeau. Het verschil: Van Straten kiest ervoor de outsider te zijn, al roept hij in het niets.

Jamal Ouariachi schreef verder op zijn blog: 'Herinneringen aan een dode zijn altijd particulier, het ophalen ervan heeft iets egoïstisch. Maar als ik aan Thomas denk, denk ik nu eenmaal aan de momenten die hij en ik deelden.' De lichte gêne die vervat zit in deze woorden, alsmede de plek van publicatie (de eigen website, niet in een krant of tijdschrift) is uitzonderlijk, een zelfreflectie en bescheidenheid die contrasteert met menig ander artikel over de dood van Blondeau.

Schrijvers die dachten eerder niet of nauwelijks deel uit te maken van een generatie (hier veelal hun unique sellingpoint van probeerden te maken), voelden nu een verbondenheid, die op meerdere fronten tegelijk troostend was. Ze was bruikbaar om het doodsleed mee te proberen te verzachten; om houvast te vinden in een wereld waar houvast even weggeslagen leek; om lotgenoten te vinden, te bepalen wie er bij hoort en wie niet.

Ik druk u op het hart: geenszins betekent het bestaan van deze bijbetekenissen van verdriet, dat het verdriet zelf relatiever wordt, of aan inflatie onderhevig raakt. Geenszins heb ik willen betogen dat het ervaren leed niet oprecht is geweest. Het is alleen wenselijk om te na te denken over de gretigheid waarmee het leed is beleden. Over wat het voorrecht te mogen rouwen om Thomas Blondeau betekent voor de plaatsbepaling, van de groep als geheel, van de individuen die tot de groep willen behoren. Voor veel jonge schrijvers is dit het eerste grote leed, om met Barnes te spreken: de eerste collectieve keerkring. Misschien is dat een troost, hoe schamel ook. De dood van Blondeau, het voor altijd tot stilstand komen van zijn nog slechts beginnend oeuvre, is hartverscheurend. Met de dood van een schrijver werd een generatie gedoopt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234