Donderdag 27/02/2020

Met de bus door het

Turkse binnenland

Het schrille alarmsignaal verstomt pas als de buschauffeur de motor afzet. Even later zien de passagiers hem met opgestroopte hemdsmouwen met een gereedschapkist zeulen. Stilaan verlaten ze hun zitplaatsen en steken een sigaret op in de schaduw van de doornachtige struiken langs de weg of doen er een tukje. Enkelen volgen de werkzaamheden van de chauffeur en de begeleider, die tot hun ellebogen onder het smeervet zitten. De zon brandt hier, op ongeveer honderd kilometer van de Middellandse Zee, nog genadeloos op de kruin. Verbazend is de vredige berusting bij de gestrande passagiers, niemand zeurt over het tijdverlies. Hoewel de otogar van Burdur slechts een paar kilometer achter ons ligt, komt een plaatselijke garage het vliegwiel ophalen voor reparatie. Je zou veronderstellen dat de vervoersmaatschappij een nieuwe autocar laat aanrukken vanuit het busstation van Burdur, maar zo gaat dat niet in Turkije. Ondertussen raast het verkeer, vooral bussen en vrachtwagens, onvervaard over het brede asfalt. Puffers die niet snel genoeg opschieten, worden toeterend de pechstrook opgejaagd.

Op die grote verkeersaders in Turkije is autorijden geen pretje. Veel dodelijke verkeersongevallen zijn te wijten aan dronken chauffeurs die roekeloos over de weg slingeren. Want hoewel pakweg negentig procent van de Turken zich moslim noemt, slaan ze aardig wat raki achterover. "Alle Turken drinken," vertrouwde een vermoeide barman me samenzweerderig toe. Misschien is alcohol in Turkije geen taboe omdat ook Mustafa Kemal Atatürk 'm stevig kon raken. Levercirrose velde de Vader der Turken in 1938 op 58-jarige leeftijd. Op 10 november, om vijf over negen, om precies te zijn. Zelfs het kleinste kind weet dat hier, de hagiografie van de nationale held wordt met de paplepel ingegeven. De staatsman die na de Eerste Wereldoorlog het verzet verenigde en in 1922 het sultanaat afschafte om Turkije een jaar later tot seculiere staat uit te roepen, blijft in het stadsbeeld aanwezig. Vereeuwigd in brons op pleinen of in citaten die ter stichting van de goegemeente boven de straten hangen.

Een medepassagier laat zich steunend op mijn schouder neerzakken op de lommerrijke berm. De jongeman ziet me voor een Turk aan en presenteert een sigaret. De eenzame reiziger in me laat zich zulks welgevallen: onopvallend meedrijven op het trage ritme van het plaatselijke leven is de essentie van reizen. De bestemming is voor die eenzame reiziger slechts een voorwendsel om onderweg te zijn. Met een beetje een getaande huid en als je thee (çay, spreek uit 'tsjaai') kunt bestellen, ben je in Turkije een bevoorrecht participerend observator. Maar dan moet je die dure fototoestellen, de reisgidsen en de schreeuwige shorts wel thuislaten.

Ali heet de donkere jongeman. Als ik beken geen Turks te spreken, gaat hij over op vloeiend Duits. Ali heeft in Burdur zijn legerdienst beëindigd en is nu op de terugweg naar Berlijn. "Mijn heimat," zegt hij. Net als de Turken bij ons moet iedere man in Duitsland die zijn Turkse nationaliteit wil behouden legerdienst vervullen, anders komt hij zijn land van herkomst niet meer in. Maar wie in het Westen woont, kan zich vrijkopen van het strenge achttien maanden durende regime waaraan de inlandse jongemannen zijn onderworpen. Tegen betaling van een fikse som geld wordt de dienst van de 'buitenlanders' teruggebracht tot één maand. Het modern uitgeruste Turkse leger slorpt een gigantisch budget op en zit dan ook meer verlegen om geld dan om manschappen. Gisteren nog las ik op het keienstrand van Antalya in de Engelstalige Turkish Daily News dat de Turkse defensie moet beslissen over enkele belangrijke investeringen. De namen in het artikel, zoals het Belgische Sabca als een van de kandidaten voor de modernisering van de straaljagers en Agusta voor de helikopters, gaven me bijna het gevoel weer thuis te zijn.

Dat is ook zo. Net als Ali ben ik op weg naar Izmir, de derde grootste stad in Turkije, waar we morgen het vliegtuig zullen nemen. De bus lijkt inmiddels, na ruim twee uur, gerepareerd. De mechaniciens draaien de laatste bouten vast terwijl de buschauffeur en de begeleider een smetteloos wit reservehemd aantrekken. Mehmet, Ali's vriend, steekt uitnodigend zijn hand uit om me recht te trekken. In Turkije maak je snel vrienden. Als de buschauffeur aan een drankgelegenheid halt houdt om te schaften, trakteert Mehmet mij en zijn vrienden op een soort pannenkoek van brooddeeg met een glaasje thee.

De begeleider, die instaat voor het welzijn van de passagiers en de chauffeur aanwijzingen geeft bij manoeuvres, springt op de rijdende bus. Net als bij het vertrek vanochtend gaat hij rond met eau de cologne die hij in de handpalmen sprenkelt. Daarna krijgt iedereen weer een bekertje water, vervolgens een gebakje en dan wat limonade. Net als bij het vertrek. Zo gaat het aan boord van zowat alle bussen die voor rekening van een tiental privé maatschappijen, dagelijks het land doorkruisen. Van otogar tot otogar verzekeren ze op vrij stipte wijze en tegen ongeveer 1,20 frank per kilometer het openbaar vervoer op de lange afstanden. Ik reed de voorbije dagen met Kamil Koç, de firma die in 1926 door deze meneer met zijn weinig appetijtelijke naam werd opgericht, in de veronderstelling dat maatschappij met de langste traditie ook wel de degelijkste zou zijn. Maar volgens Ali en zijn vrienden rijden de meeste concurrenten met nieuwere bussen. Op reis blijkt de intuïtie toch niet altijd even betrouwbaar.

Het Anatolische landschap biedt na vijftien dagen de bekende variaties. Na de steile bergketen langs de kust bollen we door het verweerde, golvend landschap. Het grijsgroen van de 'hofkens van olijven', hier en daar een herder met een kudde schapen of geiten en katoenplantages met nog enkele plukken wit, schuiven voorbij. En vooral ook de halfvoltooide huizen met het betonijzer dat uit de karkassen omhoog steekt, in afwachting van het optrekken van een volgende verdieping, en met de schotelantennes en de wapperende was. Maar de aandacht van de passagiers wordt steeds meer afgeleid van het landschap. Om de vertraging te beperken, schuwt de chauffeur geen risico's bij het inhalen. Het mag echter niet baten. Het is al donker als we anderhalf uur later dan voorzien in de chaotische drukte en de walmende uitlaatgassen van de otogar van Izmir uitstappen. Niemand schijnt daar last van te ondervinden, familieleden begroeten de aangekomenen met aandoenlijke omhelzingen, anderen doen het afstandelijker en geven hun onverstoorbare, grijsbebaarde vaders de traditionele kussen op de hand. Ik slinger mijn tas om mijn schouder en stap in een taxi. Iedereen in Izmir kent het Dekim Otel, had men me gezegd. Dat klopt, de taksi-chauffeur boort zich op onnavolgbare wijze door het wriemelende verkeer. Ik moet denken aan het grapje van de Franstalige gids die in Istanbul zei dat rode lichten voor de Turken niet imperatief, maar veeleer facultatief en vooral decoratief zijn.

Het Dekim Otel is een gezellig en levendig hotel met op het eerste gezicht weinig toeristen. Een hotelkamer kost er 2.000.000 Turkse lira, dat is omgerekend ongeveer 400 frank. Erg schappelijk, maar voor de Turken die hun flappen van een miljoen in waarde weten dalen terwijl ze ze uit hun zak halen, blijft het een luxe.

Ik ga 's avonds nog even wandelen. Om de hoek ligt het spoorwegstation. Ik proef de desolate troosteloze sfeer in de wachtplaats, waar zich een handvol marginalen heeft genesteld. Om kwart over elf vertrekt er nog een trein naar Ankara. Ik stel me voor hoe de wagon tergend langzaam door het landschap trekt. De aanvangsverzen van Mensenlandschappen van Turkijes grootste dichter, Nazim Hikmet, komen in mijn gedachten terwijl ik een straat met vele nachtclubs in loop. Een zwaar gemaquilleerde blonde vamp, veel indigo en roze, schuift het kralengordijn opzij en lonkt. Een 'expert' met wie ik het nachtleven in Antalya ben ingedoken, wist te vertellen dat die beschilderde Russische hoeren de markt kapot maken. Maar wat te zeggen van de Azerbeidzjaanse meisjes in de nightclubs? Die zouden het zelfs voor niets doen, als je hen een beetje bevalt tenminste. Waar of niet, ik heb het maar van horen zeggen.

Weer op mijn kamer, die ondanks het door sigarettenas verminkte vast tapijt, een luxe is na alle pensionnetjes van de voorbije dagen, probeer ik mijn notities wat te ordenen. Het is niet makkelijk alles weer op een rijtje te krijgen, van de landing in Istanbul vijftien dagen geleden tot vandaag. Gemakshalve neem ik aan dat het weinig zin heeft om alle monumenten en archeologische plaatsen de revue te laten passeren. Mijn uitleg zal nooit zo erudiet zijn als wat diverse publicaties en de gidsen van een gespecialiseerde touroperator als Marmara in Brussel, met wie ik de eerste dagen meereisde, te vertellen hebben. Pergamon, Efese, Priene, Afrodisias, Milete... de reeks belangrijke plaatsen die tijdens de Griekse en de Romeinse perioden een rol speelden is ellenlang. Weet dat Homeros in Smyrna werd geboren en Paulus in Efese de boodschap kwam brengen en dat Turkije rijk is aan overblijfselen uit antieke culturen. Nog steeds, ondanks de hebberigheid van Duitsers en Britten die hun musea hebben volgestouwd met waardevolle vondsten uit Turkse grond. Waarom zeuren de Duitsers al jaren over de schat van Priamus die aan het eind van de Tweede Wereldoorlog door het Rode Leger als oorlogsbuit uit Duitsland is meegenomen? Amateur-archeoloog Schliemann is die goudschat, met de spade op de schouder, toch gewoon gaan stelen in Troje. Hetzelfde geldt voor het Pergamonaltaar, dat de Russen wel hebben teruggegeven aan het museum in Dresden. Mocht Turkije uit het British Museum alle voorwerpen weghalen die op Turks grondgebied zijn gevonden, dan zou het Londense museum heel wat plaats winnen.

Zelf hebben de Turken niet zoveel in musea staan. Er is een mooi klein museum met vele gracieuze Hellenistische torso's die in de omgeving van de overblijfselen van de prachtige oude stad Afrodisias werden gevonden. Ook het Archeologisch Museum in Antalya en het Sadberk Hanim Müzesi in Istanbul, een privémuseum, zijn uitzonderlijk interessant. Om een beetje te kunnen volgen is het wel aan te raden de lange geschiedenis voor onze jaarrekening even door te nemen. Of zegt het Hettietenrijk, dat rond 1200 v. Chr. onder de voet werd gelopen, je iets? En de kleine Hettitische stadstaten die nog vier eeuwen standhielden tot de Assyriërs uitbreiding zochten? Aan de Lyciërs, om nog maar een greep te doen uit de rijkdom aan oude beschavingen, kun je in de streek van het mooie havenplaatsje Fethiye (tussen Mugla en Antalya) niet voorbij. Hun grafmonumenten met de statige zuilen, uitgehouwen in de steile rotsen, bieden een onwaarschijnlijke aanblik. Strikt is dit geen voorvaderlijke erfenis van de Turken: de huidige bevolking stamt af van een volk dat zich pas een goede vijfhonderd jaar geleden vanuit Centraal Azië in Klein-Azië vestigde. Daarvoor had je natuurlijk het Byzantijnse Rijk en de rijke Hellenistische beschaving die begon met de overwinning door Alexander De Grote op de Perzen in 334 v. Ch.

Gedver, hoor ik daar op de gang West-Vlaams? Ik luister opnieuw en aandachtig, een mens die alleen reist meent op de duur het dialect uit zijn geboortedorp uit de mond van een Russische douanebeamte te horen. Het is wel degelijk West-Vlaams: een conversatie tussen deelnemers aan een groepsreis, zo blijkt. Ze vinden de afstanden tussen de bezienswaardigheden te groot. Dat komt ervan als je je beperkt tot de grote cultuurtoeristische trekpleisters. Als de reis gaat van Istanbul naar het rijke, groene Bursa en dan meteen naar het zogenaamde natuurwonder van Pamukkale en de daar gelegen overblijselen van Hierapolis - de necropool met de graven verspreid over enkele hectares is ideaal om verstoppertje te spelen - wordt het beslist een vermoeiende onderneming. De witte kalkterrassen van het 'katoenkasteel' (letterlijke vertaling van Pamukkale) zijn die lange uitputtende tocht niet waard. Een bezienswaardigheid die je niet voorbij moet rijden blijft het wel, maar snel onderweg al het andere niet voorbij. Een als heilzaam bekend staand bad in de natuurlijke bassins van de kalkterrassen is nu toch verboden en de hotels in de omgeving, die het voortbestaan van dit merkwaardig natuurverschijnsel bedreigen, zijn duur. Neem onderweg liever de tijd voor een ontspannend Turks bad in een hamman - in momenten van vermoeidheid krijg ik nog visioenen waarin het zalige historische badhuis in Bursa opdoemt - stop ergens waar niets speciaals te zien is of doe de nagenoeg onbekende archeologische vindplaatsen Aizanoi en Sardes aan. Rond de Zeustempel in Aizanoi, in 1970 ontdekt door de Duitser Neumann, heerst een geheiligde stilte en de armoedig geklede veldarbeiders bekijken je als een verdwaalde zonderling. Als het daar toen niet zo had gewaaid, zou ik er meteen een namiddag al lezend hebben doorgebracht.

De West-Vlamingen voor mijn kamerdeur wensen elkaar goede nacht. Ik rep me mijn kamer uit en vraag of zij morgenvroeg een transfer naar de luchthaven hebben. Nee, ze zijn nog op rondreis. Tiens, je leest nochtans vaak dat Izmir de toerist weinig te bieden heeft. De stad is namelijk afgebrand in 1922, tijdens de onafhankelijkheidsoorlog. Toen de Grieken de bezetting van de stad opgaven - de Italianen, de Engelsen, de Fransen en de Russen hadden een ander deel van het vroegere Osmaanse rijk onder hun controle - woedde dagenlang een brand in Izmir. Nu is het een nogal rommelig heropgebouwde stad zonder monumenten, maar ik vind ze wel wat hebben.

Bon, ik heb mijn reisnotities eindelijk op orde. Het begint met: 'Geland in Istanbul op de Kemal Atatürk-luchthaven: 10 dollar voor visum. Twee dagen is te kort om deze gigantische, uitgestrekte stad met haar vermoedelijk 13 miljoen inwoners te leren kennen. Indrukwekkende nachtelijke skyline: van links naar rechts het Topkapimuseum, de Hagia Sophia, de Blauwe Moskee met haar zes minaretten en voorts de Suleimanmoskee en een kleinere moskee'. Die Hagia Sophia, waarvan de zogenaamde zwevende koepel architecten in verrukking brengt, moet je zeker eens bezoeken. Een monument dat je van nostalgie vervult is het hotel Pera Palas, dat in 1892 voor de passagiers van de Orient Express werd gebouwd, maar nu, ondanks de prachtige lift en de hoge prijzen, op vergane glorie begint te lijken. Niet alleen Izmir oogt chaotisch: de stedenbouwkundige anarchie blijkt in Istanbul onder meer uit de gecekondu. Letterlijk betekent dat ''s nachts gebouwd' en het is in Turkije een staande uitdrukking geworden voor de vele illegale woningen die meestal op grond van de staat worden opgetrokken. Ergens in de buik van deze voor de bevolking van het platteland zedenloze westerse stad houden zich ook vele Koerdische vluchtelingen schuil. Dat brengt me bij de opmerking van een vriendin die mij van in Brussel achtervolgde. Ze vond mijn reis naar Turkije not politically correct: als toerist steun ik een pervers regime. Terwijl ik uit het hotelraam naar de lichtjes op het plein tuur, bedenk ik dat zij uitgaat van de hypothese dat als het economisch slechter gaat met Turkije, dit een positief gevolg zal hebben voor de onderdrukte minderheden. Maar zal verarming het repressieapparaat verzwakken? Ik denk dat je dit prachtige land, dat nog meer te bieden heeft dan overblijfselen van oude beschavingen en de baaien van de Egeïsche Zee en de Middellandse Zee, mag bezoeken. Maar doe het niet als een kip zonder kop.

We reisden de eerste dagen met touroperator Marmara (Pacha Tours), van Istanbul via Bursa en Pamukkale naar Bodrum, en bezochten onderweg de belangrijkste archeologische plaatsen. De brochure van Marmara is verkrijgbaar in de reiswinkel.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234